← België

Arrest 190885 - Bewakingsondernemingen - 26/02/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.885 Rolnummer: A. 190299/XII-5621 Zaak: Arrest 190885 - Bewakingsondernemingen - 26/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-12 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 19:50 Fiche Arrest nr 190.885 van 26 februari 2009 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Bewakingsondernemingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.885 van 26 februari 2009 in de zaak A. 190.299/XII-

  1. In zake : Abdessamad LAGHMOUCH, die woonplaats kiest bij advocaat A. De Pourcq, kantoor houdende te Antwerpen, Nachtegaalstraat 47 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Abdessamad Laghmouch op 23 oktober 2008 heeft ingesteld om de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 7 oktober 2008 van de minister van Binnenlandse Zaken om hem geen identificatiekaart uit te reiken voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag over het beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en over de vordering tot schorsing, opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op de beschikking van 22 januari 2009, waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 februari 2009; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-5621-1/12 Gehoord de opmerkingen van advocaat L. Dockx, die loco advocaat A. De Pourcq verschijnt voor verzoeker, en van attaché B. Verschaeve, die verschijnt voor verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : I. De feitelijke gegevens
  2. Op 18 april 2006 vraagt de vergunde bewakingsonderneming nv Pedus Security te Zellik-Asse, in het kader van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid (hierna: de bewakingswet), een identificatiekaart aan voor verzoeker voor het uitoefenen van activiteiten van toezicht op en bescherming van roerende of onroerende goederen en toezicht op en controle van personen met het oog op het verzekeren van de veiligheid op al dan niet voor het publiek toegankelijke plaatsen. Eerder werd reeds op aanvraag van de nv Société belge de Sécurité te Etterbeek aan verzoeker een identificatiekaart voor bewakings- activiteiten verleend, geldig tot 30 juli
  3. Ten gevolge van de aanvraag wordt een veiligheidsonderzoek ingesteld door de federale politie. Het verslag van dat onderzoek maakt melding van een proces-verbaal van 14 april 2006 wegens het “wederrechtelijk dragen van verboden wapens”. Naar aanleiding van een onderzoek wegens een poging tot doodslag waarvan verzoeker het slachtoffer was, werden in het voertuig van verzoeker twee spuitbussen pepperspray, een namaakwapen en twee messen met sporen van verwijderd bloed aangetroffen. Op basis van dit verslag adviseert de commissie Onderzoeken naar de veiligheidsvoorwaarden op 4 februari 2008 dat de verzoeker niet aan de veiligheidsvoorwaarden voldoet en dat een procedure tot weigering van de afgifte van een identificatiekaart moet worden aangevat. XII-5621-2/12 Met een schrijven van 17 maart 2008 wordt aan verzoeker medegedeeld dat de minister van Binnenlandse Zaken op basis van het voormeld proces-verbaal overweegt de identificatiekaart te weigeren. Op 31 maart 2008 dient de raadsman van verzoeker een verweerschrift in. Aan verzoeker wordt bij brief van 7 oktober 2008 de bestreden beslissing tot weigering van een identificatiekaart medegedeeld. Die beslissing bevat onder meer de volgende motivering : “Overwegende dat U in 2006 feiten van verboden wapendracht ten laste wordt gelegd. Naar aanleiding van een schietpartij waarbij U slachtoffer was, voerden de politionele diensten een controle van Uw voertuig uit en werden er verschillende wapens in de koffer teruggevonden, meer bepaald twee busjes pepperspray, een namaakwapen en twee messen; Overwegende dat vooreerst voor wat betreft het gegeven dat deze feiten geseponeerd werden artikel 6, eerste lid, 8/ van de bewakingswet uitdrukkelijk bepaalt dat personen die een uitvoerende functie uitoefenen in een bewakingsfirma moeten voldoen aan de veiligheidsvoorwaarden, noodzakelijk voor de uit te oefenen bewakingsactiviteit en geen feiten mogen hebben gepleegd die, zelfs als ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling, een ernstige tekortkoming van de beroepsdeontologie uitmaken en daarom raken aan het vertrouwen in de betrokkene; Artikel 7 van de wet bepaalt dat de Minister van Binnenlandse Zaken, teneinde zijn appreciatiebevoegdheid in het kader van de beoordeling van de naleving van de veiligheidsvoorwaarde uit te oefenen, kan beschikken over gegevens van gerechtelijke en bestuurlijke aard, alsook beroepsdeontologische gegevens, die hem toelaten te beoordelen of de betrokkene, benevens de minimale objectieve wettelijke voorwaarden, ook voldoet aan de veiligheidsvereiste, die inhoudt dat betrokkene geen feiten mag hebben begaan die twijfel kunnen doen rijzen betreffende zijn algemene ingesteldheid of die een ernstige tekortkoming van de beroepsdeontologie uitmaken en daarom raken aan het vertrouwen in betrokkene, zelfs indien ze niet hebben geleid tot enige veroordeling op strafrechtelijk vlak. Er dient immers een belangrijk onderscheid gemaakt te worden tussen de manier waarop de feiten moeten bekeken worden op deontologisch vlak en op strafrechtelijk vlak. Dezelfde feiten vertonen een andere orde van belangrijkheid naargelang ze op strafrechtelijk vlak of op deontologisch vlak bekeken worden. Feiten die niet het voorwerp uitmaken van een strafrechtelijke veroordeling vb. omwille van afwezigheid van voorgaanden, kunnen een weigering rechtvaardigen wanneer ze bekeken worden op deontologisch vlak; De Minister kan derhalve nagaan of betrokkene in het verleden geen feiten heeft begaan of gedrag aan de dag heeft gelegd dat van die aard is dat er gerede twijfel bestaat of betrokken wel over de ingesteldheid en integriteit beschikt die verwacht mag worden van een persoon die toegang wenst te verkrijgen tot de uitoefening van veiligheidstaken via de private sector; Overwegende dat men U in het proces-verbaal nr. AN.36.F1.107961/06 dd. 14/04/2006 verboden wapenbezit ten laste legt. Meer bepaald worden in Uw koffer vijf verschillende wapens teruggevonden. U verklaarde in dit verband aan verbalisanten dat U al deze wapens had afgenomen van klanten van de discotheek ‘la Passion’ waar U als portier werkte en dat U ‘zinnens was om deze voorwerpen af te geven aan de politie maar dit wegens de schietpartij vergeten was’. XII-5621-3/12 Overwegende dat Uw verweer nl. dat U alle vijf wapens heeft afgenomen van klanten, vooreerst niet geloofwaardig overkomt; dat deze motivering van Uwentwege vervolgens ook van weinig belang is aangezien U door U een illegaal wapen aan te schaffen of dit in Uw bezit te hebben, ongeacht of U het wapen al dan niet gebruikt heeft of gaat gebruiken en ongeacht de reden die U tot de aanschaf of het bezit aanzette, U de vigerende regelgeving, inzonderheid de wapenwetgeving, reeds overtreden heeft; Overwegende dat, zelfs indien aangenomen kan worden dat U de waarheid spreekt en U deze voorwerpen inderdaad van cliënteel van de dancing waar U bent tewerkgesteld, heeft afgenomen, het U uiteraard niet toegestaan is in het kader van Uw functie van bewakingsagent verboden wapens in te houden of in beslag te nemen. Bij het aantreffen van deze voorwerpen had U onverwijld bijstand van de politie moeten vragen zodat deze de nodige inbeslagnemingen onmiddellijk hadden kunnen uitvoeren. Uw verweer dat U van plan was deze zaken af te geven aan de politie maar dit wegens omstandigheden niet heeft gedaan doet dan ook geen afbreuk aan de door U gemaakte overtreding; Overwegende dat de wetgever van mening is dat de personen die belast zijn met de bewakingsactiviteiten van persoonscontrole vaak geconfronteerd worden, meer dan zij die zich bezighouden met andere bewakingsactiviteiten, met conflictsituaties. Dat de uitoefening van deze bewakingsactiviteit vereist dat men in een conflictsituatie een evenwicht vindt tussen enerzijds een efficiënte controle en anderzijds het respect voor de fundamentele rechten van de mens; Dat het de uitdrukkelijke wil is van de wetgever dat men bij de activiteit van persoonscontrole op een preventieve manier te werk gaat en een conflict benadert vanuit een psychologische hoek eerder dan zijn toevlucht te nemen tot wapens of geweld; Dat indien deze aanpak niet de verhoopte resultaten oplevert, de bewakingsagent zich moet onthouden van elke andere tussenkomst en de politiediensten onmiddellijk moet verwittigen; Overwegende dat het verboden wapenbezit een doorslaggevend element is in het vormen van een oordeel met betrekking tot de ingesteldheid van een persoon die een gereglementeerd en delicaat beroep wenst uit te oefenen. Dat in principe de private bewaking immers op ongewapende wijze gebeurt aangezien ze een louter preventieve functie heeft. Dat taken waarbij het dragen van wapens noodzakelijk is, principieel worden uitgevoerd door de politie; Overwegende dat de wapenwetgeving uitdrukkelijk het onwettig bezit en dracht van bepaalde wapens door particulieren verbiedt. U deinst er echter blijkbaar niet voor terug de wapenwetgeving, een wetgeving die van openbare orde is en die iedereen wordt verondersteld te kennen, te overtreden; Overwegende dat de wetgever er van uit ging dat de bewakingsactiviteiten in beginsel ongewapend dienen te worden uitgeoefend aangezien de activiteiten van de private veiligheidssector een louter proactieve, preventieve functie hebben. Bovendien zijn bewakingsagenten niet gerechtigd enige dwang of geweld te gebruiken. Derhalve werd voorzien in een algemeen verbod om welbepaalde bewakingsactiviteiten gewapend uit te oefenen. Het betreft meerbepaald activiteiten die in het algemeen contacten met medeburgers impliceren (persoonscontrole, goederenbewaking op publiek toegankelijke plaatsen,...). De wetgever ging ervan uit dat de bewakingsagenten zich vaak in conflictueuze situaties kunnen bevinden waarin wapendracht provocerend zou kunnen werken of de agenten ertoe zou kunnen aanzetten in een crisissituatie op onverantwoorde wijze gebruik te maken van zijn wapen of op een wijze waardoor argeloze aanwezigen gekwetst zouden kunnen worden. Daarom is het verboden dat men tijdens de uitoefening van de meeste delicate bewakingsopdracht, met name persoonscontrole, zijn toevlucht zou nemen tot het gebruik van wapens; XII-5621-4/12 Gelet op de wil van de wetgever dat bewakingsactiviteiten geweldloos en in principe zonder wapens worden uitgeoefend, is het belangrijk na te gaan, voor elke bewakingsagent afzonderlijk, of hij in geval van conflict geneigd zal zijn terug te vallen op wapens of ander geweld; Dat in casu het veiligheidsonderzoek bepaalde feiten, onder meer verboden wapendracht, aan het licht bracht; Overwegende dat, hoewel deze feiten zich niet in uitoefening van Uw functie plaatsvonden, er terecht voor gevreesd kan worden dat U, die activiteiten wenst uit te oefenen die in se conflictueuze situaties met medeburgers met zich mee kunnen brengen, Uw toevlucht zal nemen tot een verboden wapen zo U zich bij de verdere uitoefening van Uw bewakingsactiviteiten bedreigd zou voelen, temeer daar deze feiten dateren van 2006 en bijgevolg nog vrij recent zijn. Overwegende dat men terecht kan veronderstellen dat iemand die in het bezit of dracht wordt gevonden van illegale wapens de intentie heeft het te gebruiken of er minstens mee zal dreigen ingeval van bedreiging anders had hij het wapen niet bij zich; Overwegende dat het gebruik van wapens - zelfs legale wapens - tijdens de uitoefening van Uw beroep als portier verboden is; Overwegende dat de wetgever het voorbehouden van de toegang tot de private veiligheidssector professioneel betrouwbare personen als hoofddoelstelling voorop stelde; Dat op basis van voornoemde feiten ik de mening ben toegedaan dat U niet voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 6, lid 1, 8/ van de bewakingswet; Dat voornoemde feiten in Uwen hoofde wijzen op een algemene ingesteldheid die niet beoogd wordt door de wetgever ten aanzien van personen die werkzaam zijn in de bewakingssector”. II. Het beroep tot nietigverklaring Eerste middel
  4. In een eerste middel voert verzoeker aan dat de procedure betreffende de weigering van een identificatiekaart zoals geregeld in het koninklijk besluit van 26 september 2005 betreffende de modaliteiten voor de toekenning, de geldigheidsduur, de weigering en de vernietiging van de identificatiekaarten en de procedure inzake de onderzoeken naar de veiligheidsvoorwaarden strijdig is met artikel 6.
  5. EVRM aangezien ze geen waarborgen biedt voor een eerlijk proces. Om te voldoen aan artikel 6.
  6. EVRM moet de beslissing tot weigering genomen worden door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie, die volle rechtsmacht heeft. De zaak moet openbaar behandeld worden, de betrokkene moet toegang hebben tot de stukken, gehoord worden en zijn middelen kunnen ontwikkelen en de zaak moet binnen een redelijke termijn worden afgedaan.
  7. De waarborgen die artikel 6.
  8. EVRM biedt voor een eerlijk proces door een onafhankelijke en onpartijdige “rechterlijke instantie”, zijn van toepassing op gerechtelijke beslissingen. Het besluit dat te dezen bestreden wordt is evenwel XII-5621-5/12 geen jurisdictionele beslissing maar een beslissing van een administratieve overheid die optreedt als orgaan van het actief bestuur. Vanuit het oogpunt van de vereisten die gesteld zijn bij artikel 6 EVRM volstaat het dat uiteindelijk een beroep mogelijk is bij een rechterlijke instantie met volle rechtsmacht die aan de bij artikel 6 EVRM gestelde vereisten voldoet. Het blijkt niet dat de mogelijkheid om tegen de bestreden beslissing een beroep in te stellen bij de Raad van State te dien aanzien onvoldoende is.
  9. Het eerste middel is niet gegrond. Tweede middel
  10. In een tweede middel voert verzoeker de schending aan van de materiële-motiveringsplicht en van het zorgvuldigheidsbeginsel. In de bestreden beslissing staat dat verzoeker geen verweermiddelen heeft ingediend. Verzoeker heeft echter bij aangetekende brief van 31 maart 2008 zijn verweermiddelen overgemaakt. Daarin heeft hij geargumenteerd dat hij noch rechtstreeks noch onrechtstreeks betrokken was bij de schietpartij, dat minstens drie getuigen kunnen verklaren dat de in zijn wagen gevonden voorwerpen afkomstig waren van klanten van dancing La Passion, dat hij weliswaar erkend heeft dat het fout was om deze voorwerpen in zijn koffer te laten, maar ook verklaarde wel de bedoeling gehad te hebben ze aan de politie af te geven, en dat hij niet gebroodroofd wou worden. Met geen enkel van deze overwegingen werd rekening gehouden, precies om reden van de manifest onjuiste vaststelling dat geen verweer werd ingediend. Deze vaststelling schendt zowel de materiële-motiveringsplicht als de zorgvuldigheidsplicht.
  11. Met verzoeker wordt vastgesteld dat in de bestreden beslissing inderdaad vermeld wordt dat hij “geen verweermiddelen heeft ingediend”. Blijkbaar gaat het echter om een verschrijving aangezien verder in de beslissing uitdrukkelijk wordt verwezen naar zijn “verweer”: “Overwegende dat Uw verweer nl. dat U alle vijf wapens heeft afgenomen van klanten, vooreerst niet geloofwaardig overkomt; dat deze motivering van Uwentwege vervolgens ook van weinig belang is aangezien U door U een illegaal wapen aan te schaffen of dit in Uw bezit te hebben, ongeacht of U het wapen al dan niet gebruikt heeft of gaat gebruiken en ongeacht de reden die U tot de aanschaf of het bezit aanzette, U de vigerende regelgeving, inzonderheid de wapenwetgeving, reeds overtreden heeft; Overwegende dat, zelfs indien aangenomen kan worden dat U de waarheid spreekt en U deze voorwerpen inderdaad van cliënteel van de dancing waar U XII-5621-6/12 bent tewerkgesteld, heeft afgenomen, het U uiteraard niet toegestaan is in het kader van Uw functie van bewakingsagent verboden wapens in te houden of in beslag te nemen. Bij het aantreffen van deze voorwerpen had U onverwijld bijstand van de politie moeten vragen zodat deze de nodige inbeslagnemingen onmiddellijk hadden kunnen uitvoeren. Uw verweer dat U van plan was deze zaken af te geven aan de politie maar dit wegens omstandigheden niet heeft gedaan doet dan ook geen afbreuk aan de door U gemaakte overtreding”. Uit de aangehaalde overwegingen blijkt dat het verweer van verzoeker in de besluitvorming betrokken werd.
  12. Voorts is het niet vereist dat verwerende partij elk argument van verzoeker afzonderlijk beantwoordt. Het volstaat dat de motivering van de bestreden beslissing afdoende ervan doet blijken waarom verwerende partij niettegenstaande de argumentatie van verzoeker toch heeft gemeend hem de identificatiekaart te moeten weigeren. Daaraan is niet tekort gekomen. Zo geeft de beslissing duidelijk aan waarom het verweer van verzoeker dat hij de wapens van klanten van de discotheek had afgenomen en dat hij de bedoeling had om deze aan de politie af te geven niet wordt aangenomen, namelijk omdat het hem niet is toegestaan om als bewakingsagent verboden wapens in te houden of in beslag te nemen en hij in de plaats onverwijld bijstand aan de politie had moeten vragen. Het verweer van verzoeker dat hij van plan was deze wapens aan de politie af te geven maar dat hij dit ten gevolge van omstandigheden niet heeft gedaan, doet dan ook, zo wordt gesteld, geen afbreuk aan de door verzoeker gemaakte overtreding. Hiermee is meteen ook duidelijk gemaakt waarom de verwerende partij niet is ingegaan op het aanbod van verzoeker om met getuigen te bewijzen dat de in zijn wagen gevonden voorwerpen van klanten van dancing La Passion afkomstig waren. Op het argument dat verzoeker niet bij de schietpartij betrokken was, hoefde verwerende partij niet in te gaan vermits de identificatiekaart niet vanwege de vermeende betrokkenheid bij de schietpartij geweigerd werd, maar alleen omdat verzoeker zich schuldig had gemaakt aan verboden wapenbezit. In verband met het argument dat verzoeker niet gebroodroofd wenst te worden, kan worden opgemerkt dat de bestreden beslissing omstandig uiteenzet dat de minister van Binnenlandse Zaken overeenkomstig de bewakingswet dient te oordelen of de personen die in de bewakingssector tewerkgesteld worden aan de veiligheidsvoorwaarden voldoen en dat deze personen geen feiten gepleegd mogen XII-5621-7/12 hebben die, zelfs als ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling, een ernstige tekortkoming aan de beroepsdeontologie uitmaken en daarom raken aan het vertrouwen in de betrokkene.
  13. Het tweede middel is niet gegrond. Derde middel
  14. In een derde middel voert verzoeker de schending aan van het redelijkheidsbeginsel en van de plicht geen manifeste beoordelingsfout te maken. Verzoeker stelt in een eerste onderdeel van het middel dat zijn verweer dat hij de vijf wapens heeft afgenomen van klanten, in de bestreden beslissing niet geloofwaardig wordt bevonden zonder dat een onderzoek naar de feitelijke toedracht is gebeurd. Verzoeker had zelf aangegeven hoe hij in het bezit van deze voorwerpen was gekomen, doch de verwerende partij heeft nagelaten aanvullende onderzoeksdaden te stellen, zoals nochtans door verzoeker in zijn brief van 31 maart 2008 gevraagd. In een tweede onderdeel van het middel bekritiseert verzoeker de overweging waarin gesteld wordt “dat deze motivering van Uwentwege vervolgens ook van weinig belang is aangezien U door U een illegaal wapen aan te schaffen of dit in Uw bezit te hebben, ongeacht of U het wapen al dan niet gebruikt heeft of gaat gebruiken en ongeacht de reden die U tot de aanschaf of het bezit aanzette, U de vigerende regelgeving, inzonderheid de wapenwetgeving, reeds overtreden heeft”. Desbetreffend stelt verzoeker, samengevat, het volgende : S Er werd geen onderscheid gemaakt naargelang het soort en de zwaarwichtigheid van de in beslag genomen wapens. Er is immers een verschil tussen een echt vuurwapen en de twee bussen pepperspray, het namaakpistool en de twee messen die in beslag werden genomen. Volgens de informatie van de politie was het onduidelijk tot welke categorie de wapens behoorden. Evenmin werd onderzocht of de bloedsporen op de messen van menselijke of dierlijke aard waren. Wat betreft de spuitbussen bestaat er betwisting of het al dan niet om verboden wapens gaat. S Het maakt een verschil uit of de gevonden voorwerpen enkel in de wagen van verzoeker waren achtergebleven, dan wel of hij ze op zak zou hebben gehad. In het laatste geval bestond de mogelijkheid dat verzoeker er direct gebruik had van kunnen maken. S Het is tevens verschillend naargelang de kwestieuze voorwerpen door de betrokkene zelf werden aangekocht, dan wel of hij ze van iemand heeft XII-5621-8/12 afgenomen. In het eerste geval is de intentie tot persoonlijk en direct gebruik veel groter dan in het tweede geval. S Verzoeker heeft een blanco strafregister. Het gaat om een eenmalig feit in verzoekers professionele carrière die reeds zeven tot acht jaar duurt. S De beslissing is laattijdig, aangezien de feiten dateren van 19 december 2005 en de beslissing van 7 oktober 2008, dit is bijna drie jaar later, hetgeen geen redelijke termijn is. S De weigering van een identificatiekaart is de zwaarste sanctie. Artikel 17, eerste lid, 2/, van de bewakingswet voorziet ook in minder zware sancties. Die sancties zijn weliswaar slechts voorzien wanneer de identificatiekaart reeds werd gegeven. Verzoeker beschikte echter over een identificatiekaart die geldig was tot eind juli
  15. In casu ging het dus niet om een eerste toekenning maar om een aanvraag tot vernieuwing. De verwerende partij had redelijkerwijze gebruik kunnen maken van de mogelijkheden van artikel
  16. De beslissing is onevenredig en disproportioneel. S Er werd geen onderscheid gemaakt tussen degenen die de werkelijke leiding hebben van een onderneming en diegenen die een andere (uitvoerende) functie hebben. Verzoeker heeft slechts een uitvoerende functie.
  17. Zoals uit de sub 6 aangehaalde passus van de formele motivering kan worden opgemaakt, wordt het “van weinig belang” geacht of verzoeker de wapens nu al dan niet van klanten heeft afgenomen, omdat hij ook in voorkomend geval, door de wapens af te nemen, foutief heeft gehandeld en niet in het bezit van de wapens mocht zijn. In die omstandigheden kon verwerende partij rechtmatig menen dat zij geen verder onderzoek hoefde in te stellen naar de geloofwaardigheid van de verklaringen van verzoeker omtrent de herkomst van de wapens. De vaststelling dat verzoeker de wapens van klanten zou hebben afgenomen, zou immers niets hebben veranderd aan het in aanmerking genomen verboden wapenbezit en dus niet tot een andere beslissing hebben kunnen leiden. Het eerste onderdeel van het middel is niet gegrond.
  18. Verzoekers verwijt dat de bestreden beslissing geen onderscheid maakt tussen wie de werkelijke leiding uitoefent in een bewakingsonderneming en diegene die een uitvoerende functie vervult, mist duidelijk grond. Verwerende partij geeft er zich in de bestreden beslissing wel degelijk rekenschap van dat verzoeker XII-5621-9/12 een uitvoerende functie uitoefent; zij verwijst expliciet naar, en maakt doelbewust toepassing van, de voor dergelijke “personen die een uitvoerende functie uitoefenen in een bewakingsonderneming” geldende voorwaarde van artikel 6, eerste lid, 8/, van de bewakingswet.
  19. Evenmin overtuigt verzoekers appel aan artikel 17 van de bewakingswet. Artikel 17, eerste lid, 2/, maakt het mogelijk de identificatiekaart geheel of gedeeltelijk in te trekken of voor een termijn van ten hoogste zes maanden in te houden wanneer de betrokkene de bepalingen van de wet of haar uitvoeringsbesluiten niet in acht neemt of niet meer aan de voorwaarden ervan voldoet. Met verwerende partij, in de nota, wordt evenwel vastgesteld dat de bestreden beslissing van 7 oktober 2008 niet de intrekking betreft van een eerder afgegeven identificatiekaart -die welke indertijd werd verleend voor bewakingsactiveiten bij de nv Société belge de Sécurité en waarvan overigens de geldigheidsduur hoe dan ook beperkt was tot 30 juli 2007-, maar de weigering van een door de nv Pedus Securité nieuw aangevraagde identificatiekaart. Vermeld artikel 17 was dan ook niet van toepassing; de minister kon slechts beslissen de identificatiekaart toe te kennen of te weigeren.
  20. Voorts is verzoeker slecht geplaatst om te betwisten dat de bij hem gevonden wapens verboden zijn, aangezien hij zelf verklaart dat ze -of althans sommige ervan- door hem om die reden van de bezoekers van discotheek La Passion zijn afgenomen en dat hij zinnens was ze aan de politie te overhandigen.
  21. Naar de mening van verwerende partij zijn de feiten van verboden wapenbezit zodanig dat aan verzoeker ontzegd moet worden over de juiste ingesteldheid en de vereiste integriteit te beschikken om veiligheidstaken via de private sector uit te oefenen. Allicht was ook een milder oordeel hierover denkbaar, al dan niet in het licht van de aard van de in beslag genomen wapens, de plaats waar ze gevonden werden, het eenmalig karakter van de feiten, de datum ervan, enzovoort. Daaruit volgt echter nog geenszins dat verwerende partij, door zich integendeel streng te hebben betoond, ipso facto onwettig zou hebben gehandeld en namelijk het redelijkheidsbeginsel zou hebben geschonden of zich aan een manifeste beoordelingsfout zou hebben schuldig gemaakt. XII-5621-10/12 Staande voor de beoordeling van de aanvraag van de nv Pedus Security om verzoeker een identificatiekaart uit te reiken, beschikte verwerende partij over een zeer ruime discretionaire appreciatievrijheid. Discretionaire appreciatie- vrijheid, nu, houdt per definitie de mogelijkheid in van uiteenlopende conclusies die élk wettig zijn en meer bepaald elk geacht kunnen worden binnen de grenzen van de redelijkheid te zijn gebleven en geen foutieve uitoefening van de beoordelings- vrijheid uit te maken. Uitgaande van de in de bestreden beslissing uitdrukkelijk gememoreerde wil van de wetgever dat bewakingsactiviteiten geweldloos en in principe ongewapend worden uitgeoefend en dat de toegang tot de private veiligheidssector wordt voorbehouden aan moreel en professioneel betrouwbare personen, ziet de verwerende partij in het verboden wapenbezit een “vrij recent” teken dat verzoeker niet de ingesteldheid en integriteit bezit vereist voor de uitoefening van het delicate beroep van bewakingsagent en dat hij bijgevolg niet voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 6, eerste lid, 8/, van de bewakingswet. In deze zienswijze kan geen “manifeste beoordelingsfout” of een oordeel dat de perken van de redelijkheid te buiten gaat, worden onderkend - de feitelijke elementen die verzoeker in het besproken onderdeel doet gelden ten spijt.
  22. Ook het tweede onderdeel van het derde middel is niet gegrond. III. De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging
  23. De hierna uit te spreken verwerping van het beroep tot nietigverklaring brengt de verwerping mee van de vordering tot schorsing, die immers een accessorium is van dat beroep. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  24. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. XII-5621-11/12 Artikel
  25. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  26. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig februari 2009, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-5621-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.885 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.