id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.156 Rolnummer: A. 98433/IX-2638 Zaak: Arrest 191156 - Zeevaart - 09/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-20 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-29 21:07 Fiche Arrest nr 191.156 van 9 maart 2009 Economische zaken - Zeevaart Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.156 van 9 maart 2009 in de zaak A. 98.433/IX-2638. In zake : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat E. VAN HOOYDONK, kantoor houdend te ANTWERPEN, Emiel Banningstraat 21-23 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Mobiliteit, die woonplaats kiest bij advocaat P. PEETERS, kantoor houdend te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 177/6. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat het Vlaamse Gewest op 15 december 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het ministerieel besluit van 17 juli 2000 houdende benoeming van de leden van de Nautische toezichtscommissie; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 25 september 2002 die de neerleg- ging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 27 november 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 februari 2009; IX-2638-1/13 Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. CLOOTS die, loco advocaat E. VAN HOOYDONCK, verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat P. PEETERS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur A. VAN STEENBERGE bij beslissing van 31 oktober 2008 van de auditeur- generaal gemachtigd om ter openbare terechtzitting advies te verlenen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Normatief kader 1. Artikel 1, lid 1, van richtlijn 79/115/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1978 inzake het loodsen van schepen door Noordzeeloodsen op de Noordzee en in het Kanaal legt aan de lidstaten die een kuststaat van de Noordzee of het Kanaal zijn, de verplichting op om “alle noodzakelijke en passende maatregelen [te treffen] om te waarborgen dat schepen die voor het loodsen op de Noordzee en in het Kanaal beroep doen op de diensten van een Noordzeeloods, kunnen beschikken over in voldoende mate gekwalificeerde Noordzeeloodsen, die houder zijn van een door de bevoegde autoriteit van een dezer lidstaten afgegeven certificaat waaruit hun bekwaamheid blijkt om schepen op de Noordzee en in het Kanaal te loodsen”. Die bepaling is omgezet bij de wet van 8 juni 1983 houdende instelling van een certificaat van Noordzeeloods voor het loodsen van schepen op de Noordzee en in het Kanaal. Artikel 2 van de wet bepaalt dat het certificaat van Noordzeeloods, op verzoek van de gegadigde, wordt afgegeven aan ieder die voldoende gekwalificeerd wordt geacht om zeevaartuigen op de Noordzee en in het Kanaal te loodsen. Artikel 4 van de wet draagt de Koning op om een Nautische toezichtscommissie op te richten, die ermee belast is: “
- a)advies uit te brengen over de beroepsbekwaamheid van de aanvrager van het certificaat voor de zone waarvoor het certificaat wordt aangevraagd; IX-2638-2/13
- b)een gemotiveerd voorstel te doen inzake verlening, weigering, schorsing of intrekking van een certificaat.” Ter uitvoering van de laatstgenoemde bepaling is op 17 oktober 1984 het koninklijk besluit genomen, tot oprichting van de Nautische toezichtscommissie. De commissie bestaat uit een voorzitter en drie effectieve en drie plaatsvervangende leden. Het voorzitterschap wordt waargenomen door de Nautische Directeur van de Algemene Directie van het Bestuur van het Zeewezen en van de Binnenvaart. De drie effectieve en drie plaatsvervangende leden worden benoemd door de minister die het Bestuur van het Zeewezen en van de Binnenvaart onder zijn bevoegdheid heeft, uit lijsten voorgedragen door het Koninklijk Belgisch Zeemanscollege, de Belgische Beroepsvereniging voor Scheepsgezagvoerders en de Vereniging van Scheldemondenloodsen. Het mandaat van de werkende en van de plaatsvervangende leden duurt vier jaar en is hernieuwbaar. 2. Bij ministerieel besluit van 17 juli 2000 worden, met ingang van 20 juni 2000, drie werkende leden en drie plaatsvervangende leden van de Nautische toezichtscommissie benoemd. De benoeming geldt voor een termijn van vier jaar. Dit besluit, dat bekendgemaakt is in het Belgisch Staatsblad van 17 oktober 2000, vormt het voorwerp van het voorliggende beroep. Ten gronde 3. De verzoekende partij roept een enig middel in, afgeleid uit de schending van de regelen betreffende de bevoegdheidsverdeling tussen de Staat en de gewesten, in het bijzonder van “de exclusieve gewestelijke bevoegdheid inzake de loodsdiensten”, die vervat is in artikel 6, § 1, X, eerste lid, 9/, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna: BWHI). De verzoekende partij voert aan dat de gewesten op grond van artikel 6, § 1, X, eerste lid, 9/, BWHI, ingevoegd bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988, bevoegd zijn inzake “de loodsdiensten en de bebakeningsdiensten van en naar de havens, evenals de reddings- en sleepdiensten op zee”. De verzoekende partij verwijst in dit verband in de eerste plaats naar de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 8 augustus 1988. Volgens de memorie van toelichting bij het desbetreffende ontwerp omvat de IX-2638-3/13 gewestelijke bevoegdheid inzake de loodsdiensten taken die waren toevertrouwd aan het Bestuur van het Zeewezen en van de Binnenvaart, en heeft de gewestelijke bevoegdheid onder meer betrekking op “de uitoefening van de loodsdienst op zeeschepen in internationale wateren”. Het Vlaamse Gewest is derhalve bevoegd voor de loodsdiensten in internationale wateren, zoals het trouwens eveneens bevoegd is voor de reddingsdiensten op zee. Er is geen enkel argument op grond waarvan men zou moeten aannemen dat niet het gehele bevoegdheidspakket van de loodsdiensten in de Noordzee en op het Kanaal deel zou uitmaken van de globale gewestelijke bevoegdheid inzake de loodsdiensten. De bijzondere wetgever heeft overigens inzake openbare werken en vervoer aan de gewesten een homogeen bevoegdheidspakket willen toekennen. De verzoekende partij verwijst voorts naar het “loodsdecreetarrest” nr. 2/97 van het Grondwettelijk Hof van 16 januari 1997. Daarin heeft het Hof geoordeeld dat de bijzondere wetgever de gehele aangelegenheid van de loodsdiensten, zowel in organieke als in functionele zin, aan de gewesten heeft overgedragen. Aan die bevoegdheid wordt geen afbreuk gedaan door de aan de federale overheid voorbehouden bevoegdheid inzake de regels van de algemene politie en de reglementering op het verkeer en vervoer (artikel 6, § 4, 3/, BWHI). De gewestelijke bevoegdheid omvat de bevoegdheid tot het invoeren van het brevet van havenloods, bevoegdheid die vreemd is aan de federale bevoegdheid inzake vestigingsvoorwaarden (artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 6/, BWHI). Het Grondwettelijk Hof heeft voorts gesteld dat het Vlaams Gewest ook bevoegd is voor het loodsen buiten het grondgebied van het Gewest, en zelfs buiten de territoriale zee, tot de redes van Duinkerke en van Vlissingen. De verzoekende partij verwijst ten slotte naar het arrest nr. 74.842 van de Raad van State van 30 juni 1998. In de lijn van het genoemde loodsdecreetarrest stelde de Raad van State, in verband met de bevoegdheid tot het benoemen van een havenkapitein, dat het gehele beleid inzake de havens en hun aanhorigheden door de bijzondere wetgever aan de gewesten is overgedragen (artikel 6, § 1, X, eerste lid, 3/, BWHI). De Raad van State leidde daaruit af dat de inrichting van de havenkapiteindiensten, en derhalve de benoeming van de havenkapiteins, een aangelegenheid is die kan worden ingepast in de gewestbevoegdheid inzake de havens en hun aanhorigheden. IX-2638-4/13 4.1. De verwerende partij antwoordt dat niet wordt betwist dat het Vlaams Gewest bevoegd is om de loodsdiensten “van en naar de Belgische havens” te organiseren. In hoofdorde voert zij aan dat de Noordzeeloodsen niet gelijkgesteld kunnen worden met loodsen van en naar de havens, en dit om verscheidene redenen. In de eerste plaats gaan de Noordzeeloodsen die het Belgisch certificaat van Noordzeeloods hebben verkregen in de overgrote meerderheid van de gevallen aan boord van schepen op de Noordzee en in het Kanaal die niet van of naar een Belgische haven varen. De gewesten zijn voor dergelijke loodsdiensten niet bevoegd, aangezien enkel de bevoegdheid inzake loodsdiensten “van en naar de havens” is overgedragen. In de tweede plaats bepaalt artikel 2, tweede lid, van de wet van 8 juni 1983 dat het certificaat van Noordzeeloods niet geldig is in de loodswateren waarvoor de kuststaten een verplichte loodsdienst hebben georganiseerd. De Noordzeeloods mag dus niet optreden in de gebieden waarvoor het Vlaamse Gewest een eigen loodsdienst heeft ingesteld. Daaruit blijkt dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de Noordzeeloodsen en de loodsen die werken in een georganiseerde loodsdienst van en naar een haven in een kuststaat. Ten derde bepaalt artikel 3 van het decreet van 19 april 1995 betreffende de organisatie en de werking van de loodsdienst van het Vlaamse Gewest en betreffende het brevet van havenloods dat dit decreet niet van toepassing is op de Noordzeeloodsen bedoeld in de wet van 8 juni 1983. Het Vlaamse Gewest heeft aldus zelf aangegeven dat het niet bevoegd is voor de Noordzeeloodsen. Ten vierde zijn de zones waarvoor de Noordzeeloodsen bevoegd zijn verschillend van de zones waarvoor het Vlaams loodswezen bevoegd is. Het gebied waarvoor de Noordzeeloodsen bevoegd zijn wordt omschreven in artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 17 oktober 1984 houdende uitvoering van de wet van 8 juni 1983 betreffende de instelling van een certificaat van Noordzeeloods op de Noordzee en in het Kanaal. Volgens die bepaling strekt de zone waarbinnen de Noordzeeloodsen kunnen optreden zich uit van de zuidwestkust van het Verenigd Koninkrijk tot de noordkust van Denemarken. Het gebied waarbinnen het Vlaams Gewest bevoegd is wordt omschreven in artikel 5 van het genoemde decreet van 19 april 1995, en dat gebied reikt niet zover als de voornoemde zone. IX-2638-5/13 Ten vijfde zijn bij een koninklijk besluit van 19 december 1991 in artikel 1, 2/, van het genoemde koninklijk besluit van 17 oktober 1984 houdende uitvoering van de wet van 8 juni 1983 de woorden “de minister die het loodswezen onder zijn bevoegdheden heeft” vervangen door “de minister die het Bestuur van het Zeewezen en van de Binnenvaart onder zijn bevoegdheid heeft”. Hieruit blijkt dat het de bedoeling was om de Noordzeeloodsen niet te beschouwen als leden van de loodsdienst. Gelijkaardige wijzigingen zijn toen aangebracht in artikel 2, §§ 2 tot 4, van het koninklijk besluit van 17 oktober 1984 tot oprichting van de Nautische toezichtscommissie. Het Vlaams Gewest heeft geen beroep ingesteld tegen het koninklijk besluit van 19 december 1991. Ingaande op de argumentatie van de verzoekende partij, voert de verwerende partij voorts aan dat de vergelijking met de bevoegdheid van de gewesten voor andere maritieme diensten, zoals de reddings- en sleepdiensten, niet relevant is. Niet enkel zijn Noordzeeloodsen geenszins vergelijkbaar met die andere diensten, maar bovendien heeft de BWHI de reddings- en sleepdiensten “op zee” aan de gewesten overgedragen, terwijl dit voor de loodsdiensten beperkt is tot de loodsdiensten “van en naar de havens”. Het arrest nr. 2/97 van 16 januari 1997 van het Grondwettelijk Hof verwerpt het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van het decreet van 19 april 1995 betreffende de organisatie en de werking van de loodsdienst van het Vlaamse Gewest en betreffende het brevet van havenloods. Dit arrest spreekt zich niet uit over de Noordzeeloodsen. Ten slotte heeft het arrest nr. 74.842 van de Raad van State van 30 juni 1998 betrekking op de bevoegdheid om een havenkapitein te benoemen, maar heeft dit geen uitstaans met de bevoegdheid inzake het loodsen op de Noordzee en in het Kanaal. 4.2. Subsidiair voert de verwerende partij aan dat, zelfs indien de Noordzeeloodsen beschouwd zouden moeten worden als loodsen “van en naar de havens”, de federale overheid bevoegd is om het bestreden besluit te nemen, op grond van haar bevoegdheid inzake vestigingsvoorwaarden (artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 6/, BWHI). Op grond van die bevoegdheid kan de federale overheid immers de toegang tot het beroep van Noordzeeloods reglementeren en, ter uitvoering hiervan, de leden van de Nautische toezichtscommissie benoemen. In haar laatste memorie gaat de verwerende partij nader in op de federale bevoegdheid inzake de vestigingsvoorwaarden. Zij wijst erop dat de wet van 8 juni 1983 een wettelijk erkende beroepstitel invoert, namelijk die van IX-2638-6/13 Noordzeeloods, en het gebruik van die titel afhankelijk stelt van het verkrijgen van het certificaat van Noordzeeloods. Weliswaar heeft het Grondwettelijk Hof in het loodsdecreetarrest nr. 2/97 van 16 januari 1997 geoordeeld dat de bevoegdheid inzake vestigingsvoorwaarden niet de bevoegdheid omvat om toegangsvoorwaarden tot openbare functies vast te stellen. De Noordzeeloods oefent echter geen openbaar gezag uit, en er bestaat in hoofde van de kapitein van een zeevaartuig geen enkele verplichting om een beroep te doen op een Noordzeeloods. De Noordzeeloodsen zijn geen ambtenaren, zijn geen aangestelden van de overheid, en hebben zelfs geen enkele juridische band met enige overheid. 5.1. De verzoekende partij repliceert in haar memorie van wederantwoord dat de verwerende partij er ten onrechte van uitgaat dat de gewesten uitsluitend bevoegd zouden zijn voor het loodsen “van en naar de havens”, dat de Noordzeeloodsen niet loodsen “van en naar de havens”, maar op volle zee, en dat de gewesten derhalve niet bevoegd zouden zijn voor de Noordzeeloodsen. Dit verweer gaat immers voorbij aan de parlementaire voorbereiding van de BWHI en steunt op een onjuiste voorstelling van de activiteiten van de Noordzeeloodsen. De gewesten zijn integendeel bevoegd, zowel in de territoriale zee als in de internationale wateren. Dat de eigen loodsdienst van het Vlaamse Gewest alleen optreedt tot in de territoriale zee, belet niet dat het Vlaamse Gewest ook bevoegd is ten aanzien van het loodsen in internationale wateren. Door in artikel 3 van het loodsdecreet van 19 april 1995 te bepalen dat dit decreet niet van toepassing is op de Noordzeeloodsen bedoeld in de wet van 8 juni 1983 houdende instelling van een certificaat van Noordzeeloods voor het loodsen van schepen op de Noordzee en in het Kanaal, heeft het Vlaamse Gewest geenszins erkend dat het niet bevoegd is voor de Noordzeeloodsen. Het feit dat de koninklijke besluiten genomen ter uitvoering van de wet van 8 juni 1983 op een bepaalde manier gewijzigd zijn, is niet relevant voor het beoordelen van de bevoegdheidsvraag. Het wijzigende koninklijke besluit is immers zelf in strijd met de bevoegdheidsbepalende regels. IX-2638-7/13 De bevoegdheid van de gewesten inzake de reddings- en sleepdiensten op zee is wel degelijk een relevant vergelijkingspunt om de bevoegdheid van de gewesten in verband met de loodsdiensten te bepalen. 5.2. In verband met het subsidiair aangevoerde verweer repliceert de verzoekende partij dat de bestreden beslissing niet valt onder de federale bevoegdheid inzake vestigingsvoorwaarden. De overwegingen uit het loodsenarrest van het Grondwettelijk Hof in verband met het brevet van havenloods zijn onmiddellijk en ongewijzigd toepasbaar op de Noordzeeloodsen. 6.1. Ter uitvoering van artikel 39 van de Grondwet is, wat betreft openbare werken en vervoer, bij artikel 6, § 1, X, eerste lid, 9/, BWHI, ingevoegd bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988 en gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, de bevoegdheid inzake “de loodsdiensten en de bebakeningsdiensten van en naar de havens, evenals de reddings- en sleepdiensten op zee” aan de gewesten toegewezen. Deze bevoegdheid houdt het recht in “om in de territoriale wateren en op het continentaal plat de werken en activiteiten uit te voeren, (...) die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van deze (bevoegdheid)” (artikel 6, § 1, X, tweede lid, BWHI) In de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 8 augustus 1988 is uiteengezet dat deze bevoegdheid de taken omvat “die nu toevertrouwd zijn aan het Bestuur van het Zeewezen en van de Binnenvaart”. Die taken werden als volgt omschreven: “- de uitoefening van de loodsdienst op zeeschepen in internationale wateren, in de Belgische territoriale wateren, op de Westerschelde, op het Kanaal van Gent naar Terneuzen, op de Beneden-Zeeschelde en op de Bovenschelde tot de sluis van Wintham; - de ondersteuningsdiensten op het water in de internationale wateren, in de Belgische territoriale wateren, op de rede van Vlissingen en op de Schelde; - de ondersteuningsdiensten aan wal, opererend vanuit de kusthavens Vlissingen, Gent en Antwerpen; - de walradarketen langs de kust en de Schelde tot de rede van Antwerpen; - het sluiten namens de Belgische Staat, van akkoorden met Nederland over de loodsgeldtarieven en het innen van loodsgelden; - de uitvoering van de bebakening in internationale wateren, in de Belgische territoriale wateren, op de Westerschelde en op de Beneden-Zeeschelde; - de sleepdienst en de reddingsdienst van de kust, die optreden in de internationale wateren en in de Belgische territoriale wateren; - de diensten die technische bijstand verlenen, of instaan voor de bouw van de voor de vermelde diensten bestemde uitrustingen en schepen” (Parl. St., Kamer, B.Z. 1988, nr. 516/1, p. 17) IX-2638-8/13 Uit de bepaling van artikel 6, § 1, X, eerste lid, 9/, BWHI, waarbij de bevoegdheid inzake de loodsdiensten “van en naar de havens” aan de gewesten is overgedragen, kan aldus niet worden afgeleid dat de wetgever het loodsen van schepen op de Noordzee en in het Kanaal als een federale aangelegenheid heeft willen voorbehouden. Uit de aangehaalde parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 8 augustus 1988, volgens welke de bevoegdheid van het gewest inzake de loodsdiensten “de uitoefening van de loodsdienst op zeeschepen” omvat, onder meer “in internationale wateren” en “in de Belgische territoriale wateren”, blijkt integendeel dat de bijzondere wetgever inzake de bevoegdheidsverdeling geen onderscheid heeft willen maken naargelang het werkgebied van de loodsdiensten. 6.2.1. Voor zover zij er niet anders over hebben beschikt, moeten de Grondwetgever en de bijzondere wetgever worden geacht aan de gemeenschappen en de gewesten de volledige bevoegdheid te hebben toegekend tot het uitvaardigen van regels die eigen zijn aan de aan hen toegewezen aangelegenheden. Behoudens andersluidende bepalingen heeft de bijzondere wetgever het gehele beleid inzake de door hem toegewezen aangelegenheden aan de gemeenschappen en de gewesten overgedragen. In zijn arrest nr. 2/97 van 16 januari 1997 heeft het Grondwettelijk Hof, uitspraak doende over een beroep tot gedeeltelijke vernietiging van het decreet van 19 april 1995 betreffende de organisatie en de werking van de loodsdienst van het Vlaamse Gewest, dan ook vastgesteld dat “artikel 6, § 1, X, [eerste lid,] 9/, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, en wat betreft de loodsdiensten binnen de havens, artikel 6, § 1, X, [eerste lid,] 3/, [...] de gehele aangelegenheid van de loodsdiensten, zowel in organieke als in functionele zin, aan de gewesten [hebben] overgedragen”. Het bestreden besluit voorziet in de samenstelling van een commissie die een adviserende bevoegdheid heeft in verband met de beroepsbekwaamheid van bepaalde loodsen en in verband met de verlening, de weigering, de schorsing of de intrekking van een certificaat aan de loodsen die geacht worden over een voldoende bekwaamheid te beschikken. Het heeft aldus betrekking op een loodsdienst, hetgeen overigens op zich niet betwist wordt door de verwerende partij. Mede in het licht van de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 8 augustus 1988 moet aangenomen worden dat het gaat om een IX-2638-9/13 regeling inzake een loodsdienst “van en naar de havens”. Het bestreden besluit regelt dan ook een aangelegenheid die behoort tot de bevoegdheid van de gewesten. 6.2.2. Ter zitting vraagt de verwerende partij om aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen in verband met de interpretatie die gegeven dient te worden aan artikel 4 van de wet van 8 juni 1983, gelezen in het licht van de artikelen 39 en 134 van de Grondwet en artikel 6, § 1, X, eerste lid, 9/, BWHI. De verwerende partij stelt meer bepaald voor om aan het Grondwettelijk Hof te vragen of de opdracht aan de Koning thans zo begrepen moeten worden dat de Vlaamse regering bevoegd is om de Nautische toezichtscommissie samen te stellen, dan wel of de Koning daarvoor bevoegd is gebleven. Artikel 26, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof verleent het Grondwettelijk Hof een bevoegdheid om uitspraak te doen over prejudiciële vragen in verband met de schending door een wet, een decreet of een ordonnantie van de Grondwet of de regels die krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten, alsmede over prejudiciële vragen in verband met conflicten tussen decreten of tussen een decreet en een ordonnantie, die uitgaan van verschillende wetgevers en voor zover het conflict ontstaan is uit hun onderscheiden werkingssfeer. Noch dat artikel 26, § 1, noch enige andere bepaling voorziet evenwel in een bevoegdheid van het Grondwettelijk Hof om te antwoorden op een vraag waarin het zou worden verzocht de bepalingen te interpreteren van de wetten, decreten en ordonnanties waarvan aan een rechter de toepassing wordt gevraagd. De door de verwerende partij gesuggereerde vraag komt dan ook niet voor een prejudiciële vraagstelling in aanmerking. Voor het overige ziet de Raad van State geen reden om ambtshalve een prejudiciële vraag te stellen. Geen van de partijen werpt trouwens op dat artikel 4 van de wet van 8 juni 1983 door een bevoegdheidsoverschrijding is aangetast. 6.3. Subsidiair voert de verwerende partij aan dat de federale overheid bevoegd is om het bestreden besluit te nemen, op grond van de aan haar voorbehouden bevoegdheid inzake vestigingsvoorwaarden. IX-2638-10/13 6.3.1. Krachtens artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 6/, BWHI is alleen de federale overheid bevoegd inzake de vestigingsvoorwaarden, met uitzondering van de te dezen niet relevante bevoegdheid van de gewesten voor de vestigingsvoorwaarden inzake toerisme. Volgens de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof omvat de door die bepaling aan de federale wetgever voorbehouden bevoegdheid onder meer de bevoegdheid om regels vast te stellen inzake de toegang tot bepaalde beroepen, om algemene regels of bekwaamheidseisen voor te schrijven in verband met de uitoefening van sommige beroepen en om beroepstitels te beschermen. Uit dezelfde rechtspraak blijkt dat de bevoegdheid inzake vestigingsvoorwaarden daarentegen niet de bevoegdheid omvat om toelatingsvoorwaarden tot openbare ambten vast te stellen, die immers geen beroepen zijn in de zin van artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 6/, BWHI. Dit geldt niet alleen voor de personen die deel uitmaken van de openbare diensten in de organieke betekenis van de term, maar ook voor de personen die, ongeacht de aard van hun juridische relatie met de administratie, een taak van algemeen belang verrichten en die aldus een openbare dienst verlenen in de functionele betekenis van het woord. 6.3.2. De bepalingen in verband met het certificaat van Noordzeeloods waarborgen de beroepsbekwaamheid van de aanvrager van het certificaat voor de zone waarvoor het certificaat wordt aangevraagd. Ze stellen daarentegen geen regels vast in verband met de toegang tot het beroep van loods als zodanig, en schrijven evenmin algemene regels of bekwaamheidseisen voor in verband met de uitoefening van dat beroep. Ze voorzien ook niet in de bescherming van een beroepstitel. Ten overvloede moet ook worden opgemerkt dat de wet van 8 juni 1983 aan de loodsen die hun diensten aanbieden als Noordzeeloods de verplichting oplegt om houder te zijn van het certificaat waarin die wet voorziet of van een door de bevoegde autoriteit van een Noordzee-kuststaat afgegeven gelijkwaardig certificaat. Ook al zijn de loodsen geen personeelsleden in dienst van een overheid, zoals door de verwerende partij wordt aangevoerd, dit neemt niet weg dat zij, gelet op de aard van hun functies en op de regeling ervan door de overheid, beschouwd moeten worden een taak van openbaar belang te vervullen en aldus een openbare dienst in functionele zin te behartigen. Daaruit volgt dat een regeling in verband met IX-2638-11/13 de verplichting voor Noordzeeloodsen om houder te zijn van een bepaald certificaat, niet geacht kan worden een vestigingsvoorwaarde te regelen. Het bestreden besluit kan derhalve niet beschouwd worden als behorend tot de aangelegenheid die bij artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 6/, BWHI aan de federale overheid is voorbehouden. 6.4. De conclusie is dat het bestreden besluit een aangelegenheid regelt als bedoeld in artikel 6, § 1, X, eerste lid, 9/, BWHI, en dat het genomen is met miskenning van de bevoegdheid terzake van de gewesten. Het middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd wordt het ministerieel besluit van 17 juli 2000 houdende benoeming van de leden van de Nautische toezichtscommissie. Artikel 2. Dit arrest wordt bij uittreksel bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-2638-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 9 maart 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-2638-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.156 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div