id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.069 Rolnummer: A. 161666/XII-4432 Zaak: Arrest 191069 - Tucht (openbaar ambt) - 03/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-12 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 20:36 Fiche Arrest nr 191.069 van 3 maart 2009 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.069 van 3 maart 2009 in de zaak A. 161.666/XII-
- In zake : Hugo BETZ, wonende te Brussel, Noordstraat 74 tegen : de STAD BRUSSEL, die woonplaats kiest bij advocaat J.-P. Lagasse, kantoor houdende te 1030 Brussel, de Jamblinne de Meuxplein
- ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Hugo Betz op 11 april 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 3 februari 2005 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Brussel waarbij hem de tuchtstraf van vijftien dagen schorsing wordt opgelegd; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur B. Weekers; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 11 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 januari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van advocaat E. De Lange, die loco advocaat J.-P. Lagasse verschijnt voor verwerende partij; XII-4432-1/13 Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. Weekers; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.
- Verzoeker is in dienst bij de stad Brussel als eerste controleur bij de dienst inspectie - cel waarden van het departement Organisatie. 1.
- Met een besluit van 26 september 2002 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Brussel wordt hem een tuchtstraf van vijf dagen schorsing opgelegd. Verzoeker dient tegen die tuchtstraf een annulatieberoep in bij de Raad van State, dat bij arrest nr. 191.068 van heden wordt verworpen. Nog op 26 september 2002 wordt hij overgeplaatst naar het depar- tement Economie om reden dat de vertrouwensrelatie tussen verzoeker en zijn hiërarchische lijn ernstig aangetast was, dat deze toestand een negatieve weerslag had op het welzijn van de personeelsleden van het departement en dat pogingen om het conflict op te lossen zonder resultaat bleven omdat verzoeker het door de preventieadviseur voorgestelde gesprek met directeur-generaal L. weigerde aan te gaan. 1.
- Op 2 juli 2004 richt verzoeker tot de gemeentesecretaris een “bezwaarschrift” met betrekking tot vermeend onwettig handelen, lasterlijke uitlatingen, valsheid in geschriften, samenspanning en andere tekortkomingen in hoofde van directeur-generaal L. van het departement Organisatie, met de vraag er het “gepaste gevolg” aan te geven. Kopie van dit schrijven bezorgt verzoeker ook aan de burgemeester en de federaal secretaris van het ACOD. Op 19 augustus 2004 beslist het college van burgemeester en schepenen dat er geen reden is om welke actie dan ook te ondernemen tegen directeur-generaal L. Integendeel beslist het college om een tuchtprocedure op te starten ten laste van verzoeker om reden van de volgende vermeende “tekortkomingen aan de plichten van loyauteit en gehoorzaamheid” : XII-4432-2/13 “- in een brief van 2 juli 2004 aan een hoge functionaris van de Stad, in casu de h. [L], Directeur-generaal van het Departement Organisatie, zware beroepsfouten en het begaan van een strafrechtelijke inbreuk (valsheid in geschrifte) te hebben verweten; - deze brief gericht te hebben aan de h. Burgemeester en de h. Stadssecretaris, met het oog op het in discrediet brengen van de h. [L], voornoemd”. 1.
- Verzoeker wordt met een aangetekende brief van 5 januari 2005 opgeroepen om gehoord te worden op 27 januari
- Op 25 januari 2005 vraagt zijn raadsman de zitting uit te stellen naar een verdere datum, ten einde de verdediging toe te laten zich op een redelijke manier voor te bereiden. De raadsman wijst er op dat verzoeker tussen 6 januari en 21 januari 2005 met verlof was en niet in staat was de aangetekende brief te krijgen voor 24 januari
- Het college willigt dit verzoek in en stelt de hoorzitting uit tot 3 februari
- Na verzoeker op 3 februari 2005 te hebben gehoord, neemt het college van burgemeester en schepenen diezelfde dag de thans bestreden beslissing, die luidt : “[...] Overwegende dat de h. Betz tekortgekomen is aan de plichten van loyauteit en gehoorzaamheid, en meer bepaald door : - in een brief van 2 juli 2004 aan een hoge functionaris van de Stad, in casu de h. [L], Directeur-generaal van het Departement Organisatie, zware beroepsfouten te hebben verweten en het begaan van een strafrechtelijke inbreuk (valsheid in geschriften); - deze brief te hebben gericht aan de h. Burgemeester en de h. Stadssecretaris, met het oog op het in discrediet brengen van de h. [L], voornoemd; Overwegende inderdaad dat op 2 juli 2004 de h. Betz een klacht aan de h. Burgemeester en de h. Stadssecretaris richtte waarin hij vraagt een tuchtprocedure op te starten ten laste van de h. [L], Directeur-generaal van het Departement Organisatie; dat in deze klachtenbrief de h. Betz aan de h. [L] verwijt zich te hebben schuldig gemaakt aan - tekortkomingen aan de plichten - illegale handelingen - miskenning van het gezag van de Gemeenteraad - het kwaadwillig niet-inlichten van het College van Burgemeester en Schepenen - miskenning van de zorgvuldigheids- en nauwkeurigheidsplicht - smadelijke uitlatingen - valsheid in geschriften - samenzwering tegen ambtenaren - zware beroepsfout - verloochening van de afgelegde eed; Overwegende dat in de hierboven aangehaalde brief betrokkene verwijst naar een geschil tussen de Stad Brussel en de onderneming ‘Elektro Goeminne Dikkelvenne’ betreffende de aanbesteding voor de hernieuwing, het onderhoud en de productie van nieuwe electrische installaties van de gebouwen van het XII-4432-3/13 openbaar en privaat domein van de Stad Brussel; dat de h. Betz aan de h. [L] verwijt een ontwerp van brief te hebben gewijzigd die hij voorbereid had omtrent dit geschil; dat hij er zich over beklaagt dat de h.[L] een hem ongunstig verslag opstelde over zijn dienstwijze en zijn gedrag in het algemeen; Overwegende dat in zitting van 19 augustus 2004 het College besloot dat er geen enkele reden was om gelijk welke actie in te stellen tegen de h. [L]; Overwegende dat de hierboven aangehaalde feiten hebben plaats gehad praktisch twee jaar nadat betrokkene werd overgeplaatst van het Departement Organisatie naar het Departement Handel en Grondregie van de Stadseigendommen; dat het College inderdaad, op 26 september 2002, besliste de h. Betz over te plaatsen omwille van het feit dat de vertrouwensrelatie, die tussen hem en zijn hiërarchische lijn zou moeten bestaan, ernstig aangetast was en dat deze toestand een negatieve weerslag had op het welzijn van de personeelsleden van het Departement Organisatie; dat het College ook vaststelde dat verschillende pogingen om het conflict tussen betrokkene en zijn oversten op te lossen, zonder resultaat bleven; Overwegende dat, opgeroepen door Dr. Vermeiren, Preventieadviseur - Directeur van de I.D.P.B.W , de h. Betz weigerde om een onderhoud te hebben met de h. [L], zijn toenmalig Directeur-generaal; Overwegende dat elk personeelslid van een openbaar gezag onderworpen is aan een aantal beroepsplichten en speciaal aan de gehoorzaamheids- en loyauteitsplicht; dat het respect vereist voor hiërarchische meerderen dat deze plichten inhoudt, noodzakelijk is voor de goede werking van een bestuur; dat anderzijds een personeelslid geniet van het recht op de vrijheid van mening en uitdrukking, maar dat deze vrijheid niet mag misbruikt worden om, in geschriften, oneerbiedige, minachtende of nog beledigende bewoordingen te gebruiken; dat de kritiek die een personeelslid mag uiten steeds gematigd moet zijn; Overwegende dat in zijn brief van 2 juli 2004 de h. Betz de h. [L] beschuldigt van zware beroepsfouten en van valsheid in geschriften en vraagt dat een tuchtdossier zou worden opgestart ten laste van deze laatste; dat de elementen waarop betrokkene steunt, niet toelaten de beschuldigingen gericht aan de h. [L], hard te maken; dat zo ook, een hiërarchische meerdere geen valsheid in geschriften begaat door het feit dat hij een briefontwerp, opgesteld door één van zijn personeelsleden, wijzigt; dat daar hij door zijn ondertekening de verantwoordelijkheid draagt van de inhoud van een schrijven, een hiërarchische meerdere het recht heeft om aan een briefontwerp de wijzigingen aan te brengen die hij nodig acht; dat er eveneens dient gewezen te worden op het feit dat de aangebrachte verandering niets wijzigde aan de betekenis van de brief; dat anderzijds de h. [L] binnen de grenzen van zijn bevoegdheden bleef als hij de Directeur-generaal van het betrokken departement wees op de problemen die zouden kunnen ontstaan bij de uitvoering van de aanbesteding betreffende de hernieuwing, de uitbreiding en de productie van nieuwe electrische installaties van de gebouwen van het openbaar en privaat domein van de Stad Brussel; Overwegende dat het verslag over de wijze van dienstdoen en het gedrag in het algemeen van betrokkene, uitgebracht door de h. [L], het gedrag van de h. Betz analyseert bij de uitvoering van zijn werk; dat de negatieve elementen hierin alleen toegeschreven dienen te worden aan de handelingen van deze laatste en het de h. [L] toekomt deze te vermelden in zijn verslag opdat dit een juist overzicht zou geven van de wijze van dienen en handelen van de betrokkene; Overwegende dat de brief van 2 juli 2004 de verbetenheid van betrokkene t.o.v. de h. [L] toont; dat inderdaad, op het ogenblik dat deze brief werd gestuurd naar de h. Burgemeester en de h. Gemeentesecretaris, de h. Betz het Departement Organisatie bijna twee jaar had verlaten; dat betrokkene misbruik heeft gemaakt van zijn recht op vrije meningsuiting om de eer, de integriteit en de goede naam XII-4432-4/13 van de h. [L] aan te tasten; dat de kritiek van de h. Betz niet objectief is of constructief maar ingegeven door de bedoeling schade toe te brengen; Gelet op het feit dat, bij zijn besluit van 26 september 2002, aan de h. Betz de tuchtstraf van vijf dagen schorsing werd opgelegd wegens tekortkomingen aan de beroepsplichten door :
- het onnodig en misleidend alarmeren van hooggeplaatste ambtenaren i.v.m. het dossier over de verwijdering van een hoogspanningstransformator in Neder-over-Heembeek en pogingen om hierbij zijn hiërarchie in diskrediet te brengen;
- valse beschuldigingen en insinuaties in een dossier over noodverlichting daterend van 1994;
- gebrek aan loyauteit door zijn hiërarchie in een slecht daglicht te willen plaatsen op basis van onjuiste beschuldigingen van pesterijen, zoals blijkt uit het verslag van Dr. Vermeiren dd. 29 maart 2002;
- algemene negatieve houding zoals blijkt uit het verslag over zijn wijze van dienstdoen dd. 5 maart 2002; Overwegende dat het dossier dat werd ter beschikking gehouden ter consultatie voor de leden van het College, betrokkene en zijn eventuele verdediger, vergezeld was van een vertaling uitgevoerd door een beëdigd vertaler; Betrokkene en zijn verdediger gehoord in hun verklaringen; Overwegende dat, in tegenspraak met wat de verdediger van de h. Betz voorhoudt, de termijnen voorzien bij art. 301 van de nieuwe gemeentewet wel degelijk werden gerespecteerd daar de oproeping om te verschijnen voor het College op 27 januari 2005 werd opgestuurd bij een ter post aangetekende brief dd. 5 januari 2005; meer zelfs, dat het College, in zitting van 27 januari 2005, kennis nam van het verzoek van de h. Betz en zijn raadsman, Mr. Ph. Simonart, om het verhoor uit te stellen naar een latere datum en besliste dit verzoek in te willigen teneinde de rechten van verdediging maximaal te waarborgen en dat bijgevolg de nieuwe hoorzitting tegensprekelijk werd vastgesteld op donderdag 3 februari 2005 te 10u30, waarvan akte in het proces-verbaal van verschijning; Overwegende dat ook dient vastgesteld te worden dat de zwaarwichtigheid van de beschuldigingen die hij richtte aangaande de h. [L] aan de h. Burgemeester en de h. Stadssecretaris wel degelijk bewezen is daar deze beschuldigingen slaan op - tekortkomingen aan de plichten - illegale handelingen - miskenning van het gezag van de Gemeenteraad - het kwaadwillig niet-inlichten van het College van Burgemeester en Schepenen - miskenning van de zorgvuldigheids- en nauwkeurigheidsplicht - smadelijke uitlatingen - valsheid in geschriften - samenzwering tegen ambtenaren - zware beroepsfout - verloochening van de afgelegde eed; Overwegende bovendien dat, na grondig onderzoek, het College besliste, in zitting van 19 augustus 2004, er geen enkele reden was om gelijk welke actie in te stellen tegen de h. [L]; dat het dus gaat om ongegronde aantijgingen die zijn toenmalige overste in diskrediet moesten brengen bij de gemeentelijke autoriteit; Overwegende de hierboven aangehaalde overwegingen over de gehoorzaamheids- en loyauteitsplichten van personeelsleden van een openbaar gezag; Overwegende dat de h. Betz nog steeds volhardt niettegenstaande voldoende werd aangetoond dat het om valse beschuldigingen gaat: XII-4432-5/13 Overwegende dat een beroep bij de Raad van State geen aanleiding geeft tot schorsing van de uitvoerbaarheid van de bestreden akte en dat bijgevolg wel rekening mag gehouden worden met zijn besluit van 26 september 2002 waarbij aan betrokkene de tuchtstraf van vijf dagen schorsing werd opgelegd; Overwegende dat de debatten het voorwerp hebben uitgemaakt van een simultaanvertaling in het Nederlands of het Frans voor zover, naar ieders keuze, het Frans of het Nederlands werd gebruikt; Besluit, bij geheime stemming en met éénparigheid van de beraadslagende leden : Enig artikel. De tuchtstraf van 15 dagen schorsing wordt opgelegd aan de h. Hugo Betz, voornoemd”. De gegrondheid van het beroep
- In het inleidend verzoekschrift worden drie vernietigingsgronden aangebracht. Uiteenzetting van het eerste middel
- Het eerste middel is genomen uit de schending van artikel 301 van de nieuwe gemeentewet en van “het algemeen rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur en meer precies [van] de loyauteitsplicht”. Verzoeker wijst er op dat er geen twaalf werkdagen zijn tussen de ontvangst van de convocatie en de datum van het verhoor. Hij heeft zijn werkgever ingelicht van zijn verlof tussen 6 januari 2005 en 21 januari
- De oproepingsbrief heeft hem eerst bereikt op 24 januari 2005, dus geen twaalf werkdagen voorafgaand aan de hoorzitting van 3 februari
- In de memorie van wederantwoord wijst verzoeker er nog op deze grief ook reeds te hebben opgeworpen in zijn verdedigingsnota voor het college en dat verwerende partij er geen aandacht aan heeft besteed. Beoordeling
- Artikel 301, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet bepaalt dat een tuchtrechtelijk vervolgd personeelslid “ten minste twaalf werkdagen voor zijn verschijning” wordt opgeroepen voor de hoorzitting. De ingeroepen wetsbepaling bepaalt aldus dat de datum van de verschijning niet vroeger kan zijn dan de twaalfde werkdag na het oproepen daartoe. De oproepingstermijn moet blijkens de memorie van toelichting bij het wetsontwerp tot wijziging van de nieuwe gemeentewet wat de tuchtregeling XII-4432-6/13 betreft (Parl. St. Kamer, 1990-1991, nr. 1400/1, 12), de betrokkene in staat stellen de hoorzitting voor te bereiden, een beroep te doen op een verdediger en het tuchtdossier in te zien. Uit de parlementaire voorbereiding van deze wetsbepaling kan overigens worden afgeleid dat de termijn loopt vanaf de dag volgend op de dag van de verzending van de aangetekende brief, die dan moet worden beschouwd als de datum van de oproeping om te verschijnen.
- Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de oproepingsbrief aan verzoeker is verstuurd op woensdag 5 januari 2005, zodat de termijn in principe loopt vanaf donderdag 6 januari
- Dat verzoeker met verlof was van diezelfde 6 januari 2005 tot vrijdag 21 januari 2005, vormt geen reden van overmacht. Evenmin schrijft enige bepaling voor dat een dergelijk verlof van invloed zou zijn op de termijn, bedoeld in artikel 301, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet en die termijn zou stuiten of schorsen. Het verlof van verzoeker doet dan ook niets af aan de vaststelling dat tussen de kennisgeving, die geacht moet worden te zijn gebeurd op 6 januari 2005 door de aanbieding van de aangetekende zending aan het adres van verzoeker met, gezien zijn afwezigheid, de achterlating van het gebruikelijke postbericht, en de dag van het verhoor op donderdag 3 februari 2005, ruim de gestelde termijn van twaalf werkdagen is gerespecteerd. Overigens, anders dan verzoeker beweert, is wél ook in de bestreden beslissing een gelijkluidende considerans opgenomen als antwoord op zijn nota. Verzoeker vindt het wel kras -“moedwillig of onachtzaam”, zo laat hij nog in het midden- dat de oproeping wordt verstuurd daags voor zijn door het bestuur zelf toegestaan verlof. Voor zover verzoeker daarmee de ook aangevoerde “loyauteit” die hij van het bestuur verwacht in verband wil brengen met de toepassing te dezen van artikel 301, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet, staat daar tegenover dat het bestuur geen blinde toepassing heeft gemaakt van het bedoelde artikel maar integendeel op eerste verzoek van zijn raadsman ermee heeft ingestemd om de hoorzitting, die eerst was gepland op 27 januari 2005, uit te stellen naar 3 februari
- Hoewel verzoeker vervolgens wel degelijk heeft verwezen naar artikel 301 van de nieuwe gemeentewet in een alinea van zijn verdedigingsnota voor het college, dan toch werpt hij dit beweerde vormgebrek slechts op zonder voor XII-4432-7/13 het college te verduidelijken op welke aspecten van zijn verweer hij zich te kort gedaan voelt door een onvolkomen voorbereiding ervan. Hij doet dit ook niet in zijn stukken in de huidige procedure voor de Raad, zelfs niet nadat ook verwerende partij in de memorie van antwoord opmerkt dat verzoeker niet uitlegt waarom het uitstel waarover hij (slechts) mocht beschikken hem zou verhinderen om zijn verdediging nuttig voor te bereiden en zij daarom het belang van verzoeker bij dit middel betwist. Ook een gebrek aan “loyauteit” van het bestuur wordt in die omstandigheden niet aangenomen. Het middel wordt niet aangenomen. Uiteenzetting van het tweede middel
- Het tweede middel is genomen uit de schending van artikel 305, § 2, van de nieuwe gemeentewet omdat de beslissing mede genomen “schijnt” te zijn door de burgemeester, hoewel deze niet aanwezig was op de hoorzitting. XII-4432-8/13 Beoordeling
- Terecht maakt verzoeker slechts gewag van een “schijn”. Hij alludeert immers op de ondertekening “(get.) Freddy Thielemans” onderaan het collegebesluit. Verzoeker gaat alzo er aan voorbij dat de beslissing aanvangt met de opsomming van de aanwezige leden, waar de burgemeester niet bij is vermeld en dat in fine te lezen is dat de beslissing is genomen door “de beraadslagende leden”. Zoals verwerende partij terecht opmerkt in haar memorie van antwoord duidt de vermelding “(get.) Freddy Thielemans” onderaan het besluit op de toepassing van artikel 109 van de nieuwe gemeentewet, dat stelt dat de beslissingen van het college ondertekend worden door de burgemeester en medeondertekend worden door de gemeentesecretaris. Het middel mist feitelijke grondslag. Uiteenzetting van het derde middel
- Het derde middel is genomen uit de schending van de artikelen 19, 28 en 159 van de Grondwet, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 282 van de nieuwe gemeentewet. In een “eerste tak” van het middel betoogt verzoeker als ambtenaar zoals iedere andere burger te beschikken over de vrijheid van meningsuiting en het petitierecht. Hij zet uiteen slechts drie mensen te hebben aangeschreven, de goede naam en faam van de stad niet in het gedrang te hebben gebracht door de informatie ook aan derden te geven, zijn brief ook aan de betrokkene L. te hebben bezorgd, nooit gevraagd te hebben om een tuchtprocedure tegenover L. in te leiden. Volgens hem is de valsheid van de zogenaamde aantijgingen niet vastgesteld, meer bepaald blijkt niet dat hij verkeerd zat in de zaak Elektro Goeminne Dikkelvenne, waarin een veroordeling van de stad vermijdbaar ware geweest als L. niet de brief van 27 november 2001 gewijzigd had. Hij voegt er aan toe L. geen valsheid in geschriften te hebben verweten, “zeker niet in de zaak Elektro Goeminne Dikkelvenne”. XII-4432-9/13 In een “tweede tak” wijst verzoeker er op dat de bestreden maatregel moet worden vernietigd indien de tuchtstraf van 26 september 2002 wordt vernietigd, nu in de motivatie van de straf aan die eerdere tuchtsanctie wordt gerefereerd. In een “derde tak” betwist verzoeker zijn gebrek aan loyauteit en gehoorzaamheid. Hij heeft zijn werkgever loyaal op de hoogte gebracht van een mogelijke fout, hij heeft het recht zijn overste gematigd te bekritiseren en hij heeft altijd alle bevelen van de gemeente uitgevoerd. Verzoeker besluit dat de beslissing uit het oogpunt van de formele motiveringsplicht niet afdoende is gemotiveerd in de mate waarin deze gebaseerd is op onterechte elementen, op een onwettige beslissing of wanneer de tekortkoming niet voldoende uitgelegd wordt. In de memorie van wederantwoord geeft verzoeker een nadere toelichting bij de evolutie van het spreekrecht van ambtenaren. Hij herneemt zijn argumentatie uit het verzoekschrift en voegt er aan toe volledig te goeder trouw gehandeld te hebben en een minimale feitelijke basis voor zijn vermoeden van onregelmatigheid aangebracht te hebben, ten einde het aan de overheid over te laten er de gepaste gevolgen aan te geven. Beoordeling
- Vooraf merkt de Raad van State op dat verzoeker een laatste memorie heeft neergelegd van 27 bladzijden waarin hij enkel ingaat op het derde middel. In die laatste memorie voert verzoeker een bijkomende grief aan die hij afleidt uit een vergelijking van het proces-verbaal van de hoorzitting en de bestreden beslissing, gaat hij dieper in op de beslissing van het college om geen actie in te stellen tegen L., noemt hij thans ook artikel 299 van de nieuwe gemeentewet geschonden, tilt hij er ook aan niet gehoord te zijn geweest bij het treffen van de ordemaatregel tot overplaatsing, noemt hij dit een verdoken tuchtstraf, bovendien genomen door een onbevoegde overheid en citeert hij overheen ongeveer vijftien bladzijden uit processen-verbaal van verhoor die in de loop van 2006 van verschillende ambtenaren zijn afgenomen ingevolge een door hem ingestelde klacht met burgerlijke partijstelling om de onwettigheid te adstrueren van de tuchtbeslissing van 26 september
- XII-4432-10/13 Deze grieven zijn een niet ontvankelijke nieuwe invulling van het derde middel, deels omdat ze zijn gericht tegen beslissingen die niet het voorwerp vormen van het voorliggende beroep, deels omdat ze laattijdig worden aangebracht.
- In zijn brief van 2 juli 2004 verwijst verzoeker uitdrukkelijk naar het aan de tucht gewijd artikel 282 van de nieuwe gemeentewet en vraagt hij om “passend gevolg”. Verzoeker had met zijn “bezwaarschrift” - op bladzijde 1 van de bij zijn brief gevoegde nota noemt hij het zelfs een “vordering” - onmiskenbaar het oogmerk om verwerende partij er toe te bewegen een tuchtprocedure tegen L. op gang te brengen. Op twee bladzijden van zijn nota vermeldt hij, in een kader, de “valsheid in geschriften”. De ontkenning hiervan door verzoeker in huidige procedure mist feitelijke grondslag. Het bestuur kon terecht in de brief en de bijgaande nota lezen dat verzoeker zijn voormalig hiërarchisch meerdere L. beschuldigt van zware beroepsfouten en van een misdrijf (valsheid in geschriften) en dat hij vraagt om een tuchtprocedure op te starten. Wat het geschil tussen verzoeker en L. betreft in “de zaak Elektro Goeminne Dikkelvenne” antwoordt verwerende partij in de bestreden beslissing door in een considerans in te gaan op de bevoegdheid van de hiërarchisch overste om een briefontwerp te wijzigen. Ook voor dit aspect is de beslissing derhalve uit formeel oogpunt gemotiveerd en heeft het bestuur wel degelijk expliciet te kennen gegeven waarom volgens hem de aantijging van verzoeker moest worden weerlegd. De feiten die verzoeker met de eerste grief ten laste worden gelegd komen als voldoende bewezen voor. Zij stroken met de stukken van het administratief dossier. Die feiten konden door de gemeentelijke overheid beschouwd worden als tekortkomingen aan de beroepsplichten, als bedoeld in artikel 282 van de nieuwe gemeentewet. Al mag een ambtenaar binnen zekere perken, op redelijke en overdachte wijze, kritiek uiten op de handelingen van het bestuur waaronder begrepen zijn hiërarchische oversten, dan vermag hij zich als ambtenaar evenwel niet op zijn vrijheid van meningsuiting te beroepen -door verzoeker in het middel ten onrechte ook opgevat als het petitierecht, bedoeld in artikel 28 van de Grondwet- om afbreuk te doen aan de goede naam van zijn collega’s en meerderen. De tegen verzoeker opgeworpen feiten komen precies er op neer dat hij op een niet in het minst gematigde wijze zware beschuldigingen heeft uitgebracht over ernstige beroepsfouten en zelfs misdrijven gepleegd door een bij naam genoemde overste, wat door het bestuur als ongepast en zelfs laakbaar mocht worden opgevat. Dat XII-4432-11/13 verzoeker zich naar eigen zeggen bovendien niet tot het publiek, maar enkel tot de burgemeester en de gemeentesecretaris heeft gericht doet daar geen afbreuk aan. Overigens blijkt uit de “cc” vermelding onderaan zijn brief dat hij die brief ook aan de vakorganisatie ACOD zou hebben overgemaakt, zodat zijn verdediging op dit punt zelfs feitelijke grondslag lijkt te missen. Het tweede tuchtfeit is een gevolgtrekking uit het aannemen van het eerste tuchtfeit én de beslissing van 19 augustus 2004 dat er geen enkele reden was om een actie te ondernemen tegen L. Verwerende partij gaat niet haar beoordelingsvrijheid te buiten door uit het als voldoende bewezen eerste tuchtfeit en uit haar beslissing van 19 augustus 2004 af te leiden dat verzoeker door zijn schrijven aan de burgemeester en de gemeentesecretaris beoogde L. in diskrediet te brengen bij de gemeentelijke overheid. Het beroep van verzoeker tegen de tuchtsanctie van 26 september 2002 is bij arrest nr. 191.068 van heden verworpen, zodat de premisse waarom met de eerste tuchtstraf geen rekening mocht worden gehouden niet is vervuld. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat het middel in geen van zijn onderdelen kan worden aangenomen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker . Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie maart 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : XII-4432-12/13 de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4432-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.069 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.