id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.157 Rolnummer: A. 96875/IX-3272 Zaak: Arrest 191157 - Leegstaande en verwaarloosde bedrijfsruimte - 09/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-20 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 21:08 Fiche Arrest nr 191.157 van 9 maart 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Leegstaande en verwaarloosde bedrijfsruimte Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.157 van 9 maart 2009 in de zaak A. 96.875/IX-
- In zake : Etienne VERBEECK, wonende te ANTWERPEN, Britselei 44 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Etienne VERBEECK op 26 oktober 2000 heeft ingediend opdat de Raad van State: “in hoofdorde:[...] voor recht [zou zeggen]: - dat de reclamatie van 23 juni 1999 tegen de aanslag heffingsjaar 1998 artikel 810540 van 27 mei 1999 als ingewilligd moet worden beschouwd en het gekweten bedrag van 210.000 frank, vermeerderd met interesten en procedurek- osten, aan [de verzoeker] moet worden terugbetaald; - dat de registratie in de inventaris van het eigendom van [de verzoeker] voor het jaar 2000 - kenmerk SV/VF/2000/46025/0007, brief administratie 13 maart 2000 - als niet- bestaande moet worden beschouwd; in zeer ondergeschikte orde: huidig verzoekschrift [zou] beschouwen als een verhaal tegen de aanslag heffingsjaar 1998 artikel 810540 van 27 mei 1999, gemotiveerd door de argumenten en middelen ingeroepen in het bezwaarschrift van 23 juni 1999 en in de [beroepen die de verzoeker heeft ingesteld bij de Raad van State, ingeschreven op de algemene rol onder nummers A. 76.405, A. 81.801 en A. 86.318]”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; IX-3272-1/12 Gelet op de beschikking van 26 maart 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoeker; Gelet op de beschikking van 27 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 februari 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van de verzoeker, die verschijnt in persoon; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur-generaal P. DE WOLF; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten
- De verzoeker is ten tijde van de bestreden beslissing eigenaar van een aantal gebouwen gelegen te Tielrode (Temse).
- Met toepassing van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing worden de bovenvermelde onroerende goederen achtereenvolgens op 28 mei 1997, 16 juni 1998 en 18 maart 1999 opgenomen in de inventaris van leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten, respectievelijk voor de jaren 1997, 1998 en
- De verzoeker stelt tegen de voormelde registraties beroep in bij de Vlaamse regering. Tegen de beslissingen die de Vlaamse minister van ruimtelijke ordening inzake deze beroepen neemt, respectievelijk op 12 september 1997, 28 oktober 1998 en 30 juni 1999, stelt de verzoeker beroepen in bij de Raad van IX-3272-2/12 State. Deze zaken worden ingeschreven op de algemene rol onder de nummers A. 76.405, A. 81.801 en A. 86.
- Met de arresten nrs. 120.674 en 120.675 van 18 juni 2003 werden de beroepen in de zaken A. 81.801 en A. 86.318 onontvank- elijk verklaard, als zijnde gericht tegen een louter voorbereidende handeling. In de zaak A. 76.405 wordt bij arrest nr. 127.575 van 29 januari 2004 de afstand van het geding vastgesteld; het verzoek van de verzoeker tot herziening van dit arrest wordt verworpen bij arrest nr. 144.321 van 12 mei
- Op 27 mei 1999 wordt aan de verzoeker een aanslagbiljet verstuurd inzake de heffing ter bestrijding van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten met betrekking tot bovenvermelde goederen, heffingsjaar 1998, kohierartikel 810540, uitvoerbaar verklaard op 27 mei
- De verschuldigde heffing bedraagt 210.000 frank (5.205,76 euro). Met een schrijven van 23 juni 1999, verzonden met een op 24 juni 1999 ter post aangetekende brief, dient de verzoeker tegen deze aanslag een bezwaarschrift in bij de Vlaamse regering. Op 13 september 1999 beslist de gemachtigde ambtenaar dat het bezwaarschrift ontvankelijk is en dat de termijn waarbinnen beslist moet worden over de gegrondheid met twee maanden verlengd wordt, d.w.z. tot 24 november
- De genoemde onroerende goederen worden op 8 maart 2000 andermaal opgenomen in de inventaris van leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten, voor het jaar
- De verzoeker stelt op 11 april 2000 ook tegen die registratie beroep in bij de Vlaamse regering.
- Op 26 mei 2000 wordt aan de verzoeker een aanslagbiljet toegezonden inzake de heffing ter bestrijding van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, heffingsjaar 1999, kohierartikel 910764, uitvoerbaar verklaard op 25 mei
- De verschuldigde heffing bedraagt 210.000 frank (5.205,76 euro). Met een aangetekende brief van 22 juni 2000 dient de verzoeker tegen de bovenvermelde aanslag een bezwaarschrift in bij de Vlaamse regering. IX-3272-3/12
- Op 26 oktober 2000 dient de verzoeker het voorliggende beroep in. Het heeft betrekking op de aanslag voor het heffingsjaar 1998, artikel 810540 (zie hiervóór, overweging 3), en op de registratie van de bedrijfsruimten van de verzoeker in de inventaris van leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten voor het jaar 2000 (zie hiervóór, overweging 4). Op te merken valt dat het beroep ertoe strekt de Raad van State uit te nodigen tot het vaststellen van de gevolgen verbonden aan het uitblijven van een beslissing, binnen de voorgeschreven termijn, over de bezwaarschriften die de verzoeker tegen de initiële beslissingen (aanslag resp. registratie) heeft ingesteld. In zoverre het uitblijven van een beslissing over het bezwaarschrift tegen de aanslag geïnterpreteerd zou moeten worden als een verwerping van het bezwaarschrift, dient het voorliggende beroep als een beroep tot nietigverklaring van die stilzwijgende beslissing te worden beschouwd.
- Het bezwaarschrift van de verzoeker tegen de registratie van zijn eigendom in de inventaris van leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten, voor het jaar 2000 (zie hiervóór, overweging 4), wordt bij besluit van 27 oktober 2000 uitdrukkelijk verworpen door de Vlaamse minister van ruimtelijke ordening. Tegen dit besluit stelt de verzoeker beroep in bij de Raad van State. Die zaak wordt bij de Raad ingeschreven onder nummer A. 98.
- Bij arrest nr. 125.454 van 19 november 2003 verklaart de Raad van State dat beroep onontvankelijk, op grond dat het gericht is tegen een louter voorbereidende handeling.
- De gemachtigde ambtenaar wijst ook de twee voornoemde bezwaarschriften, gericht tegen de aanslagen kohierartikelen 810540 en 910764, heffingsjaren 1998 en 1999 (zie hiervóór, overwegingen 3 en 5), uitdrukkelijk af als ongegrond. Die beslissing wordt genomen bij een niet-gedateerd besluit, dat bij aangetekende brief van 19 februari 2001 aan de verzoeker wordt betekend. Tegen dat besluit stelt de verzoeker beroep in bij de Raad van State (zaak A. 103.363). Bij arrest nr. 125.455 van 19 november 2003 verwerpt de Raad het beroep, op grond van diens onbevoegdheid om van het beroep kennis te nemen.
- Er kan nog melding gemaakt worden van het feit dat de litigieuze onroerende goederen ook op 9 maart 2001 en 10 april 2002 worden opgenomen in IX-3272-4/12 de inventaris van leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten, respectievelijk voor de jaren 2001 en
- De verzoeker stelt ook tegen die registraties beroepen in bij de Vlaamse regering. Die beroepen worden bij besluiten van 4 juli 2001 en 29 augustus 2002 verworpen door de Vlaamse minister van ruimtelijke ordening. Tegen die besluiten stelt de verzoeker beroepen in bij de Raad van State. Die zaken worden bij de Raad ingeschreven onder de nummers A. 110.027 en A. 129.
- Met de arresten nr. 125.456 van 19 november 2003 en nr. 128.559 van 26 februari 2004 verklaart de Raad van State die beroepen onontvankelijk, telkens alweer op grond dat ze gericht zijn tegen een louter voorbereidende handeling.
- Ondertussen, op 15 juni 2001, is aan de verzoeker een aanslagbiljet toegezonden inzake de heffing ter bestrijding van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, heffingsjaar 2000, kohierartikel 1000100875, uitvoerbaar verklaard op 23 mei
- Het bezwaarschrift van de verzoeker tegen die heffing wordt door de gemachtigde ambtenaar verworpen, bij besluit van 27 november
- Het daartegen ingestelde beroep bij de Raad van State (zaak A. 115.951) wordt verworpen bij arrest nr. 125.457 van 19 november 2003, andermaal wegens de onbevoegdheid van de Raad. Rechtspleging
- De verzoeker heeft een laatste memorie ingediend die ter griffie is ontvangen op 29 april
- Met een aangetekende brief van 26 juni 2002 heeft hij een tweede laatste memorie ingediend. Het procedurereglement voorziet niet in de neerlegging van een tweede laatste memorie. Die laatste memorie, door de verzoeker ingediend op 26 juni 2002, dient uit de debatten te worden geweerd. Bevoegdheid van de Raad van State
- De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een exceptie van onbevoegdheid van de Raad van State op. IX-3272-5/12 Zij laat in eerste instantie gelden dat de bestreden beslissingen louter declaratieve beslissingen zijn die enkel tot doel hebben het bestaan vast te stellen van de rechtsgevolgen die zijn verbonden aan de inkohiering en de uitvoerbaarverklaring van de heffing, waarbij de bevoegdheid van de overheid volledig gebonden is. De verwerende partij voert voorts aan dat uit de artikelen 569, eerste lid, 32/, 632, 1385 decies en 1385 undecies van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat de rechtbank van eerste aanleg bevoegd is inzake fiscale geschillen. Zij verwijst dienaangaande naar het arrest nr. 84.689 van de Raad van State van 17 januari 2000, Vertongen, waarin de bevoegdheid van voornoemde rechtbanken in fiscale zaken wordt aanvaard.
- De verzoeker erkent in zijn memorie van wederantwoord dat de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, waarbij artikel 569, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek is aangevuld met een 32/, de fiscale geschillen toevertrouwt aan de rechtbank van eerste aanleg. Hij wijst evenwel op de overgangsbepaling van artikel 11 van de wet van 23 maart
- Hij stelt in dat verband het volgende: “Dat artikel 11 van de wet van 23 maart 1999 -houdende overgangsbepaling- zegt dat de gedingen die hangende zijn bij de hoven en rechtbanken en andere instanties, met inbegrip van de rechtsmiddelen die tegen hun beslissingen kunnen worden aangevoerd, worden vervolgd en afgehandeld met toepassing van de vóór 1 maart 1999 geldende regels (zie eveneens art. 97, vierde lid, van de wet van 15 maart 1999); Aangezien de belastingprocedure ingesteld bij het decreet van 19 april 1995 de opname in de inventaris voorziet gedurende twee achtereenvolgende jaren en nadien de aanslag in de belasting; Aangezien het eigendom van verzoeker te Tielrode [...] werd opgenomen in de inventaris voor de jaren 1997 en 1998; Dat tegen elk van deze opnamen een reclamatie werd ingediend bij de Vlaamse regering; Dat tegen elke beslissing van de Vlaamse regering verhaal werd ingesteld bij de Raad van State (17 november 1997, G/A. 76.405/X-7871; 31 december 1998, G/A 81.801/X-8620); Aangezien de aanslag in de belasting werd gevestigd op 27 mei 1999 (art. 810540 heffingsjaar 1998); Dat verzoeker daartegen bij de Vlaamse regering een reclamatie heeft ingediend op 23 juni 1999; Aangezien aan verzoeker een opname in de inventaris werd betekend voor het jaar 2000 bij brief van 13 maart 2000 - kenmerk SV/VF/2000/46025/0007; Dat hij daartegen een reclamatie heeft ingediend bij de Vlaamse regering op 11 april 2000; IX-3272-6/12 Dat op de reclamaties van 23 juni 1999 en 11 april 2000 niet werd geantwoord binnen de in het decreet voorgeschreven termijn (art. 26, § 6, en art. 8, § 1, tweede lid); Dat verzoeker verhaal heeft ingediend bij de Raad van State bij gemeld verzoekschrift van 25 oktober 2000; Dat de belastingprocedure voorzien bij het decreet van 19 april 1995 één geheel vormt; Dat de Raad van State zal oordelen of hij bevoegd is om uitspraak te doen over het verzoekschrift van 25 oktober 2000 en over de verzoekschriften die ermee samenhangen van 17 november 1997 en 31 december 1998.” In zijn (eerste) laatste memorie stelt de verzoeker onder meer: “De opname in de inventaris, zoals bepaald in art. 15, § 1, van het decreet van 19 april 1995, is een essentiële vereiste voor de heffing der belasting. De aanslag artikel 810540 van 27 mei 1999 -heffingsjaar 1998- is noodzakelijkerwijze gesteund op de opnamen in de inventaris voor de jaren 1997 en
- Tegen de opname in de inventaris van 28 mei 1997 heeft verzoeker verhaal ingesteld bij de Raad van State op 17 november 1997 - ref. G/A. 76.405/X-
- En een memorie van wederantwoord werd ingediend op 11 mei
- Tegen de opname in de inventaris van 16 juni 1998 werd verhaal ingesteld op 31 december 1998 - ref. G/A. 81.801/X-
- Een wederantwoord werd ingediend op 9 juni
- De aanslag art. 910764 van 25 mei 2000 -heffingsjaar 1999- is noodzakelijkerwijze gesteund op de registratie in de inventaris van 1998 en
- Tegen de registraties in de inventaris van 1997 en 1998 werd de voorziene procedure ingesteld bij de Raad van State vóór de totstandkoming van de wet van 23 maart 1999 betreffende de bevoegdheid voor fiscale zaken. De achtereenvolgende registraties in de inventaris en aanslagen vormen een aaneengesloten geheel in het uitgedacht belastingssysteem dat is neergelegd in het decreet van 19 april 1995 en zijn uitvoeringsbesluiten. [...] Wanneer artikel 11 - overgangsbepaling van de wet van 23 maart 1999 - zegt dat de hangende procedures moeten voortgezet worden volgens de regelen van vóór 1 maart 1999, geldt dit normaal ook voor de procedures die daarmee onafscheidbaar verbonden zijn. De heer Eerste Auditeur beperkt zich in zijn verslag tot het rekwest van 25 oktober
- Dit rekwest heeft betrekking op de aanslag art. 810540 heffing 1998 en werd ingediend overeenkomstig artikel 14, § 3, van de wetten op de Raad van State, daar geen ministeriële beslissing werd genomen aangaande deze aanslag. Dit rekwest wordt geïsoleerd beschouwd . De voorafgaande registraties in de inventaris worden geacht van geen belang te zijn. Deze stelling is niet verenigbaar met de verknochtheid tussen de opnamen in de inventaris en de belasting, zoals georganiseerd door de Vlaamse overheid. Voor de goede rechtsbedeling is het nodig dat hetzelfde rechtscollege oordeelt over de registraties in de inventaris en de aanslagen die erop volgen.”
- De verzoeker vordert in de eerste plaats dat de Raad van State “voor recht zou zeggen” dat zijn bezwaar bij de Vlaamse regering tegen de aanslag voor het heffingsjaar 1998 (artikel 810540) “als ingewilligd moet worden IX-3272-7/12 beschouwd”, en dat het reeds gekweten bedrag, verhoogd met de interesten en de kosten, dienvolgens moet worden terugbetaald. Daargelaten de vraag of deze vordering nog een voorwerp heeft, gelet op de uitdrukkelijke beslissing die de gemachtigde ambtenaar ondertussen over het bedoelde bezwaar heeft genomen, met name bij het besluit dat op 19 februari 2001 aan de verzoeker is betekend (zie hiervóór, overweging 8), moet in elk geval vastgesteld worden dat de Raad van State niet bevoegd is om de gevolgen vast te stellen die uit het stilzitten van de overheid voortvloeien, en nog minder om de overheid te veroordelen tot het terugbetalen van zogezegd ten onrechte geïnde belastingen. In dit opzicht is de exceptie gegrond.
- De verzoeker vordert voorts dat de Raad van State “voor recht zou zeggen” dat de opname van zijn eigendom in de inventaris van de leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten, voor het jaar 2000, “als niet bestaande moet worden beschouwd”. Daargelaten de vraag of ook deze vordering nog wel een voorwerp heeft, gelet op de uitdrukkelijke beslissing die de Vlaamse minister van ruimtelijke ordening ondertussen over het bedoelde bezwaar heeft genomen, met name bij het besluit van 27 oktober 2000 (zie hiervóór, overweging 7), moet in elk geval andermaal vastgesteld worden dat de Raad van State niet bevoegd is om de gevolgen vast te stellen die uit het stilzitten van de overheid voortvloeien. Ook in dit opzicht is de exceptie gegrond.
- Subsidiair vordert de verzoeker de nietigverklaring van de stilzwijgende beslissing tot verwerping van zijn hiervóór genoemde bezwaar tegen de aanslag voor het heffingsjaar 1998 (artikel 810540), in de veronderstelling dat het uitblijven van een beslissing als een stilzwijgend afwijzende beslissing moet worden beschouwd. 16.
- Ook hier rijst alweer de vraag of dit beroep nog wel een voorwerp heeft, gelet op de uitdrukkelijke beslissing die de gemachtigde ambtenaar ondertussen over het bedoelde bezwaar heeft genomen, met name bij het besluit dat IX-3272-8/12 op 19 februari 2001 aan de verzoeker is betekend (zie hiervóór, overweging 8). Bovendien rijst de vraag of het uitblijven van een beslissing wel tot gevolg heeft dat de overheid geacht moet worden het bezwaar stilzwijgend te hebben verworpen. Op deze vragen moet echter niet worden ingegaan omdat het beroep, zoals het subsidiair bij de Raad van State aanhangig is gemaakt, in elk geval niet behoort tot de bevoegdheid van de Raad. 16.
- Artikel 569, eerste lid, 32/, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals aangevuld bij artikel 4 van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, geeft de rechtbanken van eerste aanleg de bevoegdheid inzake de beslechting van “geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet”. Blijkens de parlementaire voorbereiding van de wet van 23 maart 1999 is het de bedoeling van de wetgever geweest om het fiscaal contentieux (behoudens de betwisting van normatieve fiscale bepalingen) volledig te integreren in de rechterlijke macht. De memorie van toelichting van voormelde wet bevat in dat verband de volgende overwegingen: “Dit artikel maakt de kern uit van de voorgestelde hervorming: integratie van het fiscaal contentieux in de rechterlijke macht, meer bepaald bij de bijzondere, exclusieve bevoegdheden van de rechtbank van eerste aanleg. De terminologie werd ontleend aan artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek. 'Belastingwet' moet, zoals van oudsher wordt aangenomen voor de toepassing van voornoemd artikel, in de materiële betekenis worden verstaan, dus als elk algemeen verbindend fiscaal voorschrift, het weze een federale wet, een decreet, een ordonnantie of een verordening. Het gebruik van de notie 'geschillen over de toepassing van een belastingwet' als criterium van de volstrekte bevoegdheid heeft nog tot gevolg dat de rechterlijke macht uitspraak zal kunnen doen over de wettelijkheid van om het even welke individuele toepassing van een belastingnorm. Sommige individuele fiscale rechtshandelingen -zoals het (niet-)toestaan van termijnverlengingen (artikel 311 WIB/92), het (niet-)toestaan van uitstel van betaling of afbetaling van de belasting (artikel 10 W. 15 mei 1846, thans artikel 66 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit), het (niet-) toestaan van uitstel van betaling van de 'onbetwistbaar verschuldigde belasting' (artikel 410, derde lid, WIB/92), het (niet-)vrijstellen van de betaling van nalatigheidsintresten (artikel 417 WIB/92) en het opleggen van een zekerheids- of borgstelling (artikel 420 WIB/92)- konden tot dusver, bij gebrek aan bijzondere bevoegdheid van de rechterlijke macht, slechts bij de Raad van State worden aangevochten. Normatieve fiscale rechtshandelingen van hun kant zullen, zoals voorheen, uitsluitend kunnen worden aangevochten bij het Arbitragehof of de Raad van State, naargelang het gaat om een formele wet (artikel 142 van de Grondwet; artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof) of een IX-3272-9/12 verordening (artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State). Dit neemt niet weg dat de wettelijkheid van een fiscale norm zijdelings bij de gewone rechter kan worden betwist, dat wil zeggen wanneer die norm de grondslag uitmaakt van de rechtstreeks aangevochten, individuele fiscale rechtshandeling (artikel 142 van de Grondwet en artikel 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, respectievelijk artikel 159 van de Grondwet). Uiteraard kunnen bij de rechterlijke macht, overeenkomstig de artikelen 17 en 18, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek slechts vorderingen worden ingesteld wanneer de eiser daarbij een reeds verkregen en dadelijk belang heeft. Dit betekent dat de rechtsvordering van de belastingplichtige tegen de fiscus slechts toelaatbaar is, benevens in de hierboven vermelde gevallen waarvoor de Raad van State niet langer bevoegd is, om een ten onrechte gevestigde, uitvoerbare belastingtitel te betwisten of om een onverschuldigd betaalde belasting terug te vorderen”(Parl. St,. Kamer, 1997-98, nrs. 1341-1342/1, p. 35). Uit het bovenstaande blijkt dat het de bedoeling van de wetgever is dat de Raad van State alleen nog maar bevoegd is voor “normatieve fiscale rechtshandelingen”. Al de andere fiscale geschillen behoren tot de exclusieve bevoegdheid van de rechterlijke macht. Die exclusieve bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg voor geschillen over individuele fiscale rechtshandelingen sluit de algemene bevoegdheid van de Raad van State ex artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State uit. Te dezen werpt de verzoeker een betwisting op in verband met een heffing die op grond van de artikelen 15 en volgende van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten is gevestigd. Voormelde heffing is een belasting die door het Vlaamse Gewest is ingevoerd in de uitoefening van de eigen fiscale bevoegdheid op grond van artikel 170, § 2, van de Grondwet. Het voorliggende geschil betreft aldus de individuele toepassing van bepalingen uit een belastingwet en valt derhalve onder de toepassing van artikel 569, eerste lid, 32/, van het Gerechtelijk Wetboek. 16.
- De genoemde wet van 23 maart 1999 is, bij gebrek aan bijzondere bepaling, in werking getreden op 6 april
- IX-3272-10/12 Weliswaar bepaalt artikel 11 van die wet dat de gedingen die hangende zijn bij de hoven, de rechtbanken en andere instanties, met inbegrip van de rechtsmiddelen die tegen hun beslissingen kunnen worden aangewend, vervolgd en afgehandeld worden met toepassing van de vóór 1 maart 1999 geldende regels. Op 6 april 1999 was echter bij de Raad van State nog geen beroep ingesteld tegen de aanslag voor het aanslagjaar
- De bestreden heffing dateert trouwens van 27 mei 1999 (datum van uitvoerbaarverklaring van het kohier), terwijl de verzoeker op 24 juni 1999 nog eerst een bezwaar heeft ingediend bij de Vlaamse regering. De overgangsregeling van artikel 11 van de wet van 23 maart 1999 geldt bijgevolg niet voor het voorliggende geschil. Weliswaar heeft de verzoeker vóór 6 april 1999 bij de Raad van State beroepen ingesteld tegen beslissingen in verband met de opname van zijn eigendommen in de inventaris van de leegstaande of verwaarloosde bedrijfsgebouwen voor de jaren 1997 en
- Deze beroepen hebben echter hun eigen afwikkeling gekregen, en hebben ondertussen ook geleid tot afzonderlijke arresten van de Raad van State (zie hiervóór, overweging 2). Die beroepen zijn derhalve van geen belang voor de toepassing van artikel 11 van de wet van 23 maart
- 16.
- Gelet op de exclusieve bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg, is de Raad van State te dezen onbevoegd om van het subsidiair ingestelde beroep kennis te nemen. Ook in dit opzicht is de exceptie gegrond. IX-3272-11/12 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 9 maart 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-3272-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.157 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div