id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.973 Rolnummer: A. 191552/IX-6238 Zaak: Arrest 190973 - Penitentiair recht - 27/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-05 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 20:11 Fiche Arrest nr 190.973 van 27 februari 2009 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.973 van 27 februari 2009 in de zaak A. 191.552/IX-6238. In zake : Mohamed JOHRI, die woonplaats kiest bij advocaat M. LANGEROCK, kantoor houdende te SINT-KRUIS (BRUGGE), Dampoortstraat 5 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Mohamed JOHRI op 23 februari 2009 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 19 februari 2009 van de directeur van de strafinrichting Brugge waarbij aan verzoeker volgende tuchtsanctie wordt opgelegd : - 9 dagen strafcel zonder gunsten, - 4 weken strikt regime, namelijk glasbezoek, geen binnenhuisbezoek, geen bezoek zonder toezicht, individuele wandeling, uitsluiting van elke gemeenschappelijke activiteit, voor dezelfde duur geen werk, eredienst op cel en telefoon beperkt tot raadsman en ombudsman; Gelet op de beschikking van 24 februari 2009 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend wat de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid betreft; Gelet op de beschikking van 24 februari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 februari 2009, om 11.30 uur; Gezien het administratief dossier; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; IX-6238-1/10 Gehoord de opmerkingen van advocaat M. LANGEROCK, die verschijnt voor de verzoeker, en van adviseur K. VAN DRIESSCHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur A. VAN STEENBERGE, bij beslissing van 31 oktober 2008 van de auditeur- generaal gemachtigd om ter openbare terechtzitting advies te verlenen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1. De verzoeker is opgesloten in de strafinrichting te Brugge. Op 17 februari 2009 wordt een meldingsverslag opgesteld. Dit verslag luidt als volgt: “Betreft: vechtpartij wandeling B-kant op 17 februari 2009. Op 17 februari 2009 rond 17 uur werd een interventieoproep gevraagd voor een vechtpartij op de wandeling B-kant. Beambte buitenbewaking C. was tijdens de vechtpartij juist gedetineerde B. gaan halen aan de trappenhal. Beambte toezicht toren V. heeft een rel opgemerkt, wanneer gedetineerden reeds rond gedetineerde V. stonden. De beambte heeft niet kunnen uitmaken wie slagen heeft gegeven aan gedetineerde V. Gedetineerde V. heeft zelf de wandeling verlaten en heeft zich onder toezicht van een beambte bij de verpleging zijn steekwonden aan het hoofd laten verzorgen. Gedetineerde T. vroeg om ook naar zijn cel te gaan om niets met de zaak te maken te krijgen. Beambte V. bevestigt dat deze gedetineerde niet in de groep zat van de vechtpartij maar zich aan de andere kant van de wandeling begaf. Dit heeft ze kunnen opmerken omdat gedetineerde T. opvallende kledij droeg op de wandeling. Volgens beambte V. waren gedetineerden Da Conceicao Morais Peri, Touba Abdelouafi, Johri Mohamed en Belsas Mohamed betrokken bij de vechtpartij. Na de wandeling werden alle gedetineerden die gaan wandelen [zijn] van sectie 35A en sectie 35B gefouilleerd aan de kledij met bijzondere redenen. Niemand had verboden voorwerpen mee. Uit veiligheidsoverwegingen werden aan volgende personen een voorlopige maatregel opgelegd en een rapport aan directie opgemaakt met verplicht verblijf IX-6238-2/10 op cel met behoud van alle bezoek: Da Conceicao Morais Peri, Touba Abdelouafi, Johri Mohamed, Belsas Mohamed, Amrani Mustafa en Fechtali Abdelhafid. Pb. D., sectiebeambte 35 B heeft na de interventieoproep van de centrale om 17 uur van op de sectie naar de wandeling gekeken. Hij zag een groep gedetineerden die aan het grasplein iets wegstaken. K.O. H. is nadien op de wandeling geweest om een controle uit te voeren en heeft een houten afgekraakte tafelpoot gevonden die kan gebruikt worden als steekwapen. Dit werd gevonden ingegraven in het gras. Alsook een sok met een blik in die als wapen kan gebruikt worden. Art. 8 van 12-01-2005 Voor verslag D. Penitentiair assistent” Op 17 februari 2009 wordt een rapport aan de directeur opgesteld, dat aansluit bij voormeld meldingsverslag en dat als volgt luidt: “Betreft: (naam en voornaam van de gedetineerde) Mohamed JOHRI Feit(
- en)beschouwd als een tuchtrechtelijke inbreuk en concrete omstandig- heden waarin dit (deze) plaatsvond (en): Op (datum): 17-02-2009 Om (uur): 17 uur Op (plaats): Wandeling B-kant Zijn volgende feiten vastgesteld: Op de wandeling B-kant was om 17 uur een vechtpartij begonnen. Uw werd herkend in de groep die aan het vechten was. Waren getuigen (vermelden van de volledige identiteit van de getuigen): Gedaan te Brugge, op 17-02-2009 Naam en hoedanigheid van het personeelslid: Pb. V. Handtekening van het personeelslid: [Handtekening]” Aan de verzoeker wordt een voorlopige maatregel opgelegd. Op 19 februari 2009 neemt de directeur van de strafinrichting te Brugge de volgende beslissing, wat de tuchtsanctie lastens de verzoeker betreft: “(...) Beslissing tuchtsanctie Betreft : JOHRI Mohamed Gelet op : : artikel 81 van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende Algemeen reglement van de strafinrichtingen : artikel 82 van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende Algemeen reglement van de strafinrichtingen : artikel 83 van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende Algemeen reglement van de strafinrichtingen Gelet op de feiten die als volgt worden omschreven: zie rapport 17.2.2009 IX-6238-3/10 Gelet op de argumenten van de gedetineerde (en/of zijn advocaat) die het tuchtdossier heeft kunnen raadplegen en hieromtrent op 19.2.2009 werd gehoord: Betrokkene wordt bijgestaan door Meester LELIAERT loco Meester LANGEROCK. Gelet op het feit dat volgende getuigen werden gehoord (vermelden van de volledige identiteit van de getuigen): geen Gelet op de volgende tuchtrechtelijke antecedenten: zie bijlage De procedure Feiten hebben zich voorgedaan op 17.2.2009. Een rapport aan de directeur werd opgesteld op 17.2.2009. Beslissing tot het opstarten van een tuchtprocedure werd betekend op 18.2.2009. Een voorlopige maatregel nl. verplicht verblijf op cel, werd genomen op 17.2.2009. De procedure werd correct gevolgd. Motivering van de sanctie: Na onderzoek komen wij tot de conclusie dat de feiten vermeld in het rapport aan de directeur als bewezen beschouwd worden voor de volgende tuchtrechtelijke inbreuken : als dader of mededader slagen en zware verwon- dingen toegebracht aan een medegedetineerde, orde verstoring, veiligheid in gevaar gebracht. Op de wandeling wordt een gedetineerde door een aantal medegedetineer- den aangevallen. De beambte die rechtstreeks toezicht hield op de wandeling is in haar rapport formeel : de gedetineerde werd herkend voor deelname aan het vechten. Het slachtoffer werd zwaar toegetakeld en verschillende verwondingen aan keel en hoofd dienden door de dokter gehecht te worden. Bij de vechtpartij werd gebruik gemaakt van een artisanaal wapen, nl. een stuk hout dat in scherpe splinter eindigde. Dit wapen was blijkbaar reeds voordien op de wandeling in de grond verstopt. Dit toont aan dat de vechtpartij gepland was. Dit 'wapen' is wel degelijk gebruikt, aangezien we in het meldingsverslag lezen dat het nadien in de grond (opnieuw) werd weggestoken. Gelet op de herkenning van betrokkene door de beambte inzake deelname aan de vechtpartij is betrokkene wel degelijk dader of mededader. Er kan niet uitgemaakt worden of betrokkene het steekwapen heeft gebruikt, noch welke precieze aangebrachte wonden door wie aangebracht zijn. Feit is in elk geval dat na onderzoek vast staat dat betrokkene het slachtoffer hoe dan ook gewelddadig heeft getroffen met het gekende gevolg. Tijdens het verhoor werden de foto's van het slachtoffer en de aangebrachte verwondingen getoond. Tijdens de behandeling van de zaak werd tevens kennis gegeven aan betrokkene van het meldingsverslag in deze zaak dd. 17.2.2009. De laatste alinea van het meldingsverslag werd niet vrijgegeven, aangezien het vrijgeven [de veiligheid] van personen in gevaar zou brengen. (Wet 11.4.1994 art. 6, Wet betreffende de openbaarheid van bestuur). Het meldingsverslag bevestigt nogmaals de herkenning door de beambte, doch dat ze inderdaad niet heeft kunnen vaststellen wie welke slagen toegebracht heeft. IX-6238-4/10 De gedetineerde ontkent ook maar iets met de vechtpartij te maken te hebben, hij was er zelfs niet omtrent. Het is een gewone ontkenning. Betrokke- ne beperkt zich tot het ontkennen van de feiten en de verklaringen van de betrokken beambte te betwisten. Het is zogezegd niet duidelijk waargenomen. Er worden geen plausibele omstandigheden aangebracht door betrokkene waaruit zou moeten blijken dat de verklaring van de beambte onjuist is. De raadsman verwijst naar een schrijven van een gedetineerde en wenst eventueel deze een getuige medegedetineerde op te roepen die zal bevestigen dat betrokkene niet omtrent was. De directeur weigert van de getuige gedeti- neerde op te roepen, omdat het onderzoek, gelet op de ernst van de feiten, voldoende gevoerd is en een gedetineerde-getuige in deze geacht wordt geen bijzondere tegenbewijs te zullen leveren. Immers sedert 17.2.2008 en vernomen hebbende hoe het slachtoffer effectief gekwetst was en beseffende dat dit incident zware gevolgen kan hebben, is er reeds voldoende mogelijkheid geweest om afspraken met 'getuigen' te maken. Tegenover betrokkene was enkel een verblijf op cel opgelegd als voorlopige maatregel, wat helemaal een isolatie van de andere gedetineerden onmogelijk maakt. Temeer daar nu reeds moet geconstateerd worden dat, na alle beklaag- den gehoord te hebben, het slachtoffer door niemand die door de beambte werd herkend, werd aangeraakt. De totale ontkenning van iedereen. De gevangene die zich schuldig maakt aan bedreigingen, beledigingen of gewelddaden hetzij tegen het personeel van de strafinrichtingen, hetzij tegen andere gevangenen word(
- t)strenger bewaakt of afgezonderd. (Art. 614 Wetboek van Strafvordering ). Bij dit incident waren 5 gedetineerden betrokken. Er is 1 gedetineerde die gepoogd heeft tussen te komen om de belagers van het slachtoffer af te halen, doch deze is daar niet in gelukt. De veiligheid op de wandeling waar een grote groep gedetineerden zich bevinden is ernstig in gevaar gebracht door het gedrag van de aanvallers en in het bijzonder de veiligheid van het slachtoffer. De orde werd ook ernstig verstoord. De Directeur heeft de dwingende plicht om de orde en de veiligheid o.a. ten aanzien van het personeel, gedetineerden en goederen te handhaven. (cfr. art. 105 § 2 van de Basiswet 12.1.2005) De gedetineerde heeft tot plicht er zorg voor te dragen dat hij door zijn gedrag ten opzichte van het personeel, medegedetineerden en andere personen de orde en de veiligheid niet in gevaar brengt of verstoort (Art. 106 § 1 van de Basiswet 12.1.2005) OM DEZE REDENEN wordt volgende tuchtsanctie opgelegd : - 9 dagen strafcel zonder gunsten - 4 weken strikt regime, nl. glasbezoek, geen binnenhuisbezoek, geen bezoek zonder toezicht, individuele wandeling, uitsluiting van elke gemeen- schappelijke activiteit, voor dezelfde duur geen werk, eredienst op cel en telefoon beperkt tot raadsman en ombudsman. Aanvang van de tuchtstraf : 19.2.2009 voor wat de strafcel betreft, nadien vangt het strikt regime aan, verminderd met 2 dagen 'verblijf op cel'. Eventuele voorwaardelijk opgelegde tuchtstraffen komen in uitvoering, indien tijdens de proefperiode zich een nieuw tuchtrechtelijk feit heeft IX-6238-5/10 voorgedaan (datum van het feit komt in aanmerking) met een tuchtstraf als gevolg. Tegen deze tuchtsanctie kunnen volgende rechtsmiddelen worden aangewend: Een verzoekschrift tot nietigverklaring (in voorkomend geval voorafge- gaan door een vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid) ingediend binnen 60 dagen volgend op de kennisna- me van de beslissing, bij de afdeling administratie van de Raad van State, Wetenschapsstraat nr. 33, 1040 Brussel; Een verzoekschrift ingediend bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg teneinde een aantasting van een subjectief recht te doen ophouden. Een kopie van dit document wordt overhandigd aan de gedetineerde. De betrokkene tekent / weigert te tekenen het origineel dat hem ter kennisname wordt voorgelegd. Gedaan te Brugge, op 19.2.2009 (...).” Onderzoek van de vordering 2. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 3. In verband met de uiterst dringende noodzakelijkheid stelt de Raad van State vast dat de bestreden beslissing dateert van 19 februari 2009, dat de straf uitwerking heeft met ingang van dezelfde datum en dat de beslissing op 19 februari 2009 aan de verzoeker ter kennis is gebracht. De verzoeker heeft met een op 23 februari 2009 ter post aangetekend verzoekschrift de voorliggende vordering ingesteld. Uit deze chronologie kan worden afgeleid dat de verzoeker zich terecht beroept op de uiterst dringende noodzakelijkheid om de voorliggende vordering in te stellen, en dat hij de vordering ook met de vereiste spoed en diligentie heeft ingesteld. IX-6238-6/10 De verwerende partij betwist de uiterst dringende noodzakelijk- heid trouwens niet. 4.1. De verzoeker voert in een enig middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Hij werkt dit middel uit als volgt : “In de eerste alinea van zijn motivering stelt de directeur van de gevangenis te Brugge dat volgende tuchtrechtelijke inbreuk als bewezen dient beschouwd te worden : ‘als dader of mededader slagen en zware verwondingen toegebracht te hebben aan een medegedetineerde (...)’ De zware verwondingen werden veroorzaakt door het gebruik van een artisanaal wapen: nl. een stuk hout dat in scherpe splinter eindigde. In de vierde alinea van zijn motivering stelt de directeur het volgende: ‘Er kan niet uitgemaakt worden of betrokkene het steekwapen heeft gebruikt, noch welke precieze aangebrachte wonden door wie aangebracht zijn’ De motivering gaat op de volgende wijze verder : ‘Feit is in elk geval dat na onderzoek vast staat dat betrokkene het slachtoffer hoe dan ook gewelddadig heeft getroffen met het gekende gevolg.’ Het gekende gevolg betreft blijkbaar verschillende verwondingen aan keel en hoofd, die dienden gehecht te worden door de dokter. Uit deze fragmenten uit de motivering blijkt dat de motivering niet deugdelijk en afdoende is. In een bepaalde zin zegt men dat verzoeker geen steekwapen heeft gebruikt; in een andere zin zegt men dat verzoeker het slachtoffer hoe dan ook geweldda- dig heeft getroffen met het gekende gevolg. Uit het meldingsverslag dd. 17-02-2009 blijkt verder duidelijk het volgende: ‘De beambte heeft niet kunnen uitmaken wie slagen heeft gegeven aan gedetineerde V.’ En verder : ‘Na de wandeling werden alle gedetineerden die gaan wandelen (zijn) van sectie 35A en sectie 35B gefouilleerd aan de kledij. Niemand had verboden voorwerpen mee.’ M.a.w. er is geen enkel objectief element in het dossier aanwezig, (dat) toelaat om te beslissen dat verzoeker een medegedetineerde heeft geslagen en zware verwondingen heeft toegebracht. Op die wijze wordt de materiële motiveringsplicht geschonden.” IX-6238-7/10 4.2. De bestreden beslissing steunt niet enkel op de motieven die de verzoeker citeert in zijn verzoekschrift. De bestreden beslissing stelt vast dat de verzoeker betrokken was bij een zware vechtpartij op 17 februari 2009 rond 17 uur. Dit wordt bevestigd door een penitentiair beambte die toezicht hield tijdens de wandeling op de gedetineer- den. Bijgevolg kon de bestreden beslissing in redelijkheid overwegen dat de verzoeker zich door een dergelijk gedrag schuldig maakte aan ordeverstoring binnen de gevangenismuren, waardoor de veiligheid van de gedetineerden en het gevan- genispersoneel in het gedrang werd gebracht. De bestreden beslissing voegt daaraan toe dat het ernstige feiten betrof die de orde en de veiligheid binnen de gevangenismuren zwaar hebben verstoord. De verzoeker betwist de ernst van de feiten niet, enkel zijn persoonlijk aandeel in de gepleegde feiten. De omstandigheid dat hij werd geïdentificeerd als mededader door zijn fysieke aanwezigheid in de onmiddellijke nabijheid van het slachtoffer en als lid van de groep die verantwoordelijk is voor de opzettelijke slagen en verwondingen verantwoorden in redelijkheid de opgelegde tuchtstraffen, mede gelet op de ernst van de verwondingen van het slachtoffer. De behandelende geneesheer heeft vastgesteld dat het slachtoffer diverse hechtingen onderging aan de schedel en de nek, dat een wonde werd aangebracht aan de hals, vermoedelijk met een steekwapen en dat het lichaam van het slachtoffer diverse kneuzingen en hematomen vertoonde. Deze medische vaststellingen stemmen overeen met het feit dat een penitentiair beambte de verzoeker heeft herkend als deelnemer aan een gevecht waarbij een gedetineerde door de verzoeker en andere gedetineerden werd toegetakeld. Het slachtoffer werd daarbij verwond door attributen die voordien werden verborgen en nadien werden verstopt. Deze attributen, waaronder een stuk hout met een scherpe splinter, werden gevonden door het gevangenispersoneel. Uit het ooggetuigenverslag kan niet worden afgeleid welke gedetineerde met welk attribuut of wapen heeft geslagen. Dit neemt evenwel niet weg dat de ooggetuige heeft vastgesteld dat de verzoeker betrokken was bij het gevecht. In redelijkheid kon de bestreden beslissing overwegen dat de verzoeker als mededader of medeplichtige bij de slagen en verwondingen was betrokken. IX-6238-8/10 De bestreden beslissing is op het eerste gezicht niet door interne tegenstrijdigheden aangetast en vindt steun in het ooggetuigenverslag van een penitentiair beambte. Uit de bestreden beslissing blijkt bijgevolg dat zij steunt op verschillende, coherente motieven die steun vinden in het administratief dossier. Op zich is de motivering in haar geheel genomen pertinent, draagkrachtig en afdoend. Het middel is niet ernstig. 5. Nu het enig middel ingeroepen door verzoeker niet ernstig is, is niet voldaan aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om bij uiterst dringende noodzakelijk- heid de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te bevelen. Die vaststelling leidt ertoe dat de vordering verworpen moet worden. OM DIE REDENEN BESLIST DE Wnd. VOORZITTER : Artikel 1. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. IX-6238-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 27 februari 2009, door : de HH. D. MOONS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. D. MOONS. IX-6238-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.973 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.374 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div