← België

Arrest 191212 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 09/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.212 Rolnummer: A. 190497/X-13971 Zaak: Arrest 191212 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 09/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-18 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 21:28 Fiche Arrest nr 191.212 van 9 maart 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.212 van 9 maart 2009 in de zaak A. 190.497/X-13.

  1. In zake : Hans BERTH, die woonplaats kiest bij advocaat A. LUST, kantoor houdende te 8310 ASSEBROEK, Baron Ruzettelaan 27 tegen :
  2. de gemeente DENTERGEM,
  3. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat Y. FRANÇOIS, kantoor houdende te 8790 WAREGEM, Eertbruggestraat
  4. tussenkomende partij : Noël GOETRY, die woonplaats kiest bij advocaat M. D’HOORE, kantoor houdende te 8200 BRUGGE, Dirk Martensstraat
  5. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat Hans BERTH op 27 november 2008 heeft ingediend, en waarin hij de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van : “
  6. het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Dentergem van 23 mei 2008 waarbij de door de verzoekende partij tegen het project ingediende bezwaren ongegrond worden verklaard;
  7. het advies van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar van West-Vlaanderen d.d. 7 augustus 2008 waarbij voor het project een voorwaardelijk gunstig advies wordt verleend;
  8. het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Dentergem van 21 augustus 2008 waarbij aan de heer Noël Goetry, wonend te 8720 Dentergem, Tieltstraat 18, een stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een vergistingsinstallatie”; X-13.971-1/8 Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 29 januari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 februari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad J. VAN NIEUWENHOVE; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. CASTELEYN, die loco advocaat A. LUST verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat Y. FRANÇOIS, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, en van advocaat G. VERMAERCKE, die loco advocaat M. D’HOORE verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  9. Rechtspleging Met een verzoekschrift van 12 december 2008 heeft Noël GOETRY gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Er is grond om het verzoek in te willigen.
  10. Feiten 2.
  11. Op 28 maart 2008 dient Noël GOETRY bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Dentergem een stedenbouwkundige vergunningsaanvraag in voor het bouwen van een vergistingsinstallatie, op percelen X-13.971-2/8 gelegen aan de Tieltstraat 18 te Dentergem, kadastraal bekend sectie A, nrs. 85/e, 85/f en 91/l. De vergistingsinstallatie betreft een project inzake hernieuwbare energie en zou worden toegevoegd aan het bestaande landbouwbedrijf dat onder meer varkens- en rundveestallen omvat. De op te richten constructies omvatten een loods (voornamelijk gebruikt als opslagplaats voor vaste mest en afvalstoffen uit de landbouw), vier vergistingstanks, sleufsilo’s, opslagtanks voor het digestaat, een lagune voor de opslag van het effluent, een wasstraat, een weegbrug en een elektriciteitscabine. 2.
  12. Tijdens het openbaar onderzoek van de aanvraag dient de raadsman van de verzoeker namens vijf particulieren, waaronder de verzoeker, een bezwaarschrift in. 2.
  13. Op 8 april 2008 geeft de afdeling Wegen en Verkeer van het Agentschap Infrastructuur een ongunstig advies omdat de bouwlijn van minimum 17 meter ten opzichte van de bestaande as van de gewestweg niet wordt nageleefd. 2.
  14. Op 8 mei 2008 geeft de afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling een voorwaardelijk gunstig advies. 2.
  15. Op 23 mei 2008 geeft het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Dentergem een gunstig preadvies over de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag. Dit is de eerste bestreden beslissing. 2.
  16. Op 7 augustus 2008 geeft de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar een voorwaardelijk gunstig advies. Dit is de tweede bestreden beslissing. 2.
  17. Op 21 augustus 2008 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Dentergem de gevraagde stedenbouwkundige vergunning. Aan de vergunning worden zeven voorwaarden verbonden waaronder de verplichting om een aangepast inplantingsplan op te maken. Dit is de derde bestreden beslissing. X-13.971-3/8
  18. Ontvankelijkheid 3.
  19. De twee verwerende partijen en de tussenkomende partij betwisten vooreerst het belang van de verzoeker. De eerste verwerende partij werpt op dat de verzoeker niet beschikt over het rechtens vereiste belang aangezien hij op ongeveer 300 meter van het betrokken bedrijf woont, hij “vroeger in deze gevoelige materie nooit op het voorplan is getreden” en het bedrijf reeds bestond op het ogenblik dat de verzoeker zich in de omgeving is komen vestigen. De tweede verwerende partij voegt daar aan toe dat de verzoeker door de zeer ruime afstand en de plaatsing van een groenscherm geen visuele hinder zal ondervinden. De tussenkomende partij stelt dat het indienen van een bezwaar tijdens het openbaar onderzoek nog geen persoonlijk belang bij het instellen van de huidige vordering aantoont, dat de woning van de verzoeker op 250 à 300 meter van de geplande constructies gelegen is en dat hij bijgevolg niet als “onmiddellijke nabuur” kan worden beschouwd. De verzoeker woont zelf zonevreemd. Voorts geldt in een agrarisch gebied een hogere tolerantiedrempel en heeft de verzoeker zich ter plaatse gevestigd toen het landbouwbedrijf reeds in exploitatie was. De hinder waarvan gewag wordt gemaakt is louter hypothetisch. Indien er al sprake zou zijn van hinder, vloeit die niet voort uit de bestreden stedenbouwkundige vergunning, maar uit de planologische bestemming tot agrarisch gebied. Een schorsing of vernietiging van de bestreden beslissingen zou trouwens de hinder niet doen ophouden, aangezien het bestaande landbouwbedrijf verder kan worden geëxploiteerd. De verzoeker ondervindt op zijn woonplaats geen hinder van het verkeer. Voor geurhinder hoeft hij evenmin te vrezen, aangezien zijn woning niet in de overheersende windrichting gelegen is. 3.
  20. De tweede verwerende partij en de tussenkomende partij stellen voorts dat het verzoekschrift niet per aangetekend schrijven zou zijn ingediend en dat het derhalve pas vaste datum zou hebben gekregen op de dag van de aangetekende brief van de griffie van de Raad van State waarbij het verzoekschrift aan de verwerende partijen ter kennis werd gebracht, met name op 1 december
  21. Zij stellen tevens dat de verzoeker als lid van een actiecomité meer dan waarschijnlijk reeds op 30 september 2008 effectief kennis heeft gekregen van de verleende stedenbouwkundige vergunning en dat in die omstandigheden de termijn om beroep in te stellen is verstreken op 29 november
  22. X-13.971-4/8 3.
  23. De tweede verwerende partij stelt eveneens dat de drie geviseerde beslissingen niet met één enkel verzoekschrift kunnen worden bestreden en dat het bijgevolg moet worden geacht gericht te zijn tegen de eerste bestreden beslissing, die echter geen rechtsgevolgen teweegbrengt en waarvoor de Raad van State bijgevolg ook niet bevoegd is. 3.
  24. De tussenkomende partij werpt ten slotte nog op dat de eerste en de tweede bestreden beslissingen geen rechtsgevolgen teweegbrengen en dat de vordering tot schorsing alleszins onontvankelijk is in de mate dat zij tegen die twee beslissingen is gericht. 3.
  25. Er is geen noodzaak om over deze excepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties is immers slechts nodig indien vast zou komen te staan dat de voorwaarden voor het inwilligen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, te dezen niet het geval is.
  26. Grondvoorwaarden voor de schorsing 4.
  27. Krachtens artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissingen kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 4.
  28. Voor wat betreft de tweede schorsingsvoorwaarde voert de verzoeker aan dat het gaat om een reeks bedrijfsgebouwen die meer dan anderhalve hectare beslaan, zijnde ongeveer de helft van de weide naast het bestaande landbouwbedrijf. Onder de verscheidene omvangrijke constructies is er een loods van 30 op 75 meter met een hoogte van 11 meter, die in het agrarisch gebied beeldbepalend zal zijn als ware het een kathedraal. Het geheel houdt een zeer substantiële wijziging in van het uitzicht van de verzoeker op de open agrarische omgeving. Het feit dat de verzoeker thans reeds uitzicht heeft op het bestaande landbouwbedrijf, betekent niet dat hij met deze verdere aantasting van het open gebied genoegen moet nemen. X-13.971-5/8 De verzoeker betoogt dat de functie die de vergunde gebouwen vervullen, met name die van een biogasinstallatie, betrokken moeten worden bij de beoordeling van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Die functie levert (geur)hinder, veiligheidsrisico’s en verkeerslast op voor de omgeving en houdt een fundamentele omwenteling in van de reeds aanwezige functies, met name landbouw en veeteelt, die thans voor de actuele dagelijkse leefwereld van de verzoeker bepalend zijn. Ten slotte verwijst de verzoeker ook naar geurhinder bij de opslag van de zogenaamde energieteelten en bij het lossen van de vloeibare mest en de vloeibare afvalstoffen. 4.
  29. De door de verzoeker aangevoerde nadelen met betrekking tot de geurhinder, de veiligheid en het verkeer houden in de eerste plaats verband met de exploitatie van de inrichting en niet met de stedenbouwkundige vergunning als dusdanig. Dienaangaande blijkt uit de gegevens van het dossier dat op 10 april 2008 de Vlaamse minister bevoegd voor Leefmilieu de vereiste milieuvergunning heeft afgeleverd, na een administratief beroep dat onder meer door de verzoeker was ingesteld. Die vergunning, waarin de door de verzoeker thans aangevoerde nadelen uitdrukkelijk en uitvoerig zijn beoordeeld, werd niet aangevochten door de verzoeker en is inmiddels definitief geworden. 4.
  30. Uit de gegevens van het dossier kan tevens worden opgemaakt dat de vergunde installatie niet zonder meer kan worden beschouwd als een afvalverwerkend bedrijf dat thuishoort in industriegebied, maar veeleer als een inrichting die grondstoffen verwerkt die afkomstig zijn van land- en tuinbouwactiviteiten, met name mest en land- en tuinbouwproducten van plantaardige oorsprong. Het eindproduct van de installatie is enerzijds gedroogde organische meststof en anderzijds een loosbaar effluent, waarbij het bij dat productieproces vrijgekomen biogas wordt verbrand met productie van warmte en elektriciteit voor de lokale energiebehoefte op het bedrijf enerzijds en voor levering aan het openbare distributienet anderzijds. De eindproducten zijn evenmin als de grondstoffen vreemd aan agrarische activiteiten te noemen, zodat moet worden geconcludeerd dat de vergunde constructies en de geurhinder die ze kunnen opleveren, in tegenstelling tot wat de verzoeker voorhoudt, allerminst vreemd zijn aan de reeds aanwezige agrarische activiteiten in de omgeving. Voor wat betreft die geurhinder moet in agrarisch gebied, waarin ook de verzoeker zijn woning heeft, overigens een hogere tolerantiedrempel worden gehanteerd dan in andere gebieden. X-13.971-6/8 4.
  31. Voor wat betreft de door de verzoeker aangevoerde visuele en ruimtelijke impact van de vergunde constructies blijkt uit de gegevens van het dossier dat het uitzicht van de verzoeker reeds in belangrijke mate is aangetast door de rundvee- en varkensstallen van het bestaande landbouwbedrijf van de tussenkomende partij, zodat er thans geen sprake is van een volledig open landelijk landschap. Voorts voorziet de derde bestreden beslissing in een groenscherm van hoogstammige bomen in wildverband en in een te beplanten berm met een hoogte van 240 centimeter. De door de verzoeker in het bijzonder bekritiseerde loods van 30 op 75 meter met een hoogte van 11 meter zal worden opgericht aan de zijde van de Tieltstraat op een gedeelte van het bouwperceel dat het verst verwijderd is van de woning van de verzoeker, op een afstand van ongeveer 200 meter. De topgevels van de loods worden voorzien van een bruine bandage en de tanks worden gedeeltelijk ingegraven, waardoor de visuele impact van de vergunde constructies nog verder wordt beperkt. 4.
  32. Uit dit alles blijkt dat aan de voorwaarde van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet voldaan is. 4.
  33. Er is niet voldaan aan één van de door artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen te bevelen. Deze vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. 4.
  34. Anders dan de tussenkomende partij meent, volstaat het niet dat een verzoeker faalt om een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aan te tonen, opdat hem een boete wegens kennelijk onrechtmatig beroep zou moeten worden opgelegd. Op die suggestie van de tussenkomende partij in haar nota met opmerkingen wordt niet ingegaan. De argumenten die zij aanhaalt met betrekking tot de bewijsvoering door de verzoeker en de redenen waarom hij deze vordering tot schorsing instelt, nopen niet tot een ander besluit. X-13.971-7/8 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  35. Het verzoek tot tussenkomst van Noël GOETRY in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
  36. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  37. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de tussenkomst wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen maart 2009, door : de H. J. VAN NIEUWENHOVE, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. J. VAN NIEUWENHOVE. X-13.971-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.212 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.211.571 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.