← België

Arrest 191068 - Tucht (openbaar ambt) - 03/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.068 Rolnummer: A. 130101/XII-3712 Zaak: Arrest 191068 - Tucht (openbaar ambt) - 03/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-12 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 20:36 Fiche Arrest nr 191.068 van 3 maart 2009 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.068 van 3 maart 2009 in de zaak A. 130.101/XII-

  1. In zake : Hugo BETZ, wonende te 1000 Brussel, Noordstraat 74 tegen : de STAD BRUSSEL, die woonplaats kiest bij advocaat J.-P. Lagasse, kantoor houdende te 1030 Brussel, de Jamblinne de Meuxplein
  2. ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Hugo Betz op 3 november 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 26 september 2002 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Brussel waarbij hem de tuchtstraf van vijf dagen schorsing wordt opgelegd; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikking van 4 oktober 2008 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gezien de “aanvullende” en “toelichtende” memories van verzoeker; Gelet op de beschikking van 11 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 januari 2009; XII-3712-1/18 Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van advocaat E. De Lange, die loco advocaat J.-P. Lagasse verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.
  3. Verzoeker is in dienst bij de stad Brussel als eerste controleur bij de dienst inspectie - cel waarden van het departement Organisatie. 1.
  4. Met een brief van 7 januari 2002 laat verzoeker opmerken dat het departement Stedenbouw op een illegale manier de aanbesteding tot verwijdering van koelvloeistoffen in verschillende hoogspanningstransformatoren heeft verdeeld in vier verschillende delen en is overgegaan tot de onderhandelingsprocedure voor de toekenning van deze opdracht. Op 16 januari 2002 reageert het betrokken departement als volgt (vrije vertaling) : “In verband met uw nota van 7 januari laatstleden wil ik in de eerste plaats benadrukken dat de lastenboeken 00/180 en 00/226 reeds in het jaar 2000 werden goedgekeurd en toegewezen terwijl de lastenboeken 011/447 en 01/450 pas in 2001 werden opgesteld en goedgekeurd. Het gaat dus niet op te beweren dat mijn departement een eenmalige aanbesteding in 4 afzonderlijke delen zou hebben opgesplitst. Het lastenboek 01/447 heeft betrekking op de vervanging van één tranformator (te Laken) die dateert van het jaar 1971 en die vóór de maand juni 2002 dient vervangen te worden (het dossier werd in maart 2001 aan het Departement Cultuur toegezonden) evenals een andere transformator (te Neder- over-Heembeek) waarvan het normale vermogen geregeld overbelast wordt zodat er een reëel ontploffingsgevaar bestaat. Dat is de reden waarom ik u met aandrang wil verzoeken het dossier 01/447 met spoed te behandelen. XII-3712-2/18 Het dossier nr 01/450 daarentegen zal door min worden ingetrokken en opgenomen worden in een globale aanbesteding die zal gelden voor alle tranformatoren die vóór 2005 dienen vervangen te worden”. Op 23 januari 2002 stuurt verzoeker volgend e-mail bericht aan de gemeentesecretaris en de preventie-adviseur-directeur : “Betreft: Explosiegevaar van een P.C.B.-houdende hoogspannings- transformator. Met dit schrijven informeer ik U over het alarmerende bericht dat mij door het Departement Stedenbouw schriftelijk werd medegedeeld nl.: De P.C.B.-houdende hoogspanningstransformator van het sportcomplex te N.O.H. is met explosiegevaar bedreigd door systematische overbelasting. Een copie van bovenvernoemd schrijven wordt U onmiddellijk per fax doorgestuurd. Ik acht het persoonlijk onverantwoordelijk van het Departement Stedenbouw om in het kader van mijn nota die betrekking had op Art. 120 van het K.B. van 8 januari 1996 waarbij het de aanbestedende overheid expliciet verboden wordt een opdracht in verschillende onderhandelingsprocedures te verkappen mij met ontploffingsgevaar onder druk zet. Indien zulks ontploffingsgevaar daadwerkelijk bestaat had het Departement Stedenbouw zich op de Hoogdringendheid kunnen beroepen. Mag ik U vragen het schrijven van het Departement Stedenbouw toch letterlijk te willen opnemen en alle nodige maatregelen te willen treffen om een ontploffingsgevaar van de P.C.B.-houdende hoogspanningstransformator te N.O.H. totaal te willen uitsluiten. Ik dring erop aan dat bij eventuele ontploffing van de P.C.B.-hoogspannings- transformator de schade onoverzichtelijk zal zijn met vorming van een dioxinewolk waardoor de omwonende onherroepelijk geëvacueerd zullen moeten worden (dioxine staat in de top-tien van de sterkste gifstoffen, conf, Turijn-Italie). Gezien het schrijven van het Departement Stedenbouw bij Mr. [E.], Adviseur- Inspectie rustig op mijn terugkeer uit vakantie lag te wachten neem ik persoonlijk het initiatief opdat U zo snel mogelijk aan deze precaire situatie zou kunnen pareren”. Op 8 februari 2002 schrijft verzoeker het volgende aan de burgemeester, de gemeentesecretaris, de directeur-generaal van het departement Openbaar Onderwijs en de arbeidsgeneesheer-preventieadviseur-directeur : “Met dit schrijven wens ik U in kennis te stellen dat bij brand in één van onze scholen u door de slachtoffers gedeeltelijk verantwoordelijk kan gesteld worden te wijten aan het feit dat de aangebrachte noodverlichting niet meer beantwoordt aan de gestelde eisen van de norm in voege. De betrokkenheid van uw verantwoordelijkheid in verband met de noodverlichting ligt buiten uw wil en werd U op een subtiele manier in de schoenen geschoven. Enkele beslissingsmachtige ambtenaren zijn bewust van de technische beschrijving die door de Gemeenteraad werd aangenomen afgeweken om er minderwaardig materiaal voor in de plaats te stellen. XII-3712-3/18 Als voornaamste afwijking werd de dichtheidsgraad zoals deze door de Gemeenteraad werd aangenomen niet gerespecteerd (IP getal - hoe hoger het getal hoe meer stofdicht). Het hedendaagse gevolg van deze afwijking heeft er toe geleid dat zich door de jaren heen een stoflaag aan de binnenkant van de noodverlichting heeft kunnen afzetten waardoor de lichtopbrengst van de noodtoestellen niet meer aan de vereiste norm voldoet. Het fenomeen is bij experts niet onbekend die in geval van brand bij eenvoudig nazicht van de IP-graad snel zullen concluderen dat de Stad-Brussel verantwoordelijk is voor het menselijk leed dat vermeden had kunnen worden indien de noodverlichting wél conform was geweest. De Gemeenteraad had in haar bijzonder lastenboek een zelfcontrolerende noodverlichting met aangepaste stofdichtheidsgraad aangenomen wat het onderhoud van deze noodtoestellen voor vele jaren overbodig maakte. Met andere woorden werd aan de basis door de Gemeenteraad voor een duurder toestel gekozen in de geest van een beter veiligheidsbeleid in de tijd. De Gemeenteraad had verder in haar aangenomen voorwaarden geopteerd voor een zelfdovende beschermkap vervaardigd uit slagvast polycarbonaat wat het toestel onverwoestbaar maakt en dus buiten schot zet voor vandalisme. Tegenover het vereiste IP-getal van ‘40’werden er noodtoestellen geplaatst met een lager IP-getal ‘22’ en in de plaats van de beschreven zelfdovende slagvaste polycarbonaat beschermkap werd een vulgaire niet-zelfdovende plastic kap gemonteerd. De noodverlichting die destijds in de jaren ’95 tot 2000 in grote getallen over heel het patrimonium van de Stad Brussel werd aangebracht beantwoordde bij de plaatsing wel aan de gestelde eisen van de norm maar niet aan de beschrijving die door de Gemeenteraad aangenomen was. Vandaag staan de zaken anders; Heden ten dage beantwoordt diezelfde noodverlichting noch aan de eisen van de Gemeenteraad noch aan de gestelde eisen van de norm De tijd heeft als het ware uw verantwoordelijkheid op een subtiele manier aan de groeiende niet-conformiteit van de noodverlichting gelinkt. Noodverlichting die namelijk niet over een voldoende hoge stofdichtheids- graad beschikt moet regelmatig gereinigd worden van het stof dat zich binnenin de verlichtingseenheid cumuleert opdat zij in geval van nood steeds voldoende lumen (lichtkracht) zou kunnen uitstralen om een goed verlicht vluchtspoor voor snelle evacuatie zichtbaar te maken. Bovenvernoemde ontstoffing was in het kader van de aangenomen voorwaarden door de Gemeenteraad overbodig geweest gezien de IP-graad ‘40’ voldoende hoog is waardoor er zich bijgevolg geen stofcumulatie binnenin de verlichtingseenheid kan voordoen. In de uitoefening van mijn functie heb ik bij de plaatsing van de eerste noodtoestellen alles wat binnen mijn bevoegdheid lag uitgeput om deze administratieve ongehoorzaamheid bij mijn hiërarchische overste aan te klagen zonder er echter in geslaagd te zijn de wettelijke draagwijdte van de Gemeenteraadbeslissing te kunnen laten gelden. Over het hoe en het waarom van dit niet wettig handelen alsook over het financieel verlies voor het bestuur van enkele tientallen miljoenen richt ik mij tot de Heer Burgemeester en de Heer Gemeentesecretaris die hiervoor alléén de volle bevoegdheid genieten en aan wie ik een afzonderlijk schrijven met de bewijsstukken in bijlage richt. Het hoeft verder geen betoog dat kinderen uit onze scholen enig risico zouden lopen om ooit de prijs te moeten betalen voor het wangedrag van enkele onverantwoordelijke heren”. XII-3712-4/18 1.
  5. Op 30 mei 2002 beslist het college een tuchtprocedure in te stellen om reden van de volgende vermeende tekortkomingen : “
  6. het onnodig en misleidend alarmeren van hooggeplaatste ambtenaren i.v.m. het dossier over de verwijdering van een hoogspannings- transformator in Neder-over-Heembeek en pogingen om hierbij zijn hiërarchie in diskrediet te brengen;
  7. valse beschuldigingen en insinuaties in een dossier over noodverlichting daterend van 1994;
  8. gebrek aan loyauteit door zijn hiërarchie in een slecht daglicht te willen plaatsen op basis van onjuiste beschuldigingen van pesterijen, zoals blijkt uit het verslag van Dr Vermeiren, Preventieadviseur-Directeur van de I.D.P.B.W , dd. 29 maart 2002;
  9. algemene negatieve houding zoals blijkt uit het verslag over zijn wijze van dienstdoen dd. 5 maart 2002”. Met een nota van 5 juni 2002 stelt de gemeentesecretaris het college van burgemeester en schepenen voor, verzoeker de tuchtsanctie van veertien dagen schorsing op te leggen. 1.
  10. Na verzoeker op 26 september 2002 te hebben gehoord, neemt het college van burgemeester en schepenen diezelfde dag de thans bestreden beslissing, die luidt : “Overwegende dat de h. Betz tekortgekomen is aan zijn beroepsplichten door :
  11. het onnodig en misleidend alarmeren van hooggeplaatste ambtenaren i.v.m. het dossier over de verwijdering van een hoogspanningstransformator in Neder- over-Heembeek en pogingen om hierbij zijn hiërarchie in diskrediet te brengen;
  12. valse beschuldigingen en insinuaties in een dossier over noodverlichting daterend van 1994;
  13. gebrek aan loyauteit door zijn hiërarchie in een slecht daglicht te willen plaatsen op basis van onjuiste beschuldigingen van pesterijen, zoals blijkt uit het verslag van Dr Vermeiren. Preventieadviseur-Directeur van de I.D.P.B.W, dd. 29 maart 2002;
  14. algemene negatieve houding zoals blijkt uit het verslag over zijn wijze van dienstdoen dd. 5 maart
  15. Overwegende inderdaad dat op woensdag 23 januari 2002 betrokkene een hoogdringende mail stuurt gericht aan de h. Gemeentesecretaris, de Preventieadviseur-Directeur van de I.D.P.B.W., de Preventieadviseur-Leider en de Directeur-Generaal van het Departement Organisatie betreffende explosiegevaar van een hoogspanningstransformator in het sportcomplex van Neder-over-Heembeek te wijten aan een systematische overbelasting, dat na grondig onderzoek van deze zaak het volgende blijkt : L in een brief van 7 januari 2002 gericht aan de h. [B.], Ingenieur - Directeur-generaal van het Departement Stedenbouw, ondertekend door de h. [L.], Directeur-generaal van het Departement Organisatie, laat de h. Betz opmerken dat de saneringsopdracht voor het verwijderen van PCB’s en PCT’s houdende apparaten werd gesplitst in verschillende onderhandelingsprocedures

(5)wat wettelijk niet toegelaten is. XII-3712-5/18 L in zijn repliek hierop laat de h. [B.] op 16 januari 2002 opmerken dat twee dossiers werden goedgekeurd en toegewezen in 2000 terwijl dit voor twee andere gebeurde in
  1. Er was dus helemaal geen sprake van opsplitsing. Het vijfde dossier had betrekking op de verwijdering van een transformator in Laken die moest vervangen worden vóór juni 2002 en een andere in Neder-over-Heembeek waarbij een reëel ontploffingsgevaar bestond door regelmatige overbelasting. Het Comité P.B.W. behandelde reeds in zitting van 14 februari 2000 de problematiek van elektrische transformatoren gekoeld door askarel. De cel ‘speciale technieken’ van het Departement Stedenbouw stelde een planning op voor de verwijdering van deze transformatoren. Bovendien werd gemeld dat, gezien een nieuwe einddatum voor de verwijdering van de askarel werd voorgeschreven door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zijnde vóór 31 december 2005, de werken sneller dan voorzien moesten uitgevoerd worden en nieuwe begrotingsuitgaven voorzien. Het dossier voor de vervanging van voormelde transformator werd ingeschreven op de zitting van het College van 24 januari 2001; Overwegende dat het dan ook evident is dat de h. Betz hooggeplaatste ambtenaren van ons bestuur onnodig alarmeert, zonder zijn hiërarchische oversten op de hoogte te brengen, en alzo poogt de verantwoordelijke collega's in diskrediet te brengen; Overwegende dat in een brief van 8 februari 2002 gericht aan de h. Burgemeester, Mevr. de Directeur-Generaal van het Departement Openbaar Onderwijs, de Preventieadviseur-Directeur en de h. Gemeentesecretaris, betrokkene erop wijst dat dezen bij brand in één van onze scholen kunnen verantwoordelijk gesteld worden door de slachtoffers omwille van het feit dat de aangebrachte noodverlichting niet meer beantwoordt aan de gestelde eisen; dat hij ‘enkele beslissingsmachtige ambtenaren’ ervan beschuldigt bewust te zijn afgeweken van de voorwaarden gesteld door de gemeenteraad om er minderwaardig materiaal voor in de plaats te stellen : i.p.v. noodverlichtings- toestellen met een IP factor 40 werden er geplaatst met een IP factor 22; dat deze factor betrekking heeft op de beschermingsgraad van deze toestellen; dat betrokkene de ambtenaren in kwestie van ‘wangedrag’ beschuldigt en het hier een dossier betreft waarvan de uitvoering van de werken plaats had tussen april en augustus 1994; Overwegende dat ook deze zaak aan een grondig onderzoek onderworpen werd : - Dr Vermeiren stelt dat men samengevat kan besluiten dat de wetgeving een resultaat verlangt van de noodverlichting, zoals bv. een zekere werkingsautonomie (min. 1 uur bij stroomonderbreking) en een minimale verlichting van de vluchtwegen (1 lux in gangen, 5 lux op kruisingen of gevaarlijke doorgangen). De beschermingsfactor tegen stof en vocht of IP factor die de h. Betz aanhaalt, wordt niet uitdrukkelijk in de wetgeving of de normen vermeld, maar algemeen wordt aangenomen dat een beschermingsgraad IP 20 voldoende is voor de veiligheidsverlichting van burelen en klassieke lokalen. Het eerste cijfer na IP duidt op de beschermingsfactor tegen stof, daar waar het tweede de weerstand tegen vocht kwantificeert. Het is inderdaad zo dat de geleverde toestellen met IP 22 een lagere stofbescherming hebben dan de in het lastenkohier gevraagde veiligheidsverlichting met IP 40, anderzijds is dan wel de bescherming tegen vocht hoger dan wat initieel gevraagd werd, - het Departement Stedenbouw stelt dat de veiligheidsverlichtingstoestellen Mitralux-Darmi GL 300/3000 voldeden aan het lastenboek op het ogenblik van de voorstelling van de te gebruiken materialen. De beschermingsgraad was IP
  2. Omdat het lastenboek een IP 40 voorzag, werd het toestel opnieuw ter keuring aangeboden. Vermits geoordeeld werd dat het toestel beantwoordde aan XII-3712-6/18 de eisen voor een beschermingsgraad IP 40, werd dit aanvaard. Het conformiteitsattest werd afgeleverd in februari 1995; Overwegende dat het hier dus eens te meer gaat om slechtgefundeerde argumenten waarbij betrokkene de goede naam van verschillende ambtenaren, die hij echter niet bij naam noemt, erg in het gedrang brengt door valse beschuldigingen en insinuaties; Overwegende dat in de loop van de maand oktober 2001 de h. Betz contact opnam met de dienst Medisch Toezicht van de I.D.P.B.W.; dat hij zich inderdaad gepest voelde door zijn hiërarchie en in het bijzonder door zijn rechtstreekse oversten; Overwegende dat Dr Vermeiren, na te hebben vastgesteld dat er geen sprake was van enige pesterijen, poogde te bemiddelen in deze conflictsituatie en o.a. een gesprek voorstelde, samen met zijn Directeur-Generaal, hetgeen betrokkene formeel weigerde; dat Dr Vermeiren dan ook besluit dat hij het betreurenswaardig vindt dat de h. Betz de leidende ambtenaren en de h. Burgemeester misleidt en onnodig alarmeert; dat het hem verder weinig collegiaal lijkt en niet verantwoordelijk dat betrokkene zijn hiërarchie in een slecht daglicht plaatst op basis van oneigenlijke feiten, Overwegende dat het hier dus meer dan duidelijk gaat om een gebrek aan loyauteit van de h. Betz dat niet zonder gevolg kan blijven; Overwegende dat daar betrokkene zeer zeker een grondige technische en een vrij goede algemene kennis bezit, men zou kunnen verwachten dat hij dan ook een goed ambtenaar zou zijn: dat uit de dagelijkse praktijk echter jammer genoeg het tegendeel blijkt: de h. Betz gebruikt zijn kennis en zijn intelligentie uitsluitend in negatieve zin; dat hij onomwonden stelt dat het werk totaal zinloos is, dat het geen zin heeft zich in te spannen want dat men op het einde van de maand toch zijn wedde bekomt of men dit nu doet of niet; dat hij deze zienswijze verkondigt in het bijzijn van collega's en, door zijn intelligentie en zijn subversieve manier om de zaken voor te stellen, sommige collega's zijn gedachten volgen, dat het ook zo is dat hij jegens de h. [D.H.] Eerste adviseur en de hh. [E.], Adviseur, en [V.M.] , Industrieel ingenieur, een voor hen en voor zijn Directeur-generaal onverklaarbare rancune, zelfs haat, manifesteert en dit vooral ten aanzien van de h. [E.], dat door de zeer nefaste invloed die hij uitoefende op bepaalde collega’s, de beslissing genomen werd om betrokkene alleen in een bureau te laten zitten; Overwegende dat het dossier dat werd ter beschikking gehouden ter consultatie voor de leden van het College, betrokkene en zijn eventuele verdediger, vergezeld was van een vertaling uitgevoerd door een beëdigd vertaler; Betrokkene en zijn verdedigers gehoord in hun verklaringen; Overwegende dat de debatten het voorwerp hebben uitgemaakt van een simultaanvertaling in het Nederlands of het Frans voor zover, naar ieders keuze, het Frans of het Nederlands werd gebruikt; Overwegende dat, wat de procedure betreft en meer in het bijzonder artikel 301 van de Nieuwe Gemeentewet, dient gesteld te worden dat de oproepingsbrief, aangetekend met ontvangstbewijs, werd verstuurd op 20 augustus 2002; dat, volgens de vaste rechtspraak van de Raad van State een aangetekend schrijven geacht wordt ontvangen te worden de dag na de verzending; dat de zaterdag wordt beschouwd als een werkdag; dat, rekening houdend hiermee, de termijn van 12 werkdagen nageleefd werd; Overwegende bovendien dat betrokkene oorspronkelijk opgeroepen was voor de zitting van het College van 12 september 2002 maar dat op zijn aanvraag de hoorzitting werd uitgesteld tot op heden; dat betrokkene bijgevolg beschikte over een termijn langer dan wettelijk voorzien om zijn verdediging voor te bereiden: XII-3712-7/18 Overwegende dat het tuchtverslag een samenvatting is van gans het dossier waarin o.a. een gedeelte handelt over de wijze van dienstdoen van betrokkene; dat het gebruikelijk is dat het departementshoofd een toelichting geeft hieromtrent; dat de beslissing om een tuchtprocedure in te stellen door de gemeentesecretaris voorgesteld wordt aan het College; dat het tuchtstrafvoorstel eveneens door deze laatste wordt geformuleerd; dat het bijgevolg niet aan het departementshoofd toekomt om een tuchtstraf voor te stellen; dat de h. [L.] trouwens vermeldt dat ‘... onverminderd enige maatregel die u gepast zal achten ...’; Overwegende dat de principebeslissing van het College dd. 30 mei 2002 steunt op een verslag van de gemeentesecretaris aan het College dd. 29 mei 2002 en dus niet 6 juni 2002; dat het verslag aan het College van 5 juni 2002 reeds een vervolg is op de eerste beslissing in die zin dat in het laatste verslag reeds een tuchtstrafvoorstel wordt gedaan; Overwegende dat de beslissing van het College van 30 mei 2002 houdende het instellen van een tuchtprocedure ten zijne laste, aan de h. Betz werd medegedeeld bij aangetekende brief van 4 juni 2002; dat de bevoegde tuchtoverheid alle procedureregels nauwkeurig heeft nageleefd; Overwegende dat betrokkene inderdaad een controletaak uitoefent en dat het hem toebehoort om de aandacht van zijn hierarchie te vestigen op onregelmatigheden of mogelijke gevaren; dat deze laatste steeds kennis nam van zijn opmerkingen en er het gepaste gevolg aan gaf door de nodige inlichtingen in te winnen bij alle betrokken diensten; dat, wanneer uit omstandig onderzoek blijkt dat de aangehaalde onregelmatigheden niet van die aard zijn dat ze als onwettig kunnen beschouwd worden of dat er een logische en afdoende verklaring kan voor gegeven worden, de taak van controleur voltooid is; dat nergens in dit dossier sprake is van manifeste onwettigheid in de zin van het door de verdediging geciteerde arrest van de Raad van State van 4 juli 1978; Overwegende dat in het dossier van de hoogspanningstransformator van Neder-Over-Heembeek, de brief van de h. [B.] een antwoord was op een nota van de cel Waarden van het Departement Organisatie, waarbij deze opmerkingen maakte over enkele dossiers wat betreft het naleven van regels inzake overheidsopdrachten, dat de h. [B.] in zijn nota vroeg een dringend gevolg te geven aan één bepaald dossier om zo snel mogelijk te kunnen overgaan tot de vervanging van bedoelde transformator; dat het Departement Stedenbouw zich bewust was van de noodzaak van deze maatregel en dat het bijgevolg niet de taak van de cel Waarden is om iedereen onnodig te alarmeren, dat, zelfs indien de h. Betz zich geroepen voelde om de aandacht op dit probleem te vestigen, dan nog zijn bewoordingen en insinuaties die hij in zijn brieven gebruikt ongepast zijn en bedoeld om sommige personen of diensten totaal onterecht in een slecht daglicht te plaatsen; Overwegende dat wat betreft de noodverlichting, uit het dossier en de bijkomende uitleg ter zitting van Dr Vermeiren duidelijk is gebleken dat de geplaatste toestellen voldoen aan de wettelijke normen en dat, hoewel zij niet strict conform zijn aan de voorschriften van het lastenboek, er geen enkel probleem bestaat inzake veiligheid; dat dus nogmaals blijkt dat betrokkene zijn controleopdracht te buiten gaat door, zelfs nog ter zitting, insinuaties te blijven rondstrooien over onverantwoordelijk gedrag van andere ambtenaren of diensten; Overwegende dat, alhoewel aan betrokkene het recht niet kan ontzegd worden om zich tot de bevoegde persoon te richten wanneer hij meent het slachtoffer te zijn van pesterijen op het werk, dit niet inhoudt dat hij gelijk welke aantijgingen mag doen; dat uit het verslag in kwestie van Dr Vermeiren blijkt dat er geen sprake is van pesterijen vanwege zijn hierarchie; dat het de h. Betz is die ernstige verdenkingen verspreidt over sommige personen van zijn XII-3712-8/18 departement en dat Dr Vermeiren zelfs tot het besluit komt dat zijn vertrouwen in betrokkene erg aangetast is nadat hij zelf de onjuistheden en manipulaties van argumenten heeft kunnen vaststellen; dat bovendien verschillende van zijn bemiddelingspogingen door de h. Betz werden geweigerd; Overwegende dat de algemene negatieve houding van betrokkene nauwkeurig beschreven is in het verslag van de h. [L.] van 5 maart 2002; dat dit verslag aangehecht was aan de oproepingsbrief van 20 augustus 2002 opdat de h. Betz zou kennis kunnen nemen van de precieze inhoud van de hem verweten negatieve houding; dat het hier gaat om een opeenvolging van feiten, ieder op zich geen aanleiding gevend tot tuchtrechtelijke vervolging, maar in het geheel genomen duidelijk blijk gevend van een houding die het gebrek aan loyauteit nog beter illustreert; Overwegende dat de raadsman van de h. Betz erop aandringt de voorgestelde tuchtstraf van veertien dagen schorsing om te zetten in een lichte tuchtsanctie; dat betrokkene echter volhardt in zijn onterechte beschuldigingen, zelfs ter zitting, geen spijt betoont en elke bemiddelingspoging heeft geweigerd; dat anderzijds betrokkene geen tuchtrechtelijke antecedenten heeft in zijn twintigjarige loopbaan; dat eveneens rekening gehouden wordt met zijn familiale situatie en financiële verplichtingen, dat derhalve de door de Gemeentesecretaris voorgestelde sanctie dient herleid te worden zonder evenwel afbreuk te doen aan het feit dat de weerhouden tuchtgrieven een ernstige straf verdienen, Besluit, bij geheime stemming en met éénparigheid van stemmen Enig. artikel.- De tuchtstraf van vijf dagen schorsing wordt opgelegd aan de h. Hugo Betz, voornoemd”. De procedure
  3. Verzoeker heeft tijdig een laatste memorie ingediend. Daarenboven heeft hij, buiten de toegemeten termijn voor het indienen van laatste memories, nog een “aanvullende memorie” en een “toelichtende memorie” aan de Raad bezorgd. Verwerende partij vraagt terecht dat deze stukken als zijnde laattijdig uit de debatten worden geweerd. Ze kunnen louter als inlichting gelden. De gegrondheid van het beroep
  4. Verzoeker voert in het inleidend verzoekschrift tegen de bestreden beslissing drie vernietigingsgronden aan. Uiteenzetting van het eerste middel
  5. Als eerste middel voert verzoeker de schending aan van de motiveringsplicht, van de “algemene rechtsbeginselen van verdediging”, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke XII-3712-9/18 motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 305 van de nieuwe gemeentewet. Hij betoogt dat de motivatie van de bestreden beslissing tegenstrijdig is met de ten laste gelegde feiten, dat geen rekening is gehouden met zijn argumentatie omdat ten onrechte wordt gemotiveerd dat het ontploffingsgevaar van de transformator niet meer aanwezig zou zijn, terwijl de vervanging nog niet was geschied en slechts zou gebeuren voor juni 2002, dat hem ten onrechte dan ook wordt verweten “onnodig” het bestuur te alarmeren, dat zijn brief van 8 februari2002 geen enkele ambtenaar met naam vernoemt noch persoonlijke verwijten inhoudt, dat hij er enkel in aandringt op vervanging van de noodverlichtingstoestellen overeenkomstig het bestek, dat het niet is betwist dat de noodverlichting niet conform het bestek is, dat uit het bewuste stuk niet blijkt dat hij ambtenaren beschuldigt bewust te hebben afgeweken van de voorwaarden gesteld door de gemeenteraad om er minderwaardig materiaal voor in de plaats te stellen. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker dat er een reëel ontploffingsgevaar bestond voor de transformator te Neder-over-Heembeek, dat het dringend was, dat het ter kennis van de overheid kon worden gebracht. Met betrekking tot de noodverlichting stelt verzoeker dat hij moet rapporteren aan het college over enige onregelmatigheid, dat hij zich zonder succes herhaaldelijk heeft gericht tot zijn oversten om die onregelmatigheden te signaleren, dat hij op 4 mei 2002 heeft vastgesteld dat 13 veiligheidsverlichtingen buiten werking waren, dat het nodig kon worden beoordeeld de aandacht van de stad te vestigen op een mogelijk gevaar en onregelmatigheden in de loop van een overheidscontract en dat hij door een totale afwezigheid aan reactie van zijn oversten besloten heeft die onregelmatigheden en dit gevaar aan de overheid te communiceren. In de laatste memorie argumenteert verzoeker nog uitvoerig waarom hij geen misleidende informatie heeft verspreid door te wijzen op het ontploffingsgevaar. Over de noodverlichting betoogt hij dat het voorgelegde rapport geen betrekking had op de geplaatste toestellen die van een ander type zijn, dat niet kan worden opgemaakt welk model uiteindelijk geplaatst werd en dat de bevoegde overheidsdienst in november 2005 heeft vastgesteld dat de toestellen van het type IP22 niet conform de wettelijke normen zijn. XII-3712-10/18 Beoordeling 5.
  6. Verzoeker preciseert niet waarin de schending van de “algemene rechtsbeginselen van verdediging” is gelegen; evenmin geeft hij aan of hij artikel 305 van de nieuwe gemeentewet geschonden acht op een ánder punt dan de in paragraaf 3 van dat artikel voorgeschreven motivering van de tuchtstraf. De Raad van State neemt dienvolgens aan dat verzoeker met het middel in wezen de motiveringsplicht -uit formeel of materieel oogpunt- geschonden acht. Om de onwettigheid van de motieven van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen aan te tonen, is het zaak van de verzoekende partij om aanwijzingen te verschaffen die het vermoeden wettigen dat de door het bestuur in aanmerking genomen gegevens niet juist zijn. Daarenboven heeft de Raad van State, wanneer hij in het kader van een annulatieberoep geroepen wordt om uitspraak te doen over de rechtmatigheid van een beslissing, niet tot taak om in de plaats van het bestuur uit te maken wat naar zijn oordeel als de juiste toedracht van de aan die beslissing ten grondslag liggende feiten moet worden beschouwd. De Raad vermag enkel na te gaan of de administratieve overheid rechtmatig tot haar voorstelling van de feiten is kunnen komen, meer bepaald met inachtneming van de vereiste zorgvuldigheid bij de feitenvinding. 5.
  7. In de toelichting die verzoeker in het inleidend verzoekschrift geeft bij het eerste middel wijdt hij enkel uit over de eerste twee van de vier ten laste gelegde feiten, te weten die welke refereren aan de zaak van de transformator te Neder-over-Heembeek en aan het dossier van de noodverlichting. Verzoeker maakt evenwel een verkeerde inschatting van de feiten die hem als deontologisch laakbaar worden verweten, door in alle stukken slechts te insisteren dat er wel degelijk een ontploffingsgevaar bestond van de bedoelde transformator en dat de noodverlichting niet conform de veiligheidsvoorschriften is. Dat de transformator te Neder-over-Heembeek een gevaar vormde werd immers door verwerende partij geenszins betwist. De eerste tenlastelegging refereert echter aan het gedrag van verzoeker die, als reactie op een hem onbevredigend antwoord over de splitsing van een aanbesteding, een gedeelte van dit antwoord oppikt en buiten de context als een alarmerend bericht doorstuurt aan de overheid, met miskenning van de hiërarchie. XII-3712-11/18 Wat dan weer het dossier van de noodverlichting betreft, luidt het verwijt aan verzoeker niet zozeer dat de noodverlichting wél aan de veiligheidsvoorschriften zou voldoen, maar wel dat verzoeker zijn collega’s of oversten vals beschuldigt en insinuaties doet van welbewuste malversaties in een dossier dat overigens al dateert van
  8. 5.
  9. Te dezen stelt de Raad van State vast dat verzoeker inderdaad op 23 januari 2002 zijn mededeling over een gevaarlijke transformator heeft afgezonderd uit een ruimere context die hem reeds moest doen begrijpen dat het bestuur zich zeer wel bewust was van deze toestand, nu het immers net aandrong op een prioritaire afhandeling van die aanbesteding. Voorts heeft verzoeker het door hem bespeurde gevaar niet schriftelijk gerapporteerd aan en via zijn hiërarchische oversten, maar rechtstreeks met een e-mail bezorgd aan de gemeentesecretaris als een “alarmerend bericht”. In die mail doet verzoeker het voorkomen dat hij “met ontploffingsgevaar onder druk” gezet wordt, dat “schade onoverzichtelijk zal zijn met vorming van een dioxinewolk”, dat het schrijven bij E. “rustig op mijn terugkeer uit vakantie lag te wachten”. Uit die feitelijke gegevens mocht het bestuur, binnen de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid, concluderen dat verzoeker hooggeplaatste ambtenaren onnodig en op een misleidende wijze alarmeerde, zonder zijn oversten te contacteren, en pogingen deed om hierbij de verantwoordelijke collega’s in diskrediet te brengen. 5.
  10. In zijn brief van 8 februari 2002 schrijft verzoeker dat “beslissingsmachtige ambtenaren” “bewust” van het door de gemeenteraad aangenomen bestek zijn afgeweken “om er minderwaardig materiaal voor in de plaats te stellen”, wat hij verder nog “administratieve ongehoorzaamheid” en “wangedrag van enkele onverantwoordelijke heren” noemt. Hij waarschuwt de burgemeester dat deze door slachtoffers bij brand verantwoordelijk kan worden gesteld maar dat die verantwoordelijkheid hem “op een subtiele manier in de schoenen geschoven” is. Verzoeker schrijft overigens in die brief van 8 februari 2002 zelf dat de noodverlichting op het ogenblik van de plaatsing ervan “aan de gestelde eisen van de norm” beantwoordde wat de veiligheidsvoorschriften betrof, maar “vandaag” niet meer. XII-3712-12/18 Ook zonder de bedoelde ambtenaren met naam te noemen, verwijst verzoeker naar zijn hiërarchisch oversten, die hij ervan beticht opzettelijk illegaal te hebben gehandeld. Dat verzoeker bij de plaatsing van de noodtoestellen of later, “herhaaldelijk”, al het mogelijke heeft gedaan om zijn hiërarchie hiermee te confronteren, blijft slechts een loutere bewering nu verzoeker ze niet met concrete data specificeert, laat staan er bij zijn verzoekschrift bewijzen voor aanbrengt. Verzoeker verwijst enkel naar een -niet bij zijn verzoekschrift maar pas bij de laatste memorie meegedeeld- verslag van 4 mei
  11. Het is echter één zaak om acht jaar na de feiten te signaleren dat dertien veiligheidsverlichtingen buiten werking zijn -wat verzoeker beweerd te hebben gedaan in het verslag van 4 mei 2002 dat overigens niet door hem is opgesteld en waarin zijn naam niet wordt vermeld- en een andere om, zoals hij deed in zijn brief van 8 februari 2002, de hiërarchie ervan te betichten bij de oorspronkelijke uitvoering van de werken moedwillig ontoelaatbare noodverlichting te hebben geplaatst. Verwerende partij gaat niet haar beoordelingsvrijheid te buiten door uit die feiten als voldoende bewezen te beschouwen dat verzoeker ongefundeerde insinuaties spuit die de goede naam van verschillende ambtenaren in het gedrang brengt. 5.
  12. Verzoeker toont niet aan dat de motiveringsplicht is geschonden. Het middel is ongegrond. Uiteenzetting van het tweede middel
  13. Als tweede middel voert verzoeker de schending aan van artikel 282 van de nieuwe gemeentewet, het “algemeen rechtsbeginsel van loyauteit en fair- play”, “alsook de machtsoverschrijding”. Verzoeker stelt zijn beroep uiterst professioneel uitgeoefend te hebben. Hem kan niet worden verweten het publiek in kennis te hebben gesteld van het gebrekkig functioneren van de organisatie van de diensten van de stad Brussel. Hij heeft zich beperkt tot het schrijven van een interne nota en zijn houding stemt overeen met de objectiviteitsplicht in de behandeling van de dossiers alwaar hij niet gesteund is door zijn oversten. Hij heeft slechts willen waarschuwen voor werkelijke XII-3712-13/18 gevaren, zonder de terugkomst van zijn dienstchef af te wachten en om te vermijden dat de verantwoordelijkheid van de stad in het gedrang zou komen. In de memorie van wederantwoord zet verzoeker nog uiteen dat de bedoeling van zijn berichten niet was om zijn oversten in diskrediet te brengen maar wel om de aandacht te vestigen op ernstige problemen die de financiën van de stad of haar verantwoordelijkheid kunnen treffen. Het recht om zijn mening te uiten houdt ook het recht in om zijn oversten te bekritiseren; hij heeft geen “grove” bewoordingen gebruikt en slechts bekritiseerd dat zij hun ambt uitoefenen zonder dat zij sommige regels eerbiedigen. Als zijn oversten niet bewegen, voelt verzoeker zich verplicht die toestand ter kennis van de gemeentelijke overheid te brengen en de inertie van zijn oversten te bekritiseren. In de laatste memorie geeft verzoeker nog enige bedenkingen met betrekking tot de evolutie inzake de vrije meningsuiting voor ambtenaren. Beoordeling
  14. Ook in de toelichting van het tweede middel betrekt verzoeker de aangevoerde schending enkel op de eerste twee tenlasteleggingen, met betrekking tot zijn handelen in de zaak van de transformator en in het dossier over de noodverlichting. Uit de bespreking van het eerste middel is gebleken dat de feiten die hem met de eerste en de tweede grief ten laste worden gelegd als voldoende bewezen voorkomen. Zij stroken met de stukken van het administratief dossier. Die feiten konden door de gemeentelijke overheid worden beschouwd als tekortkomingen aan de beroepsplichten, als bedoeld in artikel 282 van de nieuwe gemeentewet. Al mag een ambtenaar binnen zekere perken, op redelijke en overdachte wijze, kritiek uiten op de handelingen van het bestuur waaronder begrepen zijn hiërarchische oversten, dan vermag hij zich evenwel niet op zijn vrijheid van meningsuiting als ambtenaar te beroepen -door verzoeker in het middel opgevat als de wederkerige loyauteit tussen hem en zijn bestuur- om afbreuk te doen aan de goede naam van zijn collega’s en meerderen. De tegen verzoeker opgeworpen feiten komen precies er op neer dat hij ongefundeerde insinuaties deed over de onkreukbaarheid van collega’s en oversten in de hiervoor geciteerde bewoordingen, die door het bestuur als niet passend en zelfs laakbaar mochten worden opgevat. Dat verzoeker zich niet bovendien tot het publiek heeft gericht doet daar geen afbreuk aan. Het middel is ongegrond. XII-3712-14/18 Uiteenzetting van het derde middel
  15. Als derde middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen 23 en 28 van de Grondwet, de artikelen 442bis en 458 van het Strafwetboek, de artikelen 5 en 43 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en “machts- en procedureafwending”, omdat hij met dr. B. Vermeiren heeft gesproken over feiten die hij als een vorm van pesterij voelt, dat hem dit gesprek wordt verweten en dat dr. Vermeiren het beroepsgeheim heeft geschonden door het bekendmaken van een geheim dat aan hem werd toevertrouwd. In de memorie van wederantwoord merkt verzoeker op dat hij zijn hart heeft uitgestort bij een arts om zijn algemeen gevoel van onbehagen ten overstaan van zijn hiërarchie te uiten, dat hij door die discussie geen misbruik heeft gemaakt van het klachtrecht en dat dit niet als een vorm van tuchtfout kan worden gezien. In zijn laatste memorie wijst verzoeker er op dat dr. B. Vermeiren tegelijk arbeidsgeneesheer en preventieadviseur was en de overste van preventieadviseur Luyten, dat hij zich in de periode november 2001- september 2002 tot preventieadviseur Luyten heeft gericht en eveneens “als patiënt” op 16 april 2002 en 2 mei 2002 tot dr. B. Vermeiren om hem te informeren over het groeiend ziektebeeld te wijten aan de vijandige sfeer die er op de dienst heerste jegens hem. Beoordeling
  16. Verzoeker vermeldt in het middel tal van bepalingen, waarvan de relevantie niet spontaan duidelijk is. Zo ziet de Raad van State niet goed hoe de bestreden beslissing verzoeker zou belemmeren om zijn bij artikel 28 van de Grondwet gewaarborgde recht uit te oefenen, om verzoekschriften in te dienen bij de openbare overheden. De brieven die verzoeker als ambtenaar heeft verstuurd aan de gemeentelijke overheden zijn vreemd aan het in artikel 28 van de Grondwet bedoelde petitierecht. Artikel 43 van de wet van 4 augustus 1996 strekt dan weer tot bescherming van de preventieadviseur, niet van de ambtenaar. Uit de -korte- toelichting bij het middel begrijpt de Raad evenwel dat verzoeker in essentie aan dr. B. Vermeiren verwijt het beroepsgeheim XII-3712-15/18 geschonden te hebben, door verklaringen waarop de derde tenlastelegging van “onjuiste beschuldigingen van pesterijen” is gesteund. De overheid steunt hiervoor blijkens de bestreden beslissing op een verslag van dr. B. Vermeiren van 29 maart
  17. In dit verslag maakt dr. B. Vermeiren melding van het contact dat hij had met verzoeker in de loop van de maand oktober 2001, dat verzoeker er zich over bekloeg gepest te worden door zijn hiërarchie en in het bijzonder door diensthoofd E., dat hij gesprekken heeft gevoerd met zes andere met name genoemde ambtenaren en op grond van die gesprekken en een analyse van de technische dossiers die verzoeker hem had overgemaakt tot de conclusie is gekomen dat een conflictsituatie in verband met het dossier van de noodverlichting tot een slechte relatie tussen verzoeker en zijn hiërarchie heeft geleid sedert
  18. Vervolgens vermeldt dr. B. Vermeiren in het verslag de brief van verzoeker van 8 februari 2002 en refereert hij aan zijn brief van 28 februari 2002 waarin hij de aantijgingen heeft tegengesproken. Hij stelt dat de manipulatie door verzoeker van de argumenten in dit dossier zijn vertrouwen heeft doen verliezen in de geloofwaardigheid van verzoeker. Hij wijst er ook op dat hij pogingen heeft ondernomen om te bemiddelen maar dat verzoeker het gesprek met zijn directeur-generaal heeft geweigerd. Dr. B. Vermeiren besluit dat het aangewezen is om de protagonisten fysiek te scheiden. Het verslag dat dr. B. Vermeiren als preventieadviseur uitbrengt, vermeldt enkel en steunt dus op gesprekken met derden, op technische dossiers en op de brief van 8 februari
  19. Er is geen element in te bespeuren dat als een geheim moet worden beschouwd dat door verzoeker aan dr. B. Vermeiren uit hoofde van zijn beroep zou kunnen zijn toevertrouwd. Allerminst maakt het verslag melding van enig feit waarover verzoeker hem “als patiënt” op 16 april 2002 en 2 mei 2002 geconsulteerd zou hebben, wat in een verslag van 29 maart 2002 overigens een hoogst opmerkelijk feit zou zijn. Het middel is ongegrond. Nieuwe grieven
  20. Het uitvoerige betoog dat verzoeker uitschrijft in de laatste memorie als antwoord op het auditoraatsverslag, volgt naar de vorm de drie door hem in het verzoekschrift aangevoerde middelen. Vastgesteld moet worden dat hij XII-3712-16/18 doorheen dit betoog nieuwe grieven formuleert. Zo zou de beslissing strijden met de regelgeving betreffende het beleid inzake het welzijn op het werk, zou zijn computer onklaar zijn gemaakt waardoor hij voor zijn verweer geen toegang meer had tot zijn data, zou dr. B. Vermeiren niet mogen optreden als preventieadviseur. In het inleidend verzoekschrift heeft verzoeker ter adstructie van het eerste middel enkel toegelicht waarom voor de eerste en de tweede tenlastelegging volgens hem feiten en motieven in tegenspraak waren. In de laatste memorie vult hij dit aan met kritiek die de motivering van de derde en de vierde tenlastelegging betreffen. De Raad van State merkt op dat geen van deze grieven een antwoord behoeft. Ze konden immers reeds zijn aangevoerd in het inleidend verzoekschrift. Zo verzoeker ze al zou bedoelen als nieuwe middelen of als een uitbreiding van de oorspronkelijke middelen, dan zijn ze laattijdig en dus niet ontvankelijk aangebracht in de laatste memorie. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  21. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  22. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. XII-3712-17/18 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie maart 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3712-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.068 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.