← België

Arrest 191051 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 03/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.051 Rolnummer: A. 125221/X-11078 Zaak: Arrest 191051 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 03/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-11 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 20:29 Fiche Arrest nr 191.051 van 3 maart 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.051 van 3 maart 2009 in de zaak A. 125.221/X-11.078. In zake : Hugo MARCHAND, die woonplaats kiest bij advocaat S. BOEYKENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Begijnhoflaan 85 tegen : de deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Hugo MARCHAND op 9 augustus 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 6 juni 2002 houdende de niet inwilliging van zijn beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent van 29 november 2001 waarbij hem de vergunning wordt geweigerd tot het verbouwen van een gezinswoning met vier woongelegenheden (regularisatie) te Gent, Bommelstraat 62, kadastraal bekend sectie H, nr. 156/c3; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 11 juli 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoeker; Gelet op de beschikking van 15 januari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 februari 2009; X-11.078-1/10 Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. BOEYKENS, die verschijnt voor de verzoeker, en van bestuurssecretaris M.-A. DE GEEST, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Feiten 1.1. De verzoeker is sinds 23 mei 1995 eigenaar van een woning aan de Bommelstraat 62 te Gent, evenals van het linksaanpalende terrein dat bebouwd is met een werkplaats. 1.2. Op 12 juli 1995 vraagt de verzoeker aan het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent een vergunning voor het slopen van de “eengezinswoning” en op 21 december 1995 een vergunning voor het bouwen van 8 appartementen en 6 studio’s en het oprichten van een scheidingsmuur op voormeld perceel. Het college van burgemeester en schepenen weigert beide vergunningen op 30 mei 1996. Op 26 september 1996 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen, in beroep, de gevraagde sloop- en bouwvergunning. Op 27 februari 1997 willigt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening het beroep van de gemachtigde ambtenaar in tegen de voormelde bouwvergunning en vernietigt hij het deputatiebesluit van 26 september 1996 houdende vergunning voor het voor bouwen van 8 appartementen en 6 studio’s en het oprichten van een scheidingsmuur. 1.3. Op 4 mei 2001 (datum van het ontvangstbewijs) vraagt de verzoeker aan het college van burgemeester en schepenen een stedenbouwkundige vergunning voor “Bestemmingswijziging Woning” aan de Bommelstraat 62 te Gent. De aanvraag vermeldt dat de werken of handelingen waarvoor vergunning wordt X-11.078-2/10 gevraagd reeds zijn begonnen. Blijkens de bij die aanvraag gevoegde “verklarende nota” en plannen beoogt de aanvraag de bestemmingswijziging van (eengezins)woning naar een “meergezinswoning”. Uit de vergelijking van de ingediende grondplannen “bestaande toestand” blijkt dat, door de plaatsing, op de gelijkvloerse en op de tweede verdieping, van een badkamer en van twee keukenblokken op de eerste verdieping, het vervangen van een bestaand dakvlakraam door een gesloten brandvrije plaat en van een bestaand raam door twee dakvlakramen op de tweede verdieping, alsmede door de plaatsing van een mansarderaam aan de achterzijde van laatst vernoemde verdieping, een eengezinswoning werd omgebouwd tot een meergezinswoning, bevattende een gemeenschappelijke fietsenberging, twee studio’s en twee kamers. 1.4. Het college van burgemeester en schepenen verleent na de vaststelling dat “de verbouwing van een eengezinswoning tot een meergezinswoning met 4 woongelegenheden” volledig is uitgevoerd, een ongunstig pre-advies om volgende redenen: “De aanvraag is in strijdig met artikel 38 van het algemeen bouwreglement en zijn wijzigingen. Volgens dit artikel mogen eengezinswoningen niet opgedeeld worden in meerdere woonentiteiten wanneer: • De totale bruto-vloeroppervlakte van de eengezinswoning minimum 80 m² en maximum 250 m² bedraagt; • Er een mogelijkheid tot het creëren van een buitenruimte (tuin, koer) bestaat; Huidig pand heeft een bruto-vloeroppervlakte begrepen tussen 80 en 250 m² en er bestaat een mogelijkheid tot het creëren van een buitenruimte. De koer en de berging beslaan in totaal ± 34 m². Bijkomend wordt opgemerkt dat het ontwerp in strijd is met diverse bepalingen van het algemeen bouwreglement, namelijk:

  1. a)Conform artikel 37 d mogen fietsenbergingen niet ingericht worden in een lokaal met ramen aan de straatzijde.
  2. b)Conform artikel 40 moet elk woonlokaal het daglicht ontvangen door verticale vensterramen of dakvensters die op de vrije lucht uitgeven. Studio 1 voldoet niet aan deze bepaling.
  3. c)Conform artikel 37a moet, bij gebrek aan een toilet en/of bad of douche in de kamer, de meergezinswoning per groep van vier kamers beschikken over één toilet (in een aparte ruimte) en over een bad- dan wel douchekamer. Kamers 1 en 2 beschikken niet over een afzonderlijke wc en douche.
  4. d)Conform artikel 37 a moet een kamer, wanneer een kookruimte, bad of douche aanwezig is, een minimum netto-vloeroppervlakte hebben van 15m². Kamer 1 voldoet hieraan niet”. 1.5. De gemachtigde ambtenaar verleent vervolgens op 23 oktober 2001 een ongunstig advies: X-11.078-3/10 “Beschrijving van de bouwplaats, de omgeving en het project: De aanvraag behelst de regularisatie aangaande het omvormen van een ééngezinswoning tot meergezinswoning, met 4 woongelegenheden. Beoordeling van de goede ruimtelijke ordening: Mijn bestuur sluit zich aan bij het standpunt ingenomen door het college van burgemeester en schepenen van Gent. De gerealiseerde bestemmingswijziging tot meergezinswoning werd wederrechtelijk uitgevoerd, terwijl het pand in kwestie conform art. 38 I.1 van het algemeen bouwreglement van de stad Gent, niet in aanmerking komt voor opdeling in meerdere woonentiteiten. Daarnaast is het ontwerp op diverse andere punten in strijd met bovengenoemd bouwreglement. Hieruit kan besloten worden dat het voorstel niet in overeenstemming gebeurt met de goede plaatselijke aanleg. De aanvraag komt niet voor vergunning in aanmerking”. 1.6. Op 29 november 2001 weigert het college van burgemeester en schepenen de vergunning. 1.7. In zijn beroepschrift tegen dit weigeringsbesluit stelt de verzoeker onder meer wat volgt: “Nadat verzoeker inmiddels en krachtens de door de Bestendige Deputatie verleende en definitief geworden slopingsvergunning (dd. 26 september 1996) gedeeltelijk de sloping van de bestaande woning had uitgevoerd, heeft hij nochtans nadien het gebouw terug in de vorige toestand hersteld, omdat hij vermoedde dat zijn bouwplannen daar niet zouden worden goedgekeurd. In die zin zijn dus werken uitgevoerd van vernieuwing van het voorheen uitgebroken dak, van herplaatsing van uitgebroken deuren, van heraanleg van electriciteit, gas en verwarming. Deze werken hebben aan de oorspronkelijke toestand niets gewijzigd; er moet worden herinnerd aan de verhuring als kamerwoning voordat verzoeker van het gebouw eigenaar was geworden. In die zin betwist verzoeker dus dat zijn aanvraag een regularisatieaanvraag zou betreffen én protesteert hij tegen de aanmaning die hem op 21 februari 2001 werd toegezonden (...), nu de inhoud daarvan niet met de werkelijkheid overeenstemt. Ten andere is daaraan geen enkel gevolg verbonden. De stukken die het dossier daaromtrent bevat, zijn geenszins bewijskrachtig tegen verzoeker, nu deze hetzij onvolledig zijn, hetzij geen rechtswaarde bezitten”. In zijn “conclusies” in het administratief beroep stelt de verzoeker nog wat volgt: “De gedeeltelijke - toegelaten en vergunde - ‘sloping’ betrof slechts het vervangen van enkele binnendeuren en het leggen van de oorspronkelijke dakpannen op de herstelde panlatten. Geen enkele muur werd gesloopt, het dakgebinte bleef intact, de roostering en houten vloeren werden niet gesloopt, de oude ramen zijn nog te zien. De latere daaropvolgende herstellingswerken geschiedden voor het academiejaar 1997-1998 (...) en waren dus voltooid in september 1997”. 1.8. Met het bestreden besluit van 6 juni 2002 wordt het beroep van de verzoeker niet ingewilligd op volgende gronden: X-11.078-4/10 “dat de aanvraag de opdeling van een eengezinswoning in 2 studio’s en 2 kamers beoogt, hetgeen principieel in overeenstemming is met de bestemming volgens het gewestplan ; Overwegende dat de aanvraag tevens dient getoetst te worden aan de voorschriften van het algemeen bouwreglement van de stad Gent, aangenomen door de gemeenteraad op 21 september 1987, 19 mei 1992 (le wijziging), 21 september 1998 (2e wijziging) en 18 januari 1999 (3e wijziging) en goedgekeurd bij ministerieel besluit van 3 juni 1988, 25 september 1992 (1e wijziging), 19 januari 1999 (2e wijziging) en 13 oktober 1999 (3e wijziging) ; dat volgens artikel 38.1.1 van dit reglement een eengezinswoning niet mag worden opgedeeld in meerdere woonentiteiten wanneer ze cumulatief aan de volgende voorwaarden voldoet : S De totale bruto-vloeroppervlakte van de eengezinswoning bedraagt minimum 80 m² en maximum 250 m² ; S Er bestaat een mogelijkheid tot het creëren van een buitenruimte (tuin, koer) van minstens 30 m² groot ; Gebouwen (vrijstaand of aangebouwd) of delen ervan die een wezenlijk aspect vormen binnen het functioneren van een woning (keuken, leefruimte, wc en badkamer) behoren tot de woning. Bijgebouwen die geen wezenlijk, functioneel onderdeel van de woning zelf uitmaken (vb. bergingen, opslagplaatsen, ...) worden meegerekend in de facultatief te verwezenlijken buitenruimte ; dat de totale bruto-vloeroppervlakte van de woning ± 130 m² bedraagt ; dat de potentiële buitenruimte van de woning meer dan 30 m² bedraagt, vermits de woning over een koer van 23 m² groot beschikt en volgens bovenvermelde reglementering zowel de bergplaats van 11 m² groot als de overdekte doorgang van 11,5 m² naar de koer dienen te worden meegerekend in de facultatief te verwezenlijken buitenruimte ; dat bovendien de woning van oudsher over een tuin van meer dan 30 m² groot beschikte met daarachter een berging, doch dat appellant vrij recentelijk (op 29 juni 1998) deze berging en een deel van de tuin verkocht heeft ; dat de woning aldus in toepassing van bovenvermeld artikel 38.1.1 niet in meerdere woonentiteiten mag opgedeeld worden ; dat, in subsidiaire orde, dient opgemerkt dat de aanvraag eveneens strijdig is met de volgende artikelen van bovenvermeld bouwreglement : S artikel 37, a : S de kamers nrs. 1 en 2 beschikken niet over een eigen toilet en douche of bad, zodat het gemeenschappelijk te gebruiken toilet niet in dezelfde ruimte als de gemeenschappelijk te gebruiken douche mag ondergebracht zijn ; S de kamer nr. 1, die een individuele kookruimte bevat, moet minimum 15 m² groot zijn, doch is slechts 11,63 m² groot ; S artikel 37, d : de gemeenschappelijke fietsenberging mag niet worden ingericht in een lokaal met ramen aan de straatzijde ; Overwegende dat de stedenbouwkundige voorschriften van een bij ministerieel besluit goedgekeurd algemeen bouwreglement bindende en verordenende kracht bezitten, zodat gelet op de strijdigheid van de aanvraag met deze voorschriften, de aanvraag niet voor vergunning in aanmerking kan komen ; Overwegende dat appellante in haar beroepschrift onder meer argumenteert dat ‘de woning nr. 62 sedert lang en voor verzoeker er eigenaar van werd, verhuurd werd aan studenten, en dus gebruikt werd als kamerwoning’ ; dat dit beroepschrift echter geen enkel bewijsstuk bevat die deze bewering staaft ; dat volgens artikel 5 van het politiereglement op de kamerwoningen, zoals goedgekeurd door de gemeenteraad van Gent op 4 juli 1990 en in werking X-11.078-5/10 getreden op 1 september 1990, de verantwoordelijke voor het in dit reglement bedoelde gebouw binnen de 15 dagen te rekenen vanaf de dag dat in het gebouw 3 personen of meer verblijven die niet tot hetzelfde gezin behoren, hiervan aangifte moet doen op het politiecommissariaat van de wijk waar het gebouw is gelegen ; dat voor onderhavige woning nooit een dergelijke aangifte werd gedaan door vroegere eigenaars ervan, en dat verzoeker pas aangifte heeft gedaan op 3 april 2000, dus bijna 5 jaar na de aankoop van de woning, niettegenstaande hij deze aangifteplicht kende, vermits hij reeds op 28 januari 1991 een aangifte heeft gedaan voor de kamerwoning gelegen Stropstraat 125 te 9000 Gent en op 20 juni 1991 voor de kamerwoning gelegen Stropstraat 123 te 9000 Gent ; dat in voormelde weigeringsbeslissing van 30 mei 1996, die strekte tot het slopen van onderhavige woning, deze duidelijk gecatalogiseerd werd als ‘eengezinswoning’ ; dat bovendien, volgens inlichtingen verstrekt in bovenvermeld verweerschrift van mevrouw Sylvie Kempinaire, advocate, uit de gegevens van het bevolkingsregister van de stad Gent blijkt dat onderhavige woning minstens tot 22 augustus 1994 ononderbroken in gebruik was als eengezinswoning ; dat de bewering dat het hier geen regularisatiedossier zou betreffen omdat het om een vroegere kamerwoning gaat waaraan geen verbouwingen werden uitgevoerd, dan ook niet kan bijgetreden worden ; dat uit hetgeen voorafgaat dient geconcludeerd dat onderhavig beroep niet voor inwilliging vatbaar is ; Overwegende dat zowel appellante als het college van burgemeester en schepenen de wens uitgedrukt hebben om gehoord te worden; dat bijgevolg alle partijen werden uitgenodigd naar de zitting van 14 maart 2002”. 2. Ten gronde 2.1.1. Het eerste middel is genomen uit de schending van artikel 38 van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO), artikel 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 “ingevolge toepassing van artikel 201” DRO, “de motiveringsplicht en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen”. De verzoeker betoogt dat het bestreden besluit is gesteund op een aantal bepalingen van het bij ministerieel besluit goedgekeurde “algemeen bouwreglement” van de stad Gent, het bouwperceel niet gelegen is binnen een algemeen of bijzonder plan van aanleg zodat de bestemming van woongebied volgens het geldende gewestplan niet nader wordt gedetailleerd, de vergunning niet kon worden geweigerd “alleen op grond van de beweerde toepassing van een stedenbouwkundige verordening (en de daarin opgenomen vergunningsplicht), zonder dat die verordening op haar beurt, in casu wat de Bommelstraat betreft, steun vindt (
  5. in)een (bijzonder) plan van aanleg”, het algemeen bouwreglement “onderworpen en ondergeschikt” is aan het toepasselijke gewestplan en geen “steun vindt in een bijzonder plan van aanleg (of ruimtelijk uitvoeringsplan)”, en het X-11.078-6/10 bestreden besluit gebrekkig gemotiveerd is “nu het argument van verzoeker waarbij het gebrek aan rechtsgrond en steun in een planologische bestemming wordt aangeklaagd, niet wordt beantwoord, zelfs niet ontmoet”. 2.1.2. Het middel is ongegrond in zoverre het de schending van artikel 38 DRO aanvoert. Dit artikel heeft betrekking op de inhoud, geldingsduur en hiërarchie van de ruimtelijke uitvoeringsplannen. Te dezen is geen enkel ruimtelijk uitvoeringsplan in het geding. 2.1.3. Artikel 62 van het gecoördineerde decreet en, sedert de opheffing van deze bepaling bij artikel 171 DRO, artikel 56 DRO bepalen dat de voorschriften van de plannen van aanleg/ruimtelijke uitvoeringsplannen, voor het grondgebied waarop ze betrekking hebben, de bestaande stedenbouwkundige verordeningen die daarmee strijdig zijn, van rechtswege opheffen. Uit niets blijkt en de verzoeker houdt ook niet voor dat de bepalingen van het aangehaalde algemeen bouwreglement van de stad Gent waarop het bestreden besluit is gesteund, strijdig zijn met het geldende gewestplan in de zin van voormeld (opgeheven) artikel 62 van het gecoördineerde decreet en/of artikel 56 DRO. Deze bepalingen staan de verwezenlijking van de gewestplanbestemming “wonen” bedoeld in artikel 5 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen niet in de weg en zijn stedenbouwkundige voorschriften in de zin van artikel 54 DRO. 2.1.4. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepalen dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, dat in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat deze afdoende moeten zijn. Artikel 6 van dezelfde wet bepaalt dat deze “slechts van toepassing (
  6. is)op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen”. Uit een en ander volgt dat op het stuk van de motiveringsverplichting de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen een wet van suppletoire aard is. X-11.078-7/10 Artikel 53, § 3, van het gecoördineerde decreet legt aan de deputatie en aan de Vlaamse regering, wanneer zij als orgaan van actief bestuur in beroep uitspraak doen over bouw- en verkavelingsaanvragen, een motiveringsverplichting op die niet minder streng is dan deze voorgeschreven door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Deze beslissingen vallen derhalve niet onder de toepassing van laatstgenoemde wet. Uit wat voorafgaat volgt dat de ingeroepen schending van de motiveringsverplichting geacht moet worden te zijn afgeleid uit de schending van artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet. Om te voldoen aan de in de voormelde bepaling vastgelegde motiveringsplicht, moet de bestendige deputatie in haar beslissing duidelijk aangeven door welke met de goede plaatselijke aanleg verband houdende redenen die beslissing is verantwoord. Het is om aan die motiveringsplicht te voldoen, niet vereist dat op alle in het beroep aangevoerde argumenten wordt geantwoord. Het volstaat dat in de beslissing duidelijk wordt aangegeven door welke, met de goede plaatselijke aanleg verband houdende redenen, die beslissing is verantwoord. 2.1.5. De verzoeker gaat eraan voorbij dat in het bestreden besluit wordt overwogen dat de toegepaste artikelen 37, a en d, en 38.I.1 van het bij ministerieel besluit goedgekeurd algemeen bouwreglement stedenbouwkundige voorschriften zijn die “bindende en verordenende kracht bezitten”. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. De verzoeker betwist niet dat de aanvraag niet voldoet aan alle stedenbouwkundige voorschriften van de voormelde bepalingen van het algemeen bouwreglement. 2.1.6. Het middel is ongegrond. 2.2.1. Het tweede middel is genomen uit de “schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name van het werkelijkheidsbeginsel en van de zorgvuldigheidsplicht en van de motiveringsplicht en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen”. De verzoeker betoogt dat “de bestreden beslissing (verkeerdelijk heeft) geoordeeld dat verzoeker de woning die hij aankocht in 1995, en die toen reeds verhuurd was aan studenten, zou hebben ‘opgedeeld’, en dat zijn aanvraag een regularisatie was”, “ten onrechte (...) de vergunningsplicht artikel 36 van het Algemeen Bouwreglement daarop van toepassing (
  7. is)gemaakt”, “geen X-11.078-8/10 vergunningsplichtige werken (zijn) uitgevoerd, zodat evenmin van wederrechtelijk uitgevoerde werken sprake kan zijn”, hem “een onmogelijke bewijslast” zonder “rechtsgrond” wordt opgelegd “waar de bestreden beslissing althans gedeeltelijk is gesteund op overwegingen die inhouden dat verzoeker niet het bewijs zou leveren van het feit dat de woning (...) reeds voor de datum van zijn aankoop in 1995 een studentenwoning was en aldus aan studenten was verhuurd”. 2.2.2. Er is de Raad van State geen werkelijkheidsbeginsel als een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur gekend. In zoverre is het middel onontvankelijk. Bij de bespreking van het eerste middel werd reeds aangenomen dat de schending van de motiveringsverplichting geacht wordt te zijn afgeleid uit de schending van artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet. 2.2.3. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de verzoeker in 1995- 1996 een bouwvergunning voor het slopen van een “eengezinswoning” heeft gevraagd en gekregen, dat het bestreden besluit de weigering van een bestemmingswijziging van een woning tot een meergezinswoning betreft alsook de plaatsing, na het verkrijgen van de voormelde sloopvergunning, op de gelijkvloerse en op de tweede verdieping, van een badkamer en van twee keukenblokken op de eerste verdieping, het vervangen van een bestaand dakvlakraam door een gesloten brandvrije plaat en van een bestaand raam door twee dakvlakramen op de tweede verdieping, en van de plaatsing van een mansarderaam aan de achterzijde van laatst vernoemde verdieping, en dat de verzoeker op 3 april 2000 een “aangifte verhuring kamerwoningen” heeft gedaan. 2.2.4. De verzoeker brengt geen concrete gegevens aan om te besluiten dat de verwerende partij niet met de nodige zorgvuldigheid te werk is gegaan. Uit het voorgaande volgt dat de verwerende partij is uitgegaan van gegevens die zowel in rechte als in feite juist zijn, dat zij die correct heeft beoordeeld en dat zij op grond daarvan in redelijkheid tot het bestreden besluit is kunnen komen. 2.2.5. Het middel is niet gegrond. 2.3. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat heeft zijn op grond van artikel 12 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State opgemaakt verslag over de zaak met toepassing van artikel 24, X-11.078-9/10 tweede lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, beperkt tot het onderzoek van het eerste en het tweede middel. Het is noodzakelijk voor de oplossing van het geschil dat ook de overige middelen door een lid van het auditoraat worden onderzocht en dat daarover verslag wordt uitgebracht. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. De debatten worden heropend. Artikel 2. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek. Artikel 3. De uitspraak over de kosten van het beroep wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie maart 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, P. LEFRANC, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-11.078-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.051 Gerelateerde publicatie(
  8. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.890 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.