← België

Arrest 191151 - Varia (onderwijs en cultuur) - 06/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.151 Rolnummer: A. 191682/XII-5744 Zaak: Arrest 191151 - Varia (onderwijs en cultuur) - 06/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-13 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 21:04 Fiche Arrest nr 191.151 van 6 maart 2009 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.151 van 6 maart 2009 in de zaak A. 191.682/XII-

  1. In zake :
  2. Arno D’HOOGE,
  3. Gerolf ANNEMANS, die woonplaats kiezen bij advocaat E. Pison, kantoor houdende te 1081 Brussel, Boogschuttersstraat 24, bus 7 tegen : de UNIVERSITEIT GENT, die woonplaats kiest bij advocaat P. Devers, kantoor houdende te Gent, Kouter 71-
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het 5 maart 2009 gedateerde verzoekschrift dat Arno D’hooghe en Gerolf Annemans hebben ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 5 maart 2009 van de rector van de Universiteit Gent om de aanvraag van 5 februari 2009 voor het gebruik van auditorium NB II voor een debat op 10 maart 2009 te weigeren, evenals de oplegging van “de nodige voorlopige maatregelen [...] zodat het debat in alle veiligheid kan plaatsvinden”; Gezien de nota van verwerende partij; Gelet op de beschikking van 6 maart 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 maart 2009, om 14.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen advocaat E. Pison, die verschijnt voor verzoekers, en van advocaat P. Devers, die verschijnt voor verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur D. Mareen; XII-5744-1/6 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : I. De voorgaanden
  5. Eerste verzoeker en M. Bonte vragen op 5 februari 2009, als verantwoordelijken van “studentenvereniging: NSV” de verhuur aan van auditorium NB II van de Universiteit Gent voor een debat op 10 maart 2009 waaraan onder anderen tweede verzoeker zal deelnemen. De rector wijst de aanvraag met een beslissing van 11 februari 2009 af, maar trekt die beslissing, na het instellen door eerste en tweede verzoeker van een “Beroep tot nietigverklaring en verzoek tot schorsing in uiterst dringende noodzakelijkheid” ertegen, in op 2 maart
  6. Na hernieuwd onderzoek van de aanvraag beslist de rector op 5 maart 2009: “De aanvraag van NSV van 5 februari 2009 wordt geweigerd”. Gemotiveerd wordt, in een vijf bladzijden tellend besluit, in essentie dat er afdoende reden is om aan te nemen dat het risico bestaat dat zich, in geval van inwilliging van de aanvraag, gelijkaardige gewelddadige incidenten zullen voordoen als op 7 oktober
  7. II. Samenvoeging
  8. Vanwege een goede rechtsbedeling is er reden toe om de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen tezamen te behandelen en af te doen met de vordering tot schorsing. III. De vordering tot schorsing De ontvankelijkheid
  9. Verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van de vordering wat de tweede verzoeker betreft. XII-5744-2/6 Een onderzoek van en een uitspraak over de ontvankelijkheid zouden zich alleen opdringen indien aan de grondvoorwaarden voor de schorsing voldaan mocht zijn, hetgeen zoals hierna zal blijken niet het geval is. De grondvoorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel
  10. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de Raad slechts tot een schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid besluiten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden.
  11. Met betrekking tot de tweede voorwaarde wordt in het verzoekschrift aangevoerd dat de motieven van de bestreden beslissing het voor eerste verzoeker en zijn vereniging definitief onmogelijk maken om nog enig debat te organiseren teneinde studenten te overtuigen van hun politieke ideeën, dat een inrichter een moreel nadeel lijdt wanneer hij zijn manifestatie niet mag organiseren, dat een financieel nadeel moeten worden aangenomen “gelet op de zo goed als onbestaande financiële middelen” en de afwezigheid van betaalbare, gelijkaardige auditoria op de privémarkt, dat de ernst van het nadeel mee beoordeeld moet worden “in functie van de graad van de ernst van de ingeroepen middelen en de aard ervan”, en dat nu wel voldoende duidelijk moet zijn “dat het onmogelijk wordt alternatieven te vinden”.
  12. Als gezien, moet met het oog op een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid onder meer een ernstig middel worden aangevoerd en het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel worden aangetoond. Het gaat om afzonderlijke voorwaarden die tot een afzonderlijke beoordeling aanleiding geven. Het is niet omdat een ernstig middel wordt aangevoerd dat daaruit ipso facto zou volgen dat de aangevochten beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan meebrengen. Evenmin is het zo dat een inrichter die zich bij de organisatie van een debat gegriefd mag weten doordat de verwerende partij hem een aangevraagde zaal weigert en die bijgevolg een voldoende belang heeft om de weigering aan te XII-5744-3/6 vechten, er dan verder van ontslagen zou zijn nog een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aan te tonen om de schorsing van die weigering uitgesproken te zien worden.
  13. De bestreden beslissing is geen intrekking van een eerder verleende toestemming om een debat te organiseren; zij weigert zo’n toestemming überhaupt te verlenen. Uit niets blijkt dat voor het debat in auditorium NB II reeds enige publiciteit zou zijn gevoerd. Dat is niet verwonderlijk: zolang geen toestemming voor het debat gegeven is, zou die publiciteit voorbarig zijn. Het is voor de beoordeling van het nadeel echter ook niet zonder relevantie. Doen verzoekers weliswaar gelden dat zij ten gevolge van de bestreden weigering nergens elders voor de organisatie van een debat terecht kunnen, zij maken dat hoegenaamd niet aannemelijk. Met geen enkel stuk tonen zij aan dat zij op enig moment (vanaf de kennisneming op 16 februari 2009 van de eerste weigeringsbeslissing) zelfs maar naar een alternatieve locatie in het Gentse hebben gezocht. Dat er geen dergelijke locaties te vinden zouden zijn, althans niet “voor de prijs van i 220”, is vooralsnog niet meer dan een bewering die noch evident is, noch ook maar enigszins gestaafd wordt. Het is bovendien een bewering die verzoekers zelf lijken te relativeren waar zij er aan toevoegen dat “overigens” het bestaan van “betaalbare, gelijkaardige privézalen” de overheid niet ontslaat van haar verantwoordelijkheid om het tegensprekelijk maatschappelijk debat en vreedzame vergaderingen toe te laten en te faciliteren. Eveneens wordt in het verzoekschrift niet uiteengezet of en eventueel waarom het voor verzoekers cruciaal is dat het debat op welbepaald 10 maart 2009 plaatsheeft. Trouwens wordt zelfs niet eens bewezen dat er voor het beoogde debat op 10 maart 2009 effectief al harde toezeggingen zijn van de sprekers die werden “aangekondigd”, andere dan -evident- tweede verzoeker.
  14. Rest nog de vrees van verzoekers dat aan de bestreden beslissing een principiële draagwijdte toekomt. Het besluit van 11 februari 2009 van de rector ingetrokken zijnde, is de bestreden beslissing de eerste sinds de incidenten van 7 oktober 2008 over een verzoek om een auditorium voor een activiteit van NSV te mogen gebruiken. Het besluit betreft exclusief de aanvraag van 5 februari 2009 voor een debat op 10 maart XII-5744-4/6
  15. De beslissing wijst de aanvraag af op grond van een in concreto-afweging die, deugdelijk of niet, alleszins zodanig afdoende werd verwoord dat verzoekers zelf schrijven, op p. 10 van het verzoekschrift, dat aan de formele-motiveringsplicht werd tegemoet gekomen. Is het niet uit te sluiten dat -min of meer- dezelfde motieven in de toekomst ook gebruikt zullen worden om volgende aanvragen van eerste verzoeker af te wijzen, het nadelig effect van die afwijzingen zou in voorkomend geval niet op de thans bestreden beslissing kunnen worden teruggevoerd, maar uitsluitend aan die nieuwe afwijzingen toe te rekenen zijn. Zoals het bestreden besluit in de huidige stand van de procedure wordt begrepen, lijkt er direct noch indirect enig algemeen of definitief verbod aan NSV te mogen worden uit afgeleid om nog ooit een auditorium van verwerende partij te gebruiken voor de organisatie van een debat.
  16. Alles bij mekaar genomen, tonen verzoekers niet genoegzaam aan dat zij ten gevolge van de bestreden beslissing een nadeel riskeren dat ernstig en moeilijk herstelbaar is. Aldus is de tweede van de cumulatieve grondvoorwaarden voor een schorsing niet vervuld. Deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen. IV. De vordering tot het opleggen van voorlopige maatregelen
  17. Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, dient de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen een beschrijving van de gevorderde voorlopige maatregelen te bevatten. Deze beschrijving ontbreekt te dezen. Verwerende partij werpt terecht tegen dat de vordering onontvankelijk is. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  18. De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging en de vordering tot het opleggen van voorlopige maatregelen worden gevoegd. XII-5744-5/6 Artikel
  19. De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging en de vordering tot het opleggen van voorlopige maatregelen worden verworpen. Artikel
  20. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes maart 2009, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-5744-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.151 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.051 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.