id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.182 Rolnummer: A. 83438/X-8870 Zaak: Arrest 191182 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 09/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-18 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 21:17 Fiche Arrest nr 191.182 van 9 maart 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.182 van 9 maart 2009 in de zaak A. 83.438/X-
- In zake :
- de n.v. E. DE KOCK,
- de n.v. AXIMMO, die woonplaats kiezen bij advocaten X. LEURQUIN en P. DE MAEYER, kantoor houdende te 1160 BRUSSEL, Tedescolaan 7 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. E. DE KOCK en de n.v. AXIMMO op 9 april 1999 hebben ingediend om “in de mate van hun belang” de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 houdende definitieve vaststelling van het ontwerpplan tot aanvulling van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse op het grondgebied van de gemeente Affligem, Asse, Beersel Grimbergen, Groot-Bijgaarden, Hoeilaart, Kappelle-op-den-Bos, Kraainem, Linkebeek, Merchtem, Overijse, Sint-Genesius-Rode, Sint-Pieters-Leeuw, Vilvoorde, Wezembeek-Oppem en Zaventem, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 18 november 1998; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de beschikking van 10 juni 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen; X-8870-1/12 Gelet op de beschikking van 21 januari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 februari 2009 ; Gehoord het verslag van staatsraad S. DE TAEYE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. DE MAEYER, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat F. van DIEVOET, die loco advocaat M. van DIEVOET verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- De eerste verzoekende partij is als aannemingsbedrijf huurder en gebruiker van een grond gelegen te Overijse, aan de Hellekouterweg en de Walraevenbosstraat, kadastraal bekend sectie D, nr. 768/p. De tweede verzoekende partij is eigenaar van de voormelde grond. 1.
- Het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgestelde gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse bestemde de grond tot natuurgebied. Het bij ministerieel besluit van 24 april 1985 goedgekeurde bijzonder plan van aanleg nr. 41 “Hellekouter” bestemde de grond tot “groengebied met semi-ambachtelijke functie”. 1.
- Bij arrest nr. 31.827 van 19 januari 1989 heeft de Raad van State laatstbedoeld koninklijk besluit van 7 maart 1977 vernietigd in zoverre het de betrokken grond bestemde tot natuurgebied. 1.
- Bij besluit van de Vlaamse regering van 17 juni 1997 wordt het ontwerpplan tot aanvulling van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse op het grondgebied van de gemeenten Affligem, Asse, Beersel, Grimbergen, Groot-Bijgaarden, Hoeilaart, Kappelle-op-den-Bos, Kraainem, Linkebeek, X-8870-2/12 Merchtem, Overijse, Sint-Genesius-Rode, Sint-Pieters-Leeuw, Vilvoorde, Wezembeek-Oppem en Zaventem voorlopig vastgesteld. De betrokken grond wordt hierbij opnieuw tot natuurgebied bestemd. 1.
- Ter gelegenheid van het openbaar onderzoek dient de eerste verzoekende partij op 12 februari 1998 een bezwaarschrift in. In dit bezwaarschrift wordt onder meer het volgende gesteld : “(...) De betrokken eigendom wordt als bij de vorige vastlegging ondergebracht in natuurgebied, zijnde automatisch een groengebied. Volgens artikel 13.4.
- van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen, zijn de groengebieden bestemd voor het behoud, de bescherming en het herstel van het natuurlijk milieu. Meer in het bijzonder is dan nog gesteld in artikel 13.4.3.
- van datzelfde koninklijk besluit dat de natuurgebieden omvatten de bossen, wouden, venen, heiden, moerassen, duinen, rotsen, aanslibbingen, stranden en andere dergelijke gebieden. Het betrokken terrein ligt op een niveau van 65 m. boven de zeespiegel, op halve hoogte van de helling tussen de IJse-rivier en de Ketelheide. Het hoogste punt van deze heuvel ligt op 105 m. De heuvelrug is een flank van de natuurlijke uitsnijding van de IJse in het Brabants Plateau. Er kan hier dan ook geen sprake zijn van een moeras, een duin, een rots, een aanslibbing of een strand. Het betrokken terrein is ingenomen door de bedrijfszetel van een transportbedrijf. (...) Gezien de uitgevoerde bouwwerken, (...) kan de eigendom niet worden ondergebracht onder bossen, wouden, venen of heiden. Het is dus duidelijk dat de bestemming van het terrein, zowel voor als na de vastlegging van het gewestplan, als voor de vastlegging van het wijzigend gewestplan niet in overeenstemming is met de bepalingen terzake vervat in het betrokken koninklijk besluit”. 1.
- De regionale commissie van advies voor Vlaams-Brabant brengt op 25 mei 1998 en 15 juni 1998 haar advies uit. Onder de rubriek Overijse wordt onder meer het volgende vermeld : “
- Overzicht van de aanvullingen en advies van de Regionale Commissie van Advies (...)
- arrest nr. 31.827 d.d. 19.01.1989 Overijse De commissie adviseert de inkleuring als natuurgebied gunstig omdat het overeenstemt met de principes, die aan de basis liggen van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, nl. een beheersing van de stedelijke groei en het behoud van de groene gordel. Ook pleit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen ervoor om het grootstedelijk gebied rond Brussel te beperken tot de huidige aaneengesloten agglomeratie en om de bestaande onbebouwde ruimte niet aan te snijden en voorgestelde wijziging kadert binnen deze opties. Het gebied maakt trouwens deel uit van een groter natuurlijk gebied. X-8870-3/12 (....)
- antwoord op de bezwaarschriften en adviezen BEZWAARSCHRIFTEN (...) Bezwaarschriften 10 en 19 (...) : Het B P A Hellekouter (koninklijk besluit 14 april 85) voorziet voor deze zone groengebied met semi-ambachtelijke functie. Het bestaande bedrijf krijgt de mogelijkheid om zijn activiteiten verder te ontplooien. Daar de nabestemming van deze zone groengebied is dient het gewestplan deze bestemming over te nemen. Immers, indien op verzoek van bezwaarindiener zou ingegaan worden en het gebied als ambachtelijke zone wordt ingekleurd, wordt de huidige toestand bestendigd, terwijl het B P A de ambachtelijke activiteit slechts gedoogt tot zolang het bedrijf haar activiteiten uitoefent, waarna de bestemming groengebied wordt opgelegd. Bezwaarschrift 24 (...) : Het B P A Hellekouter (koninklijk besluit 14 april 85) voorziet voor deze zone groengebied met semi-ambachtelijke functie. Het bestaande bedrijf krijgt de mogelijkheid om zijn activiteiten verder te ontplooien. Daar de nabestemming van deze zone groengebied is dient het gewestplan deze bestemming over te nemen. Immers, indien op verzoek van bezwaarindiener zou ingegaan worden en het gebied als ambachtelijke zone wordt ingekleurd, wordt de huidige toestand bestendigd, terwijl het BPA de ambachtelijke activiteit slechts gedoogt tot zolang het bedrijf haar activiteiten uitoefent, waarna de bestemming groengebied wordt opgelegd. (...) ADVIEZEN : (...) ADVIES van de BESTENDIGE DEPUTATIE : De commissie treedt het advies van de Bestendige Deputatie voor wat betreft de punten 4, 6, 13, 16, 28, 29, 30, 38, 40, 48, 54 en 59 bij evenals de wijziging van woonuitbreidingsgebied naar woongebied onder punt 25”. 1.
- Bij besluit van 23 juli 1998 beslist de Vlaamse regering tot de definitieve vaststelling van het plan. De kwestieuze grond blijft gelegen in natuurgebied. Dit is het bestreden besluit, dat onder meer het volgende overweegt: “(...) Overwegende dat het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen stelt dat het stedelijk gebied rond Brussel wordt beperkt tot de huidige aaneengesloten agglomeratie; dat concentratie en verdichting in de aaneengesloten agglomeratie wordt nagestreefd en de onbebouwde ruimte van de ‘groene gordel’ niet kan worden aangesneden voor wonen, werken en infrastructuur; dat geen of slechts beperkte bestemmingswijzigingen van zachte naar harde bestemmingen kunnen worden doorgevoerd en dit alleen binnen strikte voorwaarden die socio-economisch een meerwaarde verschaffen aan het gebied en het Vlaams karakter ervan versterken; (...) Overwegende dat voor het punt 54, de grond van het arrest nr. 31.827 gelegen aan de Ballingstraat te Overijse, de bestemming van natuurgebied behouden blijft omdat de gronden deel uitmaken van een groter natuurgebied; dat een bestemmingsvoorschrift dat zou voorzien in een bestendiging van het bedrijf de gewenste natuur en landschappelijke ontwikkeling van het X-8870-4/12 natuurgebied zou hypothekeren; dat het gemeentelijk bijzonder plan van aanleg nr. 41, omwille van de waarde van het groen het gebied reeds bestemde als groengebied met semi-ambachtelijke functie; dat het gewestplan na ruimtelijke afweging volgens het huidige ruimtelijk beleid de bestemming kan bepalen”.
- Over de ontvankelijkheid van het beroep 2.
- De aangevoerde exceptie De verwerende partij werpt de volgende exceptie van laattijdigheid van het beroep op : “De verzoekende partijen stellen in hun verzoekschrift dat het bestreden besluit bij uittreksel bekendgemaakt werd in het Belgisch Staatsblad van 18 november
- Zij hebben op 8 februari 1999 op het gemeentehuis van Overijse kennis genomen van de integrale tekst van voormeld besluit, evenals van het bijhorend plan en de bijhorende voorschriften en het advies van de Regionale Commissie van Advies. Hun verzoekschrift werd aan de Raad van State betekend op 12 april 1999, meer dan 4 maanden na de publicatie van het bestreden besluit in het Belgisch Staatsblad. Een koninklijk besluit houdende wijziging van een gewestplan dient te worden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad bij uittreksel. De bekendmaking in die vorm doet de beroepstermijn voor de Raad van State ingaan, aangezien iedere rechtzoekende het bestaan van het besluit en de draagwijdte ervan op genoegzame wijze kan kennen. Hierbij dient te worden vastgesteld dat het advies van de Regionale Commissie van Advies eveneens werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 18 november
- In het geval dat de draagwijdte van die beslissing onvoldoende bekend zou zijn, quod non, rust op de verzoekende partijen vanaf 18 november 1998 de rechtsplicht om zo snel mogelijk het administratief dossier te raadplegen, hetgeen zij pas deden op 8 februari
- Zodoende kan niet worden aangenomen dat de verzoekende partijen tijdig een beroep tot nietigverklaring hebben ingesteld. Bijgevolg is het beroep tot nietigverklaring onontvankelijk”. 2.
- Beoordeling 2.2.
- Artikel 11, § 9 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet) luidt als volgt: “§
- De definitieve vaststelling van het plan door de Vlaamse regering wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt waarin tevens het advies van de Regionale commissie van advies wordt opgenomen. Het plan treedt in werking binnen 15 dagen na zijn bekendmaking. X-8870-5/12 Binnen 15 dagen na zijn bekendmaking ligt het advies met de normatieve delen van het plan na overmaking door de minister ter inzage van de bevolking in elk betrokken gemeentehuis. De niet-normatieve delen zijn ter inzage op het hoofdbestuur en de provinciale buitendiensten van de Administratie voor Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. De Vlaamse regering bepaalt welke delen van het plan normatief dan wel niet-normatief zijn”. 2.2.
- Uit de aangehaalde bepaling volgt dat de beroepstermijn begint te lopen nadat alle voormelde bekendmakingsvoorschriften zijn vervuld. De verwerende partij toont niet aan dat het verzoekschrift meer dan zestig dagen na het vervuld zijn van deze voorschriften werd ingediend. De exceptie is niet gegrond.
- Over de gegrondheid van het beroep 3.
- Het eerste middel 3.1.
- Het aangevoerde eerste middel In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 7, eerste lid van het gecoördineerde decreet alsook machtsoverschrijding, doordat noch uit het voorlopig vaststellingsbesluit van 17 juni 1997, noch uit het bestreden besluit blijkt dat de verwerende partij na raadpleging van de bestendige deputatie de personen heeft aangewezen die zij met het opmaken van het ontwerp heeft belast. 3.1.
- Beoordeling In hun memorie van wederantwoord stellen de verzoekende partijen “toe te geven dat artikel 7 van het decreet van 22 oktober 1996 in casu niet van toepassing is” en dat zij “er verder dus niet meer zullen op terugkomen”. Het voorgaande dient als een afstand van het eerste middel te worden beschouwd. 3.
- Het tweede middel 3.2.
- Het aangevoerde tweede middel X-8870-6/12 In een tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 10 en 16 van de Grondwet, van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM, van “de beginselen vervat in het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996” alsook machtsoverschrijding : “doordat de eigendom van verzoekende partijen, die normaal bestemd was of diende om op te bouwen of te verkavelen, door het bestreden besluit als natuurgebied wordt geklasseerd, hetwelk een toekomstig bouw- of verkavelingsverbod impliceert, zonder dat de eigenaar en andere belang- hebbenden van het terrein op ade(qu)ate wijze hiervoor schadeloos werd(en) gesteld alvorens van hun desbetreffende rechten te worden ontgriefd, en doordat een gelijkaardige onteigening niet werd opgelegd aan andere burgers, inzonderheid aan andere burgers die in dezelfde streek wel over het voordeel beschikken om op hun gronden te bouwen of ze te verkavelen, en doordat voor wat betreft de door de verzoekende partij gebruikte eigendom er geen valabele motieven bestaan van economische, sociale of esthetische aard om aldus de ruimtelijke ordening van het gewest vast te stellen, terwijl de overheid onder het voorwendsel van de ruimtelijke ordening niet zonder schadevergoeding een feitelijke onteigening kan opleggen, en terwijl inzake ruimtelijke ordening, het de overheid niet is toegelaten om op willekeurige wijze een verschillende behandeling van burgers door te voeren die zich in dezelfde situatie bevinden”. 3.2.
- Beoordeling 3.2.2.
- Onder “middel” in de zin van artikel 2, § 1, 3/ van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, moet worden verstaan de voldoende en duidelijke omschrijving van de geschonden geachte rechtsregel of het geschonden geachte beginsel en van de wijze waarop die rechtsregel of dat beginsel door het bestreden besluit werd geschonden. De door de verzoekende partijen aangevoerde schending van “de beginselen vervat in het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996” kan niet als een ontvankelijk middel in de zin van de voormelde bepaling worden begrepen. 3.2.2.
- Artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek omschrijft het recht van eigendom als volgt : “Eigendom is het recht om op de meest volstrekte wijze van een zaak het genot te hebben en daarover te beschikken, mits men er geen gebruik van maakt dat strijdig is met de wetten of de verordeningen”. X-8870-7/12 In beginsel is een eigenaar dus vrij met de zaak te doen wat hij wil. In hoever een eigenaar in een bepaald rechtsstelsel bij de uitoefening van zijn recht een sociaal doel moet bevorderen, hangt af van de beperkingen, die hem in het algemeen belang en in het belang van anderen zijn opgelegd. Artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek laat uitdrukkelijk toe dat de overheid naar gelang de omstandigheden aan het gebruik van eigendom de door het algemeen welzijn vereiste beperkingen en verplichtingen oplegt. 3.2.2.
- Bij onteigening ondergaat de eigenaar een gedwongen, volledige en onherroepelijke beroving van zijn recht ten bate van de gemeenschap. 3.2.2.
- Door het opleggen van een erfdienstbaarheid van algemeen nut wordt de eigenaar uit zijn eigendom niet ontzet. Hij behoudt zijn recht binnen de perken vastgesteld bij de wet. De uitoefening van dit recht wordt overeenkomstig die wet slechts gewijzigd. De bepalingen ter zake van onteigening zijn dan ook niet van toepassing. Inderdaad, evenzeer als artikel 1 van het additioneel protocol bij het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens, dat uitdrukkelijk het recht erkent “dat een staat heeft om die wetten toe te passen, welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang” laat ook artikel 16 van de Grondwet het in artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde onaangetast. Al heeft bedoeld artikel 16 van de Grondwet op een algemene wijze het beginsel van de vergoeding voor iedere gedwongen afstand van de eigendom verkondigd, toch houdt artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek voor de wetgever het recht in om, zonder dat enige schadeloosstelling wordt voorzien, op de wijze van genot de beperkingen te gelasten of door de bevoegde overheid te laten gelasten, welke het algemeen belang kan eisen. Het recht op een vergoeding, dat in het geval van artikel 16 van de Grondwet de regel is, is buiten het toepassingsgebied van die bepaling slechts uitzonderlijk, het moet alsdan door een bijzondere wetsbepaling erkend worden. 3.2.2.
- De onder punt 3.2.2.4 aangeduide beginselen gelden onverminderd op het vlak van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw. De beperkingen die de voorschriften van een plan van aanleg aan de uitoefening van het eigendomsrecht opleggen, vormen geen onteigening in de zin als bedoeld door artikel 16 van de Grondwet of door artikel 1 van het additioneel protocol bij het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens. X-8870-8/12 De eigenaar behoudt zijn eigendom, alleen de uitoefening van het recht wordt in het algemeen belang beperkt. Volledigheidshalve moet trouwens worden vermeld dat die beperkingen in afwijking van de algemene regel, aanleiding kunnen geven tot schadevergoeding binnen de perken die door de bijzondere bepalingen van artikel 35 van het gecoördineerde decreet met betrekking tot de vergoeding van planschade wordt vastgesteld. 3.2.2.
- Uit wat voorafgaat blijkt dat de in het middel aangehaalde bepalingen ter zake van onteigening hier niet van toepassing zijn. 3.2.2.
- De loutere bewering van de verzoekende partijen dat er “geen valabele motieven bestaan van economische, sociale of esthetische aard” om hun eigendom tot parkgebied te bestemmen, volstaat evenmin om de onregelmatigheid van het bestreden besluit aan te tonen. De verzoekende partijen kunnen dit middelonderdeel niet voor het eerst in hun memorie van wederantwoord op ontvankelijke wijze adstrueren. 3.2.2.
- De verzoekende partijen brengen tenslotte geen enkel concreet gegeven bij waaruit blijkt dat zij “op willekeurige wijze een verschillende behandeling” door de overheid hebben ondergaan ten opzichte van burgers “die zich in dezelfde situatie bevinden”. Het tweede middel kan niet tot de vernietiging leiden. 3.
- Het derde middel 3.3.
- Het aangevoerde derde middel De verzoekende partijen voeren in een derde middel de schending aan van artikel 13.4.3 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, alsook machtsoverschrijding : “Doordat het bestreden besluit het betrokken terrein, dat geenszins aan de objectieve voorwaarden voldoet om als bos, woud, veen, heide, moeras, duin, rots, aanslibbing, strand of ander dergelijk gebied te worden beschouwd, als natuurgebied en dus als groengebied bestemt, X-8870-9/12 En doordat uit het bestreden besluit niet blijkt waarom het betrokken terrein, in weerwil van het door verzoekende partij ingediende bezwaarschrift, wel aan voormelde objectieve voorwaarden om als groengebied te worden ge(c)atalogeerd, zou beantwoorden, Terwijl op basis van art. 13.4.3 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen de natuurgebieden slechts bossen, wouden, venen, heiden, moerassen, duinen, rotsen, aanslibbingen, stranden en andere dergelijke gebieden kunnen omvatten, En terwijl de verwerende partij de verplichting heeft om haar beslissing uitdrukkelijk en afdoende te motiveren, te beginnen met het afdoende weerleggen van de ingediende bezwaarschriften, Zodat door de aangevochten beslissing te nemen en de kwestieuze grond als natuurgebied te bestemmen zonder het vervuld zijn van de daarvoor noodzakelijke voorwaarden en zonder het met het oog daarop ingediende bezwaarschrift terdege te weerleggen, de verwerende partij in elk geval de in het middel aangehaalde wettelijke en reglementaire bepalingen heeft geschonden”. 3.3.
- Beoordeling 3.3.2.
- Het kwestieuze perceel wordt door het bestreden besluit bestemd tot natuurgebied. Artikel 13, 4.3.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen bepaalt wat volgt : “Art.
- 4.
- De groengebieden zijn bestemd voor het behoud, de bescherming en het herstel van het natuurlijk milieu. 4.3.
- De natuurgebieden omvatten de bossen, wouden, venen, heiden, moerassen, duinen, rotsen, aanslibbingen, stranden en andere dergelijke gebieden. In deze gebieden mogen jagers- en vissershutten worden gebouwd voor zover deze niet kunnen gebruikt worden als woonverblijf, al ware het maar tijdelijk”. 3.3.2.
- Een gewestplan dient niet om een bestaande toestand te bevestigen doch bepaalt integendeel voor de toekomst de maatregelen van aanleg en de algemene bestemmingen welke bij het verlenen van de vergunningen in acht zullen moeten worden genomen. De verzoekende partijen gaan er in hun middel derhalve verkeerdelijk van uit dat de verwerende partij bij de vaststelling van de bestemming natuurgebied gebonden was aan de bestaande toestand en enkel “bossen, wouden, venen, heiden, moerassen, duinen, rotsen, aanslibbingen, stranden en andere dergelijke gebieden” tot natuurgebied kon bestemmen. Waar de verzoekende partijen in hun navolgende procedurestukken de voormelde vereiste van artikel 13, X-8870-10/12 4.3.1 als “objectieve” en “noodzakelijke” voorwaarde tot toekenning van de bestemming natuurgebied verlaten en aan de hand van de feitelijke omstandigheden trachten aan te tonen dat hun grond niet tot natuurgebied kon worden bestemd, geven zij op onontvankelijke wijze een nieuwe invulling aan hun middel. 3.3.2.
- De verzoekende partijen konden er zich voorts niet toe beperken in hun verzoekschrift louter te beweren dat de ingediende bezwaarschriften, die overigens eveneens van de voormelde verkeerde premisse blijken uit te gaan, niet terdege werden weerlegd. De eerst in hun latere procedurestukken aangevoerde concrete toelichting van dit “middelonderdeel” vermag dit gebrek niet goed te maken. Het derde middel kan niet tot de vernietiging leiden. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. X-8870-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen maart 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-8870-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.182 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div