← België

Arrest 191105 - Milieuvergunningen - 05/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.105 Rolnummer: A. 146998/VII-31508 Zaak: Arrest 191105 - Milieuvergunningen - 05/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-17 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-29 20:51 Fiche Arrest nr 191.105 van 5 maart 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.105 van 5 maart 2009 in de zaak A. 146.998/VII-31.508. In zake : 1. Zoë SMETS, 2. Dafne SMETS, die vertegenwoordigd worden door hun ouders : Herbert SMETS en Inge GROVEN, 3. de VZW Vereniging tot Behoud van het Cultuurhistorisch en Natuur Patrimonium van Kapellen Zuid & Oost (Cunapak), die woonplaats kiezen bij advocaat P. MALLIEN, kantoor houdende te ANTWERPEN, Meir 24 tegen : de deputatie van de provincie Antwerpen. tussenkomende partij : de NV HYPOCAMPUS, die woonplaats kiest bij advocaat P. FLAMEY, kantoor houdende te ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 16. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Zoë SMETS, Dafne SMETS en de VZW Vereniging tot Behoud van het Cultuurhistorisch en Natuur Patrimonium van Kapellen Zuid & Oost (Cunapak) op 26 januari 2004 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 30 oktober 2003 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kapellen van 16 juni 2003, houdende het verlenen van de vergunning aan de NV HYPOCAMPUS voor het veranderen van een manege, gelegen aan de Bosdreef 50 te Kapellen, gedeeltelijk gegrond worden verklaard; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 25 juni 2004 ingediend door de NV HYPOCAMPUS; VII-31.508-1/20 Gelet op de beschikking van 9 augustus 2004 die de tussenkomst van de NV HYPOCAMPUS toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories van de verzoekende partijen en van de tussenkomende partij; Gelet op de beschikking van 29 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 januari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. MALLIEN, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van bestuurssecretaris M. MICHIELS, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat M. VALKENIERS die, loco advocaat P. FLAMEY verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. De tussenkomende partij baat een manege uit aan de Bosdreef 50 te Kapellen. Op 27 januari 2003 dient zij een milieuvergunningsaanvraag in tot uitbreiding en wijziging van de inrichting. Er worden 370 bezwaarschriften ontvangen, onder meer van de vader van de eerste twee verzoeksters en van de derde verzoekende partij. VII-31.508-2/20 De Vlaamse Landmaatschappij (hierna : VLM) geeft op 19 mei 2003 een negatief advies. Zij is van oordeel dat de inrichting niet kan worden beschouwd als een bestaande veeteeltinrichting in de zin van artikel 2, 7/, van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (hierna : meststoffendecreet), aangezien er geen aangifte was ontvangen voor de jaren 1992 en/of 1993. In een uitvoerig gemotiveerde beslissing van 16 juni 2003, waarin al de aangevoerde bezwaren worden weerlegd en wordt aangegeven waarom het advies van de VLM niet wordt gevolgd, vergunt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kapellen de gevraagde wijziging en uitbreiding van de inrichting. Aldus wordt vergunning verleend voor de reorganisatie van de standplaatsen voor 124 paarden (rubriek 9.4.3.a.1), voor de reorganisatie van de opslag van dierlijke mest (80 m³) en bijkomende opslag van 5 m³ aal (rubriek 28.2.a.2) en voor de reorganisatie van de rijhal/rijpiste (rubriek 32.4) en wordt akte genomen van een aantal klasse 3-inrichtingen (rubriek 3.6.1 : verhoging debiet lozing huishoudelijk afvalwater; rubriek 15.1.1 : verandering voor het stallen van 12 voertuigen in plaats van 6; rubriek 17.3.6.1.b : verhogen van de opslagcapaciteit van mazout van 1.200 liter naar 3.700 liter). 1.2. De drie verzoekende partijen stellen beroep in bij de verwerende partij. Zij vragen om te worden gehoord. 1.3. De VLM handhaaft haar negatief advies. Zij stelt evenwel uitdrukkelijk dat, gelet op het feit dat de inrichting in 2000 een milieuvergunning heeft verkregen ingevolge een regularisatieprocedure, ondanks het feit dat het een niet-bestaande veeteeltinrichting betreft, de vraag gesteld kan worden in hoeverre dit nog relevant is om de huidige aanvraag te weigeren. De afdeling Milieuvergunningen (hierna : AMV) geeft een voorwaardelijk gunstig advies, behalve voor het deel van de buitenpiste dat in parkgebied is gelegen. De afdeling Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten & Landschappen (hierna : AROHM) geeft eveneens een gunstig advies onder voorwaarden. De dienst Waterbeleid van de provincie deelt mee dat er problemen zijn omdat de vergunninghouder de vergunde werken voor de verlegging van een waterloop niet volledig uitvoerde zoals opgelegd, wat aan de basis ligt van het stilleggen van de bouwwerken. VII-31.508-3/20 De Provinciale Milieuvergunningscommissie (hierna : PMVC) adviseert op 7 oktober 2003 gunstig voor de gevraagde uitbreiding, behalve voor de in parkgebied gelegen rijpiste. Wat betreft het niet voldoen aan de vereisten van het meststoffendecreet is zij van oordeel dat, door het verlenen van de vergunning in 2000 op grond van de uitzonderingsmaatregel, de bepaling waarop de VLM steunt niet meer van toepassing is. De verzoekende partijen dienen nog een memorie in waarin zij hun grieven nog eens uiteenzetten en reageren op de adviezen. 1.4. Op 30 oktober 2003 verklaart de verwerende partij de beroepen gedeeltelijk gegrond en verleent zij de vergunning mits : "

  1. a)de vergunning voor de buitenpiste, gelegen in parkgebied, wordt geweigerd
  2. b)aanpassing van de bijzondere voorwaarden als volgt : 1. Er mogen in de inrichting enkel paardensportevenementen worden georganiseerd; 2. Er mogen in de inrichting geen dansactiviteiten georganiseerd worden; 3. Er mogen geen activiteiten in de inrichting plaatsvinden tussen 02u00 en 07u.00; 4. Er dient voldaan aan de richtlijnen van de brandweer i.v.m. de brandveiligheid; 5. Om de 6 maanden dient de exploitant stalen te laten nemen van het afvalwater om de kwaliteit van het afvalwater te controleren, het resultaat hiervan dient overgemaakt te worden aan het gemeentebe- stuur, ter attentie van de milieudienst". Dit besluit, dat het voorwerp vormt van het onderhavige beroep, wordt op 24 november 2003 aan de verzoekende partijen betekend. 2. De procedure 2.1. De verzoekende partijen vragen in hun memorie van wederant- woord de memorie van antwoord uit de debatten te weren, omdat het stuk dat zij ontvangen hebben niet ondertekend was en zij dan ook geen "eensluidend verklaard afschrift" ontvangen hebben. Bij gebrek aan ondertekening is volgens hen het ontvangen stuk niet authentiek en heeft het geen waarde. Naar analogie met artikel 862, § 1, 2/, van het gerechtelijk wetboek moet de nietigheid van het stuk worden vastgesteld, ook al is er geen belangenschade geleden. In hun laatste memorie volharden de verzoekende partijen in hun standpunt. VII-31.508-4/20 2.2. Het origineel van de memorie van antwoord, dat in het dossier neergelegd is, is overeenkomstig artikel 118, § 2, van de provinciewet van 30 april 1836 "in opdracht" ondertekend door de provinciegouverneur en de provinciegriffier. Het dossier bevat aldus een origineel stuk dat rechtsgeldig is ondertekend en dat de vereiste authenticiteit bezit. Noch het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging van de afdeling bestuurs- rechtspraak van de Raad van State (hierna : algemeen procedurereglement), noch enige andere reglementaire bepaling, schrijven voor dat de memorie van antwoord nietig is wanneer de afschriften die ze vergezellen niet, of niet op de voorgeschreven wijze, ondertekend zijn. Artikel 862, § 1, van het gerechtelijk wetboek, waarnaar de verwerende partij verwijst, somt een aantal gevallen op waarin de nietigheid zelfs ambtshalve kan worden uitgesproken, zonder dat de partij die de exceptie inroept een belangenschade moet aantonen. Die gevallen blijven echter onderworpen aan de regel van artikel 860 van het gerechtelijk wetboek, volgens welke de wet het vormgebrek uitdrukkelijk met een nietigheid moet sanctioneren. De memorie van antwoord is rechtsgeldig. 2.3.1. Voorts is het probleem dat de verzoekende partijen aanbrengen, een probleem van tegenstelbaarheid van de memorie van antwoord, omdat het hen medegedeelde afschrift niet voldoet aan artikel 85 van het algemeen procedureregle- ment. Met name hebben zij een niet -ook niet voor eensluidend- ondertekend afschrift van de memorie van antwoord ontvangen. 2.3.2. Artikel 85 van het algemeen procedurereglement, zoals het voor deze zaak van toepassing is, verplicht de verwerende partij aan de Raad van State "eensluidend door de ondertekenende gewaarmerkt(
  3. e)(afschriften)" te bezorgen. Als gezegd, bepaalt het algemeen procedurereglement niet dat het niet-naleven van dat vormvoorschrift de regelmatigheid van het origineel van de memorie van antwoord aantast. De vraag is dan enkel of de miskenning van het vormvoorschrift de verzoekende partijen op een dwaalspoor heeft kunnen zetten doordat zij hun repliek hebben moeten uitwerken op basis van een stuk waarvan niet vast staat dat het overeenstemt met het origineel. Het aan de verzoekende partijen medegedeelde stuk was voorzien van de vermelding "w.g.", wat betekent "was getekend". Daarmee wordt aangege- ven dat het origineel van wat voorgelegd wordt, ondertekend is door de personen die op het document zijn vermeld. Zulks is niet geheel conform artikel 85 van het VII-31.508-5/20 algemeen procedurereglement, en bovendien is de vermelding "w.g." zelf niet ondertekend. 2.3.3. De grief van de verzoekende partijen betreft enkel de onderteke- ning van het door hen ontvangen stuk. Zij betwisten niet dat het exemplaar dat hen bezorgd is een kopie is van het origineel. Nazicht van het dossier toont overigens aan dat beide stukken identiek zijn. De twijfel die bij de verzoekende partijen is kunnen ontstaan door de miskenning van artikel 85 van het algemeen procedurere- glement wordt daarmee weggenomen. De verzoekende partijen zijn allerminst geschaad in hun mogelijkheden om de verwerende partij van antwoord te dienen. De exceptie wordt verworpen. 3. De ontvankelijkheid 3.1. De tussenkomende partij betwist het belang van de verzoekende partijen. Zij stelt dat de eerste twee verzoeksters niet aantonen dat zij belang hebben, aangezien zij niet vermelden op welke afstand hun woning van de betrokken inrichting is gelegen, terwijl zij ook het nadeel dat zij beweren te ondergaan niet preciseren. Wat de derde verzoekende partij betreft, stelt zij dat niet wordt aangetoond dat de ledenlijst ter griffie van de bevoegde rechtbank werd neergelegd en dat evenmin wordt aangetoond dat de bestreden vergunning een verband vertoont met haar statutair doel. 3.2. Uit het verzoekschrift blijkt dat de eerste twee verzoeksters wonen in de Bosdreef te Kapellen, aan de toegangsweg naar de inrichting. Zij hebben er aldus belang bij dat de inrichting van de tussenkomende partij niet wordt uitgebreid. Hun protest wordt overigens gedragen door het motief dat de inrichting, wegens haar grootschaligheid, de draagkracht van de omgeving overstijgt. Het eerste onderdeel van de exceptie wordt verworpen. 3.3.1. Artikel 26 van de wet van 27 juni 1921 betreffende de vereni- gingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen bepaalt dat vorderingen van VZW's opgeschort worden wanneer bepaalde formaliteiten niet in acht genomen zijn. De formaliteit betreffende de neerlegging van de ledenlijst ter griffie, opgenomen in artikel 26novies, § 1, tweede lid, 3/, van deze wet, is daarbij niet vermeld. De niet-neerlegging van de ledenlijst ter griffie heeft dan ook geen weerslag op de ontvankelijkheid van de vordering. VII-31.508-6/20 VII-31.508-7/20 3.3.2. Artikel 4 van de statuten van de derde verzoekende partij luidt : "De VZW Buurtcomité Kapellen Zuid & Oost stelt zichzelf tot doel het wettelijk en juridisch kader te bieden voor 'Het vrijwaren, het in stand houden en het bevorderen van het menselijk en natuurlijk lokale leefmilieu en de lokale leefomgeving op het grondgebied van de in artikel 3 omschreven straten en buurten. Hieronder dient te worden verstaan :
  4. a)te streven naar de bescherming, de valorisatie en het gebeurlijk herstel van het leefmilieu, landschap, natuur- en cultuurpatrimonium;
  5. b)het bevorderen en het verbeteren van de natuurlijke omgeving en de leefomgeving in voormelde buurt;
  6. c)de oordeelkundige ordening van de menselijke inrichtingen en het verwezen- lijken van een noodzakelijk evenwicht hiervan met de natuurlijke omgeving, het landschap, het natuur- en cultuurpatrimonium'". Blijkens artikel 3 van dezelfde statuten wordt de Bosdreef te Kapellen en de directe omgeving van deze straat opgenomen in het werkingsveld van de VZW. De vernietiging van de bestreden beslissing valt binnen het statutair doel van de vereniging. Ook het tweede onderdeel van de exceptie wordt verworpen. 4. De grond van de zaak 4.1.1. In het eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 5.9.3.1 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II), van artikel 33ter, § 1, 1/, c), van het meststoffendecreet en van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Zij zijn van oordeel dat in het bestreden besluit ten onrechte wordt aangenomen dat de gevraagde uitbreiding beantwoordt aan artikel 33ter, § 1, 1/, c), van het meststoffendecreet. Zo is in het advies van de VLM gesteld dat de inrichting niet als een bestaand veeteeltbedrijf beschouwd kon worden, aangezien de stallen reeds bestonden vóór 1962 en er geen aangifte bij de Mestbank was gebeurd voor de jaren 1991 en/of 1992. De inrichting is dan ook geen bestaande veeteeltinrichting en artikel 33ter van het meststoffendecreet laat geen milieuvergun- ningen meer toe voor nieuwe veeteeltinrichtingen. In ieder geval heeft de nieuwe uitbating een verhoging van de vergunde mestproductie tot gevolg die door de vermelde bepaling niet toegelaten wordt. 4.1.2. De verwerende partij antwoordt dat de VLM in haar advies toch ook gesteld heeft dat, hoewel het om een niet-bestaande inrichting gaat, zij in 2000 toch nog een milieuvergunning verkregen heeft ingevolge de regularisatieprocedure voor maneges zodat de vraag rijst of er nog wel relevant kan worden verwezen naar een niet-bestaande inrichting. Gewis is de inrichting van de tussenkomende partij VII-31.508-8/20 geen bestaande inrichting in de zin van artikel 2, 7/, van het meststoffendecreet, maar die bepaling is, gelet op de in 2000 verkregen milieuvergunning, gewoon niet meer van toepassing. De desbetreffende regularisatie - waarvoor overigens het bewijs van exploitatie in de jaren 1996, 1997, 1998 en 1999 bewezen moest worden - betekent dat de inrichting geacht moet worden te voldoen aan de geldende regels. De regularisatiemogelijkheid is ingevoerd om maneges de gelegenheid te geven zich in orde te stellen en hen toe te laten later op de bestaande reglementering terug te vallen, zodat zij na de regularisatie worden geacht te voldoen aan de voorwaarden voor de toepassing van de geldende regelgeving. Om die reden kan de omstandigheid dat de inrichting geen "bestaande inrichting" is, niet beletten dat er toch toepassing gemaakt kan worden van artikel 33ter, § 1, 1/, c), 3), van het meststoffendecreet. Er is voorts ook geen sprake van een stijging van de mestproduc- tie. De verzoekende partijen verwarren de vergunde mestopslagcapaciteit met de vergunde mestproductie. De VLM stipte van in den beginne aan dat de gevraagde vergunning geen stijging van de mestproductie tot gevolg zou hebben. De mestopslagcapaciteit is een begrip dat gehanteerd wordt in het kader van rubriek 28 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I), maar is niet relevant voor de toepassing van artikel 33ter, § 1, 1/, c), 3), van het meststoffendecreet, in tegenstelling tot de vergunde mestproductie, die gelinkt is aan rubriek 9 van Vlarem I. Een uitbreiding van de vergunde mestopslagcapaciteit houdt ook niet noodzakelijk een verhoging in van de vergunde mestproductie, omdat laatstgenoemd element gelinkt is aan het aantal gehouden dieren. Waarom het negatief advies van de VLM niet bijgevallen wordt, is in het bestreden besluit terdege verantwoord door de verwijzing naar de andere adviezen. 4.1.3. De verzoekende partijen repliceren dat de milieuvergunning die het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kapellen op 11 september 2000 aan de tussenkomende partij verleend heeft onwettig is omdat artikel 33ter, § 1, 1/, c), van het meststoffendecreet op dat ogenblik nog niet in werking was. Bijgevolg was de manege niet vergund in de periode van 1 september 1991 tot 1 september 1995 en had er een aangifte van de mestproductie moeten gebeuren in het jaar 1992 en/of 1993. Dit is niet gebeurd, dus vormt de inrichting geen bestaande inrichting, met het gevolg dat de verandering van de milieuvergun- VII-31.508-9/20 ning niet kon worden toegestaan. Van de uitzondering vermeld in artikel 33ter, § 4, van het meststoffendecreet kan te dezen geen toepassing gemaakt worden. Volgens de verzoekende partijen is de discussie over de verhoging van de mestproductie niet ter zake. De facto zal de mestproductie verhogen omdat er na de vergunning 124 paarden gehouden zullen worden, wat voordien niet het geval was. De verzoekende partijen herhalen ook nog dat het al dan niet toegelaten zijn van een verandering van een vergunning moet blijken uit het advies van de VLM, hetgeen hier niet het geval is. De verwerende partij kon het advies van de VLM slechts naast zich neerleggen indien het manifest foutief ware geweest of indien het als voorwaardelijk gunstig beschouwd had kunnen worden. Zij besluiten dat de reden waarom de PMVC het meststoffendecreet terzijde geschoven heeft onwettig is en dat heeft voor gevolg dat er geen motivatie bestaat voor het bestreden besluit. 4.1.4. De tussenkomende partij leest het middel aldus dat wordt aangevoerd dat de gevraagde verandering de facto een verhoging van de mestpro- ductie zal meebrengen omdat er in de praktijk meer paarden zullen worden gehouden dan voorheen, wat in strijd is met artikel 33ter, § 1, 1/, c), van het meststoffendecreet en meteen ook een schending inhoudt van artikel 5.9.3.1 van Vlarem II dat stelt dat het voornoemde artikel 33ter, § 1, 1/,
  7. c)niet mag worden geschonden. Volgens de tussenkomende partij is dit een grief die niet ontvankelijk kan worden aangevoerd tegen de bestreden vergunning die, zoals uit het advies van de VLM blijkt, geen wijziging aanbrengt aan het reeds vergunde aantal paarden. Aangezien uit de adviezen van de VLM blijkt dat de bestreden vergunning precies dezelfde productie van mest beoogt als deze die reeds was vergund door de regularisatievergunning van 11 september 2000 en aangezien de verzoekende partijen niet aantonen dat de vaststellingen van de VLM in feite niet correct zouden zijn, faalt het middel in zijn feitelijk uitgangspunt namelijk dat er een verhoging van de mestproductie wordt gevraagd. De bewering dat er in de praktijk meer paarden zullen worden gehouden dan voorheen, met een verhoging van de productie tot gevolg, is een loutere hypothese die er op gratuite wijze van uitgaat dat VII-31.508-10/20 er zal worden geproduceerd in strijd met de milieuvergunning. Deze kritiek heeft alles te maken met milieuhandhaving, waarvoor de Raad van State niet bevoegd is en is bijgevolg irrelevant in het kader van het geding voor de Raad. Steeds volgens de tussenkomende partij, stellen de verzoekende partijen de zaken verkeerd voor. In tegenstelling tot wat zij beweren is de bestreden beslissing gesteund op de stelling van de VLM dat alle voorwaarden vervuld waren behalve de voorwaarde van de "bestaande veeteeltinrichting" van artikel 2, 7/, van het meststoffendecreet, maar daaromtrent stelt de VLM zelf de vraag "in hoeverre dit nog relevant is om de huidige aanvraag te weigeren". De verwerende partij heeft de overwegingen van de VLM onderschreven en heeft in verband met het karakter van "bestaande inrichting" ook gesteld dat "ook uitbreidingen in het kader van de regularisatiemogelijkheid mee werden vergund". Aangezien de verwerende partij op grond van die overwegingen van oordeel was dat voldaan werd aan de voorwaarden van artikel 33ter van het meststoffendecreet en dus ook aan artikel 5.9.3.1 van Vlarem II, hadden de verzoekende partijen in hun middel moeten aantonen dat deze invulling van de bedoelde regels en de concrete beoordeling van de aanvraag in strijd is met de ratio legis van de genoemde bepalingen, maar elke kritiek op dat punt ontbreekt. 4.1.5. In hun laatste memorie stellen de verzoekende partijen nog dat de milieuvergunning van 11 september 2000 krachtens artikel 5, § 2, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsde- creet) vervallen is zodat de bestreden beslissing daar niet deugdelijk kan naar verwijzen. Immers, die vergunning was gekoppeld aan de stedenbouwkundige vergunning van 29 juli 1999, die uitvoerbaar werd na het verkrijgen op 23 mei 2001 van de machtiging voor de wijziging aan de waterloop Haasdonkse Beek, maar waarvan de werken vervolgens niet binnen de twee jaar aangevat zijn. Dat argument sluit niet aan bij de uiteenzetting van het middel. Als nieuw middel, dat eerder in de procedure aangevoerd had kunnen worden, is het niet ontvankelijk. 4.1.6. De vraag rijst of de inrichting van de tussenkomende partij volgens de bepalingen van het meststoffendecreet een "bestaande veeteeltinrichting" is. Er moet te dien aanzien rekening gehouden worden met volgende bepalingen van het meststoffendecreet, zoals het gold ten tijde van de bestreden beslissing : VII-31.508-11/20 VII-31.508-12/20 - artikel 2, tweede lid, 7/,
  8. a): "Voor de toepassing van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder : (...) 7/ bestaande veeteeltinrichting : een veeteeltinrichting waarvoor :
  9. a)ofwel de definitieve bouwvergunning werd verleend voor 1 september 1991 en waarvan minstens voor wat betreft het aanslagjaar 1992 of 1993 vóór 29 september 1993 aangifte gedaan werd bij de Mestbank en in deze aangifte, die op de inrichting betrekking heeft, dieren zijn aangegeven; (...)"; - artikel 33ter, § 1, 1/, c), 3) : "§ 1. Met betrekking tot de exploitatie van landbouw- en veeteeltinrichtingen gelden de volgende regels : 1/ tot en met 31 december 2006 : (...)
  10. c)kan met betrekking tot de diersoorten, bedoeld in artikel 5, alleen een milieuvergunning (...) worden verleend voor : (...); 3) de verandering van een bestaande vergunde veeteeltinrichting die geen stijging van de vergunde mestproductie van de bestaande veeteeltinrichting tot gevolg heeft; (...)". 4.1.7. De VLM heeft in haar advies van 14 augustus 2003 gesteld dat de inrichting van de tussenkomende partij niet voldeed aan de notie "bestaande veeteeltinrichting", omdat er voor de inrichting, die opgetrokken werd toen er nog geen bouwvergunning verplicht was, geen aangifte bij de Mestbank gedaan was voor het aanslagjaar 1992 en/of 1993. Omdat de aanvraag betrekking had op de verandering van de vergunning en artikel 33ter, § 1, 1/, c), van het meststoffende- creet dergelijke vergunning slechts toelaat voor een bestaande veeteeltinrichting, komt zij tot het besluit dat de tussenkomende partij geen vergunning kon verkrijgen. 4.1.8. Er moet evenwel ook rekening gehouden worden met artikel 36, 6/, van het decreet van 11 mei 1999 tot wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen en tot wijziging van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : wijzigingsdecreet van 11 mei 1999), zoals vervangen bij artikel 19 van het decreet van 3 maart 2000 houdende wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen. Die bepaling luidt : VII-31.508-13/20 "Bij wijze van overgangsregeling gelden de volgende afwijkende regels : (...) 6/ milieuvergunningen voor paardenstallen behorende bij maneges en paardenfokkerijen die in 1996, 1997, 1998 en 1999 in exploitatie waren, kunnen worden verleend in zoverre de milieuvergunning voor 1 december 2000 wordt aangevraagd". Ook de VLM had het probleem opgemerkt. Zij formuleert in haar advies van 14 augustus 2003 volgende nuance : "Gelet op het feit dat deze inrichting in 2000 wel nog een milieuvergunning heeft bekomen ingevolge een regularisatie- procedure, ondanks het feit dat het een niet-bestaande veeteeltinrichting betreft, kan de vraag gesteld worden in hoeverre dit nog relevant is om de huidige aanvraag te weigeren". 4.1.9. De overgangsregeling van voormeld artikel 36, 6/, van het wijzigingsdecreet van 11 mei 1999 laat toe dat voor paardenstallen bij maneges, nog een milieuvergunning wordt toegekend en dat daarmee wordt afgeweken van de beperkte mogelijkheden waarover het bestuur krachtens artikel 33ter van het meststoffendecreet nog beschikt. Er wordt niet betwist dat de tussenkomende partij op 11 september 2000 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kapellen een vergunning heeft verkregen voor het exploiteren van een manege met standplaatsen voor 124 paarden. Die vergunning is niet te gelegener tijd bestreden en heeft aldus de rechtstoestand van de inrichting definitief bepaald, met name dat zij over een uitbatingsvergunning beschikt voor twintig jaar. Op gevaar af de rechten van de tussenkomende partij zonder deugdelijke rechtsgrond in te perken, kan de regelmatigheid van die vergunning naar aanleiding van latere betwistingen niet meer in vraag gesteld worden. 4.1.10. De vraag rijst dan of een milieuvergunning, verleend met inachtneming van de overgangsregeling, de vergunninghouder in een andere positie plaatst dan een exploitant die zijn vergunning volgens de organieke regeling heeft verkregen. In het onderhavige geval zou dit betekenen dat de vergunning van 11 september 2000 niet tot gevolg kan hebben dat de inrichting in het kader van de hier aan de orde staande aanvraag tot wijziging van de milieuvergunning niet als een "bestaande veeteeltinrichting" beschouwd mag worden. 4.1.11. De Raad van State is van oordeel dat artikel 36, 6/, van het wijzigingsdecreet van 11 mei 1999 niet zo beperkt geïnterpreteerd mag worden. Met VII-31.508-14/20 die bepaling is voor maneges, die nog geen vergunning bezitten, de mogelijkheid geschapen om, los van de inwerkingtreding van het mestactieplan en de daarmee verband houdende standstill van de mestproductie, alsnog een milieuvergunning te verkrijgen. De voorwaarde dat de inrichting in exploitatie moest zijn in de jaren 1996, 1997 en 1998 wijst erop dat er een verband moet bestaan met de nutriëntenhal- te. Het is immers de mest- en nutriëntenproductie van de jaren 1996 tot 1998 die als referentie dient voor de nutriëntenhalte en de afwijkende regeling voor de toekenning van de milieuvergunning is voor het eerst opgenomen in het decreet van 11 maart 1999 dat de standstill invoert. Aldus kan gesteld worden dat artikel 36, 6/, van het wijzigingsdecreet van 11 mei 1999 wel een regularisatie toelaat, maar dan toch met een minimale verstoring van de standstill in de mestproductie. Vanuit dat oogpunt kan niet aangenomen worden dat de decreetgever toch de bedoeling zou hebben gehad om aan de geregulariseerde maneges - met de mestproductie van het aantal dieren dat vergund is - elke mogelijkheid van wijziging te ontzeggen, ook wanneer zij geen verhoging van de mestproductie inhouden. Met andere woorden, uit artikel 36, 6/, van het wijzigingsdecreet van 11 mei 1999 volgt dat een manege die op grond van die bepaling een milieuvergunning verkregen heeft, voor de latere toetsing aan het meststoffendecreet als een bestaande veeteeltinrichting kan worden beschouwd en dat zij, binnen de perken van artikel 33ter, §1, 1/, c), van het meststoffendecreet, waarin bepaald is dat er geen verhoging van de vergunde mestproductie mag zijn, een wijziging van haar milieuvergunning kan verkrijgen. 4.1.12. Blijft dan de vraag of de door de tussenkomende partij aan- gevraagde vergunning een verhoging van de mestproductie met zich brengt. In de vergunningsaanvraag is uiteengezet dat de inrichting gereorganiseerd wordt, maar dat het aantal standplaatsen voor paarden niet verhoogt. Er wordt wel een bijkomende opslag gevraagd voor 5 m³ aal bovenop de reeds vergunde 80 m³ vaste mest, maar een uitbreiding van de vergunde opslagcapaciteit impliceert niet noodzakelijk een verhoging van de vergunde mestproductie, die uitsluitend afhangt van het aantal gestalde dieren. De VLM heeft in haar adviezen hetzelfde besluit geformuleerd. De bemerking van de verzoekende partijen dat pas na de bestreden beslissing het aantal vergunde dieren effectief gehouden zal kunnen worden is niet relevant, aangezien artikel 33ter van het meststoffendecreet - de concretisering van het standstillbeginsel met betrekking tot de vergunde mestproduc- tie - ertoe strekt de vergunde mestproductie niet te verhogen en daarbij wordt geen rekening gehouden met het geringer aantal dieren dat desgevallend in het verleden daadwerkelijk gehouden is. VII-31.508-15/20 4.1.13. Op grond van artikel 5.9.3.1 van Vlarem II is de verandering van een veeteeltinrichting slechts vergunbaar wanneer de voorwaarden van het meststoffendecreet en zijn uitvoeringsbesluiten zulks toelaten en moet het voldaan zijn van die voorwaarden blijken uit het advies van de VLM. Er is, bij ontstentenis van uitdrukkelijke bepaling, geen reden om die bepaling aldus te lezen dat de VLM terzake een beslissing neemt die decisief de beoordelingsbevoegdheid van de vergunningverlenende overheid bepaalt. Zij stelt enkel dat de VLM het geëigende orgaan is om de vergunningsaanvraag te controleren in functie van de bepalingen van het meststoffendecreet en dat de VLM in haar advies aan de vergunningverle- nende overheid het resultaat van die toetsing moet vermelden. 4.1.14. Er wordt geen schending vastgesteld van artikel 33ter, § 1, 1/, c), van het meststoffendecreet, noch van artikel 5.9.3.1 van Vlarem II. De verwerende partij moest ter zake dan ook geen motivering geven. Het eerste middel is niet gegrond. 4.2.1. In het tweede middel wordt de schending aangevoerd van artikel 50, 3/, b), van Vlarem I en van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurhandelingen, doordat de bestreden beslissing geen antwoord geeft op de volgende argumenten en de bezwaren die aan de verwerende partij voorgelegd waren : - met kindertekeningen was aangetoond dat de grootschalige horeca-activiteiten en het bijhorende lawaai en verkeer gevolgen zou hebben "naar het paard rijden toe"; - het milieuaanvraagdossier was onvolledig aangezien er uit de overgelegde plannen niet opgemaakt kon worden hoe de nieuwe indeling van de inrichting zou zijn of waar de afvoerkanalen van de mestvaalt op een waterzuiveringsinstallatie aangesloten zouden worden; - er was ook opgeworpen dat een aantal bijkomende rubrieken van de indelingslijst aangevraagd hadden moeten worden en dat op geen enkel plan aangeduid wordt welk kadastraal perceel bijkomend in gebruik genomen is. 4.2.2. De verwerende partij wijst vooreerst op het onderscheid tussen de motivering van een jurisdictionele beslissing en een administratieve beslissing, in welk geval geen antwoord moet worden gegeven op elk aangevoerd argument, maar een vermelding van de determinerende motieven volstaat. In dit geval zou het omstandig weerleggen van de in het verzoekschrift vermelde argumenten niet hebben bijgedragen tot een betere motivering van het bestreden besluit, want het is op zich afdoende gemotiveerd. De kritiek geformuleerd door middel van de VII-31.508-16/20 kinderteke-ningen heeft in het bestreden besluit een onrechtstreeks antwoord gekregen, met name in het advies van de PMVC, waarin gesteld is dat er geen horeca-activiteiten vergund worden, hetgeen betekent dat de uit de tekeningen blijkende vrees voor lawaai en hinder tijdens het paardrijden niet in de beoordeling betrokken moet worden. 4.2.3. In hun repliek stellen de verzoekende partijen dat de verwerende partij aanvaardt dat de kindertekeningen als een bezwaar in aanmerking hadden moeten worden genomen en dat zij derhalve de leemte die de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kapellen gelaten had, had moeten opvullen. Wat de onvolledigheid van het dossier betreft, wijzen zij op het advies van een milieudeskundige met betrekking tot een andere aanvraag, waarin de onduidelijkheid van de plannen bevestigd wordt, inzonderheid wat betreft de stockageplaats van de vloeibare aal. 4.2.4. De tussenkomende partij stelt dat het bestreden besluit, waar het beredeneert dat er geen probleem van externe veiligheid zal zijn wegens het beperkte voorwerp van de vergunning, terdege rekening gehouden heeft met de bekommernis aangaande de overlast die via de kindertekeningen aan het bestuur ter kennis gebracht werd. Wat de onvolledigheid van de aanvraag betreft, stelt zij dat de verzoekende partijen niet aantonen dat de beweerde onregelmatigheid geleid heeft tot een verkeerde beoordeling, terwijl uit de adviezen en de bestreden beslissing blijkt dat het bestuur geen problemen heeft ondervonden bij de beoordeling van de aanvraag, die overigens correct gebeurd blijkt te zijn. De verzoekende partijen geven in hun repliek aan het middel ook een andere en ontoelaatbare draagwijdte, waar zij nu de vergelijking maken met de plannen van de bouwvergunning. 4.2.5. De beslissing over een milieuvergunningsaanvraag gaat uit van een administratieve overheid. Dergelijke beslissing voldoet aan de motiveringsver- plichting wanneer de betrokkene in het besluit zelf de redenen kan aantreffen die de overheid tot de getroffen beslissing gebracht hebben, zodanig dat hij met kennis van zaken de geëigende beroepsinstanties kan adiëren. 4.2.6. De grief die de verzoekende partijen door middel van de kindertekeningen hadden aangebracht betreft effectief de bezorgdheid voor de externe veiligheid van de manege. VII-31.508-17/20 Te dien aanzien wordt in de bestreden beslissing uiteengezet wat volgt : "Overwegende dat de manege zich in een gebied met een geringe draag- kracht bevindt; dat manegeactiviteiten met bijhorende beperkte hore- ca-activiteiten (uitgezonderd verblijfsrecreatie) in principe verenigbaar zijn met de omgeving en aanvaard kunnen worden; dat het aantal parkeerplaatsen op de plannen ca. 100 stuks bedraagt; dat dit zeer ruim is; dat het dossier geen berekenings- of motivatienota bevat omtrent het aantal noodzakelijke parkeerplaatsen; dat uit het dossier niet kan afgeleid worden of dit aantal verantwoord/noodzakelijk is in functie van de gevraagde exploitatie; dat in de verleende bouwvergunning dd. 29.07.1999 78 parkeerplaatsen werden vergund; dat de nodige maatregelen moeten getroffen worden om het groene karakter van het gebied te vrijwaren; dat bijkomende rustverstorende of verkeersgenererende activiteiten, inclusief horeca-activiteiten, die geen verband hebben met de exploitatie van de manege niet kunnen aanvaard worden, aangezien de ruimtelijke draagkracht van het gebied in het gedrang wordt gebracht (mobiliteit, lawaai, rustverstoring, toename parkeerplaatsen, mogelijke nachtelijke activiteiten, ...); (...) Overwegende dat de huidige aanvraag : • enkel de uitbreiding met een nieuwe rijhal vooraan de inrichting (op dit ogenblik is de rijhal half afgewerkt, de werken werden stilgelegd op bevel van het Parket), de verplaatsing van een aantal vergunde paardenstallen aldaar naar achteraan, een minimale uitbreiding van de mestopslag en enkele klasse III-activiteiten, betreft; • dat milieutechnisch (...) deze inrichtingen zonder overdreven hinder naar de omgeving kunnen worden uitgebaat, indien aan de algemene en sectorale Vlaremvoorwaarden wordt voldaan; • dat nergens uit deze aanvraag op te maken valt dat (
  11. de)exploitant andere activiteiten beoogt met deze veranderingen dan louter 'paardgebonden activiteiten', zoals beroeper beweert; dat huidige aanvraag dus NIET het organiseren van 'ander sportevenementen' kan inhouden; dat deze immers gerubriceerd zijn sub R.32.2, zalen voor sportmanifestaties, en bovendien deze rijhal qua constructie en gebruikte materialen geenszins voldoet aan de sectorale voorwaarden voor zalen voor sportmanifestaties; dat Vlarem evenmin een uitzondering voorziet voor een beperkt aantal gelegenheden in genoemde rubriek, zodat er op het vlak van sportevenementen enkel paardgebonden activiteiten mogen plaatsvinden en alle andere sportevene- menten dus verboden zijn; • dat ook dansactiviteiten niet worden vermeld, laat staan aangevraagd; dat er dan ook vanuit gegaan wordt dat er helemaal geen dansactiviteiten in de inrichting zullen plaatsvinden, anders had dit duidelijk in het dossier dienen vermeld, zelfs wanneer het om sporadische activiteiten zou gaan (op het plan staat geen dansvloer aangeduid, er wordt nergens iets over een muziekinstal- latie gezegd ...); dat de vrees van de omwonenden bovendien kan worden uitgesloten door het expliciet verbieden van dansactiviteiten waarbij gebruik gemaakt wordt van elektronisch versterkte muziek". Bovendien bevat de vergunning - artikel 1, § 2,
  12. b)- drie bijzondere voorwaarden die specifiek de bedoelde hinder tegengaan : - er mogen enkel paardensportevenementen worden georganiseerd; - er mogen in de inrichting geen dansactiviteiten worden georganiseerd; - er mogen geen activiteiten in de inrichting plaatsvinden tussen 2 uur en 7 uur. VII-31.508-18/20 Uit dat alles blijkt duidelijk waarom de verwerende partij van oordeel is dat de externe veiligheid en de beweerde overlast geen reden moest zijn om de vergunning te weigeren. 4.2.7. De bezwaren in verband met de onvolledigheid van het aanvraagdossier zijn inderdaad niet expliciet beantwoord. Door ten gronde uitspraak te doen over de aanvraag bewijst de verwerende partij wel dat zij zich voldoende voorgelicht achtte om met kennis van zaken een beslissing te nemen. De door de verzoekende partijen aangebrachte gegevens doen niet besluiten dat de verwerende partij zich daarmee onredelijk opgesteld zou hebben. Uit het administratief dossier blijkt dat het gemeentebestuur en de verwerende partij wel degelijk over een plan van het gelijkvloers beschikten waarop ook de mestopslag aangeduid was. Voorts blijkt duidelijk uit de bijlage 3 bij de vergunningsaanvraag - de beschrijving van de inrichting van de mestvaalt, waarin gesteld wordt dat de vloer en de wanden mestdicht zijn - waarom er geen afloop naar een waterzuiveringsinstallatie bestaat. Uit de vergelijking van de percelen waarop de bestaande vergunning slaat en de percelen vermeld in de vergunningsaanvraag kan zonder moeite worden opgemaakt dat het perceel nr. 322e wordt toegevoegd. De verwijzing naar de noodzaak om bepaalde rubrieken toe te voegen vindt geen steun in het dossier, aangezien geen enkele van de adviserende instanties daarover een opmerking had gemaakt. 4.2.8. Het tweede middel is niet gegrond, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 525 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor een derde. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-31.508-19/20 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf maart tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-31.508-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.105 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.