← België

Arrest 191162 - Beroepsordes en gereglementeerde beroepen - 09/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.162 Rolnummer: A. 171329/IX-5287 Zaak: Arrest 191162 - Beroepsordes en gereglementeerde beroepen - 09/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-23 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-29 21:10 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(

  1. en)DE Fiche Arrest nr 191.162 van 9 maart 2009 Economische zaken - Beroepsordes en gereglementeerde beroepen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.162 van 9 maart 2009 in de zaak A. 171.329/IX-5287. In zake : 1. de VZW NATIONALE VERENIGING VOOR LANDMETERS- EXPERTS, 2. Paul VERHAERT, 3. Roger TAELMAN, 4. Jean WERY, 5. René GORIS, 6. Constant DE SCHUTTER, die woonplaats kiezen bij advocaat G. VAN GRIEKEN, kantoor houdende te BRUSSEL, Vossendreef 4/29 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Zelfstandigen, die woonplaats kiest bij advocaat J.-F. DE BOCK, kantoor houdende te BRUSSEL, Waterloosesteenweg 612. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de VZW NATIONALE VERENIGING VOOR LANDMETERS-EXPERTS, Paul VERHAERT, Roger TAELMAN, Jean WERY, René GORIS en Constant DE SCHUTTER op 23 maart 2006 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 15 december 2005 tot vaststelling van de voorschriften inzake de plichtenleer van de landmeter-expert, inzonderheid van de artikelen 12 en 20; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur I. VOS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; IX-5287-1/13 Gelet op de beschikking van 27 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 januari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P.J. STAELENS, die loco advocaat G. VAN GRIEKEN verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat V. DE SCHEPPER, die loco advocaat J.-F. DE BOCK verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur I. VOS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Het wettelijk kader 1.1. Het beroep van landmeter-expert wordt geregeld door de wet van 11 mei 2003 tot bescherming van de titel en van het beroep van landmeter-expert (hierna: de wet van 11 mei 2003). De voor de beoordeling van de voorliggende zaak relevante bepalingen van de wet van 11 mei 2003 luiden als volgt: “Art. 4. § 1. Niemand mag in de hoedanigheid van zelfstandige in hoofd- of bijberoep, het beroep van landmeter-expert uitoefenen als hij niet voldoet aan de voorwaarden vermeld in artikel 2 van deze wet en bovendien niet is ingeschreven op het in artikel 3 van de wet van 11 mei 2003 tot oprichting van Federale Raden van landmeters-experten bedoelde tableau. (...) § 3. De aanvragers kunnen slechts hun activiteit als zelfstandig landmeter- expert of als bediende uitoefenen zo er geen belangenconflict, conflict inzake onverenigbaarheid of oneerlijke concurrentie bestaat. Deze gevallen worden gedefinieerd in de voorschriften inzake de plichtenleer bedoeld in artikel 8, § 1, en door de regels inzake onverenigbaarheid die reglementair zijn vastgelegd voor de uitoefening van andere beroepen. (...) Art. 5. Indien het beroep van landmeter wordt uitgeoefend in vennootschapsvorm, moeten de loontrekkende landmeters werken onder de controle en de verantwoordelijkheid van een zelfstandige landmeter die is IX-5287-2/13 ingeschreven op het in artikel 3 van de wet van 11 mei 2003 tot oprichting van Federale Raden van landmeters-experten bedoelde tableau. Zo de landmeter-expert de in artikel 3 bedoelde activiteiten statutair als loontrekkende uitoefent, zonder dat hij onder de verantwoordelijkheid of onder het toezicht valt van een landmeter-expert die ingeschreven staat op het tableau van de Federale Raden van landmeters-experten, moet die landmeter-expert zich alsnog op voormeld tableau laten inschrijven; dientengevolge behoort de betrokken landmeter-expert een zelfde verantwoordelijkheid op te nemen en kan hij in een zelfde mate op zijn handelingen worden aangesproken als de zelfstandige landmeter-expert. (...) Art. 8. § 1. De zelfstandige landmeter-expert is verplicht zich te houden aan de voorschriften inzake de plichtenleer, vastgesteld bij een koninklijk besluit, na advies van de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen. § 2. Indien bewezen is dat hij aan zijn plichten is tekortgekomen, is de zelfstandige landmeter-expert strafbaar met de volgende tuchtstraffen:
  2. a)de waarschuwing;
  3. b)de berisping;
  4. c)de schorsing voor een maximumtermijn van twee jaar;
  5. d)de schrapping.” 1.2. Het koninklijk besluit van 15 december 2005 tot vaststelling van de voorschriften inzake de plichtenleer van de landmeter-expert geeft uitvoering aan voormeld artikel 8, § 1, van de wet van 11 mei 2003. Dit is het bestreden besluit. Het is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 25 januari 2006. De verzoekende partijen vorderen inzonderheid de vernietiging van de artikelen 12 en 20 van voormeld besluit, die luiden als volgt: “Artikel 12. De landmeter-expert is op professioneel gebied persoonlijk burgerlijk aansprakelijk, overeenkomstig het gemeen recht en de contractuele aansprakelijkheid. Hij draagt eveneens deze aansprakelijkheid bij elke beroepsuitoefening in het kader van de activiteiten van één of meerdere rechtspersonen.” en “Artikel 20. Onverminderd de onverenigbaarheden bepaald in de regels inzake de uitoefening van andere beroepen, geven de volgende activiteiten aanleiding tot het ontstaan van een belangenconflict, een onverenigbaarheid of een geval van oneerlijke mededinging, in de zin van artikel 4, § 3, van de wet tot bescherming van de titel en van het beroep: 1/ een opdracht aanvaarden, over de welke hij dient te beslissen of te adviseren in de uitoefening van een ander beroep of functie; 2/ het behandelen van privé-zaken die verband houden met de activiteit van landmeter-expert, tegelijkertijd met activiteiten onder een statuut, contract of mandaat van openbaar belang; IX-5287-3/13 3/ gebruik maken van voorrechten, voordelen of diensten ten nadele van de staatskas, in brede zin; 4/ morele druk uitoefenen op de burger of enig andere opdrachtgever, ten persoonlijke titel, via publieke structuren, om rechtstreeks of onrechtstreeks opdrachten te bekomen in zijn voordeel; 5/ gebruik maken van zijn functie onder statuut, contract of publiek mandaat met het oog om privé-cliënteel te verwerven; 6/ zich bedienen van goederen en informatie of van welke andere gegevens ook die behoren tot een openbare dienst of openbaar belang; 7/ behalve mits akkoord tussen alle partijen, tussenkomen bij elke opdracht waarbij hij persoonlijk of door gebonden te zijn als ondergeschikte of door verwantschap tot de tweede graad belanghebbende is.” 1.3. Artikel 1, 7/, van het bestreden besluit bepaalt dat de landmeters- experten die onder de toepassing vallen van dit besluit, degenen zijn die zijn ingeschreven op het tableau van de Federale Raad van landmeters-experten, zowel als zelfstandige of als werknemer als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wet van 11 mei 2003. Luidens het geciteerde artikel 5, tweede lid, van die wet moet de landmeter-expert die zijn beroepswerkzaamheden in de zin van deze wet statutair als loontrekkende uitoefent, zonder dat hij onder de verantwoordelijkheid of onder het toezicht valt van een landmeter-expert die ingeschreven staat op het tableau van de Federale Raden van landmeters-experten, zich alsnog op voormeld tableau laten inschrijven; dientengevolge behoort de betrokken landmeter-expert een zelfde verantwoordelijkheid op te nemen en kan hij in een zelfde mate op zijn handelingen worden aangesproken als de zelfstandige landmeter-expert. Dit betekent dat de regels van de plichtenleer gelden voor de zelfstandige landmeters-experten, alsmede voor de loontrekkende landmeters- experten die hun activiteiten niet uitoefenen onder het gezag en de verantwoordelijkheid van een landmeter-expert die zelf is ingeschreven op het tableau van de Federale Raad van landmeters-experten. Die regels gelden daarentegen niet voor de landmeters-experten die hun activiteiten uitoefenen in loondienst onder het toezicht en de verantwoordelijkheid van een landmeter-expert die zelf is ingeschreven op het tableau of in overheidsdienst. Ontvankelijkheid van het beroep 2.1. Ofschoon de verzoekende partijen niet verduidelijken in welke hoedanigheid zij het beroep van landmeter-expert uitoefenen, wordt door de verwerende partij niet betwist dat de tweede tot en met de zesde verzoekende partij dat beroep wel degelijk uitoefenen. Aldus beschikken zij over het rechtens vereiste IX-5287-4/13 belang bij deze zaak, nu zij een reglementair besluit bestrijden dat op hen zou kunnen worden toegepast en hun situatie in ongunstige zin zou kunnen beïnvloeden. 2.2. De verwerende partij betwist evenmin dat de eerste verzoekende partij over een collectief belang beschikt bij deze zaak, maar betwijfelt wel of de beslissing om in rechte te treden tijdig werd genomen door het daartoe door de statuten van de eerste verzoekende partij aangeduide orgaan. Met een brief van 9 april 2006 is aan de Raad van State het proces-verbaal overgemaakt van de vergadering van 9 maart 2006 van de raad van bestuur van de eerste verzoekende partij, waaruit de beslissing blijkt om het onderhavige beroep in te stellen. Bijgevolg is de eerste verzoekende partij op correcte wijze in rechte getreden en is de exceptie ongegrond. Gegrondheid van het beroep 3.1. In een eerste middel, dat in het bijzonder gericht is tegen artikel 12 van het bestreden besluit, voeren de verzoekende partijen machtsoverschrijding aan, de schending van het gelijkheidsbeginsel en de schending van de artikelen 4, § 3, 5 en 8, § 1, van de wet van 11 mei 2003 tot bescherming van de titel en van het beroep van landmeter-expert. Zij stellen dat uit de samenlezing van de artikelen 1 en 12 van het bestreden besluit volgt dat, in strijd met het gemene recht en met de normale regels inzake contractuele aansprakelijkheid, de loontrekkende landmeter, die wegens zijn zelfstandig bijberoep op het tableau wordt ingeschreven, zijn aansprakelijkheid als loontrekkende landmeter uitgebreid ziet naar een persoonlijke burgerlijke aansprakelijkheid. Als zelfstandig landmeter-expert, in bijberoep, zou deze landmeter overeenkomstig voormeld artikel 12, tweede lid, immers verantwoordelijk zijn voor “elke beroepsuitoefening in het kader van de activiteiten van één of meerdere rechtspersonen”. Aldus menen zij dat de Koning het regime van artikel 5 van de wet van 11 mei 2003 uitbreidt, zonder hiervoor gemachtigd te zijn. Volgens de verzoekende partijen houdt dit bovendien een schending in van het gelijkheidsbeginsel, aangezien niet valt in te zien waarom een IX-5287-5/13 loontrekkende onder hetzelfde verantwoordelijkheidsregime dient te worden geplaatst als zijn werkgever en/of zelfstandige collega. Mutatis mutandis geldt dit ook voor de landmeter die, naast zijn “functie onder statuut, contract of publiek mandaat”, een zelfstandig bijberoep uitoefent en daarom op het tableau ingeschreven werd. Voorts stellen de verzoekende partijen dat zij bij wijze van voorbeeld tevens de situatie beogen waarbij een landmeter-expert het beroep als loontrekkende uitoefent, enerzijds in hoofdberoep in vennootschap A en anderzijds in bijberoep in vennootschap B, welke per hypothese niet door een landmeter-expert wordt geleid, zoals het geval is met een immobiliënkantoor. Ingevolge voormeld artikel 12 zou deze landmeter volgens hen persoonlijk verantwoordelijk zijn voor het geheel van zijn landmetersactiviteiten, dus ook voor die in vennootschap A. 3.2. Zoals reeds gesteld (overweging 1.3), volgt uit artikel 1, 7/, van het bestreden besluit dat de regels van de plichtenleer slechts gelden voor de zelfstandige landmeters-experten, in hoofd- of bijberoep (categorie bedoeld in artikel 4, § 1, van de wet van 11 mei 2003), en voor de loontrekkende landmeters-experten die hun activiteiten niet uitoefenen onder het gezag en de verantwoordelijkheid van een landmeter-expert die zelf is ingeschreven op het tableau (categorie bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wet van 11 mei 2003). De regels van de plichtenleer gelden daarentegen niet voor de loontrekkenden die de activiteit van landmeter-expert uitoefenen onder het toezicht en de verantwoordelijkheid van een landmeter-expert, ingeschreven op het tableau (categorie bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet van 11 mei 2003). Die regels gelden evenmin voor de landmeters in overheidsdienst. De bepalingen van artikel 12 van het bestreden besluit, die de burgerlijke aansprakelijkheid van de landmeter-expert betreffen, zijn bijgevolg slechts van toepassing op de activiteiten van een landmeter-expert, wanneer hij die uitoefent in de hoedanigheid van zelfstandige, in hoofd- of in bijberoep, of wanneer hij die uitoefent als loontrekkende, voor zover hij in dit laatste geval niet onder het toezicht of de verantwoordelijkheid staat van een landmeter-expert die ingeschreven is op het tableau. Artikel 12, tweede lid, heeft niet de draagwijdte die de verzoekende partijen eraan geven. Het beoogt niet de landmeter-expert, die de IX-5287-6/13 hoedanigheid van zelfstandige in bijberoep heeft, aansprakelijk te stellen voor alle activiteiten die hij daarnaast als landmeter verricht in het kader van één of andere privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersoon. Het beoogt enkel te bepalen dat, in zoverre de betrokkene als zelfstandige of als loontrekkende onderworpen is aan de regels van de plichtenleer, het voor zijn burgerlijke aansprakelijkheid niet ertoe doet of hij werkt als “solist” of bij een “solist”, dan wel in het kader van een rechtspersoon. Het middel, dat uitgaat van een verkeerde interpretatie van de bestreden bepaling, kan niet aangenomen worden. 4.1. In een tweede middel, dat in het bijzonder gericht is tegen artikel 20, 1/ en 2/, van het bestreden besluit, voeren de verzoekende partijen machtsoverschrijding aan en de schending van artikel 23 van de Grondwet en van artikel 4, §§ 1 en 3, van de wet van 11 mei 2003, doordat artikel 20, 1/ en 2/, van het bestreden besluit onder meer een verbod inhoudt voor de landmeter die “onder statuut, contract of mandaat van openbaar belang” werkt om naast die hoofdactiviteit, in dezelfde periode, privé-zaken in bijberoep te behandelen. Volgens de verzoekende partijen schendt dit verbod de vrijheid van arbeid, gewaarborgd bij artikel 23 van de Grondwet, en voormeld artikel 4, §§ 1 en 3, van de wet van 11 mei 2003, dat precies bevestigt dat een activiteit als zelfstandige in bijberoep kan worden uitgeoefend. Voorts stellen de verzoekende partijen dat de tekst van artikel 20, 1/ en 2/, van het bestreden besluit te algemeen is en daardoor de landmeter-expert in bijberoep treft die tevens immobiliënmakelaar in hoofdberoep is. Artikel 20,1/, zou tot gevolg hebben dat de landmeter geen plan meer kan opmaken wanneer zijn opdrachtgever hem om advies vraagt met betrekking tot een koop of verkoop, beroepswerkzaamheid die voorbehouden is aan immobiliënmakelaars. Artikel 20, 2/, zou volgens de verzoekende partijen de landmeter-expert beletten om zijn privé- patrimonium (immobiliën) te beheren tegelijkertijd met activiteiten onder een statuut, contract of mandaat van openbaar belang. Aldus zou een verbod worden ingesteld voor het behandelen van privé-zaken, waar zelfs het behandelen van professionele zaken geoorloofd is. 4.2.1. Er dient te worden vastgesteld dat de interpretatie van de verzoekende partijen, volgens welke interpretatie artikel 20, 2/, van het bestreden IX-5287-7/13 besluit een verbod inhoudt voor de landmeter die “onder een statuut, contract of mandaat van openbaar belang” werkt om naast die hoofdactiviteit, in dezelfde periode, privé- zaken te behandelen in bijberoep, in elk geval niet strookt met artikel 20, 4/, 5/ en 6/, van het bestreden besluit, bepalingen die uitgaan van de mogelijkheid dat een landmeter die “onder een statuut, contract of mandaat van openbaar belang” werkt, daarnaast ook privé-zaken kan behandelen. Bovendien blijkt niet dat aan de woorden “tegelijkertijd” (in het Frans: “en même temps”) in voormeld artikel 20, 2/, een ruimere betekenis dient te worden toegekend dan de letterlijke betekenis. De genoemde bepaling houdt slechts een verbod in, opgelegd aan een landmeter die “onder een statuut, contract of mandaat van openbaar belang” werkt, om tegelijkertijd privé-zaken te behandelen in bijberoep. Dit betekent concreet dat een landmeter zijn privé-zaken strikt gescheiden dient te houden van zijn activiteit onder statuut, contract of mandaat van openbaar belang. Het betekent niet dat een activiteit onder statuut, contract of mandaat van openbaar belang het behandelen van privé-zaken uitsluit. 4.2.2. Evenmin kunnen de verzoekende partijen worden bijgevallen waar zij stellen dat artikel 20, 1/, van het bestreden besluit te algemeen is, nu uit de tekst van deze bepaling duidelijk blijkt dat ze slechts een verbod inhoudt voor een landmeter om een opdracht te aanvaarden, enkel en alleen wanneer het die landmeter zelf is die over diezelfde opdracht dient te beslissen of te adviseren in de uitoefening van een ander beroep of functie. 4.2.3. Het middel, dat uitgaat van een verkeerde interpretatie van de bestreden bepalingen, kan niet aangenomen worden. 5.1. In een derde middel, dat in het bijzonder gericht is tegen artikel 20, 3/ en 4/, van het bestreden besluit, voeren de verzoekende partijen machts- overschrijding aan, de schending van het gelijkheidsbeginsel en de schending van het legaliteitsbeginsel in strafzaken, vervat in artikel 12 van de Grondwet. Zij zetten uiteen dat, nu artikel 10 van de wet van 11 mei 2003 de overtreding van artikel 4 van die wet, waaraan artikel 20 van het bestreden besluit uitvoering geeft, strafbaar stelt, de omschrijvingen “voorrechten, voordelen of diensten ten nadele van de staatskas, in brede zin” in artikel 20, 3/, van dat besluit en “publieke structuren” in artikel 20, 4/, van dat besluit te vaag zijn om te voldoen IX-5287-8/13 aan het legaliteitsbeginsel in strafzaken. Zo zou voormeld artikel 20, 3/, ten onrechte toelaten om het grondwettelijk recht inzake openbaarheid van bestuur te beperken, nu de landmeter-expert beroepshalve is aangewezen op consultatie, en onderzoek van stukken en inzage en kopiëren steeds gebeurt ten nadele van de staatskas, aangezien de overheid hooguit de kostprijs mag vragen zonder de werkuren mee te rekenen. Bovendien, zo stellen zij, stemt de Nederlandse tekst van artikel 20, 3/, (“gebruik maken van”) niet overeen met de Franse tekst (“bénéficier”). Ten slotte wijzen de verzoekende partijen erop dat in voormeld artikel 20, 4/, zonder redelijke verantwoording een onderscheid wordt gemaakt tussen “publieke” en “privé-” structuren, terwijl het wenselijk is dat onheuse praktijken in private structuren evenzeer worden beteugeld. 5.2.1. Zoals uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof blijkt, gaat het wettigheidsbeginsel in strafzaken onder meer uit van de idee dat de strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is. Het vereist dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld, zodat, enerzijds, degene die de feiten begaat, vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijk gevolg van zijn daden kan zijn en, anderzijds, aan de rechter geen al te grote beoordelingsbevoegdheid wordt gelaten. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken staat evenwel niet eraan in de weg dat de wet een beoordelingsbevoegdheid toekent aan de rechter, voor zover zij de bijzondere eisen ter zake van nauwkeurigheid, duidelijkheid en voorspelbaarheid waaraan de strafwetten moeten voldoen, niet miskent. Er dient immers ook rekening te worden gehouden met het algemene karakter van wetten, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen. Een delegatie aan de Koning is niet in strijd met het legaliteitsbeginsel voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgesteld. De verzoekende partijen betwisten niet dat de wetgever de Koning kon machtigen om maatregelen te nemen als bedoeld in artikel 20, 3/ en 4/, van het bestreden besluit. Zij voeren enkel aan dat de bepalingen van dat artikel 20, 3/ en 4/, te vaag zijn. Dit laatste standpunt kan echter niet bijgevallen worden. De IX-5287-9/13 bestreden bepalingen komen integendeel op voldoende wijze tegemoet aan de vereisten van nauwkeurigheid, duidelijkheid en voorspelbaarheid. 5.2.2. De Franse tekst van artikel 20, 3/, luidt als volgt: “bénéficier de prérogatives, avantages ou services au détriment des deniers publics, pris au sens large”. De Nederlandse tekst luidt: “gebruik maken van voorrechten, voordelen of diensten ten nadele van de staatskas, in brede zin”. De verwerende partij verantwoordt de woordkeuze “gebruik maken van” door erop te wijzen dat het woord “voordeel” reeds elders in de Nederlandse tekst van artikel 20, 3,/ voorkomt. De Nederlandse vertaling “genieten van voorrechten, voordelen of diensten ten nadele van de staatskas, in brede zin” is dus correct. Artikel 20, 3/, dient evenwel in de brede zin te worden begrepen. Met name houdt dit artikel een verbod in om op niet gewettigde wijze de staatskas te benadelen. Het aangevoerde verschil in woordkeuze tussen de Nederlandse en de Franse tekst is niet relevant. 5.2.3. Voorts komt het toe aan de verwerende partij om de gevallen van belangenconflict, onverenigbaarheid of oneerlijke mededinging te bepalen. Daarbij is het niet onredelijk dat artikel 20, 4/, van het bestreden besluit uitsluitend betrekking heeft op het uitoefenen van morele druk via publieke structuren. 5.2.4. De kritiek van de verzoekende partijen, volgens welke artikel 20, 3/, van het bestreden besluit ten onrechte zou toelaten om het grondwettelijk recht inzake openbaarheid van bestuur te beperken, zal worden besproken in het kader van het vijfde middel. 5.2.5. Onder voorbehoud van hetgeen is opgemerkt in overweging 5.2.4, kan het middel niet worden aangenomen. 6.1. In een vierde middel, dat in het bijzonder gericht is tegen artikel 20, 5/, van het bestreden besluit, voeren de verzoekende partijen machtsover- schrijding aan en de schending van artikel 23 van de Grondwet en van de artikelen 4 en 5 van de wet van 11 mei 2003, doordat uit de tekst van artikel 20, 5/, van het bestreden besluit volgt dat aan de zelfstandige landmeter, die als loontrekkende werkzaam is in een vennootschap zonder daarbij onder het toezicht en de verantwoordelijkheid te vallen van een landmeter-expert ingeschreven op het tableau en die derhalve zelf op het tableau dient te worden ingeschreven conform artikel 5, § 2, van die wet, een “indringend” verbod wordt opgelegd om gebruik te IX-5287-10/13 maken van zijn functie om cliënteel te verwerven. De verzoekende partijen stellen de vraag hoe hij een bedrijf economisch leefbaar kan houden indien hij zijn cliënteel niet mag verwerven in zijn hoedanigheid van landmeter. 6.2.1. Artikel 20, 5/, van het bestreden besluit legt een verbod op aan de landmeter-expert om “gebruik (
  6. te)maken van zijn functie onder statuut, contract of publiek mandaat met het oog om privé-cliënteel te verwerven”. Uit de overige bepalingen van artikel 20 blijkt dat de zinsnede “onder statuut, contract of publiek mandaat” dient te worden gelezen als “onder een statuut, contract of mandaat van openbaar belang”. Aldus houdt artikel 20, 5/, enkel een verbod in voor de landmeter-expert die een functie uitoefent in de publieke sector, met name om die functie aan te wenden voor het verwerven van privé-cliënteel. De landmeter-expert die als loontrekkende werkzaam is in een private vennootschap wordt door deze bepaling niet beoogd. 6.2.2. Het middel, dat uitgaat van een verkeerde interpretatie van de bestreden bepaling, kan niet aangenomen worden. 7.1. In een vijfde middel, dat in het bijzonder gericht is tegen artikel 20, 3/ en 6/, van het bestreden besluit, voeren de verzoekende partijen machtsover- schrijding aan en de schending van artikel 32 van de Grondwet en van de artikelen 4 en 8 van de wet van 11 mei 2003. Zij stellen dat, nu het eigen is aan het beroep van landmeter-expert om gebruik te maken van onder meer gegevens van het kadaster, notariële akten en bestanden van topografische meetpunten, artikel 20, 3/ en 6/, van het bestreden besluit hun recht op openbaarheid van bestuur beperkt. Volgens de verzoekende partijen kan enkel de wetgever beperkingen stellen aan het fundamenteel recht inzake openbaarheid van bestuur vervat in artikel 32 van de Grondwet, welke beperkingen voorts verantwoord dienen te zijn en niet algemeen mogen zijn. Bovendien zouden de artikelen 4 en 8 van de wet van 11 mei 2003 niet in de mogelijkheid van dergelijke beperkingen voorzien. Ten slotte gebeurt volgens de verzoekende partijen de inzage en het kopiëren steeds ten nadele van de staatskas, aangezien de overheid hooguit de kostprijs mag vragen zonder de werkuren mee te rekenen, zodat voormeld artikel 20, 3/, de landmeter-expert dan ook zonder meer verbiedt om gebruik te maken van de openbare dienstverlening en het daardoor afbreuk doet aan de openbaarheid van bestuur. IX-5287-11/13 7.2. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij de interpretatie van de verzoekende partijen dat de bestreden bepalingen een verbod zouden inhouden voor de landmeter-expert om alle informatie of documenten te gebruiken die in het bezit zijn van de overheid, aangezien die bepalingen volgens haar enkel informatie en documenten beogen die niet openbaar zijn. 7.3. De verzoekende partijen repliceren dat de tekst zelf van de bestreden bepalingen geen onderscheid maakt tussen openbare en niet-openbare documenten en dat het onverantwoord is dat een disciplinaire overheid een interpretatie zal moeten geven aan een te algemene tekst. 7.4. Artikel 20, 3/, van het bestreden besluit houdt het verbod in voor de landmeter-expert om “gebruik (
  7. te)maken van voorrechten, voordelen of diensten ten nadele van de staatskas, in brede zin”. Luidens artikel 20, 6/, van dit besluit is het de landmeter-expert verboden “zich (
  8. te)bedienen van goederen en informatie of van welke andere gegevens ook die behoren tot een openbare dienst of openbaar belang”. Artikel 20 van het besluit somt de activiteiten op die aanleiding geven tot het ontstaan van een belangenconflict, een onverenigbaarheid of een geval van oneerlijke mededinging. Het spreekt vanzelf dat er in geval van documenten die ter beschikking staan van het publiek en dus ook van de landmeter-expert geen sprake kan zijn van een belangenconflict, een onverenigbaarheid of een oneerlijke mededinging. Dit is evenmin het geval wanneer de landmeter-expert gebruik maakt van zijn recht tot inzage of zijn recht om een kopie te vragen van deze publieke documenten. De bestreden bepalingen kunnen en moeten op dit punt grondwetsconform en in overeenstemming met de wet van 11 mei 2003 worden geïnterpreteerd, interpretatie die door de verwerende partij wordt bevestigd. Het middel, dat uitgaat van een verkeerde interpretatie van de bestreden bepalingen, kan niet aangenomen worden. IX-5287-12/13 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 1050 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor een zesde. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 9 maart 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-5287-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.162 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.