← België

Arrest 190880 - Milieuvergunningen - 26/02/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.880 Rolnummer: A. 154799/VII-32644 Zaak: Arrest 190880 - Milieuvergunningen - 26/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-06 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 19:48 Fiche Arrest nr 190.880 van 26 februari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.880 van 26 februari 2009 in de zaak A. 154.799/VII-32.644. In zake : de NV AZUUR, gevestigd te LONDERZEEL, Berkenlaan 51 tegen : de deputatie van de provincie Antwerpen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV AZUUR op 17 augustus 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 27 mei 2004 waarbij haar beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Willebroek van 20 januari 2004, houdende weigering om haar een milieuvergunning te verlenen, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 8 mei 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 29 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 januari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; VII-32.644-1/12 Gehoord de opmerkingen van advocaat I. VAN LOO die, loco advocaat J. VANDERSTRAETEN verschijnt voor de verzoekende partij, en van bestuurssecretaris M. MICHIELS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. Op 19 november 2003 dient de verzoekende partij bij het gemeentebestuur van Willebroek een milieuvergunningsaanvraag in voor de exploitatie van een nieuwe inrichting die evenwel "reeds in exploitatie (

  1. is)sinds 11 jaar". Het voorwerp van de exploitatie wordt als volgt omschreven : "- 15.1.2 Stallen van 40 à 50 autovoertuigen - 3.3 Lozen huishoudelijk afvalwater". 1.2. Op 20 januari 2004 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Willebroek de gevraagde vergunning omdat zij niet verenigbaar is met de stedenbouwkundige voorschriften. 1.3. Met een aangetekend schrijven van 12 februari 2004 stelt de verzoekende partij beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen. Zij zet uiteen dat de inrichting reeds tien jaar bestaat en door de gemeente gedoogd is en dat er op hetzelfde terrein een milieuvergunning toegekend is voor een depannagebedrijf met bijhorende stelplaatsen en een herstelwerkplaats. Die vergunning loopt tot 23 mei 2015 en zij wil voor haar inrichting een vergunning van gelijke duur. Zij argumenteert dat het zonevreemd karakter van haar gebouwen niet mag beletten dat zij een exploitatievergunning voor het stallen van wagens verkrijgt en dat het gewestplan Mechelen -dat de betrokken percelen als bufferzone indeelt- onwettig is. 1.4. In het kader van de beroepsprocedure wordt een aantal adviezen uitgebracht : VII-32.644-2/12
  2. a)de afdeling Milieuvergunningen (hierna : AMV) adviseert op 29 maart 2004 ongunstig. De dienst is van oordeel dat, omdat de inrichting gelegen is in een bufferzone (klaverblad A 12), zij zonevreemd is. Bovendien zou de afdeling Wegen en Verkeer nadere plannen hebben voor de ontwikkeling van het wegencomplex. De verzoekende partij kan zich ook niet beroepen op de schending van het gelijkheids- beginsel doordat een andere onderneming in dezelfde zone wel een vergunning verkreeg;
  3. b)de afdeling Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten & Landschappen (hierna : AROHM) geeft op 5 mei 2004 -laattijdig- een ongunstig advies. Er wordt uiteengezet dat het goed in een bufferzone ligt; er geldt dan ook een principieel bouwverbod; de aanvraag is in strijd met het van kracht zijnde gewestplan; op 15 januari 2002 werd daarenboven een weigering afgeleverd door het college van burgemeester en schepenen voor het stallen van wagens;
  4. c)op 11 mei 2004 adviseert de Provinciale Milieuvergunningscommissie (hierna : PMVC) ongunstig. Het advies luidt : "1. Horen van de exploitant - De heer R. Verspecht, afgevaardigd bestuurder, en de heer J. Vandevelde, advocaat, worden gehoord. - Desgevraagd verklaren zij dat de exploitant over een perceel grond beschikt in buffergebied en hier een milieuvergunning vraagt voor de stalling van auto's. Naast deze inrichting is er een carrosseriebedrijf gelegen op hetzelfde terrein in buffergebied dat door het schepen- college milieuvergund werd tot 2015. Het weigeren van een milieuver- gunning voor onderhavige exploitatie is dan ook een schending van het gelijkheidsbeginsel. Een carrosseriebedrijf is meer vervuilend voor het milieu dan een autoparking. De exploitant vraagt dan ook op vlak van de milieuvergunningen een gelijkberechtiging. - De exploitant stelt dat een milieuvergunning niet kan geweigerd worden louter en alleen op basis van stedenbouwkundige overwegin- gen. De exploitant merkt op dat voor de stalling van de auto's geen bouwvergunning nodig is omdat op deze tentoonstellingsruimte geen autowrakken gestald worden. De auto's worden gestald op een verharding die via een procedure voor de rechtbank bouwvergund werd. Tegen deze uitspraak van de rechtbank is het schepencollege niet in beroep gegaan. De op het terrein aanwezige gebouwen zijn behou- den gebleven. - De exploitant deelt mede dat hij deze parking wenst te verkopen aan een andere exploitant (Ayat) samen met een milieuvergunning voor deze activiteiten. 2. Omschrijving en rubrieken - De omschrijving en rubrieken in het besluit van het schepencollege kunnen behouden worden, mits afzonderlijke vermelding van de klasse 3-inrichting. 3. Stedenbouwkundige verenigbaarheid - De inrichting is stedenbouwkundig niet verenigbaar, zoals geargumen- teerd in het advies van de AROHM. 4. Milieutechnische evaluatie VII-32.644-3/12 - De PMVC volgt het ongunstig advies van de AMV. De klasse 3- inrichting wordt hierdoor zonder voorwerp. 5. Evaluatie van het beroep - Het beroep ingediend door de exploitant is niet gegrond, zoals geargumenteerd in het advies van de AMV. 6. Evaluatie van het besluit van het schepencollege - Het weigeringsbesluit van het schepencollege kan bevestigd worden, mits het zonder voorwerp verklaren van de klasse 3-inrichting". 1.5. Op 27 mei 2004 bevestigt de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Willebroek. Dat besluit bevat volgende motieven : "Gelet op de ligging van de inrichting in een gebied van het gewestplan Mechelen waarvoor volgende voorschriften van toepassing zijn : bufferzone; Overwegende dat het goed in een bufferzone ligt en er dan ook een principieel bouwverbod geldt; Overwegende dat de aanvraag in strijd is met het van kracht zijnde gewestplan; dat op 15 januari 2002 daarenboven een weigering werd afgeleverd door het CBS van Willebroek voor het stallen van wagens; Overwegende dat gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, niet verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Gelet op het feit dat tijdens het openbaar onderzoek 1 bezwaar werd ingediend m.b.t. de stedenbouwkundige onverenigbaarheid en i.v.m. de uitbating zonder geldige vergunning; Overwegende dat dit bezwaar als gegrond dient te worden beschouwd, zoals blijkt uit het bovenstaande; Overwegende dat het ongunstige advies van de AMV en de PMVC in aanmerking kan worden genomen; Overwegende dat voor de evaluatie van de elementen aangebracht door de aanvrager/beroeper, gehoord door de PMVC kan verwezen worden naar het advies van de PMVC, hierboven weergegeven; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het ingediend beroep ongegrond te verklaren en het bestreden collegebesluit dd. 20 januari 2004 te bevestigen". 2. De ontvankelijkheid 2.1. In de laatste memorie en in de brief van 12 januari 2009 aan de Raad van State stelt de verzoekende partij dat zij eigenlijk geen milieuvergunning nodig had voor het uitvoeren van haar activiteit en dat de gehele betwisting berust op een misverstand, zowel bij haarzelf -zij dacht een milieuvergunning nodig te hebben voor het stallen van personenwagens- als bij het bestuur -dat de inrichting ook als een depannagebedrijf beschouwde. 2.2. De Raad van State kan op grond van de gegevens van het hem voorgelegde dossier vaststellen dat de verzoekende partij een vergunning aan- gevraagd heeft voor het "stallen van 40 à 50 autovoertuigen" en het lozen van VII-32.644-4/12 huishoudelijk afvalwater. Indien het stallen van voertuigen inderdaad beperkt is tot personenwagens -hetgeen de verzoekende partij ter zitting bevestigt-, staat niets de vaststelling in de weg dat voor die activiteit geen milieuvergunning vereist was en dat de verzoekende partij kon volstaan met de melding van de lozing van huishoude- lijk afvalwater als een inrichting van klasse 3. Dit zou dan betekenen dat de gehele administratieve procedure die over de vergunningsaanvraag gevoerd is en ook het onderhavige geding van meet af aan geen voorwerp gehad hebben. 2.3. Aangezien evenwel de verwerende partij ter terechtzitting het standpunt van de verzoekende partij niet bevestigd heeft en zij blijkbaar zelf geen initiatief genomen heeft om de bestreden beslissing in te trekken of vast te stellen dat de aangevraagde activiteit niet vergunningsplichtig was, is het niet geheel zeker dat de zaak kan worden afgedaan met de vaststelling dat de verzoekende partij geen belang heeft bij het onderhavige annulatieberoep. 3. De grond van de zaak 3.1.1. In het eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Zij stelt dat zij in de beroepsprocedure geargumenteerd heeft dat het gewestplan Mechelen ongeldig is -aangezien de modaliteiten van openbaar- making niet nageleefd werden- maar dat daar niet op geantwoord is, noch in het bestreden besluit, noch in de daaraan voorafgaande adviezen. Voorts is er een tegenstrijdigheid tussen de adviezen, in de zin dat AROHM een stilzwijgend gunstig advies gegeven heeft en het bestreden besluit niet uiteenzet waarom dat gunstig advies niet gevolgd wordt. Vervolgens heeft AMV een ongunstig advies verleend op grond van de vaststelling dat de afdeling Wegen en Verkeer plannen tot ontwikkeling van het wegencomplex A12 "zou hebben" en dat een vergunning die ontwikkeling zou bemoeilijken, maar daarmee gaat het bestuur uit van veronderstel- lingen die niet concreet gemaakt worden. Ten slotte antwoordt de verwerende partij ook niet op haar bezwaar dat een milieuvergunning niet geweigerd kan worden op grond van louter stedenbouwkundige overwegingen. 3.1.2. De verwerende partij antwoordt daarop : - het bestreden besluit stelt uitdrukkelijk dat de inrichting in strijd is met "het van kracht zijnde gewestplan", hetgeen inhoudt dat het tot stand gekomen is met eerbiediging van alle voorgeschreven pleegvormen. AMV heeft overigens VII-32.644-5/12 overwogen dat de verzoekende partij haar bewering niet staaft met een verwijzing naar een lopend annulatieberoep tegen het gewestplan; - in het bestreden besluit wordt uiteengezet waarom het stilzwijgend gunstig advies van AROHM niet gevolgd wordt. Er wordt gesteld dat het goed in een bufferzone ligt waar een principieel bouwverbod geldt. De aanvraag is dus in strijd met het gewestplan en er is overigens op 15 januari 2002 een vergunning geweigerd voor het stallen van vrachtwagens. Ook de PMVC heeft gesteld dat de inrichting stedenbouw- kundig niet verenigbaar is; - het bestreden besluit maakt melding van de adviezen die werden ingewonnen en de verwerende partij maakt de inhoud van de ongunstige adviezen tot de hare. Dergelijke motivering is afdoende; - de verwijzing naar de mogelijke ontwikkeling van het wegencomplex is niet relevant omdat de inrichting van de verzoekende partij zonevreemd is en zulks niet geregulariseerd kan worden. 3.1.3. De verzoekende partij repliceert dat het niet is omdat een gewestplan "van kracht is", dat het ook geldig is. De geldigheid van het gewestplan wordt betwist en er is "een procedure hangende tot nietigverklaring van het Gewestplan". Zij herhaalt dat zonevreemdheid geen reden mag zijn om een milieuvergunning te weigeren en dat het bestreden besluit niet terdege op haar argumenten daaromtrent geantwoord heeft. 3.1.4. In haar laatste memorie herhaalt de verzoekende partij nog dat het gewestplan Mechelen niet volgens de gestelde voorschriften openbaar gemaakt is, zodat het niet bindend is en niet tegenstelbaar aan de burger. Dat betekent dat het gewestplan ongeldig is en dat de voorschriften met betrekking tot de bufferzone niet van toepassing zijn. 3.1.5. De bestreden beslissing valt onder de formele motiveringsplicht. Dit betekent dat in het besluit zelf de redenen vermeld moeten worden waarop de beslissing steunt. Die motieven moeten toelaten te begrijpen waarom de in beroep aangehaalde argumenten niet bijgevallen worden of waarom de andersluidende adviezen niet gevolgd worden. Het is niet nodig dat elk argument uit het beroep- schrift expliciet beantwoord wordt, noch dat uiteengezet wordt waarom de andersluidende adviezen niet gevolgd worden. 3.1.6. De verzoekende partij voerde in haar beroepschrift aan dat het gewestplan Mechelen "ongeldig" is en dat het "niet tegenstelbaar" is wegens niet- VII-32.644-6/12 naleving van de voorschriften inzake de openbaarmaking. Daargelaten de vaststelling dat de verzoekende partij het desbetreffende punt in haar bezwaarschrift niet al te duidelijk formuleert en zij derhalve slecht geplaatst is om aan de verwerende partij onzuiverheden in de weerlegging ervan te verwijten, heeft het bestreden besluit haar wel degelijk van antwoord gediend. Met name heeft de verwerende partij zich aangesloten bij het advies van AMV waarin was gesteld : "Het beroepsargument dat het Gewestplan ongeldig is, niet tegenstelbaar aan de burger omdat de modaliteiten van openbaarmaking niet zijn nageleefd dient door AROHM te worden bekeken; er dient wel gesteld dat dit argument niet gestaafd is door de nodige bewijsstukken, waaruit zou blijken dat er procedures lopende zouden zijn ter nietigverklaring van het Gewestplan". De verwijzing naar het gebrek aan bewijzen omtrent procedures strekkende tot de vernietiging van het gewestplan geeft een duidelijk antwoord op het bezwaar en zij stelt de verzoekende partij in staat het motief inhoudelijk met kennis van zaken te bekritiseren. De formele motiveringsverplichting is niet miskend. Bovendien beroept de verzoekende partij zich op de miskenning van een vormvoorschrift om de geldigheid van het gewestplan in vraag te stellen, maar zoals blijkt uit de brief van 10 oktober 2003, die zij bij haar milieuvergunningsaanvraag gevoegd heeft en waarin zij schrijft "wij weten dat onze site in bufferzone is gelegen", heeft de eventuele miskenning van het vormvoorschrift de positie van de verzoekende partij niet nadelig beïnvloed. 3.1.7. Het bestreden besluit maakt melding van het "stilzwijgend gunstig advies" van AROHM. Dergelijk advies, dat zijn rechtsgrond vindt in artikel 12, § 1, tweede lid, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, is gunstig omdat de decreetgever dat precies rechtsgevolg verbindt aan het verstrijken van de adviestermijn. Het kan derhalve, inhoudelijk bekeken, niet strijdig zijn met de ongunstige adviezen die de vergunningverlenende overheid ingewonnen heeft. Het kan, bij gebrek aan inhoudelijke bespreking, ook geen stof bevatten die de vergunningverlenende overheid aan het denken moet zetten en die haar verplicht om de inhoud van de adviezen tegen elkaar af te wegen en daarvan blijk te geven in de motivering van de eindbeslissing. De verwerende partij heeft te dezen verwezen naar de ongunstige adviezen van AMV en PMVC - dat zelf doorverwijst naar het advies van AROHM - en waarin te lezen is dat de inrichting zonevreemd is en dat zij stedenbouwkundig niet verenigbaar is met de bestemming van de zone. Die motivering verantwoordt het bestreden besluit en de verzoekende partij vindt er de verklaring in voor het niet volgen van het stilzwijgend gunstig advies van AROHM. VII-32.644-7/12 3.1.8. De verzoekende partij stelt dat het bestreden besluit steunt op veronderstellingen aangaande de ontwikkeling van de wegeninfrastructuur. Zij doelt daarmee op de desbetreffende overweging in het advies van AMV waarin gesteld wordt : "De inrichting moet dus als zonevreemd worden beschouwd; bovendien zou de Afdeling Wegen en Verkeer verdere plannen tot ontwikkeling van het wegencom- plex hebben, die bij het verlenen van een vergunning bemoeilijkt zouden worden; alleen al om deze reden (zonevreemdheid die niet regulariseerbaar
  5. is)dient de vergunning overeenkomstig vaste rechtspraak van de Raad van State geweigerd". Uit deze overweging blijkt duidelijk dat de verwijzing naar de mogelijke ontwikke- ling van het wegencomplex een bijkomend motief vormt dat ondergeschikt is aan de vaststelling dat de inrichting zonevreemd is. De eventuele onregelmatigheid van dit bijkomend motief kan niet tot de vernietiging van het bestreden besluit leiden. 3.1.9. In het advies van AMV, waarbij het bestreden besluit ook formeel aansluit, wordt uitdrukkelijk gesteld dat een niet te regulariseren zonevreemdheid van de inrichting een reden is om de vergunning te weigeren. Daarmee beantwoordt het besluit de grief van de verzoekende partij dat een milieuvergunning niet om stedenbouwkundige redenen geweigerd kan worden. Er moet te dien aanzien rekening gehouden worden met artikel 2, § 1, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, waarin bepaald is dat de voorschriften van de plannen van aanleg verordenende kracht hebben, dat de plannen geldig blijven tot hun vervanging en dat er slechts mag worden van afgeweken in de decretaal bepaalde gevallen. In het licht van die bepaling moet de verwerende partij, wanneer zij vaststelt dat de vergunningsaanvraag strijdig is met het gewestplan, de milieuvergunning weigeren en bevat het bestreden besluit een afdoende motivering. 3.1.10. Het eerste middel is niet gegrond. 3.2.1. In het tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij verwijt aan de verwerende partij niet voldoende informatie ingewonnen te hebben om met kennis van zaken een beslissing te nemen, terwijl een zorgvuldige besluitvorming een afdoend en volledig onderzoek van het concreet voorliggend geval noodzakelijk maakt. Het bestreden besluit verwijst in de aanhef en in zijn artikel 1 naar de aanvraag voor de uitbating van een depannagebe- drijf maar dit is niet correct, want zij beoogt de uitbating van een inrichting voor het stallen van wagens en dergelijke inrichting is evident minder hinderlijk dan een depannagebedrijf. Ook de verwijzing in het bestreden besluit naar ene AYAT, die VII-32.644-8/12 de exploitant zou zijn van de inrichting, is verkeerd want het betreft een kandidaat- koper van het terrein. 3.2.2. De verwerende partij antwoordt dat zij rekening gehouden heeft met de uitgebrachte adviezen. De woordkeuze "stallen van voertuigen" of "depannagebedrijf" doet niets af aan het feit dat er in de bufferzone, waarin de verzoekende partij het bedrijf wil vestigen, een bouwverbod geldt. Het verkeerd gebruik van het woord "depannagebedrijf" bewijst niet dat het dossier niet grondig onderzocht zou zijn en het doet niets af aan de objectieve vaststellingen die gemaakt zijn. Overigens is het onderzoek gebeurd met inachtneming van de omschreven rubrieknummers. Ook de opmerking met betrekking tot de rol van dhr. AYAT doet niets af aan de ontwikkelde argumentatie, die steun vindt in de stedenbouwkundige voorschriften, en overigens wist de verwerende partij dat het om een kandidaat- koper ging. 3.2.3. De verzoekende partij herhaalt in haar repliek dat voor een depannagebedrijf andere vergunningsnormen gelden dan voor het stallen van voertuigen. In haar laatste memorie betoogt zij nog dat de verwerende partij, op basis van haar uiteenzetting met betrekking tot het stallen van voertuigen, eigenlijk had moeten besluiten dat zij geen milieuvergunning behoefde. 3.2.4. Het bestreden besluit verwijst in zijn aanhef en in artikel 1 inderdaad naar de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Willebroek waarbij de vergunning voor de uitbating van "een depannage- bedrijf" geweigerd wordt. Er wordt evenwel ook formeel verwezen naar de door de verzoekende partij aangewezen rubriek 15.1, 2/, van de indelingslijst die betrekking heeft op ruimtes waarin meer dan 25 autovoertuigen en/of aanhangwagens, andere dan personenwagens, gestald worden. Aldus is de verwijzing naar de uitbating van een depannagebedrijf slechts een materiële vergissing die het bestreden besluit niet vitieert. Deze vergissing toont niet aan dat de verwerende partij het onderzoek van het dossier onzorgvuldig gevoerd zou hebben en zij heeft ook geen gevolgen gehad op de inhoud van het besluit, aangezien de milieuvergunning wegens een steden- bouwkundige reden -en geen milieutechnische reden- geweigerd is. Dat het bestuur mogelijk een verkeerd zicht gehad zou hebben op de identiteit van de effectieve exploitant van de inrichting, of dat het bestuur nagelaten heeft te onderzoeken of de verzoekende partij wel een milieuvergunning nodig had, toont evenmin aan dat de verwerende partij onzorgvuldig gehandeld heeft. VII-32.644-9/12 3.2.5. Het tweede middel is niet gegrond. 3.3.1. In het derde middel voert de verzoekende partij de schending aan van het vertrouwensbeginsel, doordat in het verleden "voor hetzelfde gebied als waar het terrein van verzoekende partij ligt, wel vergunningen (werden) toegestaan", terwijl het gewestplan Mechelen toen ook reeds van kracht was. Zo kreeg het depannagebedrijf dat net naast het perceel van de verzoekende partij gevestigd is, een milieuvergunning tot 2015. Door haar nu geen vergunning te verlenen, gaat de verwerende partij in tegen haar vaste gedragslijn en schendt zij het bij de verzoe- kende partij gewekte vertrouwen. 3.3.2. De verwerende partij antwoordt dat er slechts sprake kan zijn van de schending van het vertrouwensbeginsel wanneer de volgende voorwaarden vervuld zijn : het bestuur begaat een vergissing, die vergissing levert iemand een voordeel op en er bestaan geen gewichtige redenen om dat voordeel ongedaan te maken. 3.3.3. De verzoekende partij repliceert dat de verwerende partij bij haar verwachtingen heeft doen ontstaan door milieuvergunningen te verlenen voor inrichtingen in dezelfde bufferzone. 3.3.4. Daargelaten de vaststelling dat het vertrouwensbeginsel geen grondslag kan zijn om het bestuur tot een onwettige beslissing te dwingen, toont de verzoekende partij in ieder geval niet aan dat het bestuur te haren opzichte een bepaalde houding zou hebben aangenomen of concrete toezeggingen zou hebben gedaan die haar in redelijkheid konden doen besluiten dat zij een milieuvergunning zou krijgen. Integendeel blijkt te dezen dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Willebroek op 15 januari 2002 een bouwvergunning voor het stallen van voertuigen op de terreinverharding geweigerd heeft. 3.3.5. In de mate de verzoekende partij voor de miskenning van het vertrouwensbeginsel verwijst naar de vergunning die aan andere bedrijven verleend zou zijn, voert zij eigenlijk een schending aan van het gelijkheidsbeginsel, waarop zij in haar vierde middel terugkomt. 3.3.6. Het derde middel is niet gegrond. VII-32.644-10/12 3.4.1. In het vierde middel voert de verzoekende partij de schending aan van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel doordat de milieuvergunning aan haar geweigerd wordt, terwijl het depannagebedrijf dat op de naastliggende percelen in dezelfde bufferzone gevestigd is een milieuvergunning verkregen heeft tot 2015. De vraag of deze milieuvergunning regelmatig toegekend is, speelt wat haar betreft geen enkele rol, want de vergunning is daadwerkelijk verleend en de burgers moeten gelijk behandeld worden. 3.4.2. De verwerende partij antwoordt dat de bedoelde vergunningen niet overeenstemmen met de geldende reglementen. Het bewijs wordt niet geleverd dat de situatie van de twee bedrijven die vergeleken worden identiek is en er wordt ook geen uitleg gegeven over de omstandigheden waarin het naastgelegen bedrijf zich bevindt. 3.4.3. In haar repliek stelt de verzoekende partij dat de verwerende partij in het bestreden besluit zelf erkent dat er vergunningen verleend werden voor het betrokken buffergebied. 3.4.4. Het bestreden besluit maakt inderdaad melding van vergunningen die in het verleden voor het betrokken gebied verleend zijn, in weerwil van het daar bestaand bouwverbod. Het onregelmatig verkregen voordeel dat desgevallend aldus aan een derde toegekend is, verplicht het bestuur niet om ten aanzien van de verzoekende partij dezelfde onwettigheid te begaan. De verzoekende partij kan het gelijkheidsbeginsel niet inroepen om het bestuur tot een voor haar voordelige maar onwettige beslissing te dwingen. 3.4.5. Het vierde middel is niet gegrond, VII-32.644-11/12 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig februari tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samen- gesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-32.644-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.880 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.