id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.974 Rolnummer: A. 191589/IX-6240 Zaak: Arrest 190974 - Penitentiair recht - 27/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-05 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 20:11 Fiche Arrest nr 190.974 van 27 februari 2009 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.974 van 27 februari 2009 in de zaak A. 191.589/IX-
- In zake : Abdelouafi TOUBA, die woonplaats kiest bij advocaat N. LORENZETTI, kantoor houdende te BRUGGE, Langestraat 87 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Abdelouafi TOUBA op 24 februari 2009 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 19 februari 2009 van de directeur van de strafinrichting Brugge, waarbij aan verzoeker volgende tuchtsanctie wordt opgelegd: - 9 dagen strafcel zonder gunsten; - 4 weken strikt regime, nl. glasbezoek, geen binnenhuisbezoek, geen bezoek zonder toezicht, individuele wandeling, uitsluiting van elke gemeenschappelijke activiteit, voor dezelfde duur geen werk, eredienst op cel en telefoon beperkt tot raadsman en ombudsman; Gelet op de beschikking van 27 februari 2009 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend wat de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid betreft; Gezien het administratief dossier; Gelet op de beschikking van 26 februari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 februari 2009, om 11.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; IX-6240-1/8 Gehoord de opmerkingen van advocaat N. LORENZETTI, die verschijnt voor de verzoeker, en van adviseur K. VAN DRIESSCHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur A. VAN STEENBERGE, bij beslissing van 31 oktober 2008 van de auditeur- generaal gemachtigd om ter openbare terechtzitting advies te verlenen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten
- De verzoeker is opgesloten in de strafinrichting te Brugge. Op 17 februari 2009 om 17.00 uur stelt de penitentiair beambte V. een tuchtrapport op. Dit luidt als volgt : “Op wandeling B-kant was om 17 uur een vechtpartij begonnen. U werd herkend in de groep die aan het vechten was”. Bij dit rapport wordt een meldingsaanvraag gevoegd van penitentiair assistent D., dat als volgt luidt : “(...) Betreft : vechtpartij wandeling B-kant op 17 februari
- Op 17 februari 2009 rond 17 uur werd een interventieoproep gevraagd voor een vechtpartij op de wandeling B-kant. Beambte buitenbewaking C. was tijdens de vechtpartij juist gedetineerde B. gaan halen aan de trappenhal. Beambte toezicht toren V. heeft de rel opgemerkt, wanneer meerdere gedetineerden reeds rond gedetineerde V. stonden. De beambte heeft niet kunnen uitmaken wie slagen heeft gegeven aan gedetineerde V. Gedetineerde V. heeft zelf de wandeling verlaten en heeft zich onder toezicht van een beambte bij de verpleging zijn steekwonden aan het hoofd laten verzorgen. Gedetineerde T. vroeg om ook naar zijn cel te gaan om niets met de zaak te maken te krijgen. Beambte V. bevestigt dat deze gedetineerde niet in de groep zat van de vechtpartij maar zich aan de andere kant van de wandeling begaf. Dit heeft ze kunnen opmerken omdat gedetineerde T. opvallende kledij droeg op de wandeling. IX-6240-2/8 Volgens beambte V. waren gedetineerden Da Conceicao Morais Peri, Touba Abdelouafi, Johri Mohamed, en Belsas Mohamed betrokken bij de vechtpartij. Na de wandeling werden alle gedetineerden die gaan wandelen zijn van sectie 35 A en sectie 35 B gefouilleerd aan de kledij met bijzondere redenen. Niemand had verboden voorwerpen mee. Uit veiligheidsoverwegingen werden aan volgende personen een voorlopige maatregel opgelegd en een rapport aan directie opgemaakt met verplicht verblijf op cel met behoud van alle bezoek : Da Conceicao Morais Peri, Touba Abdelouafi, Johri Mohamed, Belsas Mohamed, Amrani Mustafa en Fechtali Abdelhafid. Pb. D., sectiebeambte 35B heeft na de interventieoproep van de centrale om 17 uur van op sectie naar de wandeling gekeken. Hij zag een groep gedetineer- den die aan het grasplein iets wegstaken. K.O. H. is nadien op de wandeling geweest om een controle uit te voeren en heeft een houten afgekraakte tafelpoot gevonden die kan gebruikt worden als steekwapen. Dit werd gevonden ingegraven in het gras, Alsook een sok met een blik in die als wapen kan gebruikt worden. ART.8 van 12-01-2005” Op 19 februari 2009 wordt een tuchtsanctie opgelegd. De motivering van de tuchtstraf luidt als volgt : “(...) Beslissing tuchtsanctie Betreft : TOUBA Abdelouafi Gelet op : : artikel 81 van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende Algemeen reglement van de strafinrichtingen : artikel 82 van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende Algemeen reglement van de strafinrichtingen : artikel 83 van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende Algemeen reglement van de strafinrichtingen Gelet op de feiten die als volgt worden omschreven: zie rapport 17.2.2009 Gelet op de argumenten van de gedetineerde (en/of zijn advocaat) die het tuchtdossier heeft kunnen raadplegen en hieromtrent op 19.2.2009 werd gehoord: Betrokkene wordt bijgestaan door Meester COOLEMAN S. loco Meester LORENZETTI N. Gelet op het feit dat volgende getuigen werden gehoord (vermelden van de volledige identiteit van de getuigen): geen Gelet op de volgende tuchtrechtelijke antecedenten: zie bijlage De procedure Feiten hebben zich voorgedaan op 17.2.
- Een rapport aan de directeur werd opgesteld op 17.2.
- Beslissing tot het opstarten van een tuchtprocedure werd betekend op 18.2.
- Een voorlopige maatregel nl. verplicht verblijf op cel, werd genomen op 17.2.
- IX-6240-3/8 De procedure werd correct gevolgd. Motivering van de sanctie: Na onderzoek komen wij tot de conclusie dat de feiten vermeld in het rapport aan de directeur als bewezen beschouwd worden voor de volgende tuchtrechtelijke inbreuken : als dader of mededader slagen en zware verwon- dingen toegebracht aan een medegedetineerde, orde verstoring, veiligheid in gevaar gebracht. Op de wandeling wordt een gedetineerde door een aantal medegedetineer- den aangevallen. De beambte die rechtstreeks toezicht hield op de wandeling is in haar rapport formeel : de gedetineerde werd herkend voor deelname aan het vechten. Het slachtoffer werd zwaar toegetakeld en verschillende verwondingen aan keel en hoofd dienden door de dokter gehecht te worden. Bij de vechtpartij werd gebruik gemaakt van een artisanaal wapen, nl. een stuk hout dat in scherpe splinter eindigde. Dit wapen was blijkbaar reeds voordien op de wandeling in de grond verstopt. Dit toont aan dat de vechtpartij gepland was. Dit 'wapen' is wel degelijk gebruikt, aangezien we in het meldingsverslag lezen dat het nadien in de grond (opnieuw) werd weggestoken. Gelet op de herkenning van betrokkene door de beambte inzake deelname aan de vechtpartij is betrokkene wel degelijk dader of mededader. Er kan niet uitgemaakt worden of betrokkene het steekwapen heeft gebruikt, noch welke precieze aangebrachte wonden door wie aangebracht zijn. Feit is in elk geval dat na onderzoek vast staat dat betrokkene het slachtoffer hoe dan ook gewelddadig heeft getroffen met het gekende gevolg . Tijdens het verhoor werden de foto's van het slachtoffer en de aangebrachte verwondingen getoond. Tijdens de behandeling van de zaak werd tevens kennis gegeven aan betrokkene van het meldingsverslag in deze zaak dd. 17.2.
- De laatste alinea van het meldingsverslag werd niet vrijgegeven, aangezien het vrijgeven [de veiligheid] van personen in gevaar zou brengen. (Wet 11.4.1994 art. 6, Wet betreffende de openbaarheid van bestuur). Het meldingsverslag bevestigt nogmaals de herkenning door de beambte, doch dat ze inderdaad niet heeft kunnen vaststellen wie welke slagen toegebracht heeft. De gedetineerde ontkent ook maar iets met de vechtpartij te maken te hebben, hij was er zelfs niet omtrent. Het is een gewone ontkenning. Betrokke- ne beperkt zich tot het ontkennen van de feiten en de verklaringen van de betrokken beambte te betwisten. Het is zogezegd niet duidelijk waargenomen. Er worden geen plausibele omstandigheden aangebracht door betrokkene waaruit zou moeten blijken dat de verklaring van de beambte onjuist is. Temeer dat we nu na onderzoek en verhoor van de 5 beklaagden moeten aanhoren dat geen enkele van de door de beambte herkende aanvallers het slachtoffer hebben aangeraakt. Totale ontkenning. De gevangene die zich schuldig maakt aan bedreigingen, beledigingen of gewelddaden hetzij tegen het personeel van de strafinrichtingen, hetzij tegen andere gevangenen worden strenger bewaakt of afgezonderd. (Art. 614 Wetboek van Strafvordering). Bij dit incident waren 5 gedetineerden betrokken. Er is een zesde gedeti- neerde die gepoogd heeft tussen te komen om de belagers van het slachtoffer af te halen, doch deze is daar niet in gelukt. De veiligheid op de wandeling waar IX-6240-4/8 een grote groep gedetineerden zich bevinden is ernstig in gevaar gebracht door het gedrag van de aanvallers en in het bijzonder de veiligheid van het slachtoffer. De orde werd ook ernstig verstoord. De Directeur heeft de dwingende plicht om de orde en de veiligheid o.a. ten aanzien van het personeel, gedetineerden en goederen te handhaven. (cfr. art. 105 § 2 van de Basiswet 12.1.2005) De gedetineerde heeft tot plicht er zorg voor te dragen dat hij door zijn gedrag ten opzichte van het personeel, medegedetineerden en andere personen de orde en de veiligheid niet in gevaar brengt of verstoort ( Art. 106 § 1 van de Basiswet 12.1.2005) OM DEZE REDENEN wordt volgende tuchtsanctie opgelegd : - 9 dagen strafcel zonder gunsten - 4 weken strikt regime, nl. glasbezoek, geen binnenhuisbezoek, geen bezoek zonder toezicht, individuele wandeling, uitsluiting van elke gemeenschappe- lijke activiteit, voor dezelfde duur geen werk, eredienst op cel en telefoon beperkt tot raadsman en ombudsman. Aanvang van de tuchtstraf : 19.2.2009 voor wat de strafcel betreft, nadien vangt het strikt regime aan, verminderd met 2 dagen 'verblijf op cel'. Eventuele voorwaardelijk opgelegde tuchtstraffen komen in uitvoering, indien tijdens de proefperiode zich een nieuw tuchtrechtelijk feit heeft voorgedaan (datum van het feit komt in aanmerking) met een tuchtstraf als gevolg. Tegen deze tuchtsanctie kunnen volgende rechtsmiddelen worden aangewend: • Een verzoekschrift tot nietigverklaring (in voorkomend geval voorafge- gaan door een vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid) ingediend binnen 60 dagen volgend op de kennisna- me van de beslissing, bij de afdeling administratie van de Raad van State, Wetenschapsstraat nr. 33, 1040 Brussel; • Een verzoekschrift ingediend bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg teneinde een aantasting van een subjectief recht te doen ophouden. Een kopie van dit document wordt overhandigd aan de gedetineerde. De betrokkene tekent / weigert te tekenen het origineel dat hem ter kennisname wordt voorgelegd. Gedaan te Brugge, op 19.2.2009 De gedetineerde: datum en handtekening De Directeur R. VANDECANDELAERE” Onderzoek van de vordering
- Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige IX-6240-5/8 middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
- In verband met de uiterst dringende noodzakelijkheid stelt de Raad van State vast dat de bestreden beslissing dateert van 19 februari 2009, dat de straf uitwerking heeft met ingang van dezelfde datum en dat de bestreden beslissing op 19 februari 2009 aan de verzoeker ter kennis is gebracht. De verzoeker heeft met een op 24 februari 2009 ter post aangetekend verzoekschrift de voorliggende vordering ingesteld. Uit deze chronologie kan worden afgeleid dat de verzoeker zich terecht beroept op de uiterst dringende noodzakelijkheid om de voorliggende vordering in te stellen, en dat hij de vordering ook met de vereiste spoed heeft ingesteld. De verwerende partij betwist de uiterst dringende noodzakelijkheid trouwens niet. 4.
- In een eerste middel voert de verzoeker de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. 4.
- Aan de motiveringsplicht is voldaan, wanneer de motieven van de bestreden beslissing berusten op een exacte en zorgvuldige feitenvinding. Inzake kunnen de relevante feiten die aan de basis liggen van de bestreden beslissing als volgt worden samengevat : 1/ Op 17 februari 2009 doet zich een bijzonder ernstig incident voor tijdens de openluchtwandeling in het penitentiair centrum te Brugge : een gedetineerde wordt ernstig gewond ten gevolge van opzettelijke slagen en verwondingen die werden toegebracht door een groep gedetineerden, waartoe de verzoeker behoort; Dr. H. redigeert in dit verband het volgende attest : “Verslag vechtpartij (op 17-2-9) : diverse hechtingen thv schedel en nek wonde thv hals vermoedelijk met steekwapen diverse kneuzingen en hematomen” IX-6240-6/8 2/ Het wordt niet betwist dat de verzoeker zich met een groep gedetineerden in de onmiddellijke omgeving bevond van het slachtoffer. 3/ De penitentiair beambte die toezicht hield tijdens de wandeling is in haar rapport aan de directeur formeel: de gedetineerde werd herkend in de groep die aan het vechten was. 4/ Vermits voornoemde penitentiair beambte de verzoeker formeel herkend heeft kan de bestreden beslissing in redelijkheid de kwalificatie van de betrokkenheid van de verzoeker als dader of mededader weerhouden. 5/ Het staat vast dat de veiligheid tijdens de openluchtwandeling, met een grote groep gedetineerden, ernstig in gevaar werd gebracht ondermeer door het gedrag van de verzoeker. Tevens werd de fysieke integriteit van het slachtoffer ernstig aangetast. Op basis van wat voorafgaat kon de gevangenisdirecteur niet anders dan ingrijpen ondermeer op basis van de artikelen 105 § 2 en 106, § 1, van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechts- positie van de gedetineerden. Bijgevolg is de motivering van de bestreden beslissing op het eerste gezicht pertinent, deugdelijk en afdoende. Het middel is niet ernstig. 5.
- In een tweede middel voert de verzoeker de schending aan van het vermoeden van onschuld. 5.
- Uit de analyse van het eerste middel blijkt dat het feitelijk onjuist is dat de verzoeker niets zou te maken hebben met de vechtpartij. Daargelaten de vraag of het strafrechtelijk begrip “het vermoeden van onschuld” toepasselijk is in het tuchtrecht, volstaat het te dezen vast te stellen dat het tweede middel uitgaat van een onjuist feitelijk gegeven, met name dat “niet bewezen is dat verzoeker iets te maken heeft met de vechtpartij”. Het middel is niet ernstig. IX-6240-7/8
- Nu geen van de ingeroepen middelen ernstig is blijkt niet te zijn voldaan aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om bij uiterst dringende noodzakelijk- heid de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te bevelen. Die vaststelling leidt ertoe dat de vordering verworpen moet worden. OM DIE REDENEN BESLIST DE Wnd. VOORZITTER : Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 27 februari 2009, door : de HH. D. MOONS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. D. MOONS. IX-6240-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.974 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.408 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.