id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.005 Rolnummer: Zaak: Arrest 191005 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 02/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-11 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-29 20:19 Fiche Arrest nr 191.005 van 2 maart 2009 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.005 van 2 maart 2009 in de zaken A. 190.623/IX-6144 A. 190.624/IX-
- In zake : I + II: Els CLEEMPUT, die woonplaats kiest bij advocaat E. JACUBOWITZ, kantoor houdende te BRUSSEL, Tedescolaan 7 tegen : I + II: de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij advocaten D. D’HOOGHE en L. SCHELLEKENS, kantoor houdende te BRUSSEL, Loksumstraat
- ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Els CLEEMPUT op 5 december 2008 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging en de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal van de federale politie van 30 juni 2008, houdende haar voorlopige detachering bij de algemene directie van de ondersteuning en van het beheer van de federale politie (zaak A. 190.623/IX-6144); Gezien het verzoekschrift dat Els CLEEMPUT op 5 december 2008 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging en de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal van de federale politie en van de directeur-generaal van de algemene directie van de ondersteuning en van het beheer van de federale politie van 19 november 2008 om haar niet opnieuw haar functie van woordvoerster en hoofd van de persdienst van de federale politie te laten uitvoeren (zaak A. 190.624/IX-6145); IX-6144-1/15 Gezien de nota’s van de verwerende partij; Gezien de verslagen over de vorderingen tot schorsing en de beroepen tot nietigverklaring op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de beschikkingen van 27 januari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 februari 2009; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad B. THYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. JACUBOWITZ, die verschijnt voor de verzoekster, en van advocaat D. D’HOOGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.
- Op het ogenblik van de eerste bestreden beslissing is de verzoekster hoofd van de persdienst (CGPW) en woordvoerster van de federale politie. 1.
- Op 30 april 2008 wordt op vraag van de commissaris-generaal (CG) van de federale politie ten aanzien van de verzoekster een voorafgaand onderzoek in tuchtzaken opgestart. Daartoe wordt een voorafgaand onderzoeker IX-6144-2/15 aangesteld, die op 14 en 29 mei 2008 over het gevoerde onderzoek twee tussentijdse verslagen opstelt. 1.
- De feiten die aanleiding hebben gegeven tot het tuchtonderzoek, worden uiteengezet in een “voorstel tot ordemaatregel” dat door de commissaris- generaal op 30 juni 2008 tot de verzoekster wordt gericht: “• In de loop van de maand februari 2008 verneem ik dat 2 personeelsleden van de dienst CGPW [...] op 11 december 2007 hun dienstchef zouden hebben horen zeggen aan een of meerdere journalisten -die aanwezig waren op de begrafenis van Kitty Vannieuwenhuyzen in Leuven- dat zij foto’s moesten maken van de persoon die de dienstchef met de vinger wees (nl. mevrouw Sylvie Ricour, lid van de beleidscel van de CG) omdat dit altijd van pas kon komen. • Op 15 april 2008 vertelde CP Martens mij dat de dienstchef CGPW zich zou verheugd hebben bij het lezen van de persartikelen die in november 2007 verschenen over de situatie van mevrouw Ricour. In het algemeen verklaarde CP Martens dat de werksfeer bij CGPW heel slecht was omwille blijkbaar van de houding van de dienstchef van CGPW. Deze laatste zou bovendien verklaard hebben dat de huidige CG niet lang in functie zou blijven, o.m. gelet op de problemen met mevrouw Ricour. • In de loop van de week van 14 april 2008, vernam ik dat een personeelslid van CGPW, [...] (ondertussen afgedankt), op 15 april 2008 de dienstchef van CGPW heeft horen bellen naar een journalist van VTM om hem te vragen kennis te nemen van een persartikel dat op die dag verschenen was in La Dernière Heure over de doop van twee boten voor de SPN en dat een onderwerp zou kunnen zijn voor het TV-journaal. • Op 25 april 2008 vond de doopplechtigheid plaats van die twee boten in Antwerpen. Op het avondjournaal van VTM kwam dat onderwerp aan bod met een dubieuze commentaar van de journaliste over de deelname van mevrouw Ricour. Een lid van het kabinet van de Minister van Binnenlandse Zaken probeerde, na het tv-nieuws, om contact te nemen met de dienstchef van CGPW op het gsm-nummer van de permanentie van CGPW. CP Virginie Benit nam op en nam onmiddellijk nadien contact met de dienstchef CGPW om haar hiervan in te lichten. CP Benit stelde voor om de CG in te lichten wat als niet nodig werd geacht door de dienstchef CGPW. Deze laatste nam dezelfde avond wel contact met mij over de inhoud van het communiqué op VTM.” Het voormelde “voorstel tot ordemaatregel” steunt voorts op de volgende aanhalingen en overwegingen: “Gelet op het voorafgaand onderzoek geleid door HCP Alain Liners en het dossier van het voorafgaand onderzoek, samengesteld uit de volgende stukken: [...] Gelet op de beoordelingselementen vervat in het voorafgaand onderzoek, dat er verklaringen uit het voorafgaand onderzoek bestaan die wijzen op een mogelijks gebrek aan discretie en/of loyauteit en/of managementvaardigheden in uw hoofde; dat dit mogelijks gebrek of alleszins de perceptie ervan door uw collega’s en gewezen collega’s van de dienst relaties met de pers en van andere diensten zoals de dienst publieke relaties zwaar weegt op de goede sfeer en IX-6144-3/15 bijgevolg de doeltreffendheid van de dienst; dat er verschillende verklaringen wijzen op een aantasting van het welzijn van bepaalde personeelsleden; dat het belang van de dienst daardoor in het gedrang komt; Overweeg ik om, in afwachting van mijn eventuele beslissing op tuchtgebied, u een ordemaatregel op te leggen, in casu uw herplaatsing bij de algemene directie van de ondersteuning en het beheer, waar u ter beschikking zou worden gesteld van de directeur-generaal van die algemene directie. Gelet op het feit dat u de mogelijkheid moet krijgen om uw standpunt naar voren te brengen; Gelet op het feit dat u te dien einde een kopie van het volledig dossier van het voorafgaand onderzoek als bijlage wordt overhandigd; Gelet op het feit dat u over een redelijke termijn moet kunnen beschikken om uw standpunt voor te bereiden; Nodig ik u uit om aanwezig te zijn op een hoorzitting die zal plaats hebben op 7 juli 2008 om 09.00 u in mijn bureau [...]. U hebt de gelegenheid om u te laten bijstaan, maar niet vertegenwoordigen, door een verdediger zoals bedoeld in de tuchtwet van 13 mei 1999.” 1.
- Eveneens op 30 juni 2008 beslist de commissaris-generaal om de verzoekster voorlopig te detacheren naar de algemene directie van de ondersteuning en van het beheer, waar zij ter beschikking wordt gesteld van de directeur-generaal. Dit is de bestreden beslissing in de zaak A. 190.623/IX-
- Ze luidt als volgt : “Gelet op het bestaan van een voorafgaand onderzoek waarvan het verslag en het dossier u op 30 juni 2008 zijn betekend; Gelet op het feit dat de elementen van het voorafgaand onderzoek, voor zover bewezen, van die aard zijn dat zij het opleggen van een ordemaatregel noodzaken; Gelet op het voorstel tot ordemaatregel en de oproeping om uw standpunt naar voren te brengen, u betekend op 30 juni 2008; Gelet op artikel VII II.73 RPPol; Beslis ik in mijn hoedanigheid van commissaris-generaal om u, met ingang van 30 juni 2008 en tot nader order, voorlopig te detacheren bij de algemene directie van de ondersteuning en van het beheer waar u ter beschikking wordt gesteld van de directeur-generaal van die algemene directie. Deze beslissing heeft ook als gevolg dat u vanaf heden 30 juni 2008 de functies van woordvoerster van de federale politie voorlopig niet meer mag uitoefenen. Het ambt van woordvoerster van de federale politie zal gedurende die periode door Tine Hollevoet en Astrid Kaisin worden waargenomen.” De verzoekster ondertekent deze beslissing dezelfde dag nog voor kennisneming en ontvangst. 1.
- In een brief van 3 juli 2008 aan de commissaris-generaal stelt de raadsman van de verzoekster de onpartijdigheid van de commissaris-generaal in IX-6144-4/15 vraag, gelet op diens persoonlijke betrokkenheid bij de zaak. Hij vraagt aan de commissaris-generaal niet langer te willen optreden in deze zaak en zich op de hoorzitting te laten vervangen. 1.
- Met een brief van 4 juli 2008 antwoordt de commissaris-generaal dat hij zich op de hoorzitting zal laten vervangen door de directeur-generaal van de algemene directie van de ondersteuning en van het beheer en dat deze hoorzitting niet op 7 juli 2008, maar een dag later om 9.30 uur zal plaatshebben. 1.
- Het verslag van de hoorzitting van 8 juli 2008 vermeldt: “Els Cleemput maakt voorbehoud voor alle bezwaren die nog aangebracht kunnen worden. Er zijn enkele voorstellen voor een andere functie door mevrouw Cleemput aangebracht en de directeur-generaal zal onderzoeken wat mogelijk is. Els Cleemput gaat akkoord om dit als dusdanig te notuleren. Els Cleemput vraagt zich af of tijdens haar voorlopige detachering de persdienst nu inderdaad beter werkt. Ze zegt ook dat het onderzoek enkel à charge is gevoerd. Ze deelt mee dat ze wat meer tijd nodig heeft om het dossier nader te bestuderen. Ze deelt mee dat, wat het resultaat van een mogelijk onderzoek ook mag zijn, zij het gevoel heeft haar vroegere functie nooit meer te kunnen opnemen. Ze wenst dan ook te laten acteren dat ze dit zeer spijtig vindt.” 1.
- Met een brief van 18 juli 2008 deelt de directeur-generaal van de algemene directie van de ondersteuning en van het beheer aan de raadsman van de verzoekster mee dat hij telefonisch contact zal opnemen met de verzoekster om haar ervan in kennis te stellen dat zij zich op 22 juli 2008 kan aanbieden met het oog op het uitvoeren van bepaalde taken binnen de algemene directie van de ondersteuning en van het beheer. 1.
- Op 8 september 2008 richt de verzoekster het volgende schrijven tot de directeur-generaal: “Zoals afgesproken bevestig ik u met deze brief wat ik u reeds mondeling meedeelde in verband met de ordemaatregel tegen mij genomen en in verband met het voorafgaand onderzoek geopend tegen mij met het oog op een tuchtdossier. Wat de ordemaatregel betreft, bevestig ik wat ik tot nu toe altijd gezegd heb namelijk dat ik het nut van de ordemaatregel niet inzie omdat de persdienst niet beter werkt zonder mij. Daarnaast ontken ik, voor zover als nodig, alle aantijgingen die in het dossier tegen mij gemaakt zijn. Wat het tuchtdossier betreft, zou ik u tot slot willen vragen mij te willen laten weten welk gevolg u wenst te geven aan het voorafgaand onderzoek.” IX-6144-5/15 1.
- Met een brief van 5 oktober 2008, waarvan zij een afschrift naar de directeur-generaal zendt, deelt de verzoekster aan de commissaris-generaal mee: “Op 24 september 2008 heb ik kennis gekregen van het verslag van het Comité P d.d. 8 september 2008 m.b.t. de maatregel die U op 30 juni 2008 ten aanzien van mijn persoon genomen heeft. U zal inmiddels ook kennis genomen hebben van dit verslag. Uit voormeld verslag volgt duidelijk dat de tegen mij genomen maatregel onwettig is. Bovendien is inmiddels ook gebleken dat de maatregel de goede werking van de dienst geenszins bevordert. Bijgevolg zou ik u dank weten voormelde maatregel te willen intrekken en mij opnieuw in mijn functie te willen herstellen. Bij gebreke hieraan te voldoen binnen de tien dagen na verzending van onderhavig schrijven zal ik genoodzaakt zijn de nodige gerechtelijke stappen te ondernemen.” Het verslag van het Comité P, waarvan sprake, besluit met betrekking tot de ordemaatregel die ten aanzien van de verzoekster is genomen: “Het Comité P herhaalt dat het geen administratief rechtscollege, noch een tuchtoverheid is en slechts een summiere en marginale toetsing heeft gedaan. Op basis van die toetsing, maar zonder om hogervermelde redenen, de CG gehoord te hebben, komt het Comité P unaniem tot het besluit dat de detachering bij ordemaatregel van Mevr. E. Cleemput op 30.06.2008 de toets van het behoorlijk bestuur moeilijk kan doorstaan wegens: • problemen met de zorgvuldigheidsplicht door een volledig eenzijdig à charge gevoerd voorafgaand onderzoek, het verzuim er zorg voor te dragen dat Mevr. Cleemput zich kon verdedigen en de wijze waarop het administratief onderzoek, bestaande uit de ordemaatregel en het al dan niet voortzetten van het voorafgaandelijk onderzoek, verder wordt afgehandeld (en eigenlijk stilgelegd); • problemen met de hoorplicht als onderdeel van die zorgvuldigheidsplicht wegens het verzuim Mevr. Cleemput te horen vóór en zelfs na het nemen van de ordemaatregel; • problemen met het proportionaliteitsbeginsel gezien de zwaarte van de ordemaatregel in verhouding tot de beweerde tekortkomingen vermits uit het voorafgaand onderzoek, basis voor de ordemaatregel, naar het aanvoelen van het Comité P onvoldoende kan afgeleid worden dat Mevr. Cleemput plots niet meer naar behoren zou functioneren als perswoordvoerster van de federale politie.” 1.
- De directeur-generaal antwoordt met een brief van 10 oktober 2008 dat hij niet de overheid is die de ordemaatregel op 30 juni 2008 tegen de verzoekster heeft genomen. 1.
- De commissaris-generaal antwoordt aan de verzoekster op zijn beurt met een brief van 16 oktober 2008, die als volgt luidt: IX-6144-6/15 “Uw brief van 5 oktober 2008 heb ik in goede orde ontvangen. Sta mij toe voorafgaandelijk uw aandacht te vestigen op twee feiten. U zal zich vooreerst herinneren dat u, in de brief van 3 juli 2008 van uw raadsman, mijn onpartijdigheid hebt in twijfel getrokken. Ik heb daarop onmiddellijk mijn conclusies getrokken door directeur-generaal JM Van Branteghem te belasten met het behandelen in mijn plaats van het dossier dat op u betrekking heeft. Vervolgens heeft het Vast Comité P van Toezicht op de Politiediensten gemeend kritiek te moeten uiten op de wijze waarop ik dat dossier had behandeld. Uit deze elementen volgt dat ik momenteel niet van plan ben van mijn discretionaire macht gebruik te maken om een maatregel jegens u te nemen. Omwille van dezelfde bezorgdheid naar onpartijdigheid, maak ik uw brief en mijn antwoord over aan directeur-generaal Van Branteghem, opdat hij beslisse over het gevolg dat eraan behoort gegeven te worden.” 1.
- Op 19 november 2008 komen de verzoekster en de directeur- generaal in vergadering bijeen. Bij deze gelegenheid deelt de directeur-generaal aan de verzoekster mee dat hij de haar opgelegde ordemaatregel niet ongedaan maakt. Dit is de bestreden beslissing in de zaak A. 190.624/IX-
- 1.
- De verzoekster vat de conclusies van de voormelde vergadering met de directeur-generaal in een brief van 20 november 2008 aan laatstgenoemde als volgt samen: “Tijdens onze vergadering op woensdag 19 november 2008 heb ik genoteerd ten eerste dat er geen tuchtprocedure tegen mij zal worden ingesteld en ten tweede dat u mij niet terug op mijn oorspronkelijke plaats wenst te zetten omdat na het verslag van het Comité P een nieuwe klacht vanwege de dienst public relations tegen mij zou zijn opgedoken en omdat er geen vertrouwensrelatie zou bestaan met de commissaris-generaal. Ik heb u tijdens de vergadering laten weten dat ik meen dat mij niks kan verweten worden en dat ik mijn opdracht als woordvoerster zeer goed en professioneel heb uitgevoerd; iets wat u beaamd heeft. Ik heb u ook gemeld dat ik mijn oorspronkelijke functie opnieuw wens op te nemen en dat ik het niet eens ben met het voorstel dat u op de vergadering van 19 november geformuleerd heeft.” Samenvoeging
- Het beroep in de zaak A. 190.623/IX-6144 is gericht tegen de beslissing houdende de voorlopige detachering van de verzoekerster bij de algemene directie van de ondersteuning en van het beheer. Het beroep in de zaak A. 190.624/IX-6145 is gericht tegen de beslissing om de verzoekster niet opnieuw IX-6144-7/15 haar vorige functie van woordvoerster en hoofd van de persdienst van de federale politie te laten uitoefenen. Uit de hiervóór weergegeven feitelijke toedracht van de beroepen blijkt dat de beide zaken een sterke samenhang vertonen. Een gebeurlijke vernietiging van de beslissing die in de zaak A. 190.623/IX-6144 wordt bestreden, zal noodzakelijk een weerslag hebben op het lot van de beslissing die in de zaak A. 190.624/IX-6145 wordt bestreden. Bovendien zijn de partijen in de beide zaken dezelfde. In het belang van een goede rechtsbedeling worden de beide zaken dan ook samengevoegd. Ten gronde Zaak A. 190.623/IX-6144 3.1.
- De verzoekster ontwikkelt onder meer een tweede middel, “genomen uit de schending van de hoorplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel, alsook uit de manifeste dwaling in de beoordeling en uit machtsoverschrijding”, doordat bij wege van de bestreden beslissing aan de verzoekster een voorlopige detachering en een ontheffing uit haar functie van woordvoerster van de federale politie worden opgelegd, zonder dat zij daarover gehoord is geweest, terwijl de bestreden beslissing een individuele draagwijdte heeft, aan de verzoekster een ernstig nadeel berokkent en gebaseerd is op gegevens die aan de verzoekster als tekortkoming worden aangerekend, terwijl de verzoekster het recht had haar opmerkingen te doen kennen om een mogelijk ongunstige beslissing te vermijden, en terwijl iedere administratieve beslissing met volledige kennis van zaken moet worden genomen en onzorgvuldige beslissingen moeten worden vermeden. 3.1.
- De verzoekster licht toe dat de haar opgelegde detachering en het verbod om de functie van woordvoerster van de federale politie verder uit te oefenen, maatregelen zijn die haar belangen ernstig aantasten, zowel materieel als moreel. Zelfs indien wordt aangenomen dat de bestreden beslissing slechts een ordemaatregel en geen tuchtmaatregel betreft, quod non, moest zij bijgevolg worden gehoord. IX-6144-8/15 De verzoekster betoogt dat in de bestreden beslissing weliswaar wordt verwezen naar een hoorzitting, maar dat deze op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen nog moest plaatsvinden, terwijl het algemeen beginsel van de hoorplicht gebiedt dat, behoudens in het geval van hoogdringendheid, de betrokkene wordt gehoord vooraleer de maatregel wordt genomen. De intentie om tegen haar een ordemaatregel te nemen, bestond volgens de verzoekster zeker al sedert 30 mei 2008, zodat geen sprake kon zijn van hoogdringendheid. De verzoekster laat voorts gelden dat de bestreden beslissing minstens op een onzorgvuldige wijze werd genomen en getuigt van “een kennelijke beoordelingsvergissing”. Voor zover als nodig verwijst zij te dezen naar het verslag van het Comité P van 8 september
- 3.2.
- De verwerende partij repliceert in haar nota dat de bestreden beslissing geen tuchtsanctie, maar een ordemaatregel is, die enkel beoogt de goede werking van de dienst te vrijwaren, zonder daarbij de schuldvraag te stellen. Zij betoogt dat het onderscheid tussen een tuchtsanctie en een ordemaatregel gevolgen heeft voor de rechten van verdediging, die moeten worden gerespecteerd. Zo geldt in tuchtzaken het recht om te worden gehoord, terwijl inzake ordemaatregelen aan de betrokkene slechts de mogelijkheid moet worden geboden om zijn standpunt met betrekking tot de maatregel die wordt overwogen, kenbaar te maken. Volgens de verwerende partij heeft de verzoekster meermaals de mogelijkheid gehad om haar standpunt te laten gelden. De verwerende partij argumenteert dat de verzoekster op 30 juni 2008 in kennis is gesteld van het “voorstel tot ordemaatregel”, alsook van alle stukken van het voorafgaande onderzoek, zodat zij over het volledige dossier en voldoende informatie beschikte om nuttig voor haar belangen op te komen. De verzoekster had toen reeds haar standpunt kunnen meedelen, maar wenste over meer tijd te beschikken om het dossier te bestuderen. Weliswaar werd de bestreden ordemaatregel dezelfde dag met onmiddellijke ingang opgelegd, maar dit was verantwoord aangezien het wenselijk was de sereniteit tussen de personeelsleden van de persdienst en de verzoekster te vrijwaren. Gelet op de verklaringen van de medewerkers van de verzoekster, was het niet aangewezen betrokkene verder op haar dienst te laten functioneren en drong een onmiddellijke beslissing zich op. De verwerende partij zet voorts uiteen dat de verzoekster de mogelijkheid heeft gekregen om haar standpunt kenbaar te maken, maar daarvan geen gebruik heeft gemaakt: een eerste keer, zoals gezegd, op 30 juni 2008, toen haar zowel het voorstel tot herplaatsing als de detachering werden voorgelegd en een IX-6144-9/15 tweede keer op 8 juli 2008 ter gelegenheid van de hoorzitting, toen zij verklaarde meer tijd nodig te hebben voor het bestuderen van het dossier, zonder enig verweermiddel naar voor te brengen. Bovendien werd aan de vraag van de verzoekster om de commissaris-generaal te wraken gevolg gegeven en dit vooraleer de detachering uitwerking heeft gekregen. Ook na 8 juli 2008 heeft de verzoekster geen verweermiddelen aangebracht, wat verwonderlijk is aangezien zij dat voor het het Comité P klaarblijkelijk wel heeft gedaan. De enige verweernota die de verwerende partij van de verzoekster heeft ontvangen, betreft een brief van 8 september 2008 waarin de verzoekster slechts meedeelt dat zij het nut van de ordemaatregel niet inziet, omdat de persdienst nu niet beter werkt, en waarin zij, voor zoveel als nodig, alle aantijgingen ontkent die in het dossier tegen haar zijn geformuleerd. De verzoekster had op die datum het verweer dat ze naar het Comité P heeft gezonden, aan de verwerende partij kunnen bezorgen, wat zij niet heeft gedaan. De verwerende partij besluit dat de verzoekster in voldoende mate de mogelijkheid heeft gehad om haar standpunt mee te delen, maar dat zij het blijkbaar niet nodig heeft geacht daarvan gebruik te maken. Bijgevolg heeft de omstandigheid dat de verzoekster niet vóór de bestreden beslissing in de mogelijkheid werd gesteld haar standpunt naar voor te brengen, haar geen nadeel berokkend. Om die reden acht de verwerende partij het middel onontvankelijk bij gebrek aan belang, minstens is het niet ernstig. 3.2.
- Ter terechtzitting laat de verwerende partij met betrekking tot de “urgentie” van de voorlopige detachering van de verzoekster nog gelden dat zij weliswaar reeds einde mei 2008 tot de overtuiging was gekomen dat het nemen van een ordemaatregel zich opdrong, maar dat de beslissing daartoe pas op 30 juni 2008 werd genomen, omdat de verzoekster de ganse maand juni met verlof was. Zij betoogt tevens dat de “urgentie” niet alleen voortvloeit uit de vastgestelde problemen in verband met de werking van de dienst van de verzoekster, maar ook uit de omstandigheid dat het verslag en het dossier betreffende het “voorstel tot ordemaatregel” op 30 juni 2008 aan de verzoekster werden betekend. In dat verslag en dat dossier waren verklaringen opgenomen van sommige personeelsleden van de dienst van de verzoekster, die bezwaarlijk nog een normale dienstrelatie toelieten. Voorts beklemtoont de verwerende partij dat de verzoekster werd gehoord vooraleer de bestreden beslissing uitwerking heeft gehad en dat de bestreden beslissing slechts een voorlopige detachering betreft, met het oog op de IX-6144-10/15 vrijwaring van de sereniteit binnen de persdienst, in afwachting van het resultaat van de hoorzitting van 8 juli 2008 over de voorgestelde ordemaatregel. Volgens de verwerende partij kan niet worden betwist dat de verzoekster heeft nagelaten effectief gebruik te maken van haar recht te worden gehoord en kan haar dit ten kwade worden geduid, aangezien zij blijkbaar wel een verweerschrift heeft ingediend bij het Comité P. 3.3.
- De bestreden beslissing is een ordemaatregel, die het belang van de dienst beoogt veilig te stellen. De rechten van verdediging, zoals die gelden in tuchtaangelegenheden, zijn bij het opleggen van een ordemaatregel niet van toepassing. Dit neemt evenwel niet weg dat het bestuur bij het opleggen van een ordemaatregel die ingrijpt in het functioneren van het betrokken personeelslid en steunt op diens persoonlijk gedrag, oog moet hebben voor de rechten van dat personeelslid, in het bijzonder voor diens recht om nuttig voor zijn belangen op te komen. 3.3.
- Te dezen blijkt de bestreden beslissing gebaseerd te zijn op het persoonlijke gedrag van de verzoekster. Aangezien zij ingevolge de opgelegde ordemaatregel niet langer als woordvoerster van de federale politie kan optreden, functie die zij voorheen gedurende twaalf jaar -eerst bij rijkswacht- heeft uitgeoefend, kan redelijkerwijze niet worden betwist dat die maatregel haar belangen ernstig aantast. Derhalve moest de verzoekster de mogelijkheid krijgen om haar standpunt kenbaar te maken, zowel over het bestaan en de ernst van de feiten die aan haar voorlopige detachering ten grondslag liggen, als over de noodzaak om die maatregel in het belang van de dienst te nemen. Er bestaat tussen de partijen klaarblijkelijk geen betwisting over dat de verzoekster die mogelijkheid vóór de bestreden beslissing niet heeft gekregen. 3.3.
- Ter verantwoording voert de verwerende partij aan dat een onmiddellijke beslissing zich opdrong om de sereniteit in de persdienst te bewaren en omdat uit de verklaringen van de medewerkers bleek dat het verdere functioneren van de verzoekster in die dienst problematisch was. Met de verzoekster moet echter worden vastgesteld dat de intentie om tegen haar een ordemaatregel te nemen, reeds bestond een maand voordat de IX-6144-11/15 bestreden beslissing werd genomen. In het verslag van 8 september 2008 van het Comité P kan immers worden gelezen: “Uit de verklaring van DG Van Thielen blijkt dat de CG hem reeds op 20.06.2008 zijn intentie bekend maakte een ordemaatregel te nemen. Volgens DG Van Branteghem bestond de intentie al onmiddellijk, met name op 30.05.2008”. De commissaris-generaal heeft ervoor geopteerd om op 30 juni 2008 een voorstel tot ordemaatregel tegen de verzoekster te formuleren en dezelfde dag, zonder de verzoekster de mogelijkheid te bieden haar standpunt dienaangaande op een nuttige wijze kenbaar te maken, de ordemaatregel van de voorlopige detachering aan de verzoekster op te leggen. Deze handelwijze kan niet door hoogdringendheid worden verantwoord, nu blijkt dat de intentie om een ordemaatregel tegen de verzoekster te nemen reeds geruime tijd aanwezig was. De omstandigheid dat de verzoekster tijdens de maand juni met verlof zou zijn geweest, gaf aan de verwerende partij ruimschoots de tijd de verzoekster op te roepen om te worden gehoord vooraleer een ordemaatregel zou worden opgelegd. Bovendien blijkt uit de bestreden beslissing geenszins dat de commissaris-generaal de voorlopige detachering van de verzoekster bij hoogdringendheid noodzakelijk achtte ter vrijwaring van de goede werking van de dienst. Het bestaan van een dergelijke hoogdringendheid wordt ook tegengesproken door het feit dat na het verhoor van de verzoekster op 8 juli 2008 geen beslissing is genomen over het “voorstel tot ordemaatregel” van de commissaris-generaal van 30 juni
- Ten slotte was de bestreden beslissing rechtens onmiddellijk uitvoerbaar en kan de omstandigheid dat ze slechts na het verhoor van de verzoekster feitelijke uitwerking heeft gekregen, niet verantwoorden dat de verzoekster niet voorafgaandelijk de mogelijkheid kreeg om haar standpunt kenbaar te maken. 3.3.
- De verwerende partij voert voorts aan dat, alhoewel de verzoekster niet werd gehoord voordat de bestreden beslissing werd genomen, zij achteraf wel de mogelijkheid heeft gekregen om haar standpunt op een nuttige wijze kenbaar te maken. Vermits de verzoekster van die mogelijkheid geen effectief gebruik heeft gemaakt, kan zij, aldus de verwerende partij, niet laten gelden nadeel te hebben geleden doordat zij niet vooraf is gehoord en heeft zij geen belang bij het gegrond bevinden van het middel. Dit standpunt van de verwerende partij kan evenmin worden bijgevallen. Het is inherent aan de hoorplicht dat de betrokkene de mogelijkheid moet krijgen om op een nuttige wijze zijn standpunt over de te nemen maatregel kenbaar te maken vóórdat de beslissing, die aanleiding geeft tot de toepassing van de hoorplicht, wordt genomen. Wat de betrokkene ná de beslissing al dan niet nog IX-6144-12/15 ten aanzien van het bestuur als verweer met betrekking tot de opgelegde maatregel heeft laten gelden, is voor de beoordeling van de naleving van de hoorplicht niet dienstig en kan de betrokkene ook niet het rechtens vereiste belang bij het gegrond bevinden van het middel betreffende de schending van de hoorplicht ontnemen, vermits dat verweer hoe dan ook niet meer kon verhinderen dat de kwestieuze beslissing werd genomen. 3.3.
- De verzoekster laat ook terecht gelden dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze is genomen. Door haar handelwijze heeft de verwerende partij immers vooraleer de bestreden beslissing te nemen, geen kennis kunnen nemen van het standpunt van de verzoekster en heeft zij dienvolgens de bestreden beslissing niet met volledige kennis van zaken kunnen nemen, te meer daar de verzoekster ook niet in het kader van het voorafgaande tuchtonderzoek was gehoord. 3.3.
- Het tweede middel is dan ook gegrond in zoverre de schending van de hoorplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel wordt aangevoerd.
- Uit wat voorafgaat blijkt dat het beroep tot nietigverklaring van de beslissing van de commissaris-generaal van de federale politie van 30 juni 2008, houdende de voorlopige detachering van de verzoekster bij de algemene directie van de ondersteuning en van het beheer van de federale politie, in korte debatten kan worden afgedaan, met toepassing van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Er is dan geen grond meer om uitspraak te doen over de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de voormelde beslissing. Zaak A. 190.624/IX-6145
- Vermits de beslissing van de commissaris-generaal van 30 juni 2008, houdende de voorlopige detachering van de verzoekster bij de algemene directie van de ondersteuning en van het beheer, dient te worden vernietigd, is het beroep in de zaak A. 190.624/IX-6145, dat strekt tot de schorsing van de tenuitvoer- legging en de nietigverklaring van de beslissing van de commissaris-generaal en van de directeur-generaal van 19 november 2008 om de verzoekster niet opnieuw haar functie van woordvoerster en hoofd van de persdienst van de federale politie te laten uitoefenen, zonder voorwerp. IX-6144-13/15 Het beroep in de zaak A. 190.624/IX-6145 heeft immers in essentie de weigering tot opheffing of intrekking van de beslissing die in de zaak A. 190.623/IX-6144 wordt bestreden, tot voorwerp. Nu deze laatste beslissing bij onderhavig arrest wordt vernietigd, kan zij hoe dan ook niet meer worden ingetrokken of opgeheven.
- Gelet op de omstandigheden van de zaak, past het om de verwerende partij, benevens in de kosten van de zaak A. 190.623/IX-6144, ook in de kosten van de zaak A. 190.624/IX-6145 te verwijzen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De zaken A. 190.623/IX-6144 en A. 190.624/IX-6145 worden samengevoegd. Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van de commissaris-generaal van de federale politie van 30 juni 2008 houdende de voorlopige detachering van Els Cleemput bij de algemene directie van de ondersteuning en van het beheer. Artikel
- Er is geen grond om over de vordering tot schorsing in de zaak A. 190.623/IX-6144 uitspraak te doen. Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 190.624/IX-6145 worden verworpen. Artikel
- De kosten van de beroepen, bepaald op 350 euro komen ten laste van de verwerende partij. IX-6144-14/15 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 2 maart 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-6144-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.005 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.