id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.890 Rolnummer: A. 131921/X-11252 Zaak: Arrest 190890 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-06 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 19:52 Fiche Arrest nr 190.890 van 26 februari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.890 van 26 februari 2009 in de zaak A. 131.921/X-11.252. In zake : Robert SCHOETERS, die woonplaats kiest bij advocaat W. MERTENS, kantoor houdende te 3580 BERINGEN, Scheigoorstraat 5 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. CLAES, kantoor houdende te 2550 KONTICH, Mechelsesteenweg 160. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Robert SCHOETERS op 17 januari 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 19 november 2002 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening houdende vernietiging van het besluit van 6 juni 2002 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij hem de vergunning wordt verleend voor het plaatsen van een pyloon op een perceel gelegen te Oud-Turnhout, Steenweg op Mol, kadastraal bekend sectie F, nrs. 316/x en 316/l2; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 17 januari 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 9 december 2008 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 9 januari 2009; X-11.252-1/12 Gehoord het verslag van staatsraad S. DE TAEYE; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. GEBRUERS, die loco advocaat W. MERTENS verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat J. CLAES, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. De verzoeker dient op 13 juli 2001 (datum van het ontvangstbewijs) bij het gemeentebestuur van Oud-Turnhout een aanvraag in voor het plaatsen van een pyloon/zendmast van 30 meter hoog op een perceel gelegen te Oud-Turnhout, Steenweg op Mol 98-100. Meer bepaald beoogt de aanvraag het oprichten van een zendmast voor een vrije radiozender in de tuin van een gezinswoning in half open bebouwing. Het voornoemde perceel is overeenkomstig het gewestplan Turnhout, vastgesteld bij koninklijk besluit van 30 september 1977, gelegen in woongebied. Het is niet gelegen binnen een gebied waarvoor een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg bestaat, en evenmin binnen het gebied van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. 1.2. Naar aanleiding van het openbaar onderzoek, dat gehouden wordt van 23 juli 2001 tot en met 21 augustus 2001, worden 13 bezwaarschriften ingediend. 1.3. Op 3 september 2001 brengt het college van burgemeester en schepenen van Oud-Turnhout, rekening houdend met de bezwaarschriften, een ongunstig advies uit over de aanvraag. Dit advies is als volgt geformuleerd : “Gezien de vraag van de heer Schoeters Robert, Steenweg op Mol 53 te 2360 Oud-Turnhout tot het oprichten van een pyloon van 30 meter te Oud-Turnhout, Steenweg op Mol 98 -100 sectie F nr. 316/X - 316/ L/2. X-11.252-2/12 Gezien het eigendom gelegen is in een woongebied; Gezien voor dit eigendom een openbaar onderzoek werd georganiseerd van 23 juli 2001 tot en met 21 augustus 2001. Gezien tijdens dit openbaar onderzoek dertien bezwaren werden ingediend, waarvan 1 collectief; Gezien deze bezwaren betrekking hebben tot : S dergelijke pylonen midden in een woongebied esthetisch niet verantwoord zijn S dat het nog niet is bewezen dat de straling van dergelijke pylonen geen risico’s zouden inhouden voor de bevolking S dat dergelijke constructies mogelijke aantrekkingspunten zijn voor blikseminslag S dat de huur- en verkoopwaarde van de woningen daalt door de aanwezigheid van dergelijk pyloon in de onmiddellijke omgeving S dat een dergelijke pyloon aanleiding kan geven tot storingen van radio- en TV-ontvangst Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Oud-Turnhout neemt omtrent deze bezwaarschriften volgend standpunt in : S uit esthetisch oogpunt is de gevraagde pyloon onaanvaardbaar in deze woonomgeving; gezien de meeste woningen een kroonlijsthoogte hebben van 6m zou deze pyloon torenhoog boven de omliggende woningen uitsteken. S Dat de gemeentebesturen nog steeds geen uitsluitsel hebben gekregen of deze pylonen al dan niet een gevaar vormen voor de bevolking en gezien een gemeente verantwoordelijk is voor de veiligheid en gezondheid van zijn inwoners. S Dat de veiligheid van de inwoners ook bij onweer in gevaar wordt gebracht door de grote aantrekkingskracht van bliksem op dergelijke constructies. S De huur- en verkoopwaarde van de omliggende woningen zal inderdaad dalen wanneer een dergelijke constructie opgericht wordt en zo de buurt minder aantrekkelijk wordt voor potentiële huurders / kopers. S De gemeente dient erover te waken dat de TV- en radio-uitzendingen niet worden gestoord. S Dat de heer Schoeters heeft verklaard bij het verkrijgen van zijn bouwvergunning tot het oprichten van een ééngezinswoning met radiostation geen pyloon te zullen oprichten omdat zijn uitzendingen zouden verzorgd worden via kabel. Gezien de goede ruimtelijke ordening in het gedrang wordt gebracht door de gevraagde werken; Gezien de wetgeving inzake ruimtelijke ordening; Gezien het volledig dossier desaangaande; BESLUIT: het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Oud-Turnhout brengt in zitting van 3 september 2001 éénparig ongunstig advies uit wat betreft de vraag van de heer Schoeters Robert, Steenweg op Mol 53 te 2360 Oud-Turnhout tot het oprichten van een pyloon van 30 meter te Oud-Turnhout, Steenweg op Mol 98 - 100 te 2360 Oud-Turnhout”. 1.4. Op 7 januari 2002 brengt de gemachtigde ambtenaar een ongunstig advies uit, waarin onder meer het volgende wordt gesteld : “(...) X-11.252-3/12 Het betreft hier een perceel dat onlangs bebouwd werd met een ééngezinswoning waarin een studio werd voorzien voor een vrije radiozender. De pyloon, met een hoogte van 30 m, zal worden opgericht in de tuin. Door zijn hoogte van 30 m, doet de pyloon afbreuk aan de goede ruimtelijke ordening van de onmiddellijke omgeving aangezien het gevraagde niet verenigbaar is met het kleinschalige gabarit (maximum nokhoogte van 11m) van de omliggende bebouwing. Tevens is de inplanting in de tuin onaanvaardbaar aangezien hier, volgens de gangbare stedenbouwkundige regels, enkel bergplaatsen en garages, beperkt in hoogte en omvang thuishoren. Het voorgestelde ontwerp voldoet geenszins aan deze beperkingen. Ook moet, om de wildgroei van zendmasten te beperken en de ruimtelijke impact op het gebied te minimaliseren, gezocht worden naar mogelijke alternatieve inplantingen op reeds bestaande zendmasten en hoge constructies waar reeds andere zendmasten gebundeld zijn. In het bijgevoegde dossier zijn geen documenten terug te vinden waaruit blijkt dat dergelijke alternatieve oplossingen onderzocht zijn en mogelijk zijn. Bijgevolg is het voorgestelde ontwerp onverenigbaar met de goede ruimtelijke ordening en moet het worden geweigerd. BESCHIKKEND GEDEELTE Ongunstig: S door zijn hoogte en inplanting in de tuin brengt de voorgestelde pyloon de goede ruimtelijke ordening van de naastliggende bebouwing in het gedrang. Het gevraagde is niet verenigbaar met het kleinschaliger gabarit van de onmiddellijke woningen, waar een nokhoogte van maximum 11 m gangbaar is. Tevens hoort dergelijke pyloon door zijn bestemming en grootschaligheid niet thuis in de tuinzone. Hier kunnen enkel berghokken en garages worden toegestaan, beperkt in omvang en hoogte. S om de wildgroei van zendmasten te beperken en de ruimtelijke impact op het gebied te minimaliseren moet gezocht worden naar mogelijke alternatieve inplantingen op reeds bestaande zendmasten en hoge constructies waar reeds andere zendmasten gebundeld zijn. In het bijgevoegde dossier zijn geen documenten terug te vinden waaruit blijkt dat dergelijke alternatieve oplossingen onderzocht zijn en eventueel mogelijk zijn”. 1.5. Bij besluit van 21 januari 2002 weigert het college van burgemeester en schepenen van Oud-Turnhout de vergunning. Daarin wordt onder meer het volgende gesteld : “Door zijn hoogte van 30 meter doet de pyloon afbreuk aan de goede ruimtelijke ordening van de onmiddellijke omgeving aangezien het gevraagde niet verenigbaar is met het kleinschalige gabarit (maximum nokhoogte van 11 meter) van de omliggende bebouwing. De inplanting in de tuin is onaanvaardbaar aangezien hier, volgens de gangbare stedenbouwkundige regels, enkel bergplaatsen en garages, beperkt in hoogte en omvang thuishoren. Het voorgestelde ontwerp is onverenigbaar met de goede ruimtelijke ordening en moet worden geweigerd”. X-11.252-4/12 1.6. Op 6 juni 2002 beslist de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen het door de verzoeker tegen het voornoemde weigeringsbesluit ingestelde beroep voorwaardelijk in te willigen. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd : “Overwegende dat de aanvraag voorziet in het oprichten van een 30m hoge pyloon als zendmast voor een vrije radio; dat de pyloon 27m uit de achtergevellijn en 5,66m uit de zijdelingse perceelsgrenzen wordt ingeplant; Overwegende dat de aanvraag openbaar gemaakt werd volgens de regels, vermeld in het besluit van 5 mei 2000 van de Vlaamse regering betreffende de openbare onderzoeken over de aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning en verkavelingsaanvragen; dat 13 bezwaren, waarvan 1 collectief met 28 handtekeningen, werden ingediend; dat deze bezwaren handelen over het esthetisch onaantrekkelijk aspect van dergelijke hoge constructies in woongebied; eventuele gezondheidsrisico’s door straling; verhoogd gevaar voor mogelijke blikseminslag; het dalen van de huur- en verkoopswaarde van de omringende woningen; de mogelijke storingen van radio- en TV-ontvangst; eventuele risico’s door afknakken bij zwaar weer; eventuele toename van de verkeersdrukte; Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen in zitting van 4 maart 2002 heeft besloten het ongunstig standpunt met betrekking tot de aanvraag te handhaven; dat de hoogte en de inplanting in de strook voor bergplaatsen en autobergplaatsen in deze woonkern met een kleinschalig gabarit de goede ruimtelijke ordening in gevaar brengt; dat rekening werd gehouden met de ingediende bezwaren; Overwegende dat het terrein volgens het gewestplan Turnhout, vastgesteld bij koninklijk besluit van 30 september 1977, in woongebied gelegen is; dat dit gebied voor wonen alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf op voorwaarde dat deze activiteiten om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een ertoe voorzien gebied afgezonderd moeten worden, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen en voor agrarische bedrijven bestemd is; dat de bedrijven, voorzieningen en inrichtingen maar toegestaan zijn op voorwaarde dat zij met de onmiddellijke omgeving te verenigen zijn; dat de aanvraag niet strijdig is met de voorschriften van het gewestplan; Overwegende dat het terrein niet is gelegen binnen een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg en dat het evenmin tot een behoorlijk vergunde verkaveling behoort; dat ons college de aanvraag bijgevolg dient te toetsen aan haar eigen appreciatie van de goede aanleg van de plaats; Overwegende dat het terrein vooraan bebouwd is met een op 27 oktober 2000 door het college van burgemeester en schepenen vergunde ééngezinswoning; dat in de woning een studio voor een vrije radiozender is ingericht; Overwegende dat de zendmast is ingeplant in een zone voor binnenplaatsen en tuinen waar bergplaatsen en/of hokken toegelaten zijn in functie van het wonen; dat de bergplaatsen en hokken normaliter worden uitgevoerd met een kroonlijst van maximaal 3m; dat een zendmast van 30m in verhouding tot de omliggende bebouwing niet als normale uitrusting bij de woning kan worden aangezien; Overwegende echter dat de oppervlakte die de pyloon op het terrein inneemt zeer klein is; dat, rekening houdend met de constructie van de pyloon, geen beperking van de zichtbaarheid wordt veroorzaakt; dat uit de argumentatie van de beroeper en zijn raadsman blijkt dat in de omgeving nog hoge constructies X-11.252-5/12 zijn ingeplant; dat bij deze constructies de hoogte van 20m niet wordt overschreden; Overwegende tevens dat in beroep het dossier werd aangevuld met de voorlopige zendvergunning met schema van 7 dagen - 24 u en met een petitie, ondertekend door 85 personen die zich akkoord verklaren met de oprichting van de zendmast; Overwegende dat volgens de beroeper en zijn raadsman, voor een goede kwaliteit en een voldoende zendbereik een pyloonhoogte van ten minste 20m vereist is; dat ons college van oordeel is dat redelijkerwijze vergunning kan worden verleend, op voorwaarde dat de hoogte van de pyloon tot 20m en van de pyloon, inclusief antennes, tot 25m wordt beperkt”. 1.7. Op 23 juli 2002 dient het college van burgemeester en schepenen van Oud-Turnhout tegen de voormelde voorwaardelijke vergunning bij de verwerende partij een beroep in. Dit beroep is als volgt gemotiveerd : “Overwegende dat door zijn hoogte en inplanting in de tuin de voorgestelde pyloon de goede ruimtelijke ordening van de naastliggende bebouwing in het gedrang brengt. Een pylon van maximaal 20 m (maximaal 25
- m)inclusief antennes is niet verenigbaar met het kleinschaliger gabarit van de onmiddellijke woningen waar een maximum van 11 m gangbaar is. Overwegende dat de pyloon hierdoor torenhoog boven de omliggende bebouwing zou uitsteken. Overwegende dat een pyloon door zijn bestemming en grootschaligheid niet thuishoort in een tuinzone. Hier kunnen volgens de gangbare stedenbouwkundige regels enkel berghokken en autobergplaatsen worden toegestaan beperkt in hoogte en omvang. Overwegende de bezwaren die zijn binnengekomen naar aanleiding van het vereiste openbaar onderzoek. Gezien deze bezwaren handelen over : S het esthetisch niet aanvaardbaar zijn van een dergelijke pyloon in woongebied. S het gezondheidsaspect S het verhoogd gevaar voor mogelijke blikseminslag S het dalen van huur- en verkoopswaarde van de omringende woningen door de aanwezigheid van een dergelijke pyloon S de mogelijke storingen van radio- en TV-ontvangst S risico door afknakken bij zwaar weer S eventuele verkeersdrukte Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen rekening heeft gehouden met de binnengekomen bezwaren; Overwegende dat er in de onmiddellijke omgeving verder geen hoge constructies zijn ingeplant. Overwegende dat noch de beroeper noch zijn raadsman het dossier van de gemeente heeft aangevuld met de voorlopige zendvergunning met schema van 7 dagen - 24 u en/of met de petitie ondertekend door 85 personen die zich akkoord verklaren met de oprichting van de zendmast. Gezien dit document geen deel uitmaakt van het gemeentelijk dossier. Bij het dossier van de ééngezinswoning is destijds wel een petitie gevoegd met hierop de handtekening van 85 personen die zich daarmee akkoord verklaren met de komst van een vrije radio zonder kantine. Gezien het plaatsen van de pyloon onverenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening. X-11.252-6/12 Op grond van deze motieven verzoeken wij U de beslissing van de Bestendige Deputatie te herzien. Tevens verzoeken wij U te worden gehoord in voorliggend dossier. In bijlage zenden wij u de samenstelling van het dossier. Een vooreensluidend afschrift van voorliggend beroepschrift met bijhorend dossier wordt eveneens overgemaakt aan de heer Schoeters, de Bestendige Deputatie en AROHM Antwerpen”. 1.8. Bij besluit van 19 november 2002 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening wordt het beroep van het college van burgemeester en schepenen van Oud-Turnhout ingewilligd en wordt de vergunning geweigerd. Dit is het bestreden besluit. 2. De gegrondheid van het beroep 2.1. Het aangevoerde enig middel In een enig middel voert de verzoeker een schending aan van “de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 inzake de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, artikel 53 § 3 van het Decreet betreffende ruimtelijke ordening zoals gecoördineerd op 22 oktober 1996” en van “het zorgvuldigheidsbeginsel en redelijkheidsbeginsel” : “* De verplichting tot uitdrukkelijke motivering houdt krachtens de in dit middel omschreven bepalingen in dat de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet bevatten die aan de beslissing ten grondslag liggen en dit op een afdoende en pertinente en juiste wijze. De motivering in feite betekent dat de precieze en concrete feitelijke overwegingen worden aangeduid waarom in het licht van de aangehaalde wetsbepalingen, de beslissing werd genomen. Dit betekent dat de motieven moeten beantwoorden aan de realiteit en voldoende draagkrachtig moeten zijn om de beslissing effectief te verantwoorden. * In casu blijkt duidelijk dat de bestreden beslissing genomen is op basis van onjuiste feitelijke motieven. De Minister stelt dat de omgeving een afgewerkt stedenbouwkundig patroon bezit met een hoofdzakelijk residentiële bebouwing in aaneengesloten wijze en dat de wijk een verzorgd aspect vertoont evengoed wat de straatkant van de Molse Steenweg betreft als inzake de uitbouw van de ter plaatse diepe tuinstrook en dat deze een nog vrij open en geordend karakter heeft bewaard, niet gefragmenteerd door allerlei aanbouwen en losse constructies en binnen deze omgeving geen gelijkaardige zendmasten voorkomen. Deze feitelijke vaststellingen zijn pertinent onjuist, zoals blijkt uit de foto’s (...) die genomen zijn van op het dak van de woning van verzoekende partij met de rug naar de Steenweg op Mol. Uit die foto’s blijkt helemaal niet dat de wijk een verzorgd aspect heeft en dat de tuinstrook een vrij open en geordend karakter heeft. X-11.252-7/12 Integendeel, het betreft hier een - typisch Belgische - achtertuinstrook met heel wat gebouwen die ongeordend zijn opgericht, al dan niet vergund. Er zijn wel allerlei aanbouwen en losse constructies zoals duidelijk blijkt uit de bijgebrachte foto’s. De Minister heeft zich niet gebaseerd op de foto’s die bij de bouwaanvraag werden gevoegd omdat daaruit ook ontegenzeggelijk bleek dat men in casu niet kan spreken van een open en geordende tuinstrook. Bovendien is het ook flagrant onjuist dat in de omgeving geen gelijkaardige zendmasten voorkomen. Dit blijkt duidelijk uit de derde foto van stuk 8 die is bijgevoegd en waarvan het origineel tijdens de hoorzitting reeds werd neergelegd. Er is immers een gelijkaardige pyloon enkele tientallen meters verwijderd van het perceel van verzoeker zoals blijkt uit de eerste foto op stuk 8. Op de derde foto van stuk 8 blijkt ook nog dat er een zeer hoge zendmast is die op een tweetal kilometer afstand staat. Ook de pyloon van waaruit verzoeker vroeger heeft uitgezonden in de Kraaienbosstraat (...) staat in vogelvlucht maar op 1 kilometer afstand. Verder is het standpunt dat evengoed met een toekomstgerichte visie rekening kan gehouden worden wel tegenstrijdig met het feit dat men stelt, wat dan weer wel juist is, dat de omgeving volgebouwd is en bestaat uit rijwoningen en vrijstaande woningen. In de onmiddellijke omgeving zijn immers nog weinig bouwvrije percelen. Ook wordt in de bestreden beslissing geen enkel onderscheid gemaakt tussen een zendmast en een pyloon, die voorwerp is van de vergunningsaanvraag. Dit heeft de Bestendige Deputatie nochtans terecht wel gedaan. Zendmasten die door GSM-operatoren de laatste jaren zijn opgericht (...) hebben een veel grotere impact op de ruimtelijke ordening dan de pyloon die voorwerp is van huidige aanvraag en die volledig doorzichtig is en een heel beperkte omvang en volume heeft. De Bestendige Deputatie stelde dan ook op 6 juni 2002 terecht dat de oppervlakte die de pyloon op het terrein inneemt zeer klein is en dat rekening houdend met de constructie van de pyloon geen beperking van de zichtbaarheid wordt veroorzaakt. Het is dan ook onredelijk nu het tegenovergestelde te stellen in het alhier bestreden besluit. Naast de twee pyloonconstructies die op de derde foto van stuk 8 te zien zijn, dient ook rekening gehouden te worden met de straatverlichting die toch ook een min of meer gelijkaardige impact heeft op de ruimtelijke ordening. Deze is weliswaar geen 30 meter hoog doch komt wel overeen met datgene wat uiteindelijk door de Bestendige Deputatie is vergund, zijnde een pyloon van 20 meter waarop inclusief antennes tot 25 meter hoogte mag gekomen worden. Ten onrechte wordt ook gesteld dat het voorwerp van de aan de mast gerelateerde technologische en commerciële bestemming duidelijk afbreuk doet aan de rustige en evenwichtige residentiële uitbouw van de plaats. Verzoekende partij stelt zich de vraag hoe kan gesproken worden van een commerciële bestemming van een pyloon van dergelijke beperkte hoogte. Verzoekende partij is voorzitter van een VZW die per definitie geen commerciële bestemming heeft zodat op dat punt de motivering dan ook flagrant in strijd is met de werkelijkheid. Uit de stukken die bij het bouwberoep bij de Bestendige Deputatie werden gevoegd (...) blijkt ook duidelijk dat er geen rustverstoring is voor de omliggende buurt en dat die omliggende buurt zelfs een petitie heeft gesteund ten voordele van de vrije radio (...) * Uit het hiervoor vermelde blijkt dat de bestreden beslissing ook genomen is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel aangezien de Minister zich niet gesteund heeft op correcte feitelijke gegevens en derhalve op een onzorgvuldige manier tewerk is gegaan door zomaar het standpunt van de beroeper, zijnde de gemeente Oud-Turnhout, over te nemen en helemaal niet X-11.252-8/12 zorgvuldig de argumenten van de Bestendige Deputatie te hebben weerlegd. Deze oordeelde immers dat de gevraagde vergunning wel kon verleend worden. Tevens is het ook onzorgvuldig om het gabariet van woningen te gaan vergelijken met een pyloon. Vanzelfsprekend dat dat niet overeenkomt. Het is ook appelen met citroenen vergelijken, wat niet getuigt van een zorgvuldig en redelijk besluitvormingsproces”. 2.2. Beoordeling 2.2.1. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepalen dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, dat in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat deze afdoende moeten zijn. Artikel 6 van dezelfde wet bepaalt dat deze “slechts van toepassing (
- is)op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen”. Uit de voorgaande bepaling volgt dat op het stuk van de motiveringsverplichting, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen een wet van suppletoire aard is. Artikel 53, §3 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna : het gecoördineerde decreet), legt aan de deputatie, wanneer zij in beroep uitspraak doet over bouw- en verkavelingsaanvragen, een motiveringsverplichting op die niet minder streng is dan deze voorgeschreven door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Deze beslissingen vallen derhalve niet onder de toepassing van de laatstgenoemde wet. Uit wat voorafgaat, volgt dat de ingeroepen schending van de motiveringsverplichting geacht moet worden te zijn afgeleid uit de schending van artikel 53, §3 van het gecoördineerde decreet. 2.2.2. Om te voldoen aan de voormelde motiveringsverplichting wat betreft de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening, moeten in de vergunning duidelijk de met de goede plaatselijke aanleg of ruimtelijke ordening verband houdende redenen worden vermeld die de beslissing verantwoorden, derwijze dat het de aanvrager of de belanghebbende derde mogelijk is met kennis van zaken X-11.252-9/12 tegen de bestreden beslissing op te komen en dat de Raad van State de hem opgedragen wettigheidscontrole kan uitoefenen. De opgelegde formele motiveringsverplichting houdt eveneens in dat enkel met de in het besluit vermelde redengeving rekening kan worden gehouden. Wat die beoordeling betreft, dient de vergunningverlenende overheid op de eerste plaats rekening te houden met de ordening in de onmiddellijke omgeving. Deze beoordeling dient in concreto te geschieden en uit te gaan van de bestaande toestand. 2.2.3. Wat de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening betreft, stelt het bestreden besluit, na vastgesteld te hebben dat het perceel volgens het gewestplan in woongebied gelegen is, wat volgt : “Overwegende dat bij het beoordelen van de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving dient uitgegaan te worden van de specifieke kenmerken van die omgeving die voornamelijk afhankelijk zijn van het gebruik, de aard en het voorkomen van de in die buurt aanwezige gebouwen of open ruimten; dat naast de in overweging neming van de bestaande toestand hierbij evengoed een toekomstgerichte visie dient gehanteerd die de te verwachten evoluties in het straatbeeld en de verdere bouwmogelijkheden van de plaats mee in rekening neemt; Overwegende dat deze omgeving een afgewerkt stedenbouwkundig patroon bezit met een hoofdzakelijk residentiële bebouwing in aangesloten bouwwijze, hier en daar ook vrijstaande en kopwoningen; dat de wijk een verzorgd aspect vertoont, evengoed wat de straatkant van de Molse Steenweg betreft als inzake de uitbouw van de ter plaatse diepe tuinstrook; dat deze een nog vrij open en geordend karakter heeft bewaard, niet gefragmenteerd door allerlei aanbouwen en losse constructies maar waar bijvoorbeeld op het aanpalend eigendom een verzorgde rij garages en aanleg de autostalplaatsen van de voorliggende appartementen groepeert; dat binnen deze omgeving geen gelijkaardige zendmasten voorkomen; Overwegende dat in deze omstandigheden de 25 meter hoge mast, ook al is deze een ‘doorzichtige’ constructie, door inplanting midden in de tuin op 27 meter achter het hoofdgebouw, een duidelijke ruimtelijke weerslag op het algemeen karakter van de omgeving legt; dat de mast bovenaan een duidelijk bredere uitbouw van antennes omvat en een markante inrichting vormt die door constructieve opvatting en hieraan gerelateerde technologische en commerciële bestemming duidelijk afbreuk doet aan de rustige en evenwichtige residentiële uitbouw van de plaats; dat in die zin een goede plaatselijke aanleg wordt verstoord zodat geen vergunning kan gegeven worden; dat het beroep van de gemeente dient bijgetreden”. 2.2.4. De Raad van State vermag in de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht zijn beoordeling van de goede plaatselijke ordening niet in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. Hij is wel bevoegd na te gaan of de administratieve overheid de haar terzake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is X-11.252-10/12 uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij deze correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. 2.2.5. Verzoekers betoog, onder verwijzing naar foto’s, dat helemaal niet blijkt dat de wijk een verzorgd aspect heeft en dat de tuinstrook een vrij open en geordend karakter heeft, alsook dat het hier een -typisch Belgische- achtertuinstrook betreft met heel wat gebouwen die ongeordend en al dan niet vergund zijn opgericht, met allerlei aanbouwen en losse constructies, betreft een opportuniteitsbeoordeling. Het bestreden besluit ontkent niet dat er aanbouwen en losse constructies zijn in de tuinstrook, maar stelt vast dat het open en geordend karakter van de tuinstrook daardoor niet “gefragmenteerd” wordt zoals bijvoorbeeld blijkt uit de verzorgde rij garages op het aanpalende eigendom. Mede gelet op de foto’s en het kadastraal plan, zoals gevoegd bij de aanvraag zelf, is het niet kennelijk onredelijk of foutief om de wijk aldus te beoordelen. De verzoeker toont voorts niet aan dat de overweging in het bestreden besluit “dat binnen deze omgeving geen gelijkaardige zendmasten voorkomen” onjuist is. Rekening houdend met de afstand waarop de andere masten gesitueerd zijn, zoals die blijkt uit de door de verzoeker bijgebrachte foto 8, kan worden aangenomen dat deze niet bepalend waren voor de beoordeling van de verenigbaarheid van het gevraagde met de omgeving. Er is geen reden om in te gaan op de vragen in de laatste memorie van de verzoeker om ter plaatse te gaan. 2.2.6. Het verwijt van de verzoeker dat het bestreden besluit geen onderscheid maakt tussen een zendmast en een pyloon is niet dienend, aangezien de verwerende partij de kenmerken van de pyloon die het voorwerp is van de voorliggende aanvraag bij haar beoordeling heeft betrokken. De stelling van de verzoeker dat rekening dient te worden gehouden met de straatverlichting, die min of meer dezelfde impact zou hebben op de ruimtelijke ordening als een pyloon zoals vergund door de bestendige deputatie, houdt een eigen opportuniteitsoordeel in van de verzoeker, die niet aantoont dat het bestreden besluit feitelijk onjuist of kennelijk onredelijk zou zijn. 2.2.7. De “vraag” van de verzoeker “hoe kan gesproken worden van een commerciële bestemming van een pyloon van dergelijke beperkte hoogte”, is evenmin van aard de onwettigheid van het bestreden besluit aan te tonen. De vaststelling aangaande de inplanting van de 25 meter hoge mast midden in de tuin X-11.252-11/12 en de ruimtelijke weerslag ervan op het algemeen karakter van de omgeving verantwoordt op afdoende wijze het bestreden besluit. Het middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig februari 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. X-11.252-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.890 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div