id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.926 Rolnummer: A. 190413/XII-5630 Zaak: Arrest 190926 - Bewakingsondernemingen - 26/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-09 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 19:59 Fiche Arrest nr 190.926 van 26 februari 2009 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Bewakingsondernemingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.926 van 26 februari 2009 in de zaak A. 190.413/XII-
- In zake : Johan LEONAER, die woonplaats kiest bij advocaat L. Raeymaekers, kantoor houdende te Westerlo, Baksveld 3/E tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Johan Leonaer op 20 november 2008 heeft ingediend om de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging te vragen van de beslissing van 19 september 2008 van de minister van Binnenlandse Zaken om hem geen identificatiekaart uit te reiken voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag over het beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en over de vordering tot schorsing, opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op de beschikking van 22 januari 2009, waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 februari 2009; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-5630-1/11 Gehoord de opmerkingen van advocaat M. Wendrickx, die loco advocaat L. Raeymaekers verschijnt voor verzoeker, en van attaché B. Verschaeve, die verschijnt voor verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : I. De feitelijke gegevens
- Op 25 februari 2004 vraagt de vergunde bewakingsonderneming bvba DMG Security te Westerlo een identificatiekaart aan voor verzoeker voor het uitoefenen van activiteiten van toezicht op en controle van personen met het oog op het verzekeren van de veiligheid op al dan niet voor het publiek toegankelijke plaatsen. Eerder zijn aan verzoeker reeds identificatiekaarten, geldig tot 23 april 2007, uitgereikt voor bewakingsactiviteiten bij de bewakingsondernemingen bvba JAG Security Solutions te Herent en bvba MVK Events & Security te Bornem. Ten gevolge van de aanvraag wordt een veiligheidsonderzoek ingesteld door de federale politie. Het verslag van dat onderzoek maakt melding van een proces-verbaal van 6 juli 2002 wegens “het wederrechtelijk dragen van verboden wapens”. Bij een controle van zijn wagen werden in de jas van verzoeker een telescopische matrak en een busje pepperspray aangetroffen. De jas lag in de koffer van de wagen. Op basis van dit verslag adviseert de commissie Onderzoeken naar de veiligheidsvoorwaarden op 3 december 2007 dat verzoeker niet aan de veiligheids- voorwaarden voldoet en dat een procedure tot weigering van de afgifte van een identificatiekaart moet worden aangevat. Met een brief van 7 januari 2008 wordt aan verzoeker medegedeeld dat de minister van Binnenlandse Zaken op basis van het voormeld proces-verbaal overweegt de identificatiekaart te weigeren. Op 23 januari 2008 dient de raadsman van verzoeker een verweerschrift in. XII-5630-2/11 Op 19 september 2008 neemt de minister van Binnenlandse Zaken de bestreden beslissing tot weigering van een identificatiekaart. Gemotiveerd wordt hoofdzakelijk : “Overwegende dat een elementaire voorzorgsmaatregel van de minister van Binnenlandse Zaken, die omtrent de aanvraag moet beslissen, er in bestaat erover te waken dat de mensen die tewerkgesteld worden in de bewakingssector een profiel vertonen van terughoudendheid en over de kwaliteit beschikken om op een geweldloze wijze en met respect voor de rechten en de vrijheden van de medeburgers deze functies uit te oefenen; Dat het de taak is van de overheid een afweging te maken van de feiten die van die aard zijn dat zij een ernstige tekortkoming kunnen uitmaken aan het vertrouwen dat door de maatschappij in deze personen wordt gesteld; Overwegende dat men U in het proces-verbaal n/ LE.36.L7.102733/2002 ‘wederrechtelijk dragen verboden wapen’ ten laste legt; Overwegende dat, voor wat betreft het gegeven dat U voor bovengenoemde feiten niet veroordeeld werd, er een belangrijk onderscheid dient gemaakt te worden tussen de manier waarop de feiten moeten bekeken worden op deontologisch vlak en op strafrechtelijk vlak. Dezelfde feiten vertonen een andere orde van belangrijkheid naargelang ze op strafrechtelijk vlak of deontologisch vlak bekeken worden. Feiten die niet het voorwerp uitmaken van een strafrechtelijke veroordeling of die zelfs door het parket zonder gevolg worden gerangschikt bv. omwille van een geregulariseerde toestand, kunnen een weigering rechtvaardigen wanneer ze bekeken worden op deontologisch vlak; De Minister van Binnenlandse Zaken heeft de actieve plicht om de nodige kennis te verwerven over alle relevante feitelijke gegevens die zijn beslissing kunnen beïnvloeden. Van de Minister wordt immers verwacht dat hij zijn beslissing afweegt aan de hand van feiten waarvan hij zich een duidelijke voorstelling heeft kunnen vormen, die hij op hun overeenstemming met de werkelijkheid heeft kunnen onderzoeken en die hij aan een waardering onderworpen heeft. In geval de Minister van Binnenlandse Zaken gebruik maakt van zijn discretionaire macht om de betrokkene de toegang tot de bewakingssector te ontzeggen, moet de beslissing bijzonder goed gestaafd zijn. De beslissing moet formeel en materieel gemotiveerd zijn en de motieven dienen afdoende te zijn. Dit betekent dat de feiten en de rol van betrokkene erin afdoende moeten vaststaan en dat de feiten dermate zwaarwichtig moeten zijn dat zij - naar recht en redelijkheid - een weigering van de toegang tot de private veiligheidssector verantwoorden; Het is dan ook uitermate essentieel dat alle gekende feiten en gegevens die een negatief licht kunnen werpen op de betrokkene, nauwkeurig en gedetailleerd ter kennis van de Minister worden gebracht. Meer nog, bij gebrek aan nauwkeurige en gedetailleerde informatie, kan de Minister ertoe gebracht worden een identificatiekaart af te leveren aan personen die een ernstig veiligheidsrisico inhouden; Overwegende dat de feiten in het proces-verbaal n/ LE.36.L7.102733/2002 als volgt kunnen samengevat worden: Tijdens een wegcontrole treft de politie bij U een telescopische matrak en een busje peperspray Fog TW 1000 aan. Deze voorwerpen bevinden zich in Uw jas die in de koffer van Uw wagen ligt; In Uw verhoor destijds aan verbalisanten dd. 19 augustus 2002 verklaart U: ‘Deze verboden wapens waren mijn eigendom en lagen regelmatig in de koffer van mijn wagen.’ Verder stelt U: ‘Ik wist dat het verboden was om deze verboden wapens te vervoeren. Ik heb deze verboden wapens op eigen initiatief aangeschaft om me eventueel te verdedigen na afloop van een fuif. De verboden wapens heb ik me een zestal maanden geleden ergens in Nederland aan de grens aangeschaft.’ XII-5630-3/11 In Uw schriftelijk verweer dd. 24 januari 2008 stelt U: ‘Zoals U kunt vaststellen kadert deze ervaring (JAG SECURITY) zich dan ook in de tijdsperiode van het opgestelde proces-verbaal LE.36.L7.102733/
- Het bezitten van verboden wapens past niet bij mijn persoonlijkheid, maar werd mij door de toenmalige portiersentourage aangepraat. Ter verdediging kan ik enkel inbrengen dat ik mij hierdoor heb laten beïnvloeden door de verkeerde personen.’ Gelet op het gegeven dat de wetgever van mening is dat de personen die belast zijn met bewakingsactiviteiten vaak geconfronteerd worden met conflictsituaties; Dat de uitoefening van bewakingsactiviteiten vereist dat men in conflictsituaties een evenwicht vindt tussen enerzijds een efficiënte controle en anderzijds het respect voor de fundamentele rechten van de mens; Dat het de uitdrukkelijke wil van de wetgever is dat men bij bewakingsactiviteiten op een preventieve manier te werk gaat en een conflict benadert vanuit een psychologische hoek eerder dan zijn toevlucht te nemen tot wapens of geweld. Dat indien deze aanpak niet de verhoopte resultaten oplevert, de bewakingsagent zich moet onthouden van elk andere tussenkomst en de politiediensten onmiddellijk moet verwittigen; Gelet op de wil van de wetgever dat bewakingsactiviteiten geweldloos worden uitgeoefend, is het belangrijk na te gaan, voor elke bewakingsagent afzonderlijk, of hij in geval van conflict geneigd zal zijn terug te vallen op geweld; Overwegende dat in casu het onderzoek naar de veiligheidsvoorwaarden feiten van verboden wapendracht aan het licht bracht; Dat U op 6 juli 2002 in het bezit werd bevonden van 2 verboden wapens, nl. een telescopische matrak en een busje peperspray. Meer bepaald werden deze wapens door de politie in Uw wagen aangetroffen; Dat, door U een illegaal wapen aan te schaffen en dit in Uw bezit te hebben, ongeacht of U het wapen al dan niet gebruikt heeft of gaat gebruiken en ongeacht de reden die U tot de aanschaf of het bezit aanzette, U de vigerende regelgeving, inzonderheid de wapenwetgeving, reeds overtreden heeft; Dat U zowel in Uw verhoor destijds aan verbalisanten dd. 19 augustus 2002 als in Uw schriftelijk verweer dd. 24 januari 2008, erkent dat deze wapens Uw eigendom waren. U geeft eveneens toe dat U deze wapens op eigen initiatief hebt aangeschaft en erkent U daarenboven dat U wist dat deze wapens verboden waren; Overwegende dat de wapenwetgeving uitdrukkelijk het bezit van een telescopische matrak en peperspray door particulieren verbiedt. U deinst er echter blijkbaar niet voor terug de wapenwetgeving, een wetgeving die van openbare orde is en die iedereen wordt verondersteld te kennen, te overtreden; Overwegende dat U in Uw verhoor destijds aan verbalisanten stelt dat U deze wapens hebt aangeschaft ter Uwer verdediging na afloop van een fuif waar U taken uitoefent als portier; Overwegende dat de wetgever er vanuit gaat dat de bewakingsactiviteiten in principe ongewapend dienen te worden uitgeoefend aangezien de activiteiten van de private veiligheidssector een louter proactieve, preventieve functie hebben. Bovendien zijn bewakingsagenten niet gerechtigd enige dwang of geweld te gebruiken. Derhalve werd voorzien in een algemeen verbod om welbepaalde bewakingsactiviteiten gewapend uit te oefenen. Het betreft meerbepaald activiteiten die in het algemeen contacten met medeburgers impliceren (persoonscontrole, goederenbewaking op publieke plaatsen, ...). De wetgever ging ervan uit dat de bewakingsagenten zich vaak in conflictueuze situaties kunnen bevinden waarin wapendracht provocerend zou kunnen werken of de agenten ertoe zou kunnen aanzetten in een crisissituatie op onverantwoorde wijze gebruik te maken van zijn wapen of op een wijze waardoor argeloze aanwezigen gekwetst zouden kunnen worden. Daarom is het verboden dat men tijdens de uitoefening van de meeste delicate bewakingsopdracht, met name persoons-controle, zijn toevlucht zou nemen. tot het gebruik van wapens; XII-5630-4/11 Gelet op de wil van de wetgever dat bewakingsagenten geweldloos en in principe zonder wapens worden uitgeoefend, is het belangrijk na te gaan, voor elke bewakingsagent afzonderlijk, of hij in geval van conflict geneigd zal zijn terug te vallen op wapens of ander geweld; Overwegende dat het wederrechtelijk dragen van verboden wapens een doorslaggevend element is in het vormen van een oordeel met betrekking tot de ingesteldheid van een persoon die een gereglementeerd en delicaat beroep wenst uit te oefenen; Overwegende dat de wetgever het voorbehouden van de toegang tot de private veiligheidssector aan professioneel betrouwbare personen als hoofddoelstelling voorop stelde. Dat voornoemde feiten in Uwen hoofde wijzen op een algemene ingesteldheid die niet beoogd wordt door de wetgever ten aanzien van personen die werkzaam zijn in de bewakingssector; Om deze redenen, stel ik vast dat U niet voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 6, lid 1, 8/ van de bewakingswet”. II. Het beroep tot nietigverklaring Eerste middel
- Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van artikel 6, eerste lid, 8/, van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid (hierna de wet van 10 april 1990), van de formele- en de materiële- motiveringsverplichting en van het zorgvuldigheidsbeginsel. Hij licht inzonderheid toe : “In de beslissing zelf wordt gesteld dat de aangehaalde feiten wijzen op een algemene ingesteldheid die niet beoogd wordt door de wetgever ten aanzien van personen die werkzaam zijn in de bewakingssector. De beslissing om de identificatiekaart te weigeren is gebaseerd op éénmalige feiten van meer dan zes jaar geleden, niet gepleegd in het kader van de bewakingssfeer en in een welbepaalde context. De beslissing is enkel en alleen gebaseerd op de vastgestelde feiten van verboden wapendracht tijdens een politiepatrouille : de wapens - pepperspray en een telescopische matrak - bevonden zich in een jas welke zich in de koffer bevond van de onderzochte wagen. Hieruit leidt de beslissing af dat deze feiten wijzen op een algemene ingesteldheid die niet beoogd wordt door de wetgever. Nochtans : - verklaarde verzoekende partij in zijn schriftelijk verweer van 24 januari 2008 dat hij zich in 2002 had laten beïnvloeden door de verkeerde personen - van de vroegere bewakingsfirma waar verzoekende partij werkzaam was en dat verboden wapens niet bij zijn persoonlijkheid behoren; - verklaarde verzoekende partij aan de verbalisanten dat de verboden wapens werden aangeschaft om zich eventueel te verdedigen na afloop van een fuif, - werd verzoekende partij niet vervolgd voor deze feiten, - werden sedert deze feiten die dateren van juli 2002 geen andere feiten aan het licht gebracht. XII-5630-5/11 De beslissing houdt de facto in dat verzoekende partij geen bewakingsopdracht meer kan uitoefenen - ondanks een jarenlange ervaring. Door deze verregaande beslissing enkel en alleen te steunen op éénmalige feiten wordt de formele motiveringsplicht geschonden. Er is bovendien sprake van een interne tegenstrijdig omdat enerzijds verwezen wordt naar een ‘algemene ingesteldheid welke niet wordt beoogd door de wetgever’ en anderzijds enkel en alleen verwezen wordt naar de éénmalige feiten van juli 2002”; en : “Bij onderzoek van de vastgestelde feiten komt vast te staan dat de feiten niet zijn vastgesteld ter gelegenheid van een bewakingsopdracht, doch wel tijdens een patrouille. Verzoekende partij verklaart in augustus 2002 dat hij deze wapens heeft aangeschaft om zich eventueel te verdedigen na afloop van een fuif waaronder noodzakelijk dient verstaan nadat de bewakingsopdracht is afgelopen! In het schriftelijk verweer van 24 januari 2008 verklaart verzoekende partij dat wapendracht niet bij zijn persoonlijkheid past. Er zijn voor 2002 en na 2002 geen feiten bekend waarbij verzoekende partij geweld zou gebruikt hebben in het kader van bewakingsopdrachten of daarbuiten. Oordelen dat de éénmalige feiten van verboden wapendracht - buiten de bewakingssfeer - wijzen op een ‘algemene ingesteldheid welke niet wordt beoogd door de wetgever’ zonder verwijzing naar enige feiten van geweld of poging daartoe, maakt een schending uit van de materiële motiveringsverplichting. Artikel 6, lid 1, 1/ van de bewakingswet stelt als voorwaarde dat de aanvrager niet mag veroordeeld zijn tot een gevangenisstraf, zelfs niet met uitstel, van ten minste drie maanden wegens inbreuk op de wapenwetgeving. In casu ligt géén veroordeling voor, zelfs geen vervolging zodat een eenvoudige verwijzing naar de vastgestelde feiten op zich niet kan volstaan als motivering tot deze beslissing”.
- Overeenkomstig artikel 6, eerste lid, 8/, van de wet van 10 april 1990 moeten de personen die een uitvoerende functie uitoefenen in een bewakings- onderneming “voldoen aan de veiligheidsvoorwaarden, noodzakelijk voor het uitoefenen van een uitvoerende functie, en [mogen zij] geen feiten gepleegd hebben die, zelfs als ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling, een ernstige tekortkoming van de beroepsdeontologie uitmaken en daarom raken aan het vertrouwen in de betrokkene”. Zoals in de bestreden beslissing terecht wordt overwogen komt het bij de beoordeling of een betrokkene terzake voldoet, aan de overheid toe om “een afweging te maken” van de feiten die van die aard zijn dat zij een ernstige tekortkoming kunnen uitmaken aan het vertrouwen dat door de maatschappij wordt gesteld in de mensen die tewerkgesteld worden in de bewakingssector. Bij deze afweging beschikt de overheid over een ruime discretionaire appreciatievrijheid. XII-5630-6/11
- Te dezen is de bestreden weigeringsbeslissing gesteund op het feit dat verzoeker zich schuldig maakte aan “het wederrechtelijk dragen van verboden wapens”. Anders dan verzoeker stelt, werden de feiten wel degelijk gepleegd in het kader van “de bewakingssfeer”. De wapens werden in de koffer van zijn wagen aangetroffen toen hij samen met twee collega’s op weg was naar een “Beach-Party” waar zij in opdracht van bvba JAG Security Solutions voor de security zouden instaan. Blijkens het proces-verbaal van 6 juli 2002 van de lokale politie te Aarschot erkende verzoeker dat hij de verboden wapens had aangeschaft “naar aanleiding van zijn job bij de securitydienst”. Het feit dat verzoeker de wapens had aangekocht om zich eventueel te kunnen verdedigen na afloop van een fuif, belet niet dat hij ze bij het uitoefenen van zijn bewakingsopdracht ter beschikking had en er zijn toevlucht toe kon nemen. Voorts brengt de omstandigheid dat verzoeker voor de feiten niet vervolgd werd en dat ze eenmalig zijn, niet mee dat het de weigeringsbeslissing aan wettige motieven ontbreekt. Overeenkomstig artikel 6, eerste lid, 8/, van de wet van 10 april 1990 kunnen ook feiten die niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling de weigering tot afgifte van een identificatiekaart verantwoorden. Naar de bestreden beslissing vermeldt, is het de uitdrukkelijke wil van de wetgever “dat men bij bewakingsactiviteiten op een preventieve manier te werk gaat en een conflict benadert vanuit een psychologische hoek eerder dan zijn toevlucht te nemen tot wapens of geweld”. Verzoeker heeft zich evenwel op eigen initiatief wapens aangeschaft, wetende dat deze wapens verboden waren. Dat de minister van Binnenlandse Zaken in het wederrechtelijk dragen van verboden wapens door verzoeker een teken heeft gezien dat wijst op een algemene ingesteldheid die niet beoogd wordt door de wetgever ten aanzien van personen die werkzaam zijn in de bewakingssector, komt geenszins verkeerd voor. De feiten mogen dan eenmalig zijn, het belet niet dat de minister het wederrechtelijk dragen van verboden wapens rechtmatig mag in aanmerking nemen als “een doorslaggevend element [...] in het vormen van een oordeel met betrekking tot de ingesteldheid van een persoon die een gereglementeerd en delicaat beroep wenst uit te oefenen”. Tenslotte waren de feiten, die dateren van 2002, niet zo oud dat zij niet meer geacht kunnen worden nog relevant te zijn. De minister heeft, door met de feiten rekening te houden, de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid niet overschreden.
- Het eerste middel is niet gegrond. XII-5630-7/11 Tweede middel
- In een tweede middel voert verzoeker de schending aan van artikel 6, eerste lid, 8/, van de wet van 10 april 1990 en van de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het redelijkheidsbeginsel en het evenredigheids- beginsel. Verzoeker wijst er op dat overeenkomstig artikel 6, eerste lid, 1/, van de wet van 10 april 1990 de afgifte van een identificatiekaart geweigerd moet worden aan personen die veroordeeld zijn tot een gevangenisstraf van minstens drie maanden, al dan niet met uitstel, ten gevolge van inbreuken op de wapenwet. Personen die niet tot een dergelijke straf veroordeeld zijn, kunnen bijgevolg tot bewakings- activiteiten worden toegelaten. Volgens verzoeker leiden alle gegevens die tijdens het onderzoek naar de verboden wapendracht werden vastgesteld tot het besluit dat hij aan de veiligheidsvoorwaarden voldoet en dat de aan het licht gebrachte feiten niet beschouwd kunnen worden als een ernstige tekortkoming van de beroepsdeontologie en daarom raken aan het vertrouwen in verzoeker. Verzoeker wijst er op dat het om eenmalige feiten gaat, dat zij werden vastgesteld door een politiepatrouille op de weg, dat hij de wapens heeft aangeschaft voor zijn eventuele verdediging na afloop van een fuif, dus na de beëindiging van zijn bewakingsopdracht, dat de wapens een defensief karakter hebben en dat de feiten moeten gekaderd worden in de sfeer bij zijn vorige werkgever, waar hij zich door verkeerde personen heeft laten beïnvloeden. Doordat de bestreden bestuurshandeling op bijna definitieve wijze de uitoefening van een beroep verbiedt waarvoor verzoeker de wettelijke opleiding gevolgd heeft en de vereiste bekwaamheid heeft, en door te steunen op een feit dat, op objectieve wijze bekeken en geplaatst in zijn context, relatief onschuldig is en dus niet doet blijken van een ernstige tekortkoming van de beroepsdeontologie, wordt artikel 6, eerste lid, 8/, van de wet van 10 april 1990 miskend. Bovendien is er een kennelijke wanverhouding tussen de feiten waarop de beslissing is gesteund en de beslissing tot weigering van de identificatiekaart. Overeenkomstig artikel 17 van de wet kunnen er bij inbreuken tijdens de uitoefening van bewakingsactiviteiten sancties worden genomen. Verzoeker uitsluiten op grond van eenmalige en oude feiten, maakt een schending van het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel uit. XII-5630-8/11
- Krachtens artikel 6, eerste lid, 1/, van de wet van 10 april 1990 moet de identificatiekaart worden geweigerd aan personen die één van de in die bepaling vermelde veroordelingen hebben opgelopen. Dit betekent evenwel niet dat, wanneer de feiten die gebleken zijn geen dergelijke veroordeling hebben meegebracht, de identificatiekaart niet zou kunnen worden geweigerd. De voorwaarden van artikel 6 zijn immers cumulatief. Krachtens artikel 6, eerste lid, 8/, van de wet moet eveneens worden nagegaan of de betrokkene voldoet aan de veiligheidsvoorwaarden die noodzakelijk zijn voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten en geen feiten heeft gepleegd die, zelfs als ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling, een tekortkoming van de beroepsdeontologie uitmaken en daarom raken aan het vertrouwen in de betrokkene. De betrokkene mag derhalve, ook al heeft hij geen veroordeling opgelopen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, 1/, van de wet, geen feiten hebben gepleegd die uitwijzen dat hij niet over de ingesteldheid en integriteit beschikt die mag worden verwacht van een professioneel betrouwbare bewakingsagent. Uit de woorden “zelfs als ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling” in artikel 6, eerste lid, 8/, van de wet blijkt duidelijk dat bij het beoordelen van de veiligheidsvoorwaarden rekening kan worden gehouden met feiten die door het parket werden geseponeerd. De omstandigheid dat verzoeker niet tot een gevangenisstraf van ten minste drie maanden werd veroordeeld voor zijn inbreuken op de wapenwetgeving, belet derhalve geenszins dat de minister van Binnenlandse Zaken toch wettig kon oordelen dat hij vanwege die inbreuken niet voldeed aan de veiligheidsvoorwaarden vereist voor het uitoefenen van de functie van bewakingsagent.
- Zoals reeds bij de bespreking van het eerste middel werd aangegeven, is de vraag of de tegen verzoeker in aanmerking genomen inbreuken op de wapenwetgeving de conclusie wettigen dat hij niet voldoet aan de veiligheids- voorwaarden als bedoeld in artikel 6, eerste lid, 8/, van de wet van 10 april 1990, een zaak van appreciatie - een zaak dus waarover in redelijkheid uiteenlopend kan worden gedacht. Wat de Raad van State in het kader van zijn wettigheidscontrole van het oordeel van de verwerende partij te doen staat, is niet om dit oordeel af te meten tegen zijn eigen beoordeling terzake, maar wel om na te gaan of het oordeel van de XII-5630-9/11 verwerende partij binnen de grenzen is gebleven van wat als nog redelijk kan worden aangezien. In casu wordt vastgesteld dat de minister op basis van correct vastgestelde en relevante feiten en binnen de perken van zijn appreciatiebevoegdheid tot de weigering van de identificatiekaart heeft beslist. De bestreden beslissing mag dan wel streng heten, zij is daarom niet, als het ware van de weeromstuit, willekeurig of onevenredig. Integendeel komt, gelet op de in de bestreden beslissing uitdrukkelijk aangevoerde wil van de wetgever dat bewakingsactiviteiten geweldloos en in principe ongewapend worden uitgeoefend en dat de toegang tot de private veiligheidssector wordt voorbehouden aan professioneel betrouwbare personen, de aangevochten weigering voor het resultaat te zijn van een voldoende afgewogen en evenwichtig oordeel van de verwerende partij.
- Ten onrechte meent verzoeker dat verwerende partij bij haar oordeel rekening had dienen te houden met het artikel 17 van de wet van 10 april
- Artikel 17, eerste lid, 2/, maakt het mogelijk de identificatiekaart geheel of gedeeltelijk in te trekken of voor een termijn van ten hoogste zes maanden in te houden wanneer de betrokkene de bepalingen van de wet of haar uitvoeringsbesluiten niet in acht neemt of niet meer aan de voorwaarden ervan voldoet. Verzoeker dient per onderneming waarvoor hij uitvoerende taken verricht een afzonderlijke identificatiekaart te bezitten. Omdat hij nog niet voor de bvba DMG Security werkte, werd door de bvba op 25 februari 2004 voor hem een identificatiekaart aangevraagd. De bestreden beslissing trekt geen eerder afgegeven identificatiekaart in, maar wijst alleen de nieuwe aanvraag af. Vermeld artikel 17 was niet van toepassing; de minister kon slechts beslissen de identificatiekaart toe te kennen of te weigeren.
- Ook het tweede middel is niet gegrond. III. De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging
- De hierna uit te spreken verwerping van het beroep tot nietigverklaring brengt de verwerping mee van de vordering tot schorsing, die immers een accessorium is van dat beroep. XII-5630-10/11 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig februari 2009, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-5630-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.926 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div