id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.184 Rolnummer: A. 140816/X-11550 Zaak: Arrest 191184 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 09/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-18 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 21:18 Fiche Arrest nr 191.184 van 9 maart 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.184 van 9 maart 2009 in de zaak A. 140.816/X-11.
- In zake : Patrick VAN COILLIE, die woonplaats kiest bij advocaat S. SERGEANT, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Zwijnstraat 3 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat
- tussenkomende partij : de gemeente JABBEKE, die woonplaats kiest bij advocaat N. DE CLERCQ, kantoor houdende te 8490 SNELLEGEM, Kerkeweg
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Patrick VAN COILLIE op 12 september 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 5 november 2002 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar waarbij aan de gemeente Jabbeke de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een multifunctionele toneelzaal en het uitbreiden van een sport- en cultuurcentrum op een perceel gelegen te Jabbeke, Hof Van Straeten, kadastraal bekend sectie C, nr. 169/m; Gelet op het arrest nr. 122.529 van 5 september 2003 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 13 oktober 2003 ingediend door de gemeente JABBEKE; X-11.550-1/7 Gelet op de beschikking van 21 oktober 2003 die de tussenkomst van de gemeente JABBEKE toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur S. DE TAEYE; Gelet op de beschikking van 26 juni 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoeker; Gelet op de beschikking van 21 januari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 februari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat R. LANDUYT, die loco advocaat S. SERGEANT verschijnt voor de verzoeker, van advocaat F. TEMMERMAN, die loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat S. CALLENS, die loco advocaat N. DE CLERCQ verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- Feiten Er kan worden volstaan met de verwijzing naar ‘s Raads arrest nr. 122.529 van 5 september
- X-11.550-2/7
- Ontvankelijkheid 2.
- De verzoeker voert in het verzoekschrift aan dat “de bestreden beslissing (...) op 13 augustus 2003” aan hem werd “toegestuurd zodat zijn beroep tijdig werd ingediend”, hem “niet kan verweten worden dat hij begin juli 2003, toen beperkte grondwerken gebeurden (zie stedenbouwkundige vergunning: om archeologisch onderzoek toe te laten), niet onmiddellijk gebruik heeft gemaakt van zijn inzagerecht” en “het niet duidelijk was dat voor die werken ook een stedenbouwkundige vergunning nodig was en men ook de ganse context niet uit het oog mag verliezen: in de met het gemeentebestuur gevoerde briefwisseling is met geen woord gerept over een openbaar onderzoek, een tussengekomen stedenbouwkundige vergunning en werd integendeel de indruk gewekt dat men zich nog steeds in de voorbereidende fase bevond”. 2.
- De verwerende partij betwist de tijdigheid van het ingestelde beroep. Zij betoogt dat uit het feitenrelaas van de verzoeker blijkt dat hij veel vroeger dan de zomer van 2003 “op de hoogte was nopens het bestaan van dit bouwproject” en “grote belangstelling vertoonde voor het geplande project” zodat hij “onmiddellijk, bij de aanvang van de werken in juni 2003, een beroep tot nietigverklaring (had) dienen in te leiden, en geen maanden te wachten alvorens te reageren”. 2.
- De tussenkomende partij betwist evenzeer de tijdigheid van het beroep tot vernietiging. Zij betoogt dat de bestreden stedenbouwkundige vergunning werd verleend op 5 november 2002 en de werken gestart zijn op 20 juni 2003, uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoeker “een bijzondere belangstelling betoonde voor de geplande uitbreiding”, de gemeente de plannen vanaf maart 2002 heeft bekendgemaakt en een niet-verplicht openbaar onderzoek heeft gehouden, niets belette dat de verzoeker de bestreden vergunning ten gemeentehuize kon inkijken vanaf 5 november 2002, en de verzoeker niet “kan (...) doen alsof hij niet wist dat de werken die zijn gestart op 20 juni 2003 een vergunning impliceerden”. 2.
- De verzoeker dupliceert dat de “beperkte grondwerken (...) begin juli 2003 (aanvingen)”, “de laatste werkdag (...) 10 juli” was, “de vakantie van het gezin grotendeels samenviel met het bouwverlof”, “volgens de bijgebrachte werfverslagen (...) funderingssleuven (zouden) gegraven zijn op 7 juli 2003 (...)” en dat zijn echtgenote en hij “ten vroegste ‘s avonds konden zien dat er werken werden X-11.550-3/7 uitgevoerd en waarbij zij dus evenmin tijdens de openingsuren van het gemeentehuis op de gemeente waren”, hij op 11 juli 2003 contact heeft gehad met de toenmalige schepen Bogaert maar zonder dat hem gemeld werd dat er een stedenbouwkundige vergunning was verleend, “daarbij (...) geen rekening (wordt) gehouden (...) dat de vergunning schriftelijk moet aangevraagd worden en dat er ook nog een beperkte afleveringstermijn is”, en “hij, ook ten gevolge van de misleiding en omwille (van) de vakantieperiode, niet nalatig was door slechts op 13 augustus 2003 kopie te vragen van de beslissing”. 2.
- De bestreden stedenbouwkundige vergunning diende noch bekendgemaakt, noch aan derden betekend te worden, zodat krachtens artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de beroepstermijn van zestig dagen ingaat met de dag waarop de verzoekende partij er kennis van heeft gehad of geacht moet worden er kennis van te hebben gehad. Het mag evenwel niet in de macht van een potentiële verzoekende partij liggen, wanneer zij in de mogelijkheid is kennis te nemen van de bestuurshandeling die zij eventueel met een annulatieberoep wenst te bestrijden, die kennisneming voor onbepaalde tijd uit te stellen en daardoor de aanvangsdatum van de termijn van beroep willekeurig te verschuiven, zodat de rechtsgeldigheid en het voortbestaan van de bedoelde bestuurshandeling buiten weten, zowel van de overheid van wie zij uitgaat, als van alle andere belanghebbenden, in het ongewisse wordt gehouden, met alle nadelige gevolgen vandien. Het beginsel volgens hetwelk voorkomen moet worden dat de gelding van de administratieve beslissingen te lang onzeker blijft, en dat aan voormeld artikel 4 van de procedureregeling ten grondslag ligt, eensdeels, en de noodzaak van een evenwichtige bescherming van de belangen én van de bouwheer én van de omwonenden en andere belanghebbende personen, anderdeels, brengen mee dat degene die meent te worden benadeeld door een stedenbouwkundige vergunning en die het bestaan van die vergunning moet vermoeden, de verplichting heeft om binnen een redelijke termijn gebruik te maken van de hem ter beschikking staande middelen om kennis te nemen van de inhoud van de afgegeven stedenbouwkundige vergunning, bijvoorbeeld van de mogelijkheid die hem door het toentertijd geldende artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 tot uitvoering van artikel 63 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw werd geboden om ten gemeentehuize kennis te nemen van de inhoud van de afgegeven stedenbouwkundige vergunning. X-11.550-4/7 Eens die redelijke termijn verstreken, neemt de termijn van 60 dagen om een annulatieberoep in te dienen, een aanvang. Het is zaak van de partij die aanvoert dat het beroep laattijdig is, het bewijs te leveren van het tijdstip waarop de verzoekende partij kennis had of kon hebben van de mogelijke afgifte van de bestreden vergunning, bijvoorbeeld door aan te tonen wanneer de kwestieuze werken werden aangevat. Het is dan weer zaak van de verzoekende partij in voorkomend geval aan te tonen dat zij binnen de redelijke termijn, via de geëigende middelen de nodige inlichtingen over de bestreden vergunning heeft proberen in te winnen. 2.
- Uit het werfverslag van vrijdag 20 juni 2003 blijkt dat de “uitbraakwerken” worden uitgevoerd “tegen maandagmorgen” (d.i. 23 juni 2003) en de werfafsluiting wordt aangebracht “tegen woensdag aanstaande” (d.i. 25 juni 2003). Uit het werfverslag van 3 juli 2003 blijkt voorts dat op deze datum reeds graafwerken werden uitgevoerd. Onder punt 02.5 van het verslag wordt immers het volgende gesteld : “Onder de funderingszool achtergevel uiterst rechts wordt n.a.v. de graafwerken een betonmassief gesignaleerd. IDE vraagt om te onderzoeken hoe diep deze zit en ze desgevallend te verwijderen om de nieuwe zool te kunnen uitvoeren”. De verderzetting van de graafwerken wordt bevestigd in een werfverslag van 7 juli
- Gelet op de aard van deze graafwerken moet worden aangenomen dat de verzoeker, als onmiddellijke buur die reeds geruime tijd een bijzondere belangstelling voor de geplande werken vertoonde, ervan op de hoogte was of diende te zijn. Dit geldt des te meer nu de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord zelf de datum van het delven van de funderingssleuven als “aanzet tot kennisneming van de vergunning” aangeeft. Uit de werfverslagen volgt dat de graafwerken werden aangevangen ten laatste op 3 juli 2003, en niet op 7 juli
- 2.
- Door eerst op 12 augustus 2003, dit is minstens 40 dagen na de aanvang van de graafwerken, aan de gemeente een kopie van de stedenbouwkundige vergunning te vragen, die de verzoeker overigens de volgende dag wordt bezorgd, heeft de verzoeker de voormelde redelijke termijn om kennis te nemen van de inhoud van de bestreden vergunning ruim overschreden. 2.
- Het betoog van de verzoeker te zijn “misleid” door het gemeentebestuur doet aan deze vaststelling geen afbreuk. Eenmaal de graafwerken aangevangen, kan het betoog van de verzoeker over zijn misleiding door het gemeentebestuur immers niet worden gevolgd omdat de verzoeker wist of alleszins X-11.550-5/7 moest weten dat de gemeentelijke overheid voor de voorgenomen werken, waaronder die graafwerken, een stedenbouwkundige vergunning nodig had en de eind juni/begin juli uitgevoerde graafwerken niet als geringe werken kunnen worden afgedaan.
- Uit het voorgaande volgt dat de verzoeker geacht moet worden meer dan zestig dagen vóór het instellen van het annulatieberoep van het bestaan van het bestreden besluit kennis te hebben gehad én dat hij heeft nagelaten binnen een redelijke termijn het nodige te doen om de vergunning in te zien. Het beroep tot nietigverklaring is laattijdig ingesteld. De exceptie is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. X-11.550-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen maart 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, P. LEFRANC, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-11.550-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.184 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.122.529 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div