← België

Arrest 191148 - Provinciale en lokale reglementen (behalve fiscaal) - 05/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.148 Rolnummer: A. 191650/XII-5739 Zaak: Arrest 191148 - Provinciale en lokale reglementen (behalve fiscaal) - 05/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-09 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 20:59 Fiche Arrest nr 191.148 van 5 maart 2009 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Provinciale en lokale reglementen (behalve fiscaal) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.148 van 5 maart 2009 in de zaak A. 191.650/XII-

  1. In zake :
  2. Patrick MAES,
  3. de BVBA HARLEY'S STATION, die woonplaats kiezen bij advocaten S. Verbist en S. Betz, kantoor houdende te Antwerpen, Graaf van Hoornestraat 34 tegen : de STAD LANDEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Patrick Maes en bvba Harley’s Station op 4 maart 2009 hebben ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 24 februari 2009 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Landen waarbij de vergunning tot het plaatsen van een frituurinrichting op de hoek Stations- straat/J. Ectorsstraat wordt ingetrokken; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 4 maart 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 maart 2009, om 10.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaten S. Verbist en S. Betz, die verschijnen voor verzoekers, en van advocaat L. Duchateau, die loco advocaat M. Dewael verschijnt voor verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. De Somere; XII-5739-1/5 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT :
  4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de Raad slechts tot een schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid besluiten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden. Wat de derde voorwaarde betreft, voeren verzoekers drie middelen aan.
  5. Een eerste middel is afgeleid uit de schending van het redelijkheids- beginsel doordat op 24 februari 2009 wordt beslist om de domeinvergunning in te trekken en de uitbater te vragen zijn inrichting ten laatste op 4 maart 2009 te verwijderen; de houding van verwerende partij is nog meer onredelijk doordat de bestreden beslissing slechts op 3 maart 2009 is bekendgemaakt, dan nog door haar op middeleeuwse wijze aan de frituurinrichting aan te plakken. De termijn die de bestreden beslissing verleent om de frituur- inrichting te verwijderen is kort, maar, gelet op de voorgeschiedenis te dezen zoals die voorgeschiedenis inzonderheid blijkt uit de eigen stukken 4, 7 en 10 van verzoekers en stuk 2 van het administratief dossier, op het eerste gezicht niet onredelijk kort. Voorts wordt vooralsnog niet aangenomen dat de bekendmakings- perikelen afkleuren op de genomen beslissing zelf en haar onwettig maken. Het eerste middel is niet ernstig.
  6. Een tweede middel voert de schending van de materiële motiveringsplicht aan. Toegelicht wordt, in de eerste plaats, dat het intrekkingsbesluit in hoofdorde gemotiveerd wordt door de bouw van een “markant gebouw” dat geacht moet worden onvergund te zijn, aangezien “de stedenbouwkundige vergunning had moeten worden afgeleverd op grond van artikel 127 Decreet Ruimtelijke Ordening en dit niet is gebeurd”. In de tweede plaats wordt het motief van de bestreden XII-5739-2/5 beslissing bekritiseerd waarin wordt overwogen dat de stabiliteit van het frietkraam en de veiligheid van de uitbater en klanten niet gewaarborgd kan worden; het is niet beweerdelijk niet formeel afdoende. In de derde plaats wordt betoogd dat het frietkraam de tijdelijke doorgang van de Lijn niet in de weg staat en dat het argument van die belemmering slechts een tijdelijke verwijdering van de inrichting verantwoordt. De bestreden beslissing lijkt, blijkens haar formele motivering, wezenlijk hierdoor ingegeven “dat in het RUP Stationsomgeving voorzien is dat er op de huidige locatie van de frietkraam een ontsluitingsweg zal komen” en dat door de grond- en bouwwerken die uitgevoerd zullen worden op het achtergelegen Stationsplein “de stabiliteit van de frietkraam niet meer gegarandeerd kan worden en evenmin de veiligheid van de uitbater en de klanten”. Het eerste motief wordt niet bestreden. Verzoekers hebben dat ter terechtzitting zelfs uitdrukkelijk bevestigd. Het tweede motief refereert onmiskenbaar aan de op til staande bouw van, in elk geval, een zogenaamd “markant gebouw”, zijnde een appartementencomplex met ondergrondse parking, op luttele meters van het frietkraam. De deugdelijkheid van dit motief lijkt niet beslissend onderuit te worden gehaald door de enkele vaststelling dat de stedenbouwkundige vergunning voor dit gebouw mogelijk onwettig is; de vergunning blijft nu eenmaal tot nader order uitvoerbaar. De eerste grief van het tweede middel lijkt bijgevolg niet doeltreffend. De tweede grief, dan weer, lijkt niet gegrond. Het betrokken tweede motief, ofschoon beknopt, komt voorlopig voor expliciet genoeg te zijn. De derde grief, ten slotte, betreft een passus die niet in de bestreden beslissing te lezen is, maar in een brief van 19 februari 2009 van het schepencollege van Landen, die niet tot het voorwerp van de vordering behoort. Het tweede middel is in zijn geheel niet ernstig.
  7. In een derde middel laten verzoekers de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel gelden doordat verwerende partij aanvankelijk heeft getracht hen de standplaats te doen verlaten zonder intrekkingsbesluit van de destijds verleende machtiging tot het plaatsen van een frituurinrichting, en doordat voor het markant gebouw een onwettige stedenbouwkundige vergunning is afgegeven. XII-5739-3/5 De eerste grief van het middel lijkt door de bestreden beslissing juist achterhaald. Alleszins wordt vooralsnog niet ingezien hoe de aangevochten intrekking onwettig kan zijn vanwege het feit dat voordien zo’n intrekking net op onwettige wijze heeft ontbroken. De tweede grief valt samen met de eerste grief van het tweede middel en kan op het eerste gezicht dan ook niet tot nietigverklaring leiden. Het derde middel is niet ernstig.
  8. Tenminste een van de cumulatieve grondvoorwaarden voor de gevraagde schorsing is niet vervuld. Deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  9. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  10. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 350 euro, komen ten laste van verzoekers, elk voor de helft. XII-5739-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf maart 2009, door : de H. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. J. LUST. XII-5739-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.148 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.