← België

Arrest 191146 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 05/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.146 Rolnummer: A. 191562/XII-5734 Zaak: Arrest 191146 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 05/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-09 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 20:58 Fiche Arrest nr 191.146 van 5 maart 2009 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.146 van 5 maart 2009 in de zaak A. 191.562/XII-

  1. In zake : de GEMEENTE DENDERLEEUW, die woonplaats kiest bij advocaat J. De Maertelaere, kantoor houdende te Evergem, Stuivenbergstraat 71 tegen :
  2. het VLAAMSE GEWEST,
  3. de BEROEPSCOMMISSIE VOOR TUCHTZAKEN, die woonplaats kiezen bij advocaat B. Staelens, kantoor houdende te Brugge, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus
  4. tussenkomende partij : Lieven VAN ISTERDAEL, die woonplaats kiest bij advocaat B. Gies, kantoor houdende te Denderleeuw, Steenweg
  5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift van de gemeente Denderleeuw waarin de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt gevraagd van de beslissing van 13 februari 2009 van de beroepscommissie voor tuchtzaken waarbij aan L. Van Isterdael de tuchtsanctie van de schorsing gedurende zes maanden wordt opgelegd; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 25 februari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 maart 2009, om 10.30 uur; Gezien het op 3 maart 2009 ingediende verzoekschrift waarbij Lieven Van Isterdael vraagt in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; XII-5734-1/5 Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. De Maertelaere, die verschijnt voor verzoekster, van advocaat B. Staelens, die verschijnt voor verwerende partijen, en van advocaat B. Gies, die verschijnt voor tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. Weekers; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De relevante feiten
  6. Bij beslissing van 21 oktober 2008 legt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Denderleeuw aan L. Van Isterdael de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op, met ingang van 27 februari 2008 wegens het gebruik van stukken en andere middelen die ogenschijnlijk van het gemeente- bestuur uitgaan en die betrekking hebben op een beweerde tewerkstelling van J.V. binnen het gemeentebestuur, terwijl het gemeentebestuur de betrokkene geen plaats van tewerkstelling heeft aangeboden, daartoe geen officiële beslissing heeft genomen, noch briefwisseling heeft gevoerd of enige andere handeling heeft gesteld. De strafmaat wordt inzonderheid gemotiveerd door de ernst van de feiten en de erdoor veroorzaakte “definitieve vertrouwensbreuk vanwege het bestuur”. Op beroep van L. Van Isterdael hervormt de beroepscommissie voor tuchtzaken op 13 februari 2009 de beslissing van het schepencollege en wordt aan L. Van Isterdael de tuchtsanctie opgelegd van de schorsing gedurende zes maanden. De beroepscommissie omschrijft de feiten als zeer ernstig, maar is van oordeel “dat de vastgestelde vertrouwensbreuk tussen betrokkene en de gemeente Denderleeuw niet onomkeerbaar is”. Ten gevolge van de beslissing van de beroepscommissie biedt L. Van Isterdael zich op 17 februari 2009 bij het gemeentebestuur aan. Omdat een en ander “bij de overige personeelsleden aanleiding heeft gegeven tot commotie die de goede werking van de diensten geenszins ten goede komt”, geeft de gemeente- XII-5734-2/5 secretaris L. Van Isterdael dienstvrijstelling vanaf 19 februari 2009, om 12 u, tot en met 8 maart
  7. De procedure
  8. L. Van Isterdael vraagt terecht in de procedure te mogen tussenkomen. Zijn belangen zijn evident bij de vordering betrokken. De ontvankelijkheid
  9. Tot een schorsing van de tenuitvoerlegging kan de Raad van State slechts besluiten op voorwaarde dat een ernstig middel wordt aangevoerd dat de vernietiging van de bestreden beslissing kan verantwoorden en op voorwaarde dat het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aannemelijk wordt gemaakt. Met het oog op een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, zoals te dezen wordt gevraagd, moet bovendien het bestaan worden aangetoond van een uiterst dringende noodzakelijkheid.
  10. Te dezen verantwoordt verzoekster de uiterst dringende noodzakelijkheid hierdoor dat, gelet op de definitieve vertrouwensbreuk tussen het bestuur, de personeelsleden en de bevolking, enerzijds, en verzoekster, anderzijds, absoluut moet worden voorkomen dat tussenkomende partij bij het einde van de dienstvrijstelling die nog loopt tot 8 maart 2009 weer het werk bij de gemeente hervat.
  11. Of het effectief zo is dat verzoekster ten gevolge van de bestreden beslissing en de daaruit voortvloeiende verplichting om de tussenkomende partij opnieuw in dienst te nemen, het risico loopt van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat zich reeds op 9 maart 2009 zal realiseren, is een vraag die onbeantwoord mag blijven. Wat er immers ook van zij, vooralsnog lijkt te moeten worden aangenomen dat de gevraagde schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid hoe dan ook niet vermag het beweerde nadeel af te wenden.
  12. Door de schorsing van de beslissing van 13 februari 2009 van de beroepscommissie zou de tussenkomende partij weer verkeren, zo lijkt, in het geval van het personeelslid dat vanwege de tuchtoverheid een tuchtstraf kreeg opgelegd, dat tegen die tuchtstraf beroep heeft aangetekend bij de beroepscommissie, maar over dat beroep nog geen uitspraak zag doen. XII-5734-3/5 Met betrekking tot de situatie van een dergelijk personeelslid volgde vroeger uit artikel 4 van het decreet van 24 juli 1991 houdende regeling voor het Vlaamse Gewest van het administratief toezicht op de handelingen betreffende tucht- en sommige ordemaatregelen genomen ten opzichte van het gemeentepersoneel bedoeld in de nieuwe gemeentewet dat hangende het beroep bij de toezichthoudende overheid het besluit van de gemeentelijke overheid tot het opleggen van de tuchtstraf uitvoerbaar was : “Het beroep schorst de beslissing niet”. Thans echter schrijft artikel 139 van het gemeentedecreet voor : “Binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing over het opleggen van een tuchtstraf of een preventieve schorsing kan het personeelslid tegen die beslissing beroep aantekenen bij de Beroepscommissie voor tuchtzaken. Behalve in geval van preventieve schorsing, schorst het beroep de beslissing”. Zoals het Vlaamse Gewest en de beroepscommissie desgevraagd uitdrukkelijk voorstaan, wordt dit artikel -tenminste in de huidige stand van de rechtspleging- aldus begrepen dat thans de beslissing over het opleggen van een tuchtstraf wel geschorst wordt door het aantekenen van het beroep. De parlementaire voorbereiding lijkt niet te doen blijken van indicaties die tot een andere zienswijze zouden nopen. Integendeel wordt daarin vooral gemeend dat de regeling geen nadere toelichting behoefde. Waar de inwilliging van verzoeksters vordering door de Raad van State de tussenkomende partij op het eerste gezicht in de toestand zou plaatsen van een personeelslid wiens door de tuchtoverheid opgelegde tuchtstraf geschorst is, moet worden vastgesteld dat, op zichzelf, de gevorderde schorsing niet bij machte is om te verhinderen, of tenminste ertoe bij te dragen, dat de tussenkomende partij op 9 maart 2009 bij verwerende partij het werk herneemt. De onderhavige vordering lijkt verzoekster dan ook niet de beoogde baat te kunnen bijbrengen. Of terzake eventueel een bijkomende vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen op grond van artikel 18 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State soelaas kon bieden, hoeft niet onderzocht nu een dergelijke vordering niet is ingesteld.
  13. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is alvast niet ontvankelijk bij gebrek aan het rechtens vereiste belang. XII-5734-4/5 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  14. Het verzoek tot tussenkomst van Lieven Van Isterdael in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
  15. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  16. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf maart 2009, door : de H. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. J. LUST. XII-5734-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.146 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.219.644 ECLI:BE:RVSCE:2013:ARR.223.570 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.