id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.121 Rolnummer: A. 75559/X-7728 Zaak: Arrest 191121 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 05/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-12 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 20:57 Fiche Arrest nr 191.121 van 5 maart 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.121 van 5 maart 2009 in de zaak A. 75.559/X-
- In zake : Jan MAES, die woonplaats kiest bij advocaat H. SEGERS, kantoor houdende te 3580 BERINGEN, Hasseltsesteenweg 136 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jan MAES op 2 september 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 30 juni 1997 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van het beroep van de verzoeker ingesteld tegen het besluit van 6 februari 1997 van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen, waarbij de vergunning wordt geweigerd voor het regulariseren van een woonst en bergplaats aan de Lilsedijk te Beerse, kadastraal bekend sectie D, nrs. 327 g/5, h/5, k/5, l/5, m/5, n/5, p/5 en r/
- Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 3 maart 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; X-7728-1/11 Gelet op de beschikking van 10 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 januari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad J. CLEMENT; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. WILLEMS, die loco advocaat H. SEGERS verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat F. SEBREGHTS, die loco advocaat H. SEBREGHTS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- Feiten 1.
- De verzoeker is eigenaar van een terrein aan de Lilsedijk te Beerse, kadastraal bekend sectie D, nrs. 327 g/5, h/5, k/5, l/5, m/5, n/5, p/5 en r/
- 1.
- Op 7 februari 1995 verleent de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer, afdeling Land met betrekking tot dit terrein volgend advies: “De bestaande gebouwen hebben geen uitstaans met een leefbaar agrarisch of para-agrarisch bedrijf. De aanvrager is een aannemer van afbraakwerken en organiseert ongeveer 10 maal per jaar motor- en indianenhappenings met tentenkampen. In 1989 werd blijkbaar een vergunning bekomen voor een mestveestal van 50 m x 15 m voor 65 zoogkoeien. Alleen de fundering werd aangelegd. De bestaande landbouwactiviteiten beperken zich tot een kleine gelegenheidsactiviteit, namelijk het houden van 6 stuks vee. De te regulariseren gebouwen worden voor niet-landbouwdoeleinden gebruikt (het hoofdgebouw omvat een woning en een saloon met tapinstallatie voor de happenings en de zogenaamde bergplaats is een opslagruimte voor de happenings) en kunnen uit landbouwkundig standpunt en uit het oogpunt van een goede landinrichting niet aanvaard worden in het agrarisch gebied. De af te breken constructies dienen inderdaad afgebroken te worden : de noodstalling-schuilplaats omdat zij een niet-agrarische functie heeft, de noodschuilstalling omdat zij door haar omvang niet als schuthok kan aanzien worden, de hooi- en stroberging omdat zij niet hoort bij een wettelijk vergunde inplanting”. X-7728-2/11 1.
- Op 12 december 1995 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoeker bij het gemeentebestuur van Beerse een aanvraag in tot het slopen van twee noodschuilplaatsen en het regulariseren van een woonst met bergplaats en twee bergplaatsen op voormeld terrein. Het terrein is overeenkomstig het bij het koninklijk besluit van 30 september 1977 vastgestelde gewestplan Turnhout, gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Het is niet gelegen binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling. 1.
- Op 29 januari 1996 verleent de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer, afdeling Land een ongunstig advies aangezien “er (...) geen nieuwe elementen in het huidig regularisatiedossier voorhanden (zijn) die het eerder uitgebrachte ongunstig advies kunnen wijzigen. De bestaande gebouwen hebben nog steeds geen uitstaans met een leefbaar agrarisch of para-agrarisch bedrijf”. 1.
- Op 9 mei 1996 verleent de gemachtigde ambtenaar volgend ongunstig advies: “- overwegende dat de bouwplaats gelegen is in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied volgens het vastgestelde gewestplan; - overwegende dat landschappelijk waardevolle agrarische gebieden bestemd zijn voor de landbouw in de ruime zin, waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen; - gelet op het ongunstig advies dd. 29.1.96 van de Administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer, Afdeling Land; - gelet op mijn advies dd. 8.2.95, de aanvraag is identiek en mijn standpunt blijft ongewijzigd; - gelet op de bouwvergunning dd. 6.6.89 voor het oprichten van een mestveestal; - overwegende dat deze stal niet werd uitgevoerd op de funderingswerken na en dat de vergunning voor deze stal is vervallen; - gelet op het bouwmisdrijf en de eis tot herstel van de plaats in de vorige staat door het slopen van de staalconstructie, gekoppeld aan de dwangsom dd. 20.11.95; - overwegende dat voor een bedrijfswoning mij slechts een weigering van de bouwvergunning dd. 6.6.89 bekend is; GUNSTIG voor het slopen van twee noodschuilstallingen. ONGUNSTIG voor de regularisatie van de woning en twee afzonderlijke bergplaatsen. Het betreft geen leefbaar landbouwbedrijf. De aanvraag is in strijd met de voorschriften van het gewestplan”. X-7728-3/11 1.
- Op 21 mei 1996 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Beerse de vergunning voor het regulariseren van de woonst met bergplaats en twee bergplaatsen overeenkomstig het ongunstige advies van de gemachtigde ambtenaar. 1.
- Op 6 februari 1997 verwerpt de deputatie van de provincieraad van Antwerpen het beroep van de verzoeker tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen en wordt de bouwvergunning geweigerd. 1.
- Op 21 maart 1997 tekent de verzoeker tegen het besluit van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen beroep aan. In zijn beroepsschrift stelt hij onder meer het volgende: “Dat MAES Jan een leefbaar landbouwbedrijf exploiteert in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Dat de te regulariseren gebouwen, zoals voorzien in de bouwaanvraag, noodzakelijk zijn voor deze exploitatie. Dat art. 11.4.
- van het K.B. van 18.12.1972 bepaalt dat de agrarische gebieden bestemd zijn voor de landbouw in de ruime zin. Dat, behoudens bijzondere bepalingen, de agrarische gebieden enkel de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel uitmaakt van een leefbaar bedrijf, mogen bevatten. Dat om te oordelen of het over een leefbaar agrarisch bedrijf gaat men volgens de rechtspraak dient na te gaan of het bedrijf uit stedebouwkundig oogpunt wel als een werkelijk landbouwbedrijf kan beschouwd worden, d.w.z. of aan de hand van de ingestuurde plannen in redelijkheid aangenomen kan worden dat het, in de ontworpen bouwwerken onder te brengen bedrijf, geen voorwendsel is om een gebouw op te trekken dat niet beantwoordt aan de bestemming agrarisch gebied. (...). De Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Antwerpen heeft ten onrechte geoordeeld dat ondergetekende niet de bedoeling heeft om, in de te regulariseren gebouwen, een leefbaar agrarisch bedrijf te exploiteren. Dat MAES Jan als hoofdberoep afbreker is, doch als bijberoep landbouwer is. Dat MAES Jan bovendien in het bezit is van een exploitatievergunning tot
- Dat het niet noodzakelijk is dat diegene die in een landbouwzone een landbouwconstructie opricht van de exploitatie van het landbouwbedrijf zijn hoofdberoep maakt. (Parlementaire vraag 12.6.1985 - Parlementaire vragen en antwoorden, Vlaamse Raad 1984-85, 673). Dat MAES Jan bovendien in 1989 een vergunning had bekomen voor het oprichten van een mestveestal. Dat er zich in het landbouwbedrijf thans tientallen stuks mestvee en paarden bevinden. Dat MAES Jan toegeeft dat er enkele malen per jaar motor- en indianenhappenings zijn, doch dat daarnaast in hoofdzaak de te regulariseren gebouwen gebruikt worden als landbouwexploitatie. Dat de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Antwerpen ten onrechte alleen maar aandacht heeft besteed aan de sporadische happenings en niet aan de hoofdbedoeling van ondergetekende. X-7728-4/11 Dat het bijgevolg geenszins om een ‘nep’-landbouwbedrijf gaat en dat de aanvraag planologisch in overeenstemming is met de bestemming van een agrarisch gebied en derhalve geenszins in strijd is met de bindende voorschriften van het gewestplan”. 1.
- Op 5 juni 1997 verleent de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer, afdeling Land, het volgende advies aan verwerende partij: “In antwoord op de bovenvermelde nota deel ik U mede dat ongunstig advies verstrekt wordt voor de regularisatie van de woonst, stal en bergplaatsen. De aanvrager baat ter plaatse nog steeds geen volwaardig agrarisch bedrijf uit. Hij is in hoofdberoep aannemer van afbraakwerken en houdt als nevenactiviteit momenteel een 10-tal runderen en enkele paarden. Op zijn terreinen worden een paar maal per jaar motor- en indianenhappenings gehouden. De opgerichte gebouwen hebben zeer weinig te maken met de uitbating van een leefbaar agrarisch of para-agrarisch bedrijf. De regularisatie van deze gebouwen is uit het oogpunt van een goede landinrichting bijgevolg niet verantwoord”. 1.
- Op 30 juni 1997 verwerpt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening het beroep van de verzoeker. Dit is het bestreden besluit, waarin onder meer het volgende wordt gesteld: “Overwegende dat de grond volgens het gewestplan Turnhout, vastgesteld bij koninklijk besluit van 30 september 1977, gelegen is in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat zulk gebied, overeenkomstig artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, bestemd is voor de landbouw in de ruime zin en behoudens bijzondere bepalingen enkel de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen alsmede de woning van de exploitanten mag bevatten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt en ook de para-agrarische bedrijven; dat een landschappelijk waardevol agrarisch gebied, overeenkomstig de noodzakelijke samenlezing der artikelen 11 en 15 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, bestemd voor de landbouw in de ruime zin, bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen; dat de daar voorgestelde handelingen en werken de schoonheidswaarde van het landschap niet mogen in gevaar brengen; Overwegende dat voor het terrein in 1989 bouwvergunning werd gegeven tot het oprichten van een mestveestal; dat deze constructie nog niet is afgewerkt en zeker niet in gebruik is tot het vergunde doel; dat volgens het bouwplan naast deze bouwwerken zich op het terrein nog twee kleinere noodstallen situeren, af te breken als de vergunde stal zou afgewerkt zijn; dat verder de regularisatie wordt gevraagd van een bergplaats en wc, een hooi- en stroberging en een woning annex bergplaats; dat deze te regulariseren gebouwen opgetrokken werden in hout, afgedekt met golfplaten; Overwegende dat de aanvrager op de hoorzitting een aantal stukken bijbrengt waaruit de volwaardigheid van zijn bedrijf zou moeten blijken; dat de bevoegde Afdeling Landinrichting, met kennisname van al deze gegevens in hoger beroep, op 5 juni 1997 als volgt ongunstig heeft geadviseerd: X-7728-5/11 ‘De aanvrager baat ter plaatse nog steeds geen volwaardig agrarisch bedrijf uit. Hij is in hoofdberoep aannemer van afbraakwerken en houdt als nevenactiviteit een tiental runderen en enkele paarden. Op zijn terreinen worden een paar maal per jaar motor- en indianenhappenings gehouden. De opgerichte gebouwen hebben zeer weinig te maken met de uitbating van een leefbaar agrarisch of para-agrarisch bedrijf. De regularisatie van deze gebouwen is uit het oogpunt van een goede landinrichting bijgevolg niet verantwoord’; Overwegende dat met andere woorden op het terrein geen agrarisch bedrijf in werking is zoals bedoeld in vermeld artikel 11; dat de te regulariseren bijgebouwen en de woning, die dus niet ondergeschikt kunnen zijn aan een op die plaats planologisch toelaatbare vestiging, evengoed als in strijd met de landbouwbestemming van het gebied dienen beschouwd; dat in bijkomende orde de weinig esthetische uitvoeringswijze en de versnipperde inplanting der onderscheiden gebouwen, zonder dat daarbij een doordachte landschappelijke inkleding werd betracht, de wettelijk vastgestelde waarde van het landschap verder in het gedrang brengen”.
- Het enig middel 2.
- Het aangevoerde enig middel In het verzoekschrift wordt volgend enig middel aangevoerd: “A. Het besluit van de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening dd. 30 juni 1997 met kenmerk DB 1006/93 is gestoeld op een ongemotiveerd advies van de afdeling Land dd. 5 juni
- ‘De aanvrager baat ter plaatse nog steeds geen volwaardig agrarisch bedrijf uit. Hij is in hoofdberoep aannemer van afbraakwerken en houdt als neven- activiteit een 10-tal runderen, en enkele paarden. Op zijn terreinen worden een paar maal per jaar motor- en indianenhappenings gehou- den. De opgerichte gebouwen hebben zeer weinig te maken met de uitbating van een leefbaar agrarisch of para-agrarisch bedrijf. De regularisatie van deze gebouwen, is uit het oogpunt van een goede landinrichting, bijgevolg niet verantwoord.’ - Deze motivering strookt niet met de realiteit van het landbouwbedrijf van verzoeker. Verzoeker stelt zich de vraag hoe de afdeling Land, een advies kan geven over het bestaan van een leefbaar landbouwbedrijf, zonder ter plaatse de nodige vaststellingen te komen doen. Dat verzoeker een leefbaar landbouwbedrijf exploiteert in een land- schappelijk waardevol agrarisch gebied. Dat, om te oordelen of het om een leefbaar agrarisch bedrijf gaat, men volgens de rechtspraak dient na te gaan, of het bedrijf uit stedenbouwkundig oogpunt wel als een werkelijk landbouwbedrijf kan beschouwd worden. Dit wil zeggen, of aan de hand van de ingestuurde plannen, in redelijkheid aangenomen kan worden dat het, in de ontworpen bouwwerken onder te brengen bedrijf, geen voorwendsel is om een gebouw op te trekken dat niet beantwoordt aan de bestemming, agrarisch gebied. (...) X-7728-6/11 - Dat verzoeker inderdaad als hoofdberoep afbreker is, doch als bijberoep landbouwer. Dat verzoeker in het bezit is van een exploitatievergunning tot 2010 voor een landbouwuitbating. Dat verzoeker bovendien ook nog inschrijvingsbewijzen bijbrengt in verband met zijn runderen enz. (...). Dat het niet noodzakelijk is dat diegene die in een landbouwzone een landbouwconstructie opricht, van de exploitatie van het landbouwbedrijf zijn hoofdberoep maakt (...) Dat verzoeker bovendien in 1989 reeds een vergunning had bekomen voor het oprichten van een mestveestal. Dat er zich in het landbouwbedrijf thans tientallen stuks mestvee en paarden bevinden. Dat verzoeker toegeeft dat er enkele malen per jaar motor- en indianenhappenings zijn, doch dat daarnaast in hoofdzaak, de te regulariseren gebouwen, gebruikt worden als landbouwexploitatie. Dat de afdeling Land, ten onrechte, alleen maar aandacht heeft besteed aan de sporadische happenings en niet aan de hoofdbedoeling van verzoeker. Dat de afdeling Land de exploitatievergunning en de overige bewijsstukken, waaruit duidelijk blijkt dat verzoeker wel landbouwer is en ook een landbouwbedrijf ter plaatse uitbaat gewoon naast zich neergelegd heeft, en haar advies enkel gebaseerd heeft op de sporadische nevenactiviteiten in het landbouwbedrijf. Dat het bijgevolg geenszins om een nep-landbouwbedrijf gaat, en dat de aanvraag bijgevolg volledig strookt met de voorwaarden die gesteld worden in art. 11.4.
- van het K.B. van 18.12.1972, in verband met de bestemming van de agrarische gebieden. Dat het besluit van de Vlaamse Minister dd. 30 juni 1997 dan ook volledig gebaseerd is op onwettige motieven. B. Dat het ministerieel besluit niet naar behoren met redenen omkleed is. Dat de motivering onjuist en onvoldoende is . Dat immers men het besluit als volgt motiveert ‘... Overwegende dat met andere woorden op het terrein geen agrarisch bedrijf in werking is, zoals bedoeld in vermeld art. 11; dat de te regula- riseren bijgebouwen en de woning, die dus niet ondergeschikt kunnen zijn aan een op die plaats planologisch toelaatbare vestiging, evengoed als in strijd met de landbouwbestemming van het gebied dienen be- schouwd;’ Dat de motivering volledig gebaseerd is op het advies van de afdeling Landinrichting. Dat het besluit geen rekening houdt met de realiteit. Dat men zich enkel en alleen baseert op de gegevens van afdeling Landinrichting, die door de stukken die verzoeker bijbrengt helemaal weerlegd worden. Dat men er a fortiori vanuit gaat dat verzoeker een andere bestemming nastreeft dan een landbouwexploitatie. Dat het besluit geen eigen motivering geeft aan haar weigering doch zich enkel beperkt tot een stijlclausule, die helemaal niet concreet op verzoekers regularisatie-aanvraag toegepast is. Dat de motivering van het besluit volledig gebaseerd is op een even beperkt advies, doch allesbehalve duidelijk is. Dat het niet te achterhalen valt op welke grond precies de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening de gevraagde bouwvergunning geweigerd heeft. Dat men zelfs niet gespecifieerd heeft waarom het in casu niet om een agrarisch bedrijf gaat. Dat men volkomen geen rekening gehouden heeft en zeker geen antwoord gegeven heeft op de argumenten die verzoeker aanhaalde. X-7728-7/11 Dat men bovendien zich baseert op een even ongemotiveerd advies. Dat het besluit uiterst vaag en abstract stelt dat er ondanks de bewijsstukken van verzoeker, geen agrarisch bedrijf op het terrein is zoals bedoeld in art.
- Dat bovendien art. 11 van het K.B. een uitgebreid artikel is waarin meer soorten landbouwbedrijven opgesomd worden. Dat de Vlaamse Minister zich in het besluit er dan ook op een uiterst gemakkelijke manier vanaf gemaakt heeft door zonder meer naar art. 11 te verwijzen. Dat er zonder meer gemotiveerd wordt dat de gebouwen vervat in de regularisatievergunning in strijd zijn met de landbouwbestemming... Dat alleszins het besluit onvoldoende in feite gemotiveerd is, daar de precieze concrete feitelijke gegevens niet aangeduid worden waarom de regularisatievergunning geweigerd werd. Dat het besluit in bijkomende orde als volgt werd gemotiveerd: ‘Dat in bijkomende orde de weinig esthetische uitvoeringswijze en de versnipperde inplanting der onderscheiden gebouwen, zonder dat daarbij een doordachte landschappelijke inkleding werd betracht, de wettelijk vastgestelde waarde van het landschap verder in het gedrang brengen’. Dat ook hier het besluit schromelijk voorbijgaat aan de realiteit. Dat uit de bijgevoegde plannen het tegendeel blijkt. Dat op 6 juni 1989 verzoeker een vergunning gekregen had om een mestveestal op te richten. Dat hij thans de regularisatie vraagt van een bergplaats en WC, een hooi- en strobergplaats en een woning anex bergplaats en dat hij reeds een vergunning verkregen heeft tot het slopen van de twee noodschuilstallingen. Dat het inplantingsplan getuigt van een wil om een harmonieus landbouwbedrijf te bouwen. Dat de gebouwen niet versnipperd van elkaar staan, doch één geheel vormen. Dat ook de materiaalkeuze door verzoeker gemaakt, getuigt van zijn wil om de bouwwerken esthetisch uit te voeren. Dat de gebouwen opgetrokken werden in hout, afgedekt met zwarte golfplaten. Dat alle gebouwen uit hetzelfde materiaal opgetrokken worden. Dat bovendien verzoeker voorstelt om een groenzone aan leggen. Dat de motivering van het besluit waarin men het heeft over een gebrek aan een doordachte landschappelijke inkleding, die de wettelijk vastgestelde waarde van het landschap verder in het gedrang brengt, gebaseerd is op onjuiste feitelijke gegevens. Dat de voorgestelde inplanting, bestemming en architectuur, de goede ordening van de plaats niet in het gedrang brengen. Dat immers, zoals blijkt uit de plannen er voldoende rekening gehouden is met de materiaalkeuze en dat het om een geordende inplanting gaat in een agrarisch gebied. Dat aan de voorwaarde bepaald in art. 15.4.6.
- van het K.B. van 18.12.1972 voldaan is. Dat er ook hier in het besluit schromelijk voorbijgegaan is aan de motiveringsplicht. Dat men zich er vanaf gemaakt heeft met een gestandaardiseerde motivering en dat de ingeroepen redenen zeker niet pertinent zijn. Dat de motivering erg abstract is. Er wordt in het besluit niet gesproken over de feitelijke gegevens en nog minder motiveert men waarom en waar concreet de esthetische uitvoeringswijze tekort is gekomen. Dat het besluit de substantiële en op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen niet heeft nageleefd. ‘krachtens de wet van 29 juli 1991, betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, is het een substantiële vormver- eiste dat motivering en dan nog noodzakelijkerwijze een juiste en X-7728-8/11 juridisch aanvaardbare motivering, gebeurt van de door de overheid genomen beslissingen.’ C. Het besluit is in zijn geheel gebaseerd op een verkeerde interpretatie van art. 11 van het K.B. van 28 december 1972 en dat het art. 11 bijgevolg verkeerd wordt toegepast. Dat art. 11.4.
- van het K.B. van 18.12.1972 inderdaad bepaalt dat de agrarische gebieden bestemd zijn voor de landbouw in de ruime zin. Dat behoudens bijzondere bepalingen, de agrarisch gebieden enkel de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitant, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel uitmaakt van een leefbaar bedrijf, mogen bevatten. Dat men vanuit stedenbouwkundig oogpunt, enkel moet nagaan of men aan de hand van de ingestuurde plannen in redelijkheid kan aannemen dat het om een landbouwexploitatie gaat, dat in de ontworpen bouwwerken ondergebracht wordt. Dat de te regulariseren gebouwen, zoals voorzien in de bouwaanvraag, noodzakelijk zijn voor de exploitatie van verzoekers landbouwbedrijf. Dat verzoeker in 1989 een bouwvergunning had verkregen voor het oprichten van een mestveestal. Dat hij thans de regularisatie vraagt van een bergplaats en een WC, een hooi- en stroberging en een woning anex bergplaats. Dat de inplanting van deze gebouwen samen een geïntegreerd landbouwbedrijf vormen. Verzoeker veronderstelt dat men voornamelijk rekening gehouden heeft met het feit dat hij het landbouwbedrijf als nevenactiviteit uitoefent en sporadisch indianenhappenings laat doorgaan op het terrein. Dat het begrip ‘leefbaar bedrijf’ vervat in het K.B. art. 11., moet verstaan worden in het kader van de ruimtelijke ordening en stedenbouw, en geen wet is tot organisatie van, of tot toezicht op landbouw als economische bedrijvigheid. Dat het besluit, door zich enkel te baseren op het advies Land het begrip leefbaar bedrijf verkeerd uitgelegd heeft, in de zin van economisch leefbaar. Dat het advies zonder meer bepaalt dat het in casu niet gaat om een leefbaar bedrijf zonder ook maar concreet weer te geven waarom het bedrijf niet leefbaar is. Dat het advies onvoldoende gemotiveerd is en bovendien een onnauwkeurige, om niet te zeggen andere betekenis geeft aan de bepalingen zoals voorzien in art. 11 K.B.
- Dat het besluit dat volledig gebaseerd is op het advies dan ook zonder meer de foutieve, onnauwkeurige interpretatie van art. 11 K.B. 1972 heeft overgenomen. D. ‘De beslissing die steunt op onjuiste of op juridisch onaanvaardbare motieven is met machtsoverschrijding benomen.’ (...) Het besluit is dan ook aangetast door machtsoverschrijding”. 2.
- Beoordeling van het middel Naar luid van artikel 11, 4.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en gewestplannen zijn agrarische gebieden bestemd voor de X-7728-9/11 landbouw in ruime zin en mogen zij enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, alsmede para- agrarische bedrijven. De overheid die over een bouwaanvraag in een agrarisch gebied beschikt, dient na te gaan of het vanuit stedenbouwkundig oogpunt wel om een werkelijk (para-)agrarisch bedrijf gaat, met andere woorden of, aan de hand van de voorgelegde stukken, in redelijkheid kan worden aangenomen dat het voorliggende ontwerp geen voorwendsel is om een vergunning te verkrijgen voor iets wat niet in een agrarisch gebied thuishoort. In het bestreden besluit maakt de verwerende partij zich de motieven eigen van het daarin geciteerde advies van de afdeling Land van 5 juni
- De verzoeker betwist de vaststelling in het bestreden besluit niet dat hij in hoofdberoep aannemer van afbraakwerken is en op zijn terrein “motor- en indianenhappenings” inricht. Ter ondersteuning van zijn stelling dat hij ter plaatse een leefbaar landbouwbedrijf exploiteert herneemt de verzoeker de argumenten die hij in zijn beroepsschrift voor de minister heeft aangevoerd. Daarbij gaat hij voorbij aan hetgeen in het bestreden besluit op deze argumenten is geantwoord en meer bepaald aan de vaststelling dat de in 1989 vergunde mestveestal nog niet is afgewerkt en zeker niet in gebruik is voor het vergunde doel. De verzoeker slaagt er niet in de onwettigheid aan te tonen van het besluit van de minister dat er “op het terrein geen agrarisch bedrijf in werking is”. In het licht van de planologische onverenigbaarheid zijn de overige weigeringsmotieven van het bestreden besluit die in het middel worden bekritiseerd overtollige motieven. Kritiek op een overtollig motief kan niet tot de vernietiging van het bestreden besluit leiden. Het enig middel wordt verworpen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. X-7728-10/11 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf maart 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-7728-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.121 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div