← België

Arrest 191187 - Monumenten en Landschappen - 09/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.187 Rolnummer: A. 135236/X-11378 Zaak: Arrest 191187 - Monumenten en Landschappen - 09/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-16 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 21:19 Fiche Arrest nr 191.187 van 9 maart 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.187 van 9 maart 2009 in de zaak A. 135.236/X-11.

  1. In zake : Georges DELOOF, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Gerard Davidstraat 46, bus
  2. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Georges DELOOF op 9 april 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 20 januari 2003 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken waarbij de abdijhoeve bestaande uit een poortgebouw, boerenhuis, schuur en twee stallingen, gelegen te Brugge (Assebroek), Sint-Trudostraat 62-66, kadastraal bekend sectie C, nrs. 452/t (deel), 453/c (deel) en 455/w2 (deel), als monument wordt beschermd en de Abdijsite gelegen te Brugge (Assebroek), Sint-Trudostraat 62-66, kadastraal bekend sectie C, nrs. 448, 452/s, 452/t, 453/c, 455/a3, 455/b3, 455/w2 en 455/y2 en deel zonder nummer, als dorpsgezicht wordt beschermd; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. BARRA; Gelet op de beschikking van 21 december 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; X-11.378-1/13 Gelet op de beschikking van 19 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 december 2008; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. DE PRETER, die loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat P.-J. STAELENS, die loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. BARRA; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  3. Feiten 1.
  4. Op 25 maart 2002 stelt de afdeling Monumenten en Landschappen West-Vlaanderen in een motiveringsnota voor de abdijhoeve, bestaande uit een poortgebouw, boerenhuis, schuur en twee stallingen, aan de Sint-Trudostraat 62-66 te Assebroek-Brugge, als monument wegens zijn historische waarde en de abdijsite aldaar als dorpsgezicht wegens zijn historische en wetenschappelijke waarde te beschermen. In de motiveringsnota wordt de volgende plaatsbeschrijving van de site gegeven: “Thans vrij gaaf bewaarde agrarische site met verdoken ligging achter de aan de straat gelegen huizenrij, bestaande uit een recente bebouwing. De voormalige Sint-Trudohoeve is op vandaag opgesplitst in twee landbouwuitbatingen, resp. Sint-Trudostraat nr. 62 en
  5. Vanaf de Sint-Trudostraat, i.e. de westkant, zijn beide hoeven toegankelijk via afzonderlijke begrinte erfopritten; de oorspronkelijke toegangsweg met de historische inrijpoort is het meest noordelijk gelegen. De begraasde site wordt ten noorden afgesloten door het Sint-Trudoledeken. De oorspronkelijke trapezoïdale omwalling is bewaard ten oosten en ten zuiden; ten noorden is die herkenbaar in het landschap, cf. depressie. De hoefijzervormige vijver, welke op al de historische kaarten reeds is afgebeeld in de noordelijke helft van het domein, is heden ten dage grotendeels dichtgeslibd doch tekent zich nog duidelijk af in het landschap. X-11.378-2/13 Voornamelijk ten westen nabij de erfopritten en ten noordwesten bevinden zich de restanten van de hoogstam boomgaarden”. Verder wordt in de motiveringsnota de historische achtergrond geschetst, een beschrijving van de toestand gegeven en een gemotiveerd advies geformuleerd. Dit advies luidt als volgt: “Dient te worden beschermd als dorpsgezicht de site van het voormalig Sint-Trudoklooster, gelegen te Brugge (Assebroek) Sint-Trudostraat, nr. 62-66 gekend ten kadaster Brugge (Assebroek), 22ste afdeling, sectie C 14de blad nrs. 448, 452s, 452t, 453c, 455a3, 455b3, 455w2, 455y2 en deel zonder nummer omwille van het algemeen belang gevormd door de historische en wetenschappelijke waarde. De historische waarde wordt als volgt omschreven: Deze site is een onmisbare schakel in de geschiedenis van het belangrijke nog bestaande Sint-Trudoklooster te Brugge. Op deze plaats, eertijds het Hof van Odegem genaamd, was ca. 350 jaar lang - vanaf het ontstaan in 1149 tot aan de godsdienstoorlogen 1578 - het klooster Sint-Trudo gevestigd. Deze bloeiende kloostergemeenschap was en is nog steeds een belangrijk centrum voor het religieuze en culturele leven in de regio. De huidige configuratie, - de herkenbare trapezoïdale omwalde site ten zuiden van het Sint-Trudoledeken, het poortgebouw en de verspreide hoevegebouwen, het open weiland met fruitbomen - gaat terug op de 18de- eeuwse, vermoedelijk ook vroegere situatie begin 17de- eeuwse cf. dateringen van de gebouwen, zoals afgebeeld op de Ferrariskaarten (1770-1778). De huidige hoeve is een zeldzaam en vrij gaaf bewaard voorbeeld van een abdijhoeve uit het einde van de 16de eeuw. De wetenschappelijke waarde wordt als volgt omschreven : Deze historische site bewaart de tot op heden niet onderzochte archeologische restanten van het Sint-Trudoklooster. Dit archeologisch patrimonium is van belang voor het onderzoek van de geschiedenis van zowel het Sint-Trudoklooster op zich als van het kloosterleven in het algemeen. Dienen te worden beschermd als monument de hoevegebouwen gelegen te Brugge (Assebroek), Sint-Trudostraat, nr. 62-66, gekend ten kadaster Brugge 22ste Afdeling, sectie C/14, nrs. 452t (deel), 453c (deel), 455w2 (deel), omwille van het algemeen belang gevormd door de historische, in casu tevens de architectuurhistorische, waarde. Het poortgebouw, het boerenhuis, de schuur en de twee stalgebouwen zijn de belangrijkste restanten van de abdijhoeve, die gevestigd was op de oorspronkelijke abdijsite, en die van 1580 tot 1803 steeds verbonden bleef met de Sint-Trudo abdij. De verschillende gebouwen waarvan enkele teruggaand tot het einde van de 16de - begin 17de eeuw, zijn mede door hun gaafheid en hun verzorgde afwerking, belangrijke, zeldzame getuigen voor de landelijke architectuur in Vlaanderen in vermelde periode. Het beeldbepalend, aan de straat gelegen poortgebouw dateert vermoedelijk uit de 17de eeuw, en straalt het historisch belang van de site naar buiten uit. Het merkwaardig boerenhuis omvat een vrij gaaf bewaard eind 16de - begin 17 -eeuws rechthoekig hoofdvolume, met aanleunende 18de en 19de-eeuwse de bijgebouwen. Het oudste gedeelte - oorspronkelijk voorzien van een aangebouwde trapkoker tegen de oostgevel - vertoont onder meer een gaaf bewaarde dakconstructie, een tweebeukige kelder onder graatgewelven en X-11.378-3/13 verzorgd metselwerk onder meer getypeerd door boogvormige vensternissen met afgeschuinde dagkanten. De gaaf bewaarde dwarsschuur, daterend uit het eind van 16de begin 17de eeuw wordt getypeerd door een behouden dakconstructie en verzorgd metselwerk. De stalvleugel ten zuiden van het boerenhuis vertoont naast middeleeuws metselwerk, sporen van gelijkaardige nissen als boerenhuis en dwarsschuur”. 1.
  6. Op 24 april 2002 beslist de minister tot het vaststellen van een ontwerp van lijst met het hierboven omschreven monument en dorpsgezicht. Hij neemt als motivering het advies uit de motiveringsnota over. Dit besluit wordt aan de overheden en de eigenaars, waaronder de verzoeker, betekend met een op 28 mei 2002 aangetekende brief. Het besluit wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 mei
  7. 1.
  8. De verzoeker dient een bezwaar in met een brief gedagtekend op 25 juni
  9. Hij dient enkel bezwaar in tegen de opname van zijn percelen als dorpsgezicht. Hij is eigenaar van de percelen met nrs. 455/a3, 455/b3, 455/w2 en 455/y
  10. Hij wijst in zijn bezwaar op het bijzonder plan van aanleg Sint-Trudostraat Oost waartegen hij bezwaar en beroep bij de Raad van State heeft ingediend omdat dit bijzonder plan van aanleg voorziet in bestemmingen (agrarische activiteiten en bouwvrije bufferstrook) die ingaan tegen de gewestplanbestemmingen (woongebied en woonuitbreidingsgebied). In de voorschriften van het bijzonder plan van aanleg wordt de aandacht gevestigd op de abdijsite ten aanzien van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium. Hij wijst er verder op dat wat niet zichtbaar is niet kan beschermd worden. Archeologische vondsten moeten beschermd worden via de geëigende regelgeving met name het decreet van 30 juni
  11. Ook worden delen van het bijzonder plan van aanleg dat even beschermingswaardig is vanuit het oogpunt van archeologische restanten, niet beschermd. 1.
  12. De afdeling Monumenten en Landschappen stelt op 16 september 2002 een “verslag openbaar onderzoek” op. Op het bezwaar van de verzoeker wordt geantwoord dat de site een dorpsgezicht is in de twee betekenissen die het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten (hierna: het monumentendecreet) voorziet. Enerzijds omwille van de intrinsieke waarde van de omwalde historische site van het voormalig Sint-Trudoklooster, en anderzijds als X-11.378-4/13 de visuele omgeving van de als monument beschermde hoevegebouwen, dit zijn te dezen het open weiland met fruitbomen en de herkenbare omwalde site. Voorts wordt geantwoord dat de herkenbare trapezoïdale site wel degelijk visueel op het terrein is af te lezen “onder meer in vorm van de perceelsgrenzen en in de gedeeltelijk bewaarde omwalling ten oosten en ten zuiden; ten noorden wijst een depressie de vroegere plaats ervan aan” en dat “een dorpsgezicht (...) niet altijd iets te maken heeft met een dorp in de strikte zin van het woord cf. de definitie in het monumentendecreet”. Tevens wordt nog gesteld dat in het gemotiveerd advies de wetenschappelijke waarde geschrapt wordt omdat het archeologisch patrimonium de bevoegdheid is van het IAP, en dat de afbakening gebaseerd is op “het objectieve, historische gegeven met name de omwalde trapezoïdale site - herkenbaar in het terrein -, waarbinnen de abdij Sint-Trudo was gelegen” en dat “dit historisch feit (...) in de rubriek Historische achtergrond duidelijk gestaafd (wordt) aan de hand van het geschreven bronnenmateriaal en de historische kaarten”. 1.
  13. Op 3 oktober 2002 wordt door de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen advies uitgebracht. Het advies luidt als volgt: “Dient te worden beschermd: Wegens zijn historische waarde: - als monument: de Abdijhoeve bestaande uit poortgebouw, boerenhuis, schuur en twee stallingen, gelegen te Brugge (Assebroek), Sint-Trudostraat, nr. 62, 66, bekend ten kadaster: Brugge, 22e afdeling, sectie C, perceelnummers 452T (deel), 453C (deel), 455W2 (deel). Wegens zijn historische en wetenschappelijke waarde: - als dorpsgezicht: de ABDIJSITE, gelegen te Brugge (Assebroek), Sint-Trudostraat, nr. 62, 66, bekend ten kadaster: Brugge, 22e afdeling, sectie C, perceelnummers perceel zonder nummer, 448, 452S, 452T, 453C, 455A3, 455B3, 455W2, 455Y
  14. Het algemeen belang dat de bescherming verantwoordt, wordt door het uitzonderlijke karakter van volgende intrinsieke waarde gemotiveerd: Historische, in casu tevens de architectuurhistorische waarde van de hoevegebouwen: Het poortgebouw, het boerenhuis, de schuur en de twee stalgebouwen zijn de belangrijkste restanten van de abdijhoeve, die gevestigd was op de oorspronkelijke abdijsite, en die van 1580 tot 1803 steeds verbonden bleef met de Sint-Trudo abdij. De verschillende gebouwen waarvan enkele teruggaand tot het einde van de 16de - begin 17de eeuw, zijn mede door hun gaafheid en hun verzorgde afwerking, belangrijke, zeldzame getuigen voor de landelijke architectuur in Vlaanderen in vermelde periode. Het beeldbepalend, aan de straat gelegen poortgebouw dateert vermoedelijk uit de 17de eeuw, en straalt het historisch belang van de site naar buiten uit. Het merkwaardig boerenhuis omvat een vrij gaaf bewaard eind 16de - begin 17 -eeuws rechthoekig hoofdvolume, met aanleunende 18de en 19de-eeuwse de X-11.378-5/13 bijgebouwen. Het oudste gedeelte - oorspronkelijk voorzien van een aangebouwde trapkoker tegen de oostgevel - vertoont onder meer een gaaf bewaarde dakconstructie, een tweebeukige kelder onder graatgewelven en verzorgd metselwerk onder meer getypeerd door boogvormige vensternissen met afgeschuinde dagkanten. De gaaf bewaarde dwarsschuur, daterend uit het eind van 16de begin 17de eeuw wordt getypeerd door een behouden dakconstructie en verzorgd metselwerk. De stalvleugel ten zuiden van het boerenhuis vertoont naast middeleeuws metselwerk, sporen van gelijkaardige nissen als boerenhuis en dwarsschuur. De historische waarde van het site van het voormalig Sint-Trudoklooster wordt als volgt omschreven Deze site is een onmisbare schakel in de geschiedenis van het belangrijke nog bestaande Sint-Trudoklooster te Brugge. Op deze plaats, eertijds het Hof van Odegem genaamd, was ca. 350 jaar lang - vanaf het ontstaan in 1149 tot aan de godsdienstoorlogen 1578 - van het klooster Sint-Trudo gevestigd. Deze bloeiende kloostergemeenschap was en is nog steeds een belangrijk centrum voor het religieuze en het culturele leven in de regio. De huidige configuratie, - de herkenbare trapezoïdale omwalde site ten zuiden van het Sint-Trudoledeken, het poortgebouw en de verspreide hoevegebouwen, het open weiland met fruitbomen - gaat terug op de 18de-eeuwse, vermoedelijk ook vroegere situatie begin 17de-eeuwse cf. dateringen van de gebouwen, zoals afgebeeld op de Ferrariskaarten (1770-1778). De huidige hoeve is een zeldzaam en vrij gaaf bewaard voorbeeld van een abdijhoeve uit het einde van de 16de eeuw. De wetenschappelijke waarde wordt als volgt omschreven. Als zijnde de historische site van het voormalig Sint-Trudoklooster. Deze site is van belang voor het onderzoek van de geschiedenis van zowel het Sint-Trudoklooster op zich als van het kloosterleven in het algemeen”. 1.
  15. Met het bestreden besluit van 20 januari 2003 beslist de minister tot de definitieve bescherming. Hij maakt daarbij de motivering in het advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen tot de zijne.
  16. De ontvankelijkheid 2.
  17. De verwerende partij betoogt dat het bestreden besluit twee afsplitsbare beslissingen inhoudt en het annulatieberoep onontvankelijk is voor zover het bestreden besluit de bescherming van een aantal gebouwen als monument tot voorwerp heeft omdat het annulatieberoep geen middelen aanvoert tegen dit aspect van de bescherming. 2.
  18. Uit de afwezigheid van repliek hiertegen van de verzoeker wordt afgeleid dat zijn beroep is beperkt tot het besluit dat de bescherming van de abdijsite als dorpsgezicht tot voorwerp heeft. X-11.378-6/13
  19. Ten gronde 3.1.
  20. Het eerste middel is genomen uit de schending van artikel 2, 3/ van het monumentendecreet, van de artikelen 10 en 11 van de grondwet en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de motiveringswet). De verzoeker betoogt in een eerste onderdeel dat “de site wordt beschermd als dorpsgezicht om redenen die vreemd zijn aan het begrip ‘dorp’ in de strikte zin van het woord” terwijl “het begrip ‘dorpsgezicht’ restrictief moet worden geïnterpreteerd” en “het gelijkheidsbeginsel vereist dat de Vlaamse minister eenzelfde strikte interpretatie geeft aan het begrip ‘dorpsgezicht’, als hij geef(t) aan het begrip ‘stadsgezicht’”, “(d)e Afdeling (Monumenten en Landschappen) (...) ten onrechte een zeer ruime interpretatie van het begrip ‘dorp’ en derhalve (...) ook van het begrip ‘dorpsgezicht’ (hanteert)”, “de Afdeling Monumenten en Landschappen heeft vastgesteld dat de site vreemd is aan het begrip ‘dorp’, en zodoende ook aan het begrip ‘dorpsgezicht’, in de strikte zin”, “een ‘stadsgezicht’ betrekking moet hebben op een stedelijk milieu” en “de Vlaamse minister de definitie van art. 2, 3/ van het Monumentendecreet, (...) in zijn ‘spraakgebruikelijke betekenis’ (toepast)” zodat de minister “evenzo het strikt dorpskarakter moet vooropstellen bij de bescherming als dorpsgezicht” maar te dezen “denatureert”. In een tweede onderdeel betoogt hij dat “de site wordt beschermd als dorpsgezicht omwille van de ‘herkenbare trapezoïdale omwalde site’ die zou moeten wijzen op het bestaan van een niet langer visueel waarneembaar door de mens opgericht onroerend goed” terwijl “de bescherming (...) als dorpsgezicht in essentie dient te geschieden op grond van de visueel waarneembare kwaliteiten van het goed, wat dient te blijken uit de terzake afdoende motivering”, “de ‘herkenbare trapezoïdale omwalde site’ een administratieve fictie is, die niet visueel waarneembaar is”, “daar het westelijk gedeelte niet onder de beschermingsmaatregel valt, (...) één zijde van trapezium niet beschermd (wordt)” terwijl dit noch formeel, noch materieel gemotiveerd wordt, één en ander “niet kan worden gekwalificeerd als bijdragend tot het beeldvormend karakter van een dorpsgezicht”, “een (...) gewijzigde landschapsconfiguratie -gesteld dat die visueel waarneembaar kan zijn- (...) niet als een dorpsgezicht (kan) worden beschermd”, “de intrinsieke waarde van de onroerende goederen, dit is de omwalde historische site van het voormalige Sint-Trudoklooster (...) op zich (niet) wettig (...) kunnen verantwoorden dat deze worden beschermd zonder een beeldbepalend karakter te hebben” omdat “(e)en bepaald onroerend goed (...) enkel voor bescherming in aanmerking (komt) indien X-11.378-7/13 het zichtbaar is”, “ook de decreetgever niet heeft beoogd dat éénzelfde goed in aanmerking zou komen voor de bescherming als dorpsgezicht én als archeologisch monument”, en “enkel en alleen op grond van de aanwezigheid van dit weiland (...) geen wettig beschermingsbesluit (kan) worden genomen”. 3.1.
  21. Artikel 2, 3/ van het monumentendecreet bepaalt wat volgt: “Dit decreet verstaat onder: (...) 3/ stads- of dorpsgezicht: - een groepering van één of meer monumenten en/of onroerende goederen met omgevende bestanddelen, zoals onder meer beplantingen, omheiningen, waterlopen, bruggen, wegen, straten en pleinen, die vanwege haar artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieel-archeologische of andere sociaal-culturele waarde van algemeen belang is; - de directe, er onmiddellijk mee verbonden visuele omgeving van een monument, bepaald in 2/ van dit artikel, die door haar beeldbepalend karakter de intrinsieke waarde van het monument tot zijn recht doet komen dan wel door haar fysische eigenschappen de instandhouding en het onderhoud van het monument kan waarborgen”. 3.1.
  22. Deze decretale bepaling bevat omschrijvingen voor twee duidelijk van elkaar te onderscheiden betekenissen die zonder onderscheid zowel voor de stads- als voor de dorpsgezichten gelden. Hieruit wordt afgeleid dat deze betekenissen die de decreetgever heeft gegeven aan zowel de stads- als de dorpsgezichten, gelden voor de toepassing van het monumentendecreet en niet de, wat de verzoeker noemt, spraakgebruikelijke betekenissen van beide begrippen. Het eerste onderdeel is aldus gesteund op een verkeerd uitgangspunt. 3.1.
  23. Uit de motieven van het bestreden besluit blijkt dat de site als dorpsgezicht in beide betekenissen wordt beschermd. Enerzijds als een groepering van als monument beschermde onroerende goederen met omgevende bestanddelen omwille van de historische en wetenschappelijke waarde. Met de omgevende bestanddelen worden het open weiland met fruitbomen en de - op het terrein nog af te lezen - omwalling die de - op het terrein nog herkenbare - trapezoïdale structuur aan de site geeft, bedoeld. Anderzijds als de directe, met het beschermde monument onmiddellijk verbonden visuele omgeving die door haar beeldbepalend karakter de intrinsieke waarde van het monument tot zijn recht doet komen. In zover het bestreden besluit de bescherming van het dorpsgezicht als waardevol geheel beoogt, is het ingegeven door de historische betekenis van de ganse site van het voormalig klooster en later abdijhoeve en X-11.378-8/13 derhalve door de historische intrinsieke waarde van het dorpsgezicht, met name de als monument beschermde groep van onroerende goederen met de omgevende bestanddelen binnen de omwalling. In zover het bestreden besluit de bescherming van het dorpsgezicht als omgeving beoogt, slaat het op de directe, met het beschermde monument onmiddellijk verbonden visuele omgeving die de vorm van een herkenbare trapezoïdale omwalde site heeft, omdat het beeldbepalend karakter ervan de als monument beschermde groep van onroerende goederen beter tot zijn recht laat komen. 3.1.
  24. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de omwalling met de trapezoïdale structuur van de site niet enkel afgebeeld is op de Ferrariskaarten maar ook visueel op het terrein kan worden afgelezen “onder meer in vorm van de perceelsgrenzen en in de gedeeltelijk bewaarde omwalling ten oosten en ten zuiden” en in de vorm van een depressie ten noorden. Uit niets blijkt dat deze begrenzing van het dorpsgezicht in het bestreden besluit niet overeenkomt met de vroegere wal van de site van het voormalig Sint-Trudoklooster. De aanwezige bebouwing in het westen doet aan deze vaststelling van de herkenbaarheid van de trapezoïdale omwalde site van het voormalig Sint-Trudoklooster, noch aan de historische waarde die door het bestreden besluit wordt gegeven aan deze site als een “onmisbare schakel in de geschiedenis van het belangrijke nog bestaande Sint-Trudoklooster te Brugge”, iets af. De site van het voormalig Sint-Trudoklooster heeft aldus als geheel - met zijn huidige configuratie die teruggaat tot de 17de-18de eeuw, met de herkenbare trapezoïdale omwalde site, het poortgebouw, de verspreide hoevegebouwen en het open weiland met fruitbomen - een typisch karakter bewaard waarvan de historische waarde aanleiding geeft tot het bestreden beschermingsbesluit. Het bestreden besluit is derhalve niet gesteund op een administratieve fictie zoals de verzoeker betoogt, nu het beschermde geheel bestaat uit de visueel waarneembare, als monument beschermde, onroerende goederen (het poortgebouw, het boerenhuis, de schuur en twee stalgebouwen) en omgevende bestanddelen (het weiland met fruitbomen en de herkenbare trapezoïdale omwalde site). De kritiek van de verzoeker dat een niet-waarneembaar of niet-beeldbepalend onroerend goed ook als dorpsgezicht en niet enkel als archeologisch monument of zone kan worden beschermd, gaat eraan voorbij dat de bescherming niet het voormalig Sint-Trudoklooster maar de site van het voormalig Sint-Trudoklooster tot voorwerp heeft en mist te dezen dan ook elke relevantie. X-11.378-9/13 3.1.
  25. De verzoeker gaat eraan voorbij dat de bescherming als omgevingsdorpsgezicht niet de omgeving zelf maar wel de, buiten discussie staande, intrinsieke waarde van de beschermde monumenten beoogt tot haar recht te doen komen. De verzoeker betwist ten onrechte het beeldbepalend karakter van de visuele omgeving die met de beschermde monumenten onmiddellijk is verbonden. Met deze visuele omgeving wordt immers het open weiland met fruitbomen binnen de herkenbare trapezoïdale omwalde site bedoeld. Beide elementen van deze visuele omgeving horen aldus bij de site van het voormalig klooster en de latere abdijhoeve. De bescherming ervan als omgeving staat dan ook in functie van de beschermde monumenten. 3.1.
  26. Het middel is in zijn beide onderdelen ongegrond. 3.2.1 In een tweede middel wordt de schending aangevoerd van artikel 2, 3/ van het monumentendecreet juncto artikel 3 van de motiveringswet. In een eerste onderdeel argumenteert de verzoeker dat “de wetenschappelijke waarde van de beschermde kloostersite vaag wordt verantwoord op grond van het belang van het onderzoek van het Sint-Trudoklooster en het kloosterleven in het algemeen”, “zo’n motivering (...) volstrekt nietszeggend (is)” en “door geen enkel stuk gesteund”, en “nergens (...) uit het bestreden besluit (blijkt) wat het algemeen belang van de beschermingsmaatregel wel moge zijn”. De verzoeker betoogt in een tweede onderdeel dat “de ware drijfveer om de beschermingsprocedure op te starten, nl. de vermeende archeologische waarde van het terrein, na het ingediende bezwaar, integraal (...) uit de materiële motivering van het definitief beschermingsbesluit is geschrapt, zodat het Monumentendecreet wordt gebezigd als een soort ‘voorlopige bescherming’ voorafgaand aan dezen van het Archeologiedecreet”, “de site niet wettig kan worden beschermd op grond van de voorliggende motieven, nl. de vermeende archeologische waarde van het terrein”, “de in het definitief beschermingsbesluit voorliggende motieven (die in het voorlopig beschermingsbesluit slechts van secundair belang waren), (niet) (...) volstaan om het goed te beschermen als dorpsgezicht”, “het uitzonderlijk belang” dat vereist wordt om “de archeologische restanten die zich op de site zouden bevinden” te beschermen als dorpsgezicht, niet is aangetoond “wel integendeel, het is formeel geschrapt uit het besluit”, “(o)p geen enkele wijze wordt verantwoord waarom de overheid heeft gekozen voor een in X-11.378-10/13 beginsel eeuwigdurende erfdienstbaarheid, waar - per hypothese - een tijdelijke zou volstaan”. 3.2.
  27. Uit de motieven van het hierboven weergegeven bestreden besluit blijkt dat het algemeen belang van de als geheel beschermde site van het voormalig Sint-Trudoklooster wordt gevormd door zijn historische en wetenschappelijke waarde. Uit het hierboven aangehaalde artikel 2, 3/ van het monumentendecreet volgt dat voor de bescherming van de site als dorpsgezicht de historische of de wetenschappelijke waarde van algemeen belang in principe kan volstaan. Uit de gegevens van het dossier blijkt niet dat de historische of de wetenschappelijke waarde van algemeen belang van de site van het voormalig Sint-Trudoklooster, het bestreden besluit niet zelfstandig en afdoende kunnen schragen. Met de verwerende partij moet in de gegeven omstandigheden worden aangenomen dat, nu de verzoeker niet het motief van het bestreden besluit van de historische waarde voor de bescherming van de site als dorpsgezicht aanvecht in het verzoekschrift, het middel dat beperkt wordt tot het aanvechten van het overtollig motief met betrekking tot de wetenschappelijke waarde, niet ontvankelijk is omdat het niet kan leiden tot de vernietiging van het bestreden besluit. 3.2.
  28. Het tweede middel is in zijn beide onderdelen onontvankelijk. 3.3.
  29. De verzoeker voert in ondergeschikte orde een derde middel aan dat is genomen uit de schending van artikel 2, 3/ van het monumentendecreet en van artikel 3 van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium (hierna: het archeologiedecreet) juncto artikel 3 van de motiveringswet. De verzoeker betoogt dat “de Vlaamse minister een goed dat in aanmerking komt voor een beschermingsmaatregel op grond van het Monumentendecreet en op grond van het Archeologiedecreet, onderwerpt aan de beschermingsmaatregel die het meest verregaand het eigendomsrecht beperkt, zonder hiervoor enige motivering” te geven en “uit het bestreden besluit moet blijken op welke gronden de Vlaamse minister beslist heeft dat de meest stringente beschermingsmaatregel vereist is, en de minder verregaande onvoldoende bescherming zou bieden”. 3.3.
  30. Dat de bescherming van de site van het voormalig Sint-Trudoklooster als dorpsgezicht gebeurlijk verregaander beperkingen aan het X-11.378-11/13 eigendomsrecht van de verzoeker oplegt dan de eventueel mogelijke maatregelen op grond van het archeologiedecreet verhindert de overheid niet om een beroep te doen op de bescherming als dorpsgezicht wanneer dat haar een meer wenselijke beleidskeuze lijkt. De verzoeker voert niet aan dat deze beleidskeuze kennelijk onredelijk zou zijn. Het ondergeschikte middel dient zich in essentie aan als een gebrek in de motivering. De motiveringsverplichting dringt zich eerst aan de overheid op wanneer zij, eens zij haar beleidskeuze heeft gemaakt, een beschermingsmaatregel overeenkomstig de toepasselijke decretale regeling neemt. 3.3.
  31. In artikel 1 van het bestreden beschermingsbesluit wordt uitdrukkelijk gemotiveerd waarom de bescherming van de site van het voormalig Sint-Trudoklooster als dorpsgezicht door de overheid van algemeen belang wordt geacht. Zoals hierboven werd weergegeven, wordt de historische en wetenschappelijke waarde van de site uitdrukkelijk omschreven in het beschermingsbesluit. De juridische en feitelijke overwegingen die aan het beschermingsbesluit ten grondslag lagen, worden uitdrukkelijk vermeld in het besluit en de verzoeker kon met kennis van zaken uitmaken of hij al dan niet beroep ging instellen tegen het beschermingsbesluit. De motiveringsverplichting bij het nemen van deze beschermingsmaatregel strekt er niet toe te verantwoorden waarom geen andere mogelijke beschermingsmaatregel wordt genomen. De motiveringswet werd derhalve niet geschonden. 3.3.
  32. Het middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  33. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  34. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. X-11.378-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen maart 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, P. LEFRANC, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-11.378-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.187 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.