← België

Arrest 191160 - Tucht (openbaar ambt) - 09/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.160 Rolnummer: A. 167077/IX-5095 Zaak: Arrest 191160 - Tucht (openbaar ambt) - 09/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-20 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 21:09 Fiche Arrest nr 191.160 van 9 maart 2009 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.160 van 9 maart 2009 in de zaak A. 167.077/IX-

  1. In zake : Wim VERVUEREN, wonende te VILVOORDE, Veldovenweg 18 tegen : de POLITIEZONE 5340 BRUSSEL-WEST, vertegenwoordigd door het politiecollege, die woonplaats kiest bij advocaat M. FORET, kantoor houdende te BRUSSEL, Frans Gasthuislaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Wim VERVUEREN op 21oktober 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 24 augustus 2005 van het politiecollege van de politiezone 5340 Brussel-West waarbij hem de lichte tuchtstraf van de blaam wordt opgelegd; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur G. DE BLEECKERE, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; Gelet op de beschikking van 22 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 januari 2009; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad B.THYS; IX-5095-1/11 Gehoord de opmerkingen van advocaat I. MARTENS, die verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat T. SCHREURS die, loco advocaat M. FORET, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Rechtspleging 1.
  3. De auditeur-verslaggever heeft op 4 december 2008 over het voorliggende beroep tot nietigverklaring een verslag opgesteld met toepassing van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zoals vervangen bij koninklijk besluit van 25 april 2007 tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 1.
  4. De bedoelde bepaling van het algemeen procedurereglement luidt als volgt: “Indien blijkt dat het beroep tot nietigverklaring doelloos is of dat het slechts korte debatten vereist, brengt de auditeur daarvan onverwijld verslag uit aan de voorzitter van de kamer belast met de zaak. De voorzitter roept de verzoekende partij, de verwerende partij en de tussenkomende partij op om op korte termijn voor hem te verschijnen; het verslag wordt bij de oproeping gevoegd. Indien de voorzitter het eens is met de conclusies van het verslag, wordt de zaak definitief beslecht. Indien hij van oordeel is dat de zaak niet in zoverre gereed is dat zij definitief kan worden beslecht, verwijst hij deze naar de gewone rechtspleging.” Ze is krachtens de artikelen 100 en 101 van het voornoemde koninklijk besluit van 25 april 2007 in werking getreden op 1 juni 2007 en van toepassing op de beroepen ingediend vanaf deze inwerkingtreding. IX-5095-2/11 1.
  5. In zijn verslag stelt de auditeur-verslaggever van oordeel te zijn dat voor de afhandeling van de zaak slechts korte debatten, zoals bedoeld in artikel 93 van het algemeen procedurereglement, vereist zijn. Vermits het voorliggende beroep tot nietigverklaring reeds op 21 oktober 2005, dus vóór de inwerkingtreding van de “korte debattenprocedure” van artikel 93 bij de Raad van State werd ingediend, kan die procedure te dezen niét van toepassing zijn. 1.
  6. De auditeur-verslaggever onderzoekt echter in zijn verslag het eerste en het tweede door de verzoeker aangevoerde middel en komt tot het besluit dat deze beide middelen “duidelijk” gegrond zijn. Met betrekking tot het tweede middel stelt hij dat “ook” dit middel “(kennelijk) gegrond” is. Indien met de auditeur-verslaggever moet worden vastgesteld dat op zijn minst één van de twee onderzochte middelen kennelijk gegrond is, is er reden om de zaak af te handelen met toepassing van artikel 94 van het algemeen procedurereglement, hetwelk voor de beroepen die tot 1 juni 2007 werden ingediend, evenzeer voorziet in een versnelde rechtspleging “wanneer na inzage van het administratief dossier blijkt dat de vordering kennelijk gegrond is”. Feiten 2.
  7. Op het ogenblik van de bestreden beslissing is de verzoeker inspecteur van politie bij de lokale politiezone Brussel-West. Hij is werkzaam als wijkinspecteur. 2.
  8. Op 4 augustus 2004 wordt in de voornoemde politiezone de tussenkomst van de politie gevraagd wegens een vechtpartij. Na hun tussenkomst rapporteren de politieambtenaren dat bij het incident geen slagen waren toegebracht en dat het slechts een verbale ruzie betrof, die werd opgelost. Er wordt geen proces-verbaal opgesteld. Op 6 augustus 2004 biedt mevrouw E.O. zich aan op het politiecommissariaat om een klacht in te dienen wegens vrijwillige slagen en verwondingen die op 4 augustus 2004 zouden zijn toegebracht. Er wordt haar dan IX-5095-3/11 gevraagd om zich op 8 augustus 2004 terug aan te bieden, bij de brigade die op 4 augustus 2004 ter plaatse is geweest. Op 8 augustus 2004 vraagt inspecteur V.L. van die brigade de tussenkomst van de verzoeker als wijkinspecteur. Ter attentie van de verzoeker wordt een verslag opgesteld betreffende de klacht van mevrouw E.O. en de door haar verwachte tussenkomst van de wijkinspecteur. Bij de ontvangst van dit verslag beklaagt de verzoeker zich bij zijn overste, politiecommissaris P.C., over de gang van zaken. Hij neemt blijkbaar aanstoot aan het feit dat deze zaak naar hem werd “doorgeschoven”. Politiecommissaris P.C. legt vervolgens aan de verzoeker uit dat het weliswaar “technisch” juist is dat het niet de verzoeker is die de zaak zou moeten opnemen, maar dat de bevolking nu eenmaal niet het slachtoffer mag worden van interne organisatorische problemen. De politiecommissaris geeft de verzoeker dan ook de opdracht om de klaagster te verhoren. De verzoeker geeft daaraan echter geen gevolg en beklaagt zich bij de Dienst Intern Toezicht van de politiezone. Wanneer politiecommissaris P.C. kennis krijgt van deze demarche van de verzoeker, geeft hij aan de verzoeker formeel het bevel om mevrouw E.O. te verhoren. Maar ook dit bevel wordt door de verzoeker niet uitgevoerd. Dit zijn de feiten, zoals ze blijken uit het inleidende verslag van de hogere tuchtoverheid, die aanleiding hebben gegeven tot de bestreden tuchtstraf. 2.
  9. Met een nota van 17 november 2004 van de Dienst Intern Toezicht, wordt de korpschef van de politiezone van deze feiten in kennis gesteld. 2.
  10. Op 21 maart 2005 beslist de korpschef de hogere tuchtoverheid met het dossier van de verzoeker te vatten, omdat “de feiten mogelijks, gelet op hun aard en hun ernstig karakter, een zware tuchtstraf kunnen genereren”. 2.
  11. Op 27 april 2005 beslist het politiecollege tegen de verzoeker een tuchtprocedure in te leiden. IX-5095-4/11 2.
  12. Het inleidende verslag, dat van 20 april 2005 dateert, vermeldt de aan de verzoeker ten laste gelegde feiten en zet uiteen dat deze feiten vaststaan, aan de verzoeker moeten worden toegerekend en als tuchtvergrijpen moeten worden gekwalificeerd. Het bevat tevens het voorstel om aan de verzoeker de zware tuchtstraf van de inhouding van 10% van zijn wedde gedurende één maand op te leggen. Onder de rubriek “rechten van verdediging” wordt voorts in het inleidende verslag onder meer vermeld dat de verzoeker kan vragen om mondeling te worden gehoord en dat hij het recht heeft om een verweerschrift in te dienen, dat “aan [het] secretariaat [van het politiecollege] verzonden [moet] worden, binnen een termijn van dertig dagen die aanvangt de dag volgend op de kennisgeving van dit inleidend verslag.” De verzoeker ondertekent het inleidende verslag op 28 april 2005 voor kennisneming en ontvangst. 2.
  13. Met een op 27 mei 2005 ter post aangetekend verzonden schrijven, dat op 30 mei 2005 door het politiecollege wordt ontvangen, dient de verzoeker een verweerschrift in. Daarin vraagt hij onder meer om te worden gehoord. 2.
  14. Op 8 juni 2005 beslist het politiecollege voor te stellen de verzoeker de zware tuchtstraf van de inhouding van 10% van zijn wedde gedurende één maand op te leggen. Het verweerschrift dat de verzoeker heeft ingediend, wordt onontvankelijk verklaard op grond van de overweging “dat [het] buiten de wettelijke termijn van 30 dagen werd ontvangen door het secretariaat van het politiecollege, nl. [op] 30 mei 2005”. Dienvolgens wordt de verzoeker ook niet gehoord. 2.
  15. Op 15 juni 2005 dient de verzoeker een verzoek tot heroverwe- ging in bij de tuchtraad. 2.
  16. Op 5 juli 2005 wordt de verzoeker door de tuchtraad gehoord. 2.
  17. Op 20 juli 2005 geeft de tuchtraad zijn advies. IX-5095-5/11 De tuchtraad stelt in hoofdorde dat de rechten van verdediging van de verzoeker geschonden zijn. Hij zet uiteen dat het politiecollege het verweerschrift van de verzoeker ten onrechte onontvankelijk heeft verklaard, omdat het voor het beoordelen van de naleving van de termijn van dertig dagen voor het indienen van een verweerschrift, de datum van ontvangst van het verweerschrift in aanmerking heeft genomen, terwijl in het inleidende verslag uitdrukkelijk was vermeld dat het verweerschrift binnen een termijn van dertig dagen moest worden verzonden. De tuchtraad besluit: “De rechten van verdediging zijn geschon- den door het niet ontvangen van de verweermiddelen die rechtsgeldig werden ingediend. De tuchtbeslissing van 8 juni 2005 kon niet genomen worden zonder rekening te houden met de argumentatie van de verdediging. Minstens moesten deze argumenten op gemotiveerde wijze worden beantwoord. Zo mocht deze beslissing evenmin genomen worden zonder INP Vervueren voorafgaand te horen.” Op grond hiervan adviseert de tuchtraad de lopende tuchtprocedu- re af te sluiten zonder bestraffing. In ondergeschikte orde adviseert de tuchtraad, na onderzoek van de grond van de tuchtzaak, dat aan de verzoeker de lichte tuchtstraf van de blaam zou worden opgelegd. 2.
  18. De inspecteur-generaal van de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie heeft vooraf in zijn deskundig verslag over het verzoek tot heroverweging van de verzoeker eveneens de onregelmatigheid van de tuchtprocedure vastgesteld en het opleggen van de lichte tuchtstraf van de blaam geadviseerd. 2.
  19. Op 24 augustus 2005 beslist het politiecollege aan de verzoeker de lichte tuchtstraf van de blaam op te leggen. Dit is de bestreden beslissing, die op 25 augustus 2005 door de verzoeker voor kennisneming en ontvangst wordt ondertekend. Ten gronde 3.
  20. De verzoeker roept een eerste middel in, afgeleid uit de schending van artikel 38quater van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de IX-5095-6/11 personeelsleden van de politiediensten (hierna: de Politietuchtwet), alsook uit de schending van de rechten van verdediging. Hij voert aan dat de hogere tuchtoverheid ten onrechte heeft besloten dat het door hem ingediende verweerschrift als onontvankelijk moest worden beschouwd en dat hij dienvolgens niet voor een verhoor moest worden uitgenodigd. De verzoeker betoogt dat luidens artikel 38quater van de Politietuchtwet het verweerschrift moet worden ingediend binnen een termijn van dertig dagen na de dag volgend op de ontvangst van het inleidende verslag. De verwerende partij interpreteert deze wetsbepaling foutief wanneer zij ervan uitgaat dat het verweerschrift binnen de dertig dagen in haar bezit moet zijn. Volgens de verzoeker volstaat het dat het verweerschrift binnen de dertig dagen wordt ingediend. Hij stelt dat hij deze termijn heeft gerespecteerd, vermits hij zijn verweerschrift met een aangetekende zending van 27 mei 2005, dit wil zeggen op de 29ste dag, heeft ingediend. Zijn interpretatie vindt steun in het inleidende tuchtverslag dat uitdrukkelijk vermeldde dat het verweerschrift naar het secretariaat diende te worden “verzonden” binnen een termijn van dertig dagen na de kennis- geving van dat verslag. De verzoeker laat voorts gelden dat zelfs indien artikel 38quater van de Politietuchtwet zou moeten worden geïnterpreteerd overeenkomstig het standpunt van de verwerende partij, hij dan nog mocht voortgaan op de informatie die hem door de tuchtoverheid was bezorgd bij de betekening van het inleidende verslag. Hij besluit dat de hogere tuchtoverheid in geen geval mocht beslissen zijn verweerschrift onontvankelijk te verklaren en hem niet de kans te geven om te worden gehoord. Ten slotte wijst hij er nog op dat ook de tuchtraad deze schending van zijn rechten van verdediging heeft aanvaard. 3.
  21. De verwerende partij antwoordt dat geen sprake is van enige schending van verzoekers rechten van verdediging. Zij stelt dat zij de wet dient toe te passen. Artikel 38quater van de Politietuchtwet schrijft voor dat het verweer- IX-5095-7/11 schrift binnen dertig dagen na de dag volgend op de ontvangst van het inleidende verslag wordt ingediend. In casu werd het inleidende verslag op 28 april 2005 aan de verzoeker ter kennis gebracht. De termijn van dertig dagen voor het indienen van een verweerschrift ving voor de verzoeker dan ook aan op 29 april 2005 en eindigde op 29 mei
  22. Het wordt niet betwist dat verzoekers verweerschrift en vraag om te worden gehoord pas op 30 mei 2005 op het secretariaat van het politiecollege zijn toegekomen, wat dus laattijdig is. De verzoeker gaat er ten onrechte vanuit dat de datum van de verzending van het verweerschrift in aanmerking dient te worden genomen voor het beoordelen van de tijdigheid ervan. Eveneens verschuilt hij zich ten onrechte achter de bewoordingen van het inleidende verslag. Voor zover de Raad van State haar voormelde standpunt niet zou bijvallen, laat de verwerende partij nog gelden dat aangezien de verzoeker door de tuchtraad werd gehoord en de bestreden beslissing rekening houdt met het advies van de tuchtraad, zijn rechten van verdediging hoe dan ook niet in die mate werden geschonden dat hem geen tuchtstraf zou kunnen worden opgelegd. Volgens de verwerende partij heeft de tuchtraad ten onrechte gemeend dat het verzoek tot heroverweging, dat door de verzoeker werd ingediend, niet kan worden gelijkgesteld met een verhoor waarop het tuchtrechtelijk vervolgde personeelslid recht heeft voordat een strafvoorstel wordt geformuleerd. De verwerende partij argumenteert dat de verzoeker in zijn verweermiddelen door de tuchtraad werd gehoord, dat de tuchtraad subsidiair deze verweermiddelen heeft onderzocht en de aan de verzoeker ten laste gelegde feiten, de tuchtrechtelijke toerekenbaarheid en de strafbaarheid ervan heeft bevestigd. Zelf heeft zij in de bestreden beslissing naar het advies van de tuchtraad verwezen en aldus het standpunt van de tuchtraad dienaangaande tot het hare gemaakt. Zij besluit dat de hoorplicht dan ook wel degelijk werd gerespecteerd. 3.
  23. In zijn memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker dat de interpretatie die de verwerende partij aan artikel 38quater van de Politietuchtwet geeft en die impliceert dat zij zijn verweerschrift vóór het verstrijken van de indieningstermijn had moeten ontvangen, niet verenigbaar is met de tekst van de bedoelde wettelijke bepaling. Die maakt duidelijk gewag van het indienen van het verweerschrift en niet van het ontvangen ervan. De verzoeker wijst er voorts op dat de verwerende partij helemaal niet verduidelijkt waarom hij zich ten onrechte zou beroepen op de informatie die IX-5095-8/11 hem dienaangaande in het inleidende verslag werd gegeven. Ook los van het voorschrift van artikel 38quater van de Politietuchtwet, was de verwerende partij gebonden door het aanbod dat zij in het inleidende verslag had gedaan betreffende het “verzenden” van het verweerschrift binnen een termijn van dertig dagen. Dit was trouwens ook de zienswijze van de tuchtraad. Volgens de verzoeker kan de verwerende partij niet staande houden dat het volstaat dat de rechten van verdediging op een bepaald moment in de procedure, te dezen voor de tuchtraad, werden gerespecteerd. Hij wijst erop dat voor de tuchtoverheid een uitdrukkelijke verplichting bestond om hem te horen vooraleer een tuchtstraf uit te spreken. Deze verplichting volgde uit artikel 9 (lees: 29), tweede lid, van de Politietuchtwet, dat verbiedt een tuchtstraf uit te spreken zonder de betrokkene in te lichten over zijn recht om mondeling te worden gehoord, en uit het feit dat de verzoeker op een ontvankelijke wijze te kennen had gegeven dat hij van het recht om gehoord te worden, gebruik wilde maken. Het desbetreffen- de voorschrift van de Politietuchtwet is, aldus de verzoeker, “een op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorschrift”. Ten slotte benadrukt de verzoeker dat een verhoor door de tuchtraad niet kan worden gelijkgesteld met een verhoor door de tuchtoverheid. Een verhoor dat plaatsheeft op een ogenblik dat de tuchtoverheid nog geen definitief standpunt heeft ingenomen, heeft immers “een grotere verdedigende waarde” dan een verhoor in een later stadium, wanneer aan de tuchtoverheid wordt gevraagd om op haar eerder ingenomen standpunt terug te komen. De verzoeker verwijst te dezen opnieuw naar het advies van de tuchtraad. 3.4.
  24. Artikel 38quater van de Politietuchtwet luidt als volgt: “Het betrokken personeelslid of zijn verdediger dient zijn verweer in binnen dertig dagen na de dag volgend op de ontvangst van het inleidend verslag. Na deze termijn wordt het personeelslid geacht geen schriftelijk verweer te willen indienen.” De tekst van deze bepaling is op zich duidelijk: het verweerschrift moet door het betrokken personeelslid of zijn verdediger worden “ingediend” binnen de voormelde termijn van dertig dagen. Het “indienen” van het verweerschrift betreft de handeling die door het personeelslid of zijn verdediger wordt gesteld met het oog op het doen toekomen van het verweerschrift aan de IX-5095-9/11 tuchtoverheid, te dezen het ter post aangetekend verzenden ervan naar de tuchtoverheid. Deze handeling moet worden onderscheiden van de ontvangst van het verweerschrift door de tuchtoverheid. In de voorliggende zaak lijkt ook de hogere tuchtoverheid artikel 38quater van de Politietuchtwet alzo te hebben begrepen, toen zij in het inleidende verslag dat aan de verzoeker werd meegedeeld, stelde dat het verweerschrift moest worden “verzonden [...] binnen een termijn van dertig dagen die aanvangt de dag volgend op de kennisgeving van dit inleidend verslag”. De verzoeker heeft het inleidende verslag op 28 april 2005 voor kennisneming en ontvangst ondertekend, zodat de termijn van dertig dagen bedoeld in artikel 38quater van de Politietuchtwet een aanvang heeft genomen op 29 april 2005 en verstreek op 28 mei
  25. De verzoeker heeft zijn verweerschrift tijdig ingediend met een op 27 mei 2005 ter post aangetekend verzonden schrijven. De verwerende partij heeft dan ook met schending van artikel 38quater van de Politietuchtwet en van verzoekers rechten van verdediging het verweerschrift van de verzoeker onontvankelijk verklaard. 3.4.
  26. De verwerende partij laat gelden dat zelfs indien wordt aangenomen dat het verweerschrift van de verzoeker ten onrechte onontvankelijk werd verklaard, dan nog de verzoeker niet in zijn rechten van verdediging werd geschaad, vermits hij naar aanleiding van zijn verzoek tot heroverweging door de tuchtraad werd gehoord. Wanneer echter de wet uitdrukkelijk voorschrijft dat de betrokkene bij de tuchtoverheid die een tuchtsanctie tegen hem voorstelt een schriftelijk verweer kan indienen en kan vragen om door die tuchtoverheid te worden gehoord, dan dient die tuchtoverheid dat wettelijke voorschrift na te komen en kan zij zich niet rechtmatig daaraan onttrekken op de enkele grond dat de betrokkene in een later stadium van de procedure, wanneer zij reeds een definitief voorstel van tuchtstraf heeft geformuleerd en de betrokkene daartegen een verzoek tot heroverweging heeft ingediend, voor de tuchtraad zijn verweer kan laten gelden. Het eerste middel is kennelijk gegrond. IX-5095-10/11 OM DIE REDENEN BESLIST DE Wnd. VOORZITTER : Artikel
  27. Vernietigd wordt de beslissing van 24 augustus 2005 van het politiecollege van de politiezone 5340 Brussel-West waarbij Wim Vervueren de lichte tuchtstraf van de blaam wordt opgelegd. Artikel
  28. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 9 maart 2009, door : de HH. B. THYS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS B. THYS. IX-5095-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.160 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.