id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.106 Rolnummer: A. 152760/VII-32343 Zaak: Arrest 191106 - Milieuvergunningen - 05/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-13 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-29 20:52 Fiche Arrest nr 191.106 van 5 maart 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.106 van 5 maart 2009 in de zaak A. 152.760/VII-32.
- In zake : de NV VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ, die woonplaats kiest bij advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te LEUVEN, Naamsestraat 165 tegen : de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant, die woonplaats kiest bij advocaat K. VAN ALSENOY, kantoor houdende te BRUSSEL, Antoine Dansaertstraat
- tussenkomende partij : Willy PEETERS, die woonplaats kiest bij advocaat J. OPSOMMER, kantoor houdende te OUDENAARDE, Kasteelstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV VLAAMSE LANDMAAT- SCHAPPIJ op 14 juni 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 1 april 2004 waarbij het beroep van Willy PEETERS ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kampenhout van 16 december 2003, waarbij hem geweigerd wordt zijn veeteeltbe- drijf, gelegen aan de Laarstraat 25 te Kampenhout, uit te breiden, ingewilligd wordt, de beroepen beslissing wordt opgeheven en de gevraagde vergunning wordt verleend; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 9 augustus 2004 ingediend door Willy PEETERS; Gelet op de beschikking van 13 september 2004 die de tussen- komst van Willy PEETERS toelaat; VII-32.343-1/12 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. SOURBRON; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories van de verwerende en de tussenkomende partij; Gelet op de beschikking van 12 januari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 februari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. SIMENON die, loco advocaat J. BERGÉ verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat K. LEFEVER die, loco advocaat K. VAN ALSENOY verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat J. OPSOMMER, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- De tussenkomende partij exploiteert een rundveebedrijf aan de Laarstraat te Kampenhout. Hij beschikt over een vergunning voor het houden van 27 runderen. 1.
- Op 16 oktober 2003 dient de tussenkomende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kampenhout een aanvraag in om de inrichting te veranderen door uitbreiding met 63 runderen, de opslag van 450 m³ dierlijke mest op een mestvaalt en de opslag van 50 m³ vloeibare dierlijke mest in een mestkelder. In de aanvraag verklaart de exploitant dat de beoogde verandering VII-32.343-2/12 bestaat uit "het aanduiden van werkelijk beschikbare standplaatsen voor dieren en bijhorende mestopslag in of nabij de bestaande gebouwen". Met de aanvraag beoogt de exploitant in wezen de regularisatie van een reeds jarenlang bestaande toestand waarbij meer dieren gehouden werden dan vergund. 1.
- Bij besluit van 16 december 2003 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kampenhout de vergunning omdat de "gevraagde uitbreiding in strijd is met het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen". 1.
- Op 7 januari 2004 stelt de tussenkomende partij tegen voormeld weigeringsbesluit administratief beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant. In het beroepschrift beroept de exploitant zich onder meer op het vertrouwensbeginsel : in 1996 zou hem door de diensten van het gemeentebestuur meegedeeld zijn dat 150 runderen op de inrichting gehouden mochten worden en sedertdien gaat hij er te goeder trouw van uit dat voormeld aantal runderen regelmatig vergund was. Bovendien zou de Vlaamse Landmaat- schappij (hierna : VLM) via de jaarlijkse mestaangifte kennis hebben van het aantal dieren dat effectief op de inrichting gehouden werd en meer nog, in 2000, zou een nutriëntenhalte voor 90 dieren zijn toegekend. Al die tijd zou de Mestbank geen opmerkingen hebben geformuleerd omtrent het aantal vergunde dieren. Het beroep wordt op 14 januari 2004 ontvankelijk verklaard. 1.
- In het kader van de beroepsprocedure worden verschillende adviezen uitgebracht : a) het advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen van 16 februari 2004 is ongunstig; de exploitatie zou namelijk plaatshebben in gedeeltelijk illegale constructies; b) de Vlaamse Milieumaatschappij deelt op 17 februari 2004 mee dat haar advies niet vereist is; c) de afdeling Milieuvergunningen stelt in een advies van 27 februari 2004 voor om het beroep gegrond te verklaren en de gevraagde milieuvergunning te verlenen. Het bestuur is van oordeel dat de aanvraag strekt tot de regularisatie van een bestaande toestand en dat door de "feitelijke mestproductie sedert 1994" er in werkelijkheid geen sprake is van een verhoging van de mestproductie door het verlenen van de vergunning; VII-32.343-3/12 d) op 11 maart 2004 adviseert de VLM ongunstig over de aanvraag : het inwilligen van de aanvraag zou namelijk leiden tot een stijging van de vergunde mestproductie wat niet verenigbaar is met artikel 33ter, § 1, 3/, van het decreet 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (hierna : meststoffendecreet); e) door de Provinciale Milieuvergunningscommissie wordt op 17 maart 2004 voorgesteld om het beroep gegrond te verklaren, het beroepen besluit op te heffen en dienvolgens de gevraagde vergunning te verlenen voor een termijn die samenvalt met de geldigheidstermijn van de lopende basisvergunning (dit wil zeggen tot 1 september 2011). 1.
- Met een besluit van de verwerende partij van 1 april 2004 wordt het beroep van de tussenkomende partij ingewilligd, wordt de beroepen beslissing opgeheven en wordt aan de tussenkomende partij tot 1 september 2011 vergunning verleend voor de uitbreiding van zijn rundveebedrijf met 63 runderen, de opslag van 450 m³ dierlijke mest op een mestvaalt en de opslag van 50 m³ vloeibare dierlijke mest in een mestkelder. Dit besluit, dat het voorwerp vormt van het voorliggende annulatieberoep, steunt op volgende motieven : "De inrichting ligt deels in een woongebied met landelijk karakter (eerste 50 m) en deels in een agrarisch gebied (grote stal vergund als witloofloods) volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 maart
- Onderhavig beroep heeft betrekking op de in eerste aanleg door het college van burgemeester en schepenen geweigerde vergunning voor het uitbreiden van het aantal runderen van 27 naar 90 dieren. De definitieve bouwvergunning voor de actuele rundveestal werd verleend op 18 september 1990 voor een witloofloods. De overige gebouwen dateren van vóór de stedenbouwwet van 29 maart
- Voor het aanslagjaar 1993 werd een mestaangifte met vermelding van het aantal dieren ingediend op 11 maart 1993, zijnde vóór 29 september
- Deze inrichting kan conform artikel 2, 7/, a) van het mestdecreet beschouwd worden als een bestaande veeteeltinrichting. Uit het advies van de Vlaamse Landmaatschappij blijkt dat voor de productiejaren 1999, 2000 en 2001, overeenkomstig artikel 33ter, § 1, 3/ van het mestdecreet, aan de aangifteplicht werd voldaan en dat de mest conform de ter zake geldende bepalingen afgezet werd. Met de aktename van 9 oktober 1990 van de gemeente Kampenhout werd vergunning verleend voor 27 stuks rundvee (14 grote runderen en 13 kalveren). Volgens de mestbankaangiftes steeg na de bouw van de stal (loods) het aantal dieren tot ongeveer 95 dieren
(1994). De exploitant ging uit van de veronderstelling (zie ook beroep) dat de bijkomende dieren door de bouwver- gunning eveneens vergund waren. Sinds 1994 is het jaarlijks aantal aangegeven dieren ongeveer constant gebleven op gemiddeld 85. VII-32.343-4/12 In 2000 werd bovendien een nutriëntenhalte toegekend voor 90 runderen (= 7166 kgN en 2260 kg P2O5 voor 16 runderen 2 jaar). Bijgevolg dient vastgesteld te worden dat de gevraagde (regularisatie van
- de)vergunningstoestand geen feitelijke stijging van de mestproductie voor gevolg heeft zodat er aanleiding toe bestaat het beroep in te willigen en de gevraagde vergunning voor 90 runderen te verlenen". 2. De ontvankelijkheid 2.1. De verzoekende partij stelt dat zij een persoonlijk moreel en materieel belang heeft bij het beroep. Zij verwijst inzonderheid naar het decreet van 21 december 1988 waarbij zij als instelling van openbaar nut werd opgericht en naar haar statuten, waaruit blijkt dat zij belast is met de taken die door het meststoffende- creet aan de Mestbank opgedragen zijn, dat zij moet instaan voor de inventarisatie van de mestproductie, de controle op de afzet van overschotten en de sturing van de meststromen, dat zij toezicht moet houden op de naleving van het meststoffendecreet en zijn uitvoeringsbesluiten en dat zij advies moet verlenen in de Provinciale en Gewestelijke Milieuvergunningscommissies. Het bestreden besluit gaat in tegen haar wettelijke en statutaire opdracht omdat er "een stijging van de mestproductie vergund (wordt) die niet verenigbaar is met de criteria van het Mestdecreet". De vernietiging van de bestreden beslissing zal haar ook in de gelegenheid stellen om de mestoverschotten, die het gevolg zijn van de niet-vergunde activiteit, te weigeren. Ten slotte wijkt het bestreden besluit zonder motivering af van het advies dat zij aan de verwerende partij had gegeven en daarin vindt zij een moreel belang. 2.2. De verwerende partij betwist het belang van de verzoekende partij. Met het beroep wil de verzoekende partij verhinderen dat een veeteeltinrich- ting meer mest gaat produceren, maar dit is in casu niet het geval, aangezien de inrichting van de tussenkomende partij geen verhoogde mestafzet tot gevolg heeft omdat er sinds 1994 altijd tussen de 78 en 95 dieren op het bedrijf aanwezig zijn geweest en de verzoekende partij daarvan op de hoogte was. Er kan ook geen sprake zijn van een moreel nadeel, want noch in haar adviesbevoegdheid, noch in de beroepsmogelijkheid waarover de adviesorganen gedurende de administratieve procedure beschikken, vindt de verzoekende partij een moreel belang om een annulatieprocedure in te leiden. VII-32.343-5/12 2.3. De tussenkomende partij ontwikkelt een gelijkaardige redenering. Zij betoogt dat artikel 33ter, § 1, van het meststoffendecreet ertoe strekt een standstill in te voeren, maar het bestreden besluit doet daar geen afbreuk aan omdat de bestaande belasting van het milieu dezelfde blijft. Zij voegt daaraan toe dat de rechtspraak inzake stedenbouwvergunningen niet aanvaardt dat een adviesbevoegd- heid de bevoegdheid impliceert om een annulatieberoep in te dienen. 2.4. In hun laatste memories benadrukken de verwerende en de tussenkomende partij dat artikel 33ter van het meststoffendecreet door het decreet van 22 december 2006 opgeheven is met ingang van 1 januari 2008, dat de verzoekende partij sindsdien geen adviesbevoegdheid meer bezit met betrekking tot milieuvergunningsaanvragen zodat zij haar "belang en hoedanigheid" verloren heeft en dat de vergunningverlenende overheid nu, zelfs met een stijgende mestproductie, een vergunning kan verlenen voor zover de uitbater voldoet aan de nieuw ingestelde voorwaarden. 2.5. De hoedanigheid van adviesverlenende overheid, noch de bevoegdheid om een administratief beroep in te dienen, verleent aan de verzoekende partij het vereiste belang om een annulatieberoep in te dienen tegen beslissingen die niet overeenstemmen met het verleende advies. 2.6. Het staat buiten betwisting dat de verzoekende partij, als instelling van openbaar nut waarbinnen de Mestbank een plaats heeft, bij het indienen van het onderhavige beroep gehandeld heeft in het kader van haar opdracht zoals die bepaald is door het decreet van 21 december 1988 houdende oprichting van de Vlaamse Landmaatschappij en door het meststoffendecreet, met name de controle op de afzet van de dierlijke mestoverschotten, de sturing van de meststromen en het toezicht op de naleving van het meststoffendecreet. In deze specifieke wettelijke opdracht vindt zij een functioneel belang om een annulatieberoep in te stellen tegen beslissingen die zij onverenigbaar acht met het meststoffendecreet en zijn uitvoeringsbesluiten, te dezen een beslissing die naar haar oordeel tot gevolg heeft dat de mestproductie verhoogt. Zij ontwikkelt te dien aanzien een annulatiemiddel. Enkel wanneer dat middel ongegrond bevonden wordt kan de vraag naar het belang gesteld worden. In die zin hangt het onderzoek van het belang samen met de grond van de zaak. VII-32.343-6/12 2.7. De verzoekende partij heeft, binnen het kader van haar toenmalig bevoegdheidspakket, het onderhavige beroep ingediend. Inmiddels is de reglemente- ring door het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen grondig gewijzigd. Uit artikel 4 van het decreet van 22 december 2006 blijkt evenwel dat de Mestbank nog steeds belast is met het toezicht en de controle op de naleving ervan. De Mestbank is een afdeling van de Vlaamse Landmaatschappij en in die zin oefent de verzoekende partij nog steeds verantwoordelijkheden uit met betrekking tot de beheersing van de productie van dierlijke mest. De opmerking van de verwerende en de tussenkomende partij over de gevolgen van de opheffing van artikel 33ter van het meststoffendecreet en van de afschaffing van de adviesverplich- ting van de Vlaamse Landmaatschappij in het kader van milieuvergunningsdossiers, leidt dan ook niet zonder meer tot de conclusie dat het belang van de verzoekende partij teloorgegaan is. Daarbij komt dat de decreetgever blijkbaar geen andere overheid aangewezen heeft die alsnog de opdrachten, in het kader waarvan de verzoekende partij het onderhavige geding ingesteld heeft, van de verzoekende partij overgenomen heeft. De exceptie met betrekking tot het aspect van het actueel belang wordt niet aangenomen. 3. Ten gronde 3.1. In het eerste middel, eerste onderdeel, voert de verzoekende partij de schending aan van, onder meer, artikel 5.9.3.1, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II), van artikel 33ter, §1, 1/, c), van het meststoffendecreet en van artikel 2, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 5 oktober 2001 tot uitvoering van het voornoemde artikel 33ter. Zij stelt dat het bestreden besluit tot gevolg heeft dat de inrichting van de tussenkomende partij uitgebreid wordt met 63 runderen - 45 grote runderen en 18 kalveren - en met een opslag van 450 m³ vaste en 50 m³ vloeibare dierlijke mest, terwijl de verandering van een bestaande inrichting slechts mogelijk is wanneer de vergunde mestproductie niet stijgt. Zij ontwikkelt het middel als volgt : Krachtens artikel 5.9.3.1, § 1, van Vlarem II is het veranderen van een veeteeltinrichting enkel mogelijk wanneer de voorwaarden van het meststoffendecreet vervuld zijn. Artikel 33ter, § 1, 1/, c), van het meststoffendecreet bepaalt dat voor inrichtingen als deze van de tussen- VII-32.343-7/12 komende partij slechts een milieuvergunning kan worden verleend wanneer de verandering geen stijging van de vergunde mestproductie tot gevolg heeft. De inrichting van de tussenkomende partij was vergund voor het houden van 27 runderen en de toename van het aantal runderen van 27 naar 90 heeft uiteraard een vermeerdering van de vergunde mestproductie tot gevolg. Dat, zoals de verwerende partij overweegt, de vergunning de feitelijke stijging van de mestpro- ductie niet vergroot, is in het licht van artikel 33ter van het meststoffendecreet niet ter zake. 3.2. De verwerende partij antwoordt dat de exploitant reeds sinds 1990 gemiddeld 90 runderen houdt omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat dit aantal vergund was door de stedenbouwkundige vergunning die hij op 18 september 1990 voor zijn witloofloods verkregen had. Aangezien er sinds 1993 voor al deze runderen een aangifte gebeurd is bij de Mestbank, was de verzoekende partij op de hoogte van het aantal dieren dat gehouden werd en er is aan het bedrijf ook een nutriëntenhalte toegekend voor 90 runderen. Op grond van al die gegevens heeft zij geoordeeld dat de doelstellingen van het meststoffendecreet - een standstill van de mestproductie - vervuld waren en dat de weigering van de vergunning geen voordeel voor het algemeen belang zou opleveren dat in redelijke verhouding staat tot het nadeel dat de exploitant moet ondergaan. 3.3. In haar repliek herinnert de verzoekende partij eraan dat de verwerende en de tussenkomende partij niet betwisten dat de aangevraagde vergunning een grotere mestproductie tot gevolg heeft dan de tot nogtoe vergunde inrichting. Zij benadrukt dat de reglementaire bepalingen, die in het middel worden aangehaald, verwijzen naar de vergunde mestproductie. Zij voegt daaraan toe dat een nutriëntenhalte duidelijk geen milieuvergunning is, dat de tussenkomende partij moest weten dat zij slechts over een vergunning voor 27 grote zoogdieren beschikte en dat zij eigenlijk zelfs goed wist dat het bedrijf geen vergunning bezat, aangezien zij van in den beginne verwezen heeft naar de onmogelijkheid van het bestuur om zich op nalatigheden en miskenning van beginselen van behoorlijk bestuur te beroepen. Zij besluit dat het vermelden in de aangiften van het daadwerkelijk gehouden aantal dieren geenszins de goede trouw van de tussenkomende partij kan bewijzen, aangezien zij de decretaal vastgelegde verplichting heeft om niet méér mest te produceren dan het aantal vergunde dieren toelaat en derhalve zelf verantwoordelijk blijft voor de overtredingen van de reglementering. VII-32.343-8/12 3.4. De tussenkomende partij verwijst naar haar aangiften bij de Mestbank waarin zij steeds melding gemaakt heeft van het werkelijk aantal gehouden dieren en naar het feit dat zij steeds in de overtuiging geweest is de nodige vergunningen te bezitten. De letterlijke interpretatie van artikel 33ter van het meststoffendecreet gaat voorbij aan de doelstelling van de decreetgever om geen nieuwe veeteeltinrichtingen toe te laten en om de bestaande veeteeltinrichtingen als voorheen voort te laten exploiteren. 3.5. In haar laatste memorie stelt de tussenkomende partij dat het middel niet langer ontvankelijk is omdat de actuele regeling van de meststoffenpro- blematiek - het decreet van 22 december 2006 - geen invloed meer heeft op de milieuvergunning. 3.6. Bij het indienen van het beroep heeft de verzoekende partij gehandeld ter uitvoering van een opdracht van algemeen belang en heeft zij zich beroepen op de toenmalige reglementering. Bij vernietiging van het bestreden besluit zal de bevoegde overheid opnieuw moeten beslissen over de vergunningsaan- vraag van de tussenkomende partij. Zij zal daarbij rekening moeten houden met de actuele reglementering. De tussenkomende partij toont evenwel niet aan dat de overheid haar binnen de nieuwe reglementaire situatie de vergunning niet kan weigeren. De loutere omstandigheid dat de regeling, waarvan de schending wordt ingeroepen, thans niet meer bestaat, leidt niet tot de onontvankelijkheid van het middel. 3.7. Het determinerende motief op grond waarvan de verwerende partij de vergunning aan de tussenkomende partij toegekend heeft, is dat de aangevraagde vergunning, die neerkomt op de regularisatie van de toestand waarin deze bestaande veeteeltinrichting verkeerde, "geen feitelijke stijging van de mestproductie voor gevolg heeft". Daarmee heeft de verwerende partij toepassing gemaakt van artikel 33ter, § 1, 1/, c), 3), van het meststoffendecreet. 3.8. Artikel 33ter van het meststoffendecreet, in de versie waarmee de verwerende partij rekening diende te houden, luidt : "§ 1. Met betrekking tot de exploitatie van landbouw- en veeteeltinrichtingen gelden de volgende regels : 1/ tot en met 31 december 2006 :
- a)(...);
- b)(...); VII-32.343-9/12
- c)kan met betrekking tot de diersoorten, bedoeld in artikel 5, alleen een milieuvergunning of akte die geldt als vergunning als bedoeld in het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning worden verleend voor : 1) (...); 2) (...); 3) de verandering van een bestaande vergunde veeteeltinrichting die geen stijging van de vergunde mestproductie van de bestaande veeteeltinrichting tot gevolg heeft; (...)". 3.9. Het begrip "vergunde mestproductie" is omschreven in artikel 2, 55/, van het meststoffendecreet. Het gaat om "de mestproductie waarvoor een geldige milieuvergunning bestaat". In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 5 oktober 2001 tot uitvoering van artikel 33ter van het meststoffende- creet wordt daaraan toegevoegd dat het gaat om de mestproductie "waarvoor op het moment van de aanvraag" een geldige vergunning bestond. Deze begripsbepaling is duidelijk en laat geen interpretatie toe. De verwerende partij diende er als zodanig rekening mee te houden. 3.10. Op het ogenblik van de aanvraag die aanleiding gegeven heeft tot het bestreden besluit beschikte de tussenkomende partij over een vergunning voor het houden van 27 runderen. De toelating van een groter aantal dieren heeft evident een stijging van de mestproductie tot gevolg en diende derhalve, in toepassing van artikel 33ter, § 1, 1/, c), 3), van het meststoffendecreet, geweigerd te worden. 3.11. De verwerende partij verwijst naar de feitelijke toestand waarin het bedrijf van de tussenkomende partij verkeerde en de doelstelling van artikel 33ter van het meststoffendecreet. Zij verliest daarbij evenwel uit het oog dat het houden van een groter aantal dieren dan vergund, krachtens artikel 4, § 1, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergun- ningsdecreet) verboden is. De omstandigheid dat de feitelijke toestand waarnaar verwezen wordt, gemeld is in de aangiftes van de exploitant en dat het bestuur daarmee rekening gehouden heeft bij de toekenning van een nutriëntenhalte, kan de illegale toestand waarin de betrokkene op dat ogenblik verkeerde op het vlak van zijn milieuvergunning, niet goedmaken. VII-32.343-10/12 3.12. De verwerende partij kon een aanvraag als deze van de tussen- komende partij slechts inwilligen wanneer zij, vergeleken met de bestaande vergunning, tot geen verhoging van de mestproductie aanleiding gegeven zou hebben. Door rekening te houden met de feitelijke toestand van de inrichting heeft de verwerende partij artikel 33ter, § 1, 1/, c), 3), van het meststoffendecreet miskend. Het middel is gegrond, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 1 april 2004 waarbij het beroep van Willy PEETERS ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kampenhout van 16 december 2003, waarbij hem geweigerd wordt zijn veeteeltbedrijf, gelegen aan de Laarstraat 25 te Kampenhout, uit te breiden, ingewilligd wordt, de beroepen beslissing wordt opgeheven en de gevraagde vergunning wordt verleend. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-32.343-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf maart tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-32.343-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.106 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div