← België

Arrest 191154 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 09/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.154 Rolnummer: A. 86821/X-9157 Zaak: Arrest 191154 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 09/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-16 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 21:07 Fiche Arrest nr 191.154 van 9 maart 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.154 van 9 maart 2009 in de zaak A. 86.821/X-

  1. In zake : Marc DE SCHRYVER, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
  2. tussenkomende partij : de stad AALST. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marc DE SCHRYVER op 17 september 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 30 juli 1999 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media houdende, eensdeels, inwilliging van de beroepen van het college van burgemeester en schepenen van de stad Aalst en van de gemachtigde ambtenaar tegen de beslissing van 17 september 1998 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij hem de bouwvergunning wordt verleend voor de oprichting van een ééngezinswoning op een perceel gelegen te Aalst, Sint-Amandstraat, kadastraal bekend sectie A, nr. 1864, anderdeels, vernietiging van voornoemde beslissing van 17 september 1998 van de bestendige deputatie; Gelet op het arrest nr. 86.764 van 11 april 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 26 april 2000 ingediend door Marc DE SCHRYVER; X-9157-1/15 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 5 juni 2000 ingediend door de stad AALST; Gelet op de beschikking van 7 augustus 2000 die de tussenkomst van de stad AALST toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de beschikking van 12 maart 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie met verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 21 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 december 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. CLEMENT; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. DE PRETER, die loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat Y. FRANCOIS, die loco advocaat P. AERTS verschijnt voor de verwerende partij, en van bestuurssecretaris H. VAN DE PERRE, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; X-9157-2/15 OVERWEEGT WAT VOLGT :
  3. De feiten 1.
  4. Op 14 maart 1997 weigert de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening aan de verzoeker en zijn echtgenote de vergunning voor het bouwen van een eengezinswoning op een perceel gelegen aan een aftakking van de Sint-Amandstraat te Aalst, kadastraal bekend sectie A, nr.
  5. Met een verzoekschrift van 17 juni 1997 vordert de verzoeker voor de Raad van State de nietigverklaring van voornoemde weigeringsbeslissing (zaak A. 74.700/X-7499). Door het bij koninklijk besluit van 30 mei 1978 vastgestelde gewestplan Aalst-Ninove-Geraardsbergen-Zottegem wordt het voornoemde perceel tot een diepte van ongeveer 30m bestemd tot woongebied en daarachter tot natuurgebied. Het betrokken perceel is niet gelegen binnen een gebied waarvoor een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg bestaat, en evenmin binnen het gebied van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. Het bouwperceel is gelegen achter het aan de Sint-Amandstraat palende perceel nr. 1800/a waarop zich de bij besluit van 7 juni 1996 van de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn als monument beschermde Sint-Amanduskapel bevindt. Het bouwperceel wordt ontsloten door een aftakkingsweg met een lengte van circa 20m tussen het perceel nr. 1800/a en het perceel nr. 1801/g, die uitmondt op de Sint-Amandstraat. 1.
  6. Op 7 juli 1997 (datum van het ontvangstbewijs) vragen de verzoeker en zijn echtgenote aan het college van burgemeester en schepenen van de stad Aalst opnieuw een vergunning voor het oprichten van een ééngezinswoning op het perceel nr.
  7. Bij gebreke aan kennisgeving van een beslissing van het college binnen de door artikel 52, § 1 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, bepaalde termijn van 75 dagen, verzoeken de verzoeker en zijn echtgenote de gemachtigde ambtenaar om over hun aanvraag te beschikken. Bij gebreke van een binnen de door hetzelfde artikel bepaalde termijn van 30 dagen genotificeerde beslissing van de gemachtigde ambtenaar wordt de aanvraag geacht te zijn geweigerd. X-9157-3/15 1.
  8. Op 29 december 1997 stellen de verzoeker en zijn echtgenote tegen voornoemde weigeringsbeslissing beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen. 1.
  9. Op 17 september 1998 willigt de bestendige deputatie het voornoemde beroep in en wordt de gevraagde vergunning verleend. In dit besluit wordt onder meer het volgende overwogen: “Overwegende dat het bouwperceel gelegen is langsheen een openbare weg waarvan de verharding door de stad Aalst zelf werd aangebracht; dat alle nutsleidingen aanwezig zijn en dat voor de riolering dezelfde mogelijkheden voor aansluiting bestaan als voor de omgevende percelen, namelijk natuurlijke afloop in een open rioleringssysteem of de mogelijkheid tot oppompen naar de riolering in de Sint-Amandstraat; dat de inplanting van de woning voorzien is in het geeigende woongebied waarbij voldoende brede bouwvrije stroken en een afdoend groenscherm worden gepland”. 1.
  10. Respectievelijk op 23 oktober 1998 en 29 oktober 1998 stellen de gemachtigde ambtenaar en het college van burgemeester en schepenen van de stad Aalst tegen het inwilligingsbesluit van de bestendige deputatie beroep in bij de Vlaamse regering. 1.
  11. Op 30 juli 1999 willigt de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media de beroepen in, wordt het besluit van 17 september 1998 van de bestendige deputatie vernietigd en wordt de vergunning geweigerd. Dit is het bestreden besluit waarin onder meer het volgende wordt overwogen: “Overwegende dat het ontwerp strekt tot het bouwen van een eengezinswoning; dat de bestendige deputatie het ingestelde beroep heeft ingewilligd onder meer om reden dat het bouwperceel is gelegen, langsheen een openbare weg waarvan de verharding door de stad Aalst zelf werd aangebracht; omdat alle nutsleidingen aanwezig zijn en dat voor de riolering dezelfde mogelijkheden voor aansluiting bestaan als voor de omgevende percelen, namelijk natuurlijke afloop in een open rioleringssysteem of de mogelijkheid tot oppompen naar de riolering in de Sint-Amandstraat en omdat de inplanting van de woning voorzien is in het geëigende woongebied waarbij voldoende brede bouwvrije stroken en een afdoend groenscherm worden gepland; dat tegen deze inwilligingsbeslissing door de gemachtigde ambtenaar hoger beroep werd ingesteld omdat de (openbare) weg, waarlangs het eigendom vanaf de Sint-Amandstraat wordt bereikt, en zoals reeds is gesteld in het ministerieel besluit van 27 februari 1997 bij de vorige bouwaanvraag, nog steeds onvoldoende uitgerust is en omdat het probleem van de riolering blijft bestaan; dat ook door het college van burgemeester en schepenen tegen de inwilligingsbeslissing van de bestendige deputatie hoger beroep werd ingesteld X-9157-4/15 onder meer om reden dat het in casu gaat om een rudimentair met steenslag uitgeruste aftakking van de Sint-Amandstraat die eerder het karakter heeft van een losweg; omdat de eventuele lozing in de afvoerbuis aan de rechterzijde van het perceel naar de achterliggende beek onaanvaardbaar is en strijdig is met de intentie om hemelwater en afvalwater gescheiden te houden; omdat ook het oppompen van het water naar de eindput van de riolering in de Sint-Amandstraat onmogelijk blijkt aangezien dit zou moeten gebeuren via een op openbaar domein aan te leggen riolering; omdat het in feite gaat om een bebouwing in de tweede bouwzone ten overstaan van de Sint-Amanduskapel; omdat de inplanting van de geplande woning een onnatuurlijk maaiveld zal creëren en de waterhuishouding in het omliggend natuurgebied zal verstoren; omdat de inplanting van deze woning de landschappelijke eenheid tussen de als monument geklasseerde kapel en de achterliggende biologisch zeer waardevolle Kapellemeersen zal verstoren; omdat het voorziene groenscherm als een traditioneel doekje voor het bloeden moet worden beschouwd; omdat het perceel in het voorlopig door de gemeenteraad op 17 november 1976 aanvaarde bijzonder plan van aanleg is opgenomen in het natuurgebied en omdat volgens de Groene Hoofdstructuur van het gemeentelijk natuurontwikkelingsplan het betrokken perceel is gelegen in een natuurkerngebied met als vooropgestelde functie ‘natuur’; (...) Overwegende dat het project inhoudt dat een eengezinswoning wordt opgericht met een oppervlakte van 14,20 meter op 11,55 meter, bedekt met een zadeldak met een kroonlijsthoogte van, 4 meter en een nokhoogte van 9,50 meter; dat deze constructie wordt opgericht op 32 meter uit de rand van de Sint-Amandstraat en op 13 meter van de aftakking van deze straat; dat de voorgevel van de woning zich bevindt op 9 meter van de linkerperceelsgrens en op 11 meter van de rechterperceelsgrens; dat zich vóór het betrokken perceel de bij ministerieel besluit van 7 juni 1996 als monument beschermde Sint- Amanduskapel bevindt; Overwegende dat het kernprobleem bestaat uit het al dan niet voldoend uitgeruste karakter van de weg; dat in dit verband dient opgemerkt dat de plaatselijke toestand een zeer specifiek karakter kent door het feit dat de Sint-Amandstraat ter hoogte van het betrokken perceel een lichte bocht neemt en zich op dit punt vanaf de Sint-Amandstraat een beperkte en doodlopende aftakking voordoet; dat langsheen de Sint-Amandstraat zelf de bovengenoemde kapel is gesitueerd, terwijl het betrokken perceel waar de woning zou worden opgericht slechts langs deze aftakking bereikbaar is; dat de uitrusting van deze aftakking de kern van de discussie vormt; dat als argument door de particulier onder meer wordt aangehaald dat deze aftakking is opgenomen in de atlas der buurtwegen; dat hieruit echter alleen maar kan worden afgeleid dat deze aftakking een openbaar karakter heeft, maar niet dat deze weg daardoor als uitgerust dient te worden beschouwd; dat daarenboven, gelet op de specifieke plaatselijke toestand, ook rekening moet worden gehouden met de functie van deze weg; dat aan deze aftakking zeker niet dezelfde functie en betekenis kan worden toebedeeld als aan de Sint-Amandstraat zelf; dat deze aftakking qua uitrusting zeker niet de vergelijking kan doorstaan met deze Sint-Amandstraat; dat deze aftakking eerder een insteek van primaire aard vormde en vormt naar de achterliggende gronden toe, met inbegrip van het aldaar verder gesitueerde natuurgebied; dat deze weg daardoor slechts voorzien is van een zeer summiere verharding en, gelet op zijn karakteristieken, moeilijk kan worden beschouwd als een degelijk uitgeruste weg met de mogelijkheid van aansluiting op alle nutsvoorzieningen zodat de achterliggende gronden bouwrijp kunnen worden gemaakt; Overwegende dat in deze context ook kan worden verwezen naar de vaste rechtspraak van de Raad van State, waarin wordt gesteld dat het al dan niet X-9157-5/15 uitgerust karakter van een weg ook dient beoordeeld in functie van de graad van uitrusting van de in de omgeving gesitueerde wegen; dat hierboven reeds werd aangehaald dat qua verharding en mogelijkheid tot aansluiting aan alle nutsvoorzieningen, deze aftakking de vergelijking met de Sint-Amandstraat zelf niet kan doorstaan; dat dit gegeven daarenboven ook geldt voor de andere wegen in de omgeving; dat onder meer de Leuvestraat, de Kapellestraat, het Kapelleveld, de Dom Modest Van Asschelaan, de Kleistraat en de Bergstraat zijn voorzien van een als voldoende te beschouwen uitgevoerde verharding met practische mogelijkheden voor aansluiting op alle nutsvoorzieningen; dat met andere woorden de betrokken aftakking, waaraan het betrokken perceel grenst, op het vlak van uitrusting essentieel verschilt van deze van de omliggende straten, zodat een voldoend uitgerust karakter van deze aftakking niet kan worden weerhouden; Overwegende dat door de particulier als tweede hoofdargument ook wordt aangevoerd dat het betrokken gedeelte van het terrein is gelegen in een woongebied dat als volwaardig dient te worden beschouwd, daar het deel uitmaakt van één uitgestrekt blok; dat deze zienswijze toch in belangrijke mate dient te worden genuanceerd; dat het zwaartepunt van dit ‘blok’ woongebied namelijk meer naar het oosten en vervolgens naar het noorden en het zuiden is gelegen, terwijl het betrokken terrein zelf is gesitueerd aan de uiterst westelijke rand van dit woongebied en de grens vormt met het daaropvolgend natuurgebied; dat het betrokken terrein dus zeker niet midden in een dergelijk ‘blok’ valt te situeren; dat daarenboven bij verder nazicht van de aanduidingen op het gewestplan blijkt dat deze uiterste rand van dit woongebied helemaal in functie van de Sint-Amandstraat zelf tot op een diepte van 50 meter is uitgetekend; dat met andere woorden de aldaar voorziene mogelijkheden van bebouwing volledig op deze Sint-Amandstraat zelf zijn geconcentreerd en dat ter hoogte van het betrokken terrein de bebouwing langsheen de Sint-Amandstraat reeds is gerealiseerd door de aldaar bestaande en als monument beschermde Sint-Amanduskapel; dat aldus de aldaar bestaande aftakking zeker niet in functie van de verdere uitbouw van deze rand van het woongebied kan worden beschouwd, hetgeen het onuitgeruste karakter van deze aftakking verklaart; dat deze specifieke kenmerken van het betrokken segment van dit woongebied tot gevolg hebben dat het betrokken gedeelte van het terrein van de aanvrager eerder dient beschouwd als een restgebied dat hoegenaamd geen volwaardig karakter van woongebied meer kan vertonen, gezien dit gedeelte zeker niet meer in functie van de Sint-Amandstraat kan worden uitgebouwd; dat omwille van dit gegeven integendeel de creatie van een tweede bouwstrook wordt beoogd met een stedenbouwkundig niet verantwoorde inplanting en grenzend aan een insteek die als onvoldoende uitgerust dient te worden beschouwd; Overwegende dat in deze context de verwijzing van de particulier naar andere bouwvergunningen in de onmiddellijke omgeving niet kan worden weerhouden; dat namelijk één essentieel gegeven door de particulier over het hoofd wordt gezien; dat alle door de particulier aangehaalde voorbeelden als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat zij rechtstreeks op de Sint-Amandstraat uitgeven en hiervan onmiddellijk bereikbaar zijn; dat deze percelen, juist omdat zij, ook door hun inplanting, beantwoorden aan de verdere uitbouw van de strook van 50 meter met de Sint-Amandstraat, geen aftakking of insteek behoeven; dat zich hier aldus een belangrijk verschil voordoet; dat hierbij aansluitend kan worden opgemerkt dat het toelaten van het project in deze omgeving voor bepaalde andere terreinen een gevaarlijk precedent zou kunnen vormen; Overwegende dat tenslotte de particulier in zijn argumentering onder meer verwijst naar terreinen waarvoor wel een bouwvergunning is afgegeven en waar de uitrusting van de weg niet veel verschilt van deze van de bovenvermelde X-9157-6/15 aftakking; dat meer concreet gevallen worden aangehaald in de Osbroekstraat, de Kluizenstraat en de Fazantenlaan; dat het hier echter gaat om volwaardige straten en niet om een aftakking zoals deze van de Sint-Amandstraat; dat zich daarenboven ook hier nog een ander wezenlijk verschil qua ligging voordoet; dat deze aangehaalde straten, in tegenstelling tot het betrokken terrein, meer zijn gelegen naar de kern toe van dit ‘blok’ woongebied en/of eveneens niet ver van een woonuitbreidingsgebied zijn gelegen; dat deze straten, die trouwens ook in een andere en verschillende omgeving zijn gesitueerd, aldus nog een reële betekenis en functie hebben in de verdere uitwerking en voltooiing van dit ‘blok’ woongebied, hetgeen niet kan worden gezegd van de betrokken aftakking; dat het derhalve ook hier niet om gelijkaardige gevallen gaat, zodat dit argument van de particulier niet kan worden weerhouden; dat om alle bovengenoemde redenen dient gesteld dat het ontwerp de goede aanleg van de plaats in het gedrang brengt en stedenbouwkundig niet kan worden aanvaard; dat aldus de inwilligingsbeslissing van de bestendige deputatie het algemeen belang schaadt en in strijd is met een degelijk beleid inzake ruimtelijke ordening; dat zodoende de beroepen van de gemachtigde ambtenaar en van het betrokken college van burgemeester en schepenen in aanmerking komen voor inwilliging”.
  12. Ten gronde 2.
  13. Het eerste middel 2.1.
  14. Het aangevoerde eerste middel In een eerste middel wordt de schending aangevoerd van artikel 53, § 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, “meer bepaald het daarin bepaalde recht om gehoord te worden”, van artikel 3 van het ministerieel besluit van 1 februari 1995 houdende aanwijzing van de gemachtigde ambtenaren inzake ruimtelijke ordening, en van het zorgvuldigheidsbeginsel. In het verzoekschrift wordt het middel als volgt toegelicht: “doordat de bestreden beslissing is genomen als sluitstuk van een beroepsprocedure waarbij de bij delegatie van de minister handelende ambtenaar die de in artikel 53, § 2, bedoelde hoorzitting heeft gehouden niet op de rechtens vereiste wijze zijn taak heeft vervuld of kunnen vervullen door het opmaken van een voorstel van beslissing aan de minister waarvan hij bij delegatie de bevoegdheid om de aanvrager te horen uitoefent, terwijl enerzijds het recht van de aanvrager om gehoord te worden en aldus de behandeling van de aanvraag op tegenspraak te doen verlopen en anderzijds het recht van de minister om de decretaal verplichte tegenspraak via een hoorzitting desgevallend bij delegatie aan een ambtenaar te laten plaatsvinden, impliceren dat deze ambtenaar zelf de bevindingen van de hoorzitting, zoals overigens gebruikelijk is, aan de minister overbrengt, onder meer onder de vorm van een ontwerp van beslissing over het beroep. X-9157-7/15 TOELICHTING De bestreden beslissing draagt alle sporen van het feit dat een andere ambtenaar dan de heer Egels, die de hoorzitting heeft gehouden, het dossier verder heeft afgehandeld en een voorstel van beslissing aan de minister heeft geformuleerd. Het wordt overigens door het bestuur niet betwist dat de zaak na ontvangst van de rappelbrief d.d. 14 juli 1999 is behandeld door de heer Boulanger. Deze ambtenaar - die allicht de leer van het arrest LARCIN niet kent, noch een inzicht heeft kunnen verwerven omtrent de feitelijke voorgeschiedenis van deze zaak, met name wat betreft de uitrusting van de weg - heeft klaarblijkelijk enkel op basis van de aantekeningen van de heer Egels, gemaakt tijdens de hoorzitting, van het standpunt van ‘de particulier’ kennis gekregen. Aldus wordt het decretaal recht om gehoord te worden volledig uitgehold: formeel heeft een hoorzitting plaatsgehad, maar die heeft niet of in elk geval slechts beperkt en op verminkte wijze tot de besluitvorming van de bevoegde minister bijgedragen. Uw Raad heeft onder meer in het arrest cons. ROBBERECHTS gesteld dat het recht om gehoord te worden niet wordt geëerbiedigd wanneer men zich slechts schriftelijk met een nota kan verdedigen. In het arrest SCHEERS heeft uw Raad bevestigd dat alleen de daartoe aangewezen ambtenaren (de ‘gemachtigden’) die hoorzitting rechtsgeldig kunnen houden. Door te aanvaarden dat de wet wordt geëerbiedigd wanneer een (bevoegd) gemachtigde van de minister een hoorzitting houdt en (heel schematisch) noteert wat er wordt gezegd, om vervolgens het dossier aan een ander ambtenaar toe te vertrouwen, om een ontwerp van besluit op te maken, wordt dit hoorrecht uitgehold. Immers, de eindbeslissing wordt dan niet genomen op basis van de mondelinge mededelingen, van de opgeroepen ‘partijen’, maar op grond van een ‘bondig verslag van de hoorzitting’ dat zelfs niet uitgaat van de aanvrager, maar van de ambtenaar die de aanvrager heeft gehoord. Dat is rechtens niet aanvaardbaar. Te dezen wordt bevestigd welke de negatieve gevolgen daarvan kunnen zijn: de ambtenaar die het voorstel van beslissing formuleerde is zich blijven beroepen op het niet uitgerust zijn van de voorliggende weg, wat feitelijk onjuist en rechtens irrelevant is. De verzoeker heeft zich er immers toe verbonden, met een beroep op het arrest LARCIN, álle uitgaven voor eventueel noodzakelijke bijkomende uitrusting op zich te nemen. Hij heeft, meer bepaald wat betreft riolering, gesteld dat, waar de bestendige deputatie terecht oordeelde dat de aanvrager water mocht lozen zoals alle andere buurtbewoners, hijzelf bereid was om elk ander procédé voor een rioleringsaansluiting te financieren. Dit engagement moet luidens het arrest LARCIN van uw Raad volstaan om een vergunning niet meer te kunnen weigeren op grond van het onvoldoende uitgerust zijn van de voorliggende openbare weg”. 2.1.
  15. Beoordeling van het eerste middel De verzoeker betwist niet dat de bij delegatie van de minister handelende ambtenaar die hem heeft gehoord, hiertoe bevoegd was. Geen van de door de verzoeker genoemde bepalingen legt op dat deze ambtenaar zelf de bevindingen van de hoorzitting aan de minister overbrengt onder de vorm van “een ontwerp van beslissing over het beroep”. X-9157-8/15 In het verzoekschrift brengt de verzoeker geen argumenten aan waaruit zou kunnen blijken dat het verslag van de hoorzitting, dat overigens uitdrukkelijk vermeldt “Technische nota bij dossier gevoegd + kleurenkopie rioleringsstelsel + plannen”, het door hem tijdens de hoorzitting vertolkte standpunt onvoldoende zou weergeven. De vermelding dat het verslag “heel schematisch” is volstaat daartoe niet. In zoverre de verzoeker in de laatste memorie aanvoert dat het verslag onbegrijpelijk zou zijn voor wie er niet de auteur van is, voert hij op een niet-ontvankelijke wijze een nieuw middel aan. Het eerste middel is niet gegrond. 2.
  16. Het tweede middel 2.2.
  17. Het aangevoerde tweede middel In een tweede middel wordt de schending aangevoerd van artikel 53, § 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober
  18. In het verzoekschrift wordt het middel als volgt toegelicht: “doordat, de beroepen van het college van burgemeester en schepenen en van de gemachtigde ambtenaar ontvankelijk en gegrond werden verklaard, terwijl, waar zowel het college van burgemeester en schepenen als de gemachtigde ambtenaar niet eens tijdig binnen de decretale termijn uitspraak hebben gedaan over de vergunningsaanvraag resp. de vraag van de verzoeker om over zijn aanvraag te beschikken, zij niet het rechtens vereiste belang hebben om beroep in te stellen tegen een beslissing tot inwilliging van het beroep van de verzoeker, ingesteld bij de bestendige deputatie. TOELICHTING In het arrest GEMEENTE MORTSEL (nr. 80.598, van 2 juli 1999) heeft uw Raad beslist: ‘Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat de verzoekende partij door nagelaten te hebben zelf tijdig een weigeringsbeslissing te nemen niet van het rechtens vereiste belang doet blijken om de vergunning, overeenkomstig artikel 54 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw verleend door de gemachtigde ambtenaar aan te vechten’. De leer van dit arrest is perfect toepasbaar op de voorliggende zaak: noch de stad Aalst, noch de gemachtigde ambtenaar hebben zich de moeite getroost om binnen de wettelijke termijn te beslissen over de aanvraag. De aanvraag werd ingediend op 7 juli
  19. Op 19 november 1997, meer dan 4 maanden later had het college nog steeds niet beschikt. Ook de gemachtigde ambtenaar heeft de termijn van 30 dagen laten verstrijken. Zelfs na 40 dagen was nog niet beslist, waarop de verzoeker dan maar beroep heeft ingesteld bij de bestendige deputatie. In die omstandigheden had de minister hun beroepen moeten verwerpen bij gebrek aan rechtens vereist belang”. X-9157-9/15 2.2.
  20. Beoordeling van het tweede middel Artikel 53, § 2, eerste lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, bepaalt dat “het college van burgemeester en schepenen alsook de gemachtigde ambtenaar (...) bij de Vlaamse regering in beroep (kunnen) komen binnen dertig dagen na de ontvangst van de beslissing van de bestendige deputatie tot verlening van een vergunning”. Dit door de wet ingestelde georganiseerd administratief beroep is, in tegenstelling tot het instellen van een vordering bij de Raad van State, niet afhankelijk gesteld van het aantonen van enig “belang” bij een zodanig beroep. Het tweede middel is niet gegrond. 2.
  21. Het derde middel 2.3.
  22. Het aangevoerde derde middel In het derde middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 48, derde lid en 53, § 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, van artikel 19 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, en van het gewestplan Aalst-Ninove-Geraardsbergen-Zottegem, vastgesteld bij koninklijk besluit van 30 mei 1978, en van de motiveringsverplichting. In het verzoekschrift wordt het middel als volgt toegelicht: “doordat met de bestreden beslissing geoordeeld wordt dat het perceel grond, gelegen in een woongebied volgens het gewestplan, niettemin niet in aanmerking komt voor enige bebouwing, op de bovenvermelde motieven, terwijl een perceel grond dat door de Vlaamse regering met een regelmatig vastgesteld gewestplan tot woongebied is bestemd, aan die bestemming niet wettig kan worden onttrokken op de aangegeven motieven; dat immers er helemaal niet gebouwd wordt ‘in tweede woonstrook’, maar op een perceel gelegen aan een openbare weg, waarbij irrelevant is of het om een ‘zijarm’ dan wel om de zogenaamde ‘hoofdweg’ gaat, terwijl er bovendien geen enkele afdwingbare regel bestaat die verbiedt te bouwen ‘in tweede woonstrook’; dat verder de verzoeker zich er toe verbonden heeft om alle kosten van uitrusting die desgevallend bijkomend nodig zou zijn (aansluiting op de riolering) zelf te dragen zodat het onvoldoende uitgerust zijn van de weg geen wettig weigeringsmotief vormt, dat ook de aard van de verharding geen deugdelijk motief vormt nu vele wegen in het Aalsterse dezelfde verharding hebben en langs die weg bouwvergunningen worden verleend; dat deze verharding trouwens door de Stad Aalst zelf is aangebracht; dat ook de andere overwegingen niet deugdelijk zijn, onder meer wat betreft het behoren tot een ‘woonblok’; dat de wet niet vereist dat temidden van een woonblok wordt X-9157-10/15 gebouwd; dat overigens zowel links als rechts van het perceel (recente) bebouwing aanwezig is; dat met de zeer uitgesponnen maar weinig pertinente motieven van de bestreden beslissing in wezen een bouwverbod wordt opgelegd, tegen de gewestplanbestemming in, terwijl de ruimtelijke ordening enkel in plannen wordt vastgesteld en kan worden vastgesteld, en het loutere feit dat een perceel aan een zogenaamde ‘uitsprong’ van een openbare weg is gelegen met een uitrusting die identiek is aan deze van de ‘hoofdweg’, niet vermag om de realisering van de gewestplanbestemming te dwarsbomen. TOELICHTING Het is niet helemaal duidelijk of de bestreden beslissing een toepassing is van het weigeringsmotief, bedoeld in artikel 48, derde lid DRO. Formeel lijkt dit zo te zijn. Maar toch heeft het er ook de schijn van dat ditzelfde motief wordt afgeleid uit een toetsing aan de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. Die dubbelzinnigheid is op zich al sprekend voor de wijze waarop de verwerende partij zich heeft gekweten van haar motiveringsverplichting. Hoe dan ook zijn de ingeroepen motieven onjuist of onvoldoende zwaarwichtig om tegen de gewestplanbestemming in een bouwverbod op te leggen (dat deze nog zelfs geen grond voor planschade oplevert!)”. 2.3.
  23. Beoordeling van het derde middel 2.3.2.
  24. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat het bouwperceel ontsloten wordt door een circa 20m lange aftakkingsweg en dat zich tussen het bouwperceel en de Sint-Amandstraat het bebouwde perceel nr. 1800/a bevindt. In het bestreden besluit wordt uiteengezet dat het betrokken woongebied is uitgetekend in functie van de Sint-Amandstraat en dat door de aangevraagde inplanting een tweede bouwstrook wordt gecreëerd ten opzichte van deze straat. De verzoeker toont de onjuistheid van deze elementen niet aan. Het komt aan de Raad van State niet toe zijn beoordeling van een goede plaatselijke aanleg in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht is de Raad van State enkel bevoegd na te gaan of de bevoegde administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot het besluit is kunnen komen dat de aangevraagde vergunning onverenigbaar is met de eisen van een goede plaatselijke aanleg. De verzoeker toont niet aan dat verwerende partij in het bestreden weigeringsbesluit de eisen van een goede plaatselijke aanleg kennelijk onredelijk zou hebben beoordeeld door de creatie van de “tweede bouwstrook” onaanvaardbaar te achten. X-9157-11/15 2.3.2.
  25. Dat de aanvraag wordt geweigerd om twee redenen, namelijk enerzijds de ligging aan een onvoldoende uitgeruste weg en anderzijds de strijdigheid met de goede ruimtelijke ordening door de creatie van een tweede bouwstrook, wijst - anders dan de verzoeker voorhoudt - niet op dubbelzinnigheid, maar op het feit dat de aanvraag niet louter werd geweigerd omwille van de onvoldoende uitrusting van de weg. Er bestaat geen betwisting over dat de weg waaraan het bouwperceel gelegen is enkel met steenslag is verhard en niet is uitgerust met riolering, terwijl de Sint-Amandstraat met asfalt is verhard en voorzien van riolering. Het toentertijd geldende artikel 48, derde lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, bepaalde wat volgt : “De vergunning kan ook worden geweigerd voor het bouwen op een stuk grond, gelegen aan een weg die, gelet op de plaatselijke toestand, onvoldoende is uitgerust”. In het verzoekschrift stelt de verzoeker dat hij “zich ertoe verbonden heeft om alle kosten van uitrusting die desgevallend bijkomend nodig zou zijn (aansluiting op de riolering) zelf te dragen”. In de memorie van wederantwoord en de laatste memorie luidt het dat de verzoeker aan de overheid drie opties voor het afvalwater heeft voorgesteld, meer bepaald

(1)lozing naar de lagergelegen beek,
(2)aanleg van een rietveld en
(3)oppompen en aansluiten op de riolering van de Sint-Amandstraat. Daar de twee eerste opties geen betrekking hebben op de weg waaraan het bouwperceel gelegen is, blijkt niet hoe zij het middel ondersteunen zoals dat in het verzoekschrift is uiteengezet. Overigens was de eerste optie waarbij het afvalwater en hemelwater niet gescheiden worden gehouden, zoals in het bestreden besluit uitdrukkelijk wordt gesteld, één van de redenen waarom het college van burgemeester en schepenen bij de verwerende partij in beroep is gekomen. Uit het feit dat de aanvrager heeft voorgesteld om de aangevraagde woning op zijn kosten aan te sluiten op de riolering van de Sint-Amandstraat, blijkt op zichzelf niet dat de verwerende partij niet vermocht te overwegen dat de weg “moeilijk kan worden beschouwd als een degelijk uitgeruste weg met de mogelijkheid van aansluiting op alle nutsvoorzieningen zodat de achterliggende gronden bouwrijp kunnen worden gemaakt”. De verwerende partij kon de aanvraag op grond van die overweging weigeren, zeker nu dit niet het enige weigeringsmotief vormt. Het derde middel is niet gegrond. X-9157-12/15 2.
  1. Het vierde middel 2.4.
  2. Het aangevoerde vierde middel In het vierde middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van het motiveringsbeginsel en van artikel 53, § 3 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober
  3. In het verzoekschrift wordt het middel als volgt toegelicht: “doordat de bouwvergunning wordt geweigerd wegens de ligging aan een onvoldoende verharde weg, terwijl in vergelijkbare omstandigheden aan andere aanvragers van een bouwvergunning in Erembodegem (Aalst), langsheen een gelijkaardig verharde weg wél een vergunning wordt verleend en aansluiting op de open riolering werd toegestaan, en doordat de onderscheiden behandeling in de bestreden beslissing wordt verantwoord door te stellen dat aldaar niet gebouwd wordt langs een ‘uitsprong’ van de openbare weg, terwijl de onderscheiden behandeling van de verzoeker en andere bouwlustigen die willen bouwen langsheen een op dezelfde wijze verharde weg niet kan verantwoord worden door het enkele feit dat het perceel van de verzoeker gelegen is aan een ‘uitsprong’ van een openbare weg, en het perceel van de andere bouwlustigen niet. TOELICHTING De verzoeker heeft destijds aan de overheid een fotoreportage overhandigd waaruit blijkt dat langs vele straten te Erembodegem, een oude landelijke gemeente die thans deel uitmaakt van de stad Aalst, die op dezelfde wijze verhard zijn als de ‘zijsprong’ van de Sint-Amandsstraat, probleemloos bouwvergunningen worden afgeleverd. Deze documenten tonen op overtuigende wijze aan dat bouwlustigen in Aalst op discriminerende wijze worden behandeld: in dezelfde omstandigheden wordt de ligging van een bouwperceel aan een met grind verharde openbare weg géén bezwaar geacht voor het verlenen van een bouwvergunning; bij de verzoeker wél. Het is voor de beoordeling van de eisen van voldoende verharding van een openbare weg volstrekt niet irrelevant of die weg een ‘hoofdweg’ dan wel een ‘zijsprong’ is. Integendeel zou een grindverharding voor een ‘hoofdweg’ nog veeleer als onvoldoende moeten worden beschouwd om een bouwvergunning voor een aangrenzend perceel toe te kennen, nu zo’n hoofdweg veel drukker gebezigd wordt dan een ‘uitsprong’ en dus in veel duurzamere materialen moet zijn aangelegd. Overigens is de vaststelling dat de straten waarmee wordt vergeleken niet vergelijkbaar zijn daar zij ‘een reële betekenis en functie hebben in de verdere ontwikkeling en voltooiing van dit ‘blok’ woongebied’, feitelijk onjuist. Zo loopt de Fazantenlaan dood in een parkgebied; de Kluizenstraat grenst aan een natuurgebied met de (beschermde) Kluizenkapel enz. ... De Asbroekstraat is een doodlopende straat, en die grenst eveneens aan natuurgebied met een (beschermde) kapel O.L.V. Tersnuren. Dit zijn echte groengebieden doorkruisende straten, die zeker geen deel uitmaken of gaan uitmaken van een ‘blok’. Het perceel van verzoeker ligt daarentegen temidden van huizen”. X-9157-13/15 2.4.
  4. Beoordeling van het vierde middel De fotoreeks die de verzoeker bij de memorie van wederantwoord bijbrengt is dezelfde als degene die hij reeds naar aanleiding van de behandeling van het administratief beroep door de minister heeft bijgebracht. In het bestreden besluit worden de redenen uiteengezet waarom de minister oordeelt dat deze gevallen onvoldoende vergelijkbaar zijn met de aanvraag. Het blijkt niet dat de andere gevallen waarnaar de verzoeker verwijst, zowel in rechte als in feite, volledig vergelijkbaar zouden zijn met het geval van de verzoeker, dit wil zeggen, met een inplanting in “tweede bouwstrook” ten opzichte van de straat in functie waarvan het woongebied is uitgetekend en gelegen aan een weg met dezelfde uitrusting als de aftakkingsweg waaraan het perceel van de verzoeker gelegen is. Het vierde middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  5. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  6. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. X-9157-14/15 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen maart 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-9157-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.154 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.86.764 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.