← België

Arrest 191234 - Varia (onderwijs en cultuur) - 10/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.234 Rolnummer: A. 158573/IX-4739 Zaak: Arrest 191234 - Varia (onderwijs en cultuur) - 10/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-20 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 21:33 Fiche Arrest nr 191.234 van 10 maart 2009 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.234 van 10 maart 2009 in de zaak A. 158.573/IX-4739. In zake : de CHRISTELIJKE CENTRALE VOOR DE OPENBARE DIENSTEN (CCOD), die woonplaats kiest bij advocaat P. LAHOUSSE, kantoor houdende te MECHELEN, Leopoldstraat 64 tegen : 1. de Universiteit Antwerpen (UA) die woonplaats kiest bij advocaten C. COEN en J. DERIDDER, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 210 A 2. het Universitair Ziekenhuis Antwerpen (UZA), dat woonplaats kiest bij advocaat A. COOLSAET, kantoor houdende te ANTWERPEN, Arthur Goemaerelei 69. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de Christelijke Centrale voor de Openbare Diensten (CCOD) op 23 december 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van: - de beslissing van 4 november 2004 van de raad van bestuur van de Universiteit Antwerpen betreffende de verzelfstandiging van het Universitair Ziekenhuis Antwerpen, die als private rechtspersoon wordt aangeduid; - de nota van 4 november 2004 opgesteld door de raad van bestuur van de Universiteit Antwerpen betreffende de rechtspersoonlijkheid van het Universitair Ziekenhuis Antwerpen; - een nota van de heer Johnny Van Der Straeten, afgevaardigd bestuurder, betreffende de toepasselijke wetgeving op het vlak van de collectieve arbeidsver- houdingen, welke aan het personeel werd medegedeeld op 9 november 2004; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; IX-4739-1/15 Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur J. NEUTS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende en de eerste verwerende partij; Gelet op de beschikking van 17 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 november 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. GOOSSENS die, loco advocaat P. LAHOUSSE verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat C. COEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat A. COOLSAET, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur J. NEUTS bij beslissing van 31 oktober 2008 van de auditeur-generaal gemachtigd om ter openbare terechtzitting advies te verlenen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Normatief en feitelijk kader 1.1. Het Universitair Ziekenhuis Antwerpen (hierna: UZA) maakte sinds de oprichting ervan deel uit van de Universitaire Instelling Antwerpen (hierna: UIA). Het UZA beschikte, als onderdeel van de UIA, niet over een afzonderlijke rechtspersoonlijkheid. 1.2. Ingevolge het decreet van 4 april 2003 houdende bepalingen tot de oprichting van een Universiteit Antwerpen en tot wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de Universiteit Antwerpen, heeft de UIA met ingang van 1 oktober 2003 opgehouden te bestaan als afzonderlijke rechtspersoon. De UIA is samen met de twee andere Antwerpse universiteiten, namelijk het Universitair Centrum Antwerpen (hierna: IX-4739-2/15 RUCA) en de Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius te Antwerpen (hierna: UFSIA), opgegaan in de Universiteit Antwerpen (hierna: UA). Artikel 10 van het decreet van 4 april 2003 bepaalt in dit verband dat de UA de algemene rechtsopvolger is van het RUCA, de UFSIA en de UIA. Artikel 9 van het decreet van 4 april 2003 bepaalde oorspronkelijk dat het UZA wordt uitgebaat door “een aparte rechtspersoon”. 1.3. Het genoemde artikel 9 van het decreet van 4 april 2003 wordt vervangen bij het decreet van 7 mei 2004 houdende wijziging van het decreet van 4 april 2003 houdende bepalingen tot de oprichting van een Universiteit Antwerpen en tot wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de Universiteit Antwerpen, wat het Universitair Ziekenhuis Antwerpen betreft, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 15 oktober 2004. Voortaan luidt artikel 9 van het decreet van 4 april 2003 als volgt: “Artikel 9. § 1. Het Universitair Ziekenhuis Antwerpen (UZA) is een instelling zonder winstoogmerk. die krachtens dit decreet rechtspersoonlijkheid verwerft, zodra de beslissing tot afsplitsing van het UZA door de Universiteit Antwerpen (UA) is genomen. § 2. Het doel van het UZA is, in een pluralistisch perspectief, het verlenen van patiëntenzorg met een universitaire dimensie, de ontwikkeling van nieuwe technologieën, de evaluatie van medische activiteiten, klinisch onderzoek en opleiding ten behoeve van de Universiteit Antwerpen. Onder dit doel vallen in elk geval de uitbating van het universitair ziekenhuis en gezondheidsvoorzieningen, medisch-sociale inrichtingen of welzijnsvoorzieningen. Onder dit doel vallen eveneens het stellen van alle rechtshandelingen inzake alle roerende en onroerende goederen van het UZA en alle rechtshandelingen die rechtstreeks of onrechtstreeks voor de realisatie van dit doel noodzakelijk zijn. § 3. De organen van het UZA zijn de algemene vergadering en de raad van bestuur. De volheid van bevoegdheid berust bij de algemene vergadering. De regeringscommissaris bij de Universiteit Antwerpen en de bevoegde inspecteur van financiën hebben van ambtswege zitting in de organen, bedoeld in dit decreet. De in het tweede lid bedoelde regeringscommissaris oefent het toezicht uit beschreven in artikelen 177, 178 en 179 van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, mutatis mutandis. IX-4739-3/15 De in het tweede lid bedoelde inspecteur van financiën oefent de functies uit, beschreven in artikel 180 van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, mutatis mutandis. § 4. De samenstelling van de algemene vergadering van het UZA, het quorum en de meerderheden voor beslissingen binnen de algemene vergadering worden vooraf vastgelegd door de raad van bestuur van de UA. De leden van de algemene vergadering van het UZA worden aangesteld door de raad van bestuur van de UA. Minstens twee derde van deze leden vertegenwoordigen de Universiteit Antwerpen. De voorzitter van de algemene vergadering van het UZA is de rector van de UA. Hij/zij kan zich als voorzitter laten vervangen door een ander door de Algemene Vergadering aan te wijzen lid. De Algemene Vergadering heeft de volgende bevoegdheden; 1/ het vastleggen en wijzigen van de statuten; 2/ het vastleggen van de opdrachtverklaring van het UZA en van de beheersovereenkomst tussen UA en UZA, inclusief het algemene kader voor samenwerking met andere instellingen; 3/ het goedkeuren van de begroting en de rekeningen van het UZA; 4/ het vastleggen van de bevoegdheden van de Raad van Bestuur, met inbegrip van het recht specifieke aangelegenheden binnen de bevoegdheidssfeer van de Raad van Bestuur naar zich toe te trekken, evenals het verlenen van de kwijting aan de bestuurders; 5/ het vastleggen van de samenstelling van de Raad van Bestuur van het UZA; 6/ de ontbinding van de rechtspersoon en het vastleggen van de bestemming van de goederen na ontbinding; een dergelijke beslissing kan slechts genomen worden met een drievierde meerderheid. § 5. De statuten bevatten minimaal de volgende bepalingen : 1/ de zetel van de instelling; 2/ de nadere regels met betrekking tot de samenstelling van de Algemene Vergadering en de duur van de mandaten van de leden van de Algemene Vergadering; 3/ de nadere regels met betrekking tot de bevoegdheden van de Algemene Vergadering en van de Raad van Bestuur; 4/ de wijze van bijeenroeping van de Algemene Vergadering; 5/ de samenstelling van de Raad van Bestuur en de wijze van benoeming en afzetting van de niet-ambtshalve bestuurders; 6/ de besluitvormingsprocedure inzake de wijziging van de statuten, met inbegrip van quorumvereisten en meerderheden; 7/ de nadere regels met betrekking tot de werking en de bevoegdheden van de Raad van Bestuur van het UZA: IX-4739-4/15 8/ de besluitvormingsprocedure inzake het sluiten van samenwerkingsakkoorden met andere instellingen. § 6. De Algemene Vergadering van het UZA stelt de gedelegeerd bestuurder aan. Hij kan de gedelegeerd bestuurder ad nutum ontslaan. De gedelegeerd bestuurder is belast met de dagelijkse leiding van het UZA. § 7. De personeelsleden die op de datum van de inwerkingtreding van de beslissing tot afsplitsing, bedoeld in § 1, in dienst zijn van de Universiteit Antwerpen, afdeling Universitair Ziekenhuis, treden wat hun aanstelling bij het ziekenhuis betreft, op die datum in dienst van het UZA. Ze behouden daarbij alle rechten en verplichtingen en het arbeidsrechtelijk en sociaalrechtelijk statuut dat daarbij op hen van toepassing was, conform de Europese Richtlijn 2001/23/EEG van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan. § 8. Alle roerende en onroerende goederen, activa en passiva, rechten en verplichtingen, met inbegrip van alle rechten en verplichtingen van het vermogen, die voorkomen op de door de toezichthoudende overheid goedgekeurde jaarrekening van 31 december 2003 van de UA, afdeling UZA, worden op de datum van de inwerkingtreding van de afsplitsing van rechtswege en om niet en zonder kosten van welke aard, overgedragen aan het UZA. De overdracht van de goederen geschiedt in de staat waarin zij zich bevinden. Het UZA treedt in de rechten en verplichtingen die krachtens de activiteiten van de voornoemde instellingen op het vlak van het universitair ziekenhuis zijn ontstaan en is hiervoor de algemene rechtsopvolger van voornoemde rechtspersonen. § 9. Het UZA geniet de vrijstelling opgenomen in artikel 55 van het Wetboek der Successierechten. § 10. Het UZA kan, na machtiging van de Vlaamse Regering, overgaan tot onteigening van onroerende goederen die vereist zijn voor het in § 2 vermelde doel. De onteigeningen gebeuren overeenkomstig de procedure omschreven in de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte. § 11. Na advies van de Faculteit geneeskunde van de Universiteit Antwerpen sluiten de Universiteit Antwerpen en de nieuwe rechtspersoon UZA een beheersovereenkomst die verdere uitvoering geeft aan de universitaire verankering van het UZA. De beheersovereenkomst regelt de onderlinge verhoudingen en procedures, de doelstellingen en resultaatsgebieden.” Volgens die bepalingen wordt het UZA dus een instelling zonder winstoogmerk, met een afzonderlijke rechtspersoonlijkheid, van zodra de UA de beslissing tot afsplitsing van het UZA neemt. IX-4739-5/15 Tegen het decreet van 7 mei 2004 zijn door de Algemene Centrale der Openbare Diensten en door een werknemer van het UZA vorderingen tot schorsing en beroepen tot nietigverklaring ingesteld bij het Grondwettelijk Hof. Bij arrest nr. 34/2005 van 9 februari 2005 zijn de vorderingen tot schorsing verworpen. Bij arrest nr. 105/2005 van 9 juni 2005 is de afstand van de oorspronkelijk ingestelde beroepen toegewezen. Bij arrest nr. 185/2005 van 7 december 2005 zijn latere, door dezelfde partijen ingestelde beroepen verworpen. 1.4. Ter uitvoering van voormeld artikel 9 van het decreet van 4 april 2003, zoals gewijzigd, besluit de raad van bestuur van de UA op 4 november 2004 om het UZA met ingang van 1 januari 2005 af te splitsen in een afzonderlijke instelling zonder winstoogmerk met rechtspersoonlijkheid. In dit verband wordt gesteld dat het UZA voortaan een private rechtspersoon zal zijn. De notulen van de vergadering vermelden desbetreffend onder meer hetgeen volgt: “5.2. Verzelfstandiging UZA 5.2.1. Bespreking: De rector herinnert aan de antecedenten van het dossier. Hij stelt dat het de bedoeling is heden over te gaan tot een definitieve beslissing. Hij herinnert eraan dat heel wat besprekingen over juridische kwesties gevoerd werden met de regeringscommissaris. Ook de professoren Marc Rigaux, Bruno Peeters en Jan Velaers hebben zich samen met de regeringscommissaris gebogen over het juridisch karakter van dit dossier. Hij wenst dan ook al deze personen te danken voor hun inzet terzake. Ter zitting wordt het verslag rondgedeeld van de werkzaamheden van bedrijfsrevisor KPMG over de werkzaamheden van dit kantoor in verband met de verzelfstandiging van het UZA. Projectmanager M. De Samblanx licht de verdere stappen toe. Hij wijst erop dat het decreet thans is gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, waardoor de wettige grondslag voor de verzelfstandiging volledig is afgerond. De heer Y. Dekeyser, director bij het bedrijfsrevisorenkantoor KPMG, geeft nadere duiding bij het rapport van de bedrijfsrevisor, inzonderheid met betrekking tot de beginbalans van het UZA per 01/01/2004. Hij schetst het verloop van de diverse werkzaamheden en benadrukt dat ook in de pre-fusieperiode de rekeningen van UZA en UIA steeds apart werden gehouden. De accounting methodes werden consistent met het verleden toegepast. Qua human relations werden provisies voor mogelijke disputen verwerkt in de boekhouding. Ingevolge een vraag daaromtrent, bevestigt de heer Dekeyser dat er een perfecte reconciliatie heerst tussen de boekhouding van de UA en deze van het UZA. Concluderend met betrekking tot de rekeningen van het UZA bevestigt de heer Dekeyser dat de revisorale verklaringen zowel over de jaarrekening per 31/12/2003 als over de openingsbalans per 01/01/2004 goedkeurend zijn met een formule van voorbehoud die betrekking heeft op de recuperatie van het inhaalbedrag van IX-4739-6/15 financiering ten laste van het Ministerie van Volksgezondheid voor de boekjaren 1997 tot en met 2002. De voorzitter overloopt dan punt per punt de diverse onderdelen van het voorstel tot beslissing. Bij de punten E en F in verband met de jaarrekening 2003 en de beginbalans 2004 van de UA, wijst hij erop dat het voorstel tot beslissing in overeenstemming moet worden gebracht met de onder agendapunt 4.1. genomen beslissing. Bij punt H over de statuten, maakt hij de leden van de Raad van Bestuur attent op de twee voorstellen tot wijziging van deze tekst ten aanzien van de tekst waarover reeds een akkoord bestond in de vergadering van 29 juni, met name: - de schrapping wegens dubbel gebruik van de tweede alinea in artikel 5; - de toevoeging van een nieuw artikel 21, waarin een overgangsregeling ten aanzien van de hoofdgeneesheer wordt ingeschreven. Hier stelt de voorzitter evenwel op de voorgestelde tekst een amendement voor met volgende tekst: ‘De hoofdgeneesheer die bij de inwerkingtreding van deze statuten in functie was bij het UZA op grond van de regelgeving van toepassing op het Universitair Ziekenhuis van aanvankelijk de Universitaire Instelling Antwerpen, en sinds 1 oktober 2003 van de Universiteit Antwerpen, blijft bij wijze van overgangsmaatregel aangesteld als hoofdgeneesheer van het UZA tot 30 september 2007.’ Ook in de initiële beheersovereenkomst (punt 1) wordt na de beslissing van de Raad van Bestuur van 16 september nog een kleine tekstwijziging voorgesteld, met name de schrapping in het derde streepje van punt 2, Engagementen van het UZA, van de woorden ‘voor de bevolking van de regio Antwerpen’. Op de vraag van de voorzitter of een lid de stemming vraagt over een of ander punt, wordt ontkennend geantwoord. De voorzitter besluit dan ook dat de Raad van Bestuur bij consensus het voorstel van beslissing met de bovenvermelde wijzigingen, en zoals hierna sub 5.2.2. omschreven, aanvaardt. Daarmee wordt de verzelfstandiging van het UZA een feit en wordt het UZA als instelling zonder winstoogmerk met ingang van 1 januari 2005 een private rechtspersoon sui generis. Tot slot stelt de voorzitter er nog prijs op, mede namens de rector, inzonderheid projectmanager M. De Samblanx te bedanken voor zijn onverdroten inspanningen om dit complexe dossier mede te begeleiden en tot een goed einde te brengen. Een lid, dat de tolk meent te mogen zijn van de andere leden van de Raad van Bestuur, wenst de academische leiding van de universiteit te danken voor de wijze waarop dit dossier werd afgerond. Het groeiproces en de openheid waarmee dit dossier aan de orde is gekomen mogen voor de toekomst hopelijk ook een voorbeeld zijn voor besluitvorming in andere dossiers. Een ander lid drukt nog zijn bekommernis uit over het uitwerken van een regeling tijdens de overgangsperiode. Hij verheelt niet dat de sociale relaties binnen het UZA in het verleden niet altijd even vlot verliepen; acties daaromtrent zijn de leden van de Raad van Bestuur genoegzaam bekend. Dit lid pleit er dan ook voor dat de voorzitter van de algemene vergadering in de overgangsperiode nog het sociaal overleg zou leiden. De rector beklemtoont dat het sociaal overleg een zaak is van het ziekenhuis. Hij benadrukt evenwel met klem dat hij ter zake zijn verantwoordelijkheid zal opnemen. Een ander lid pleit er ook nog voor dat zo spoedig mogelijk met het ziekenhuis rond de tafel zou IX-4739-7/15 worden gezeten om ook voor de overgangsperiode onderhandelingen over het sluiten van een CAO op te starten, met het oog onder meer op het organiseren van sociale verkiezingen, enz. Dit kan enkel beveiligend werken voor het personeel. 5.2.2. Beslissing: De Raad van Bestuur: A. legt de inventaris van de goederen, die eigendom zijn van de UA en die ingevolge artikel 9, § 8, van het decreet van 4 april 2003 houdende bepalingen tot de oprichting van een Universiteit Antwerpen en tot wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de Universiteit Antwerpen, zoals gewijzigd bij decreet van 7 mei 2004, tegen een boekwaarde van 877.609,86 euro zoals vermeld in de jaarrekening 2003, van rechtswege en ‘om niet’ en zonder kosten van welke aard worden overgedragen aan het UZA, vast zoals beschreven in doc. RvB/010/5.2.A.; B. stelt vast dat er geen goederen van het UZA worden overgedragen aan de UA; C. legt de inventaris van de roerende goederen die eigendom blijven van de UA maar ter beschikking zullen zijn voor het gemeenschappelijk gebruik door de UA en het UZA, vast zoals beschreven in doc. RvB/010/5.2.C.; D. stelt, op grond van de verklaring van de afgevaardigd bestuurder UZA d.d. 15 oktober 2004 zoals weergegeven in doc. RvB/010/5.2.D., vast dat er in de boekhouding van het UZA geen activa aanwezig zijn die gemeenschappelijk door de UA en het UZA worden gebruikt; E. bevestigt zijn goedkeuring van de geharmoniseerde jaarrekeningen UA 2003, zoals gegeven onder punt 4.1. van de dagorde; F. legt de beginbalans van de UA per 1 januari 2004, na wijziging van de datum in de hoofding van de desbetreffende tabel, vast zoals beschreven in doc. RvB/010/5.2.F. én geattesteerd door de bedrijfsrevisor Callens, Pirenne & C/; G. legt de beginbalans van het UZA per 1 januari 2004 vast zoals beschreven in doc. RvB/010/5.2.G-nieuw, én geattesteerd door de bedrijfsrevisor KPMG; H. keurt, mits de hierna volgende wijzigingen, de statuten van het Universitaire Ziekenhuis Antwerpen (UZA) goed zoals weergegeven in doc. RvB/010/5.2.H.:

  1. a)in artikel 5 wordt de tweede alinea geschrapt;
  2. b)artikel 21 wordt gewijzigd als volgt: ‘De hoofdgeneesheer die bij de inwerkingtreding van deze statuten in functie was bij het UZA op grond van de regelgeving van toepassing op het Universitair Ziekenhuis van aanvankelijk de Universitaire Instelling IX-4739-8/15 Antwerpen, en sinds 1 oktober 2003 van de Universiteit Antwerpen, blijft bij wijze van overgangsmaatregel aangesteld als hoofdgeneesheer van het UZA tot 30 september 2007.’ I. keurt de initiële beheersovereenkomst tussen de UA en het UZA goed zoals weergegeven in doc. RvB/010/5.2.1.; J. beslist conform artikel 9, § 1, van het decreet van 4 april 2003 houdende bepalingen tot de oprichting van een Universiteit Antwerpen en tot wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de Universiteit Antwerpen, zoals gewijzigd bij decreet van 7 mei 2004, het Universitair Ziekenhuis Antwerpen (UZA) met ingang van 1 januari 2005 af te splitsen in een afzonderlijke instelling zonder winstoogmerk met rechtspersoonlijkheid.” Dit is de eerste bestreden beslissing. 1.5. Ten behoeve van de raad van bestuur van de UA werd bij de voorbereiding van de eerste bestreden beslissing een nota opgesteld, na overleg met de professoren Bruno Peeters, Marc Rigaux en Jan Velaers, de heer J. De Groof, regeringscommissaris, en de heer G. Cox, directeur-generaal Collectieve Arbeids- betrekkingen bij de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. Deze nota verduidelijkt de aard van het UZA als instelling zonder winstoogmerk en de toepasselijke wetgeving met betrekking tot de collectieve arbeidsverhoudingen. De nota besluit dat het UZA een private rechtspersoon sui generis is en dat het UZA bijgevolg onderworpen is aan de wet van 5 december 1968 op de paritaire comités en collectieve arbeidsovereenkomsten. Dit is de tweede bestreden handeling. 1.6. Op 9 november 2004 wordt door de afgevaardigde bestuurder van het UZA een dienstmededeling verspreid onder het personeel van het UZA met als opschrift: “Het UZA vanaf 1 januari 2005 een privaatrechtelijke instelling”. In deze dienstmededeling worden de beslissing van de raad van bestuur van de UA tot verzelfstandiging van het UZA en het nieuwe statuut van het UZA toegelicht. Dit is de derde bestreden handeling. Voorwerp van het beroep IX-4739-9/15 2. Ter terechtzitting preciseert de verzoekende partij, op vraag van de staatsraad-verslaggever, dat zij met het eerste voorwerp van haar beroep de vernietiging beoogt, zowel van de beslissing tot afsplitsing zelf van het UZA als van de kwalificatie van het UZA als privaatrechtelijke rechtspersoon. Ontvankelijkheid van het beroep 3.1. De verwerende partijen werpen in hun memories van antwoord een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit het verzuim in hoofde van de verzoekende partij om het bewijs te leveren dat zij overeenkomstig de eigen statutaire bepalingen is opgetreden. De verzoekende partij zou, aldus de verwerende partijen, wel beweren dat haar hoofdbestuur de voorzitter van de centrale conform de statuten heeft gemachtigd om in rechte te treden, maar bij het inleidend verzoekschrift worden geen stukken gevoegd die dit bevestigen. 3.2. Bij haar memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij twee bijkomende stukken, namelijk de statuten van het CCOD en een uittreksel uit het verslag van het hoofdbestuur van het CCOD van 16 december 2004. Zij verwijst naar de bepalingen van artikel 23, § 1, 19/, van haar statuten en naar de beslissing van het hoofdbestuur om de voorzitter te machtigen “alle nodige juridische stappen te zetten om een vernietigingsprocedure bij de Raad van State te voeren en hiertoe een advocaat in te schakelen”. 3.3. Artikel 23, § 1, 19/, van de statuten van de verzoekende partij bepaalt dat het hoofdbestuur “is gemachtigd een beslissing te nemen in alle gevallen die niet uitdrukkelijk door deze statuten bepaald zijn”. De voorgelegde statuten voorzien nergens in een specifieke bepaling omtrent het nemen van beslissingen om in rechte te treden. Daaruit volgt dat artikel 23, § 1, 19/, van de statuten toepassing kan vinden en het hoofdbestuur het bevoegde orgaan is om die beslissing te nemen. Te dezen heeft het hoofdbestuur van die bevoegdheid gebruik gemaakt door in zijn vergadering van 16 december 2004, dit is vóór het instellen van IX-4739-10/15 het voorliggende beroep, de voorzitter van de Centrale te machtigen om “alle nodige juridische stappen te zetten om een vernietigingsprocedure bij de Raad van State te voeren en hiertoe een advocaat in te schakelen”. De verzoekende partij heeft op die manier voldoende aangetoond dat zij overeenkomstig de eigen statuten in rechte is getreden. De exceptie van onontvankelijkheid mist feitelijke grondslag. 4.1. De eerste verwerende partij werpt een tweede exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, in zoverre het gericht is, enerzijds, tegen de nota van 4 november 2004 opgesteld door de raad van bestuur van de UA, en anderzijds, tegen de nota van 9 november 2004 opgesteld door de afgevaardigd bestuurder van het UZA. Zij voert aan dat deze twee bestreden beslissingen geen rechtshandelingen zijn, maar beschouwd moeten worden als louter voorbereidende of navolgende interne documenten zonder rechtskracht. Voorts stelt zij dat beide nota’s geen effect hebben op de bestaande rechtstoestand van de aangeslotenen van de verzoekende partij, noch op het statuut of de rechten van de verzoekende partij zelf. Ten aanzien van de derde bestreden beslissing laat de eerste verwerende partij bijkomend nog gelden dat zij er niet de auteur van is, noch de werkgever of de verantwoordelijke van de auteur, en dat deze beslissing ten aanzien van haar dan ook niet op ontvankelijke wijze kan worden bestreden. 4.2. De tweede partij werpt een gelijkaardige exceptie van onontvankelijkheid op. Zij merkt voorts op dat, aangezien geen enkel orgaan van het UZA enige “beslissing” in de verzelfstandigingsoperatie heeft genomen, zij buiten de zaak moet worden gesteld. 4.3. De verzoekende partij repliceert in haar memorie van wederantwoord dat de tweede en de derde bestreden beslissing wel degelijk voor vernietiging vatbaar zijn nu het geen twijfel lijdt dat deze beslissingen rechtsgevolgen teweegbrengen. Zonder enige vorm van overleg, en dus eenzijdig, wordt immers beslist dat de collectieve arbeidsverhoudingen in het algemeen en de IX-4739-11/15 tewerkgestelde personen in het bijzonder voortaan onderworpen zijn aan de bepalingen van de wet van 5 december 1968 op de paritaire comités en collectieve arbeidsovereenkomsten en de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 5 (houdende het statuut van de vakbondsafvaardiging). De verzoekende partij meent dat die twee beslissingen dan ook impliciet een wijziging aanbrengen in de wijze waarop er syndicaal overleg dient gepleegd te worden. De syndicale overlegorganen bedoeld in de wet van 19 december 1974 (tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel) worden buiten spel gezet en het syndicaal statuut wordt gewijzigd. 4.4.1. De tweede bestreden akte is een nota die met het oog op de vergadering van de raad van bestuur van de UA op 4 november 2004 aan de leden ervan is bezorgd. Volgens de inleiding van de nota beoogt deze “duidelijkheid te scheppen over de rechtsaard van het UZA als instelling zonder winstoogmerk en de toepasselijke wetgeving m.b.t. de collectieve arbeidsverhoudingen”. Op zichzelf blijkt deze nota geen enkel rechtsgevolg te beogen, laat staan dat ze daadwerkelijk rechtsgevolgen zou meebrengen. Het is een louter voorbereidend document, in die zin dat het ter informatie aan de leden van de raad van bestuur van de UA is bezorgd naar aanleiding van het nemen van de beslissing over de afsplitsing van het UZA van de UA. Het beroep gericht tegen de tweede bestreden akte is om die reden onontvankelijk. In zoverre is de exceptie gegrond. 4.4.2. De derde bestreden akte is een nota van de afgevaardigd bestuurder van het UZA aan de personeelsleden, waarin mededeling wordt gedaan van de beslissing tot afsplitsing van het UZA, genomen door de raad van bestuur van de UA. Er wordt in het bijzonder toelichting gegeven bij de gevolgen van die beslissing op sociaalrechtelijk vlak. Zo wordt onder meer gesteld dat “de decretale regels en de feitelijke bevoegdheid tot oprichting en ontbinding van de rechtspersoon UZA onderschrijven dat het Universitair Ziekenhuis Antwerpen voortaan een private rechtspersoon is”. Deze nota is, zoals terecht gesteld door de verwerende partijen, louter informatief. Het is niet meer dan een standpunt van die afgevaardigd bestuurder over hoe hij meent dat de rechtspositie van het personeel dient begrepen IX-4739-12/15 te worden, zonder dat gesteld kan worden dat deze nota een constitutieve beslissing inhoudt omtrent de juridische aard van de nieuw tot stand gekomen rechtspersoon of omtrent de rechtspositie van het personeel. Om die reden is ook het beroep gericht tegen de derde bestreden akte onontvankelijk. In zoverre is de exceptie eveneens gegrond. De bedoelde akte gaat uit van de tweede verwerende partij. Het enkele feit dat het beroep daartegen onontvankelijk is, vormt geen reden om de genoemde partij buiten de zaak te stellen. Op het daartoe strekkende verzoek kan niet ingegaan worden. 5.1. In zijn verslag werpt de auditeur-verslaggever ambtshalve een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, in zoverre het gericht is tegen de eerste bestreden beslissing. Hij stelt dat het beroep enkel gericht is tegen het standpunt van de raad van bestuur van de UA dat het UZA een privaatrechtelijke rechtspersoon wordt en dat een dergelijk standpunt geen voor vernietiging vatbare rechtshandeling is. 5.2. In haar laatste memorie betwist de verzoekende partij deze stelling. Zij stelt dat ook het zogenaamde “standpunt” van de raad van bestuur van de UA rechtsgevolgen heeft. Eenzijdig wordt immers beslist dat voortaan de bepalingen van de wet van 5 december 1968 op de paritaire comités en de collectieve arbeidsovereenkomsten en de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 5 (houdende het statuut van de vakbondsafvaardiging) van toepassing zijn. Zo worden de syndicale overlegorganen bedoeld in de wet van 19 december 1974 (tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel) buiten spel gezet en wordt het syndicaal statuut gewijzigd. Het zogenaamde standpunt van de raad van bestuur heeft aldus wel degelijk belangrijke juridische gevolgen, bijvoorbeeld op het vlak van het sociaal overleg en op het vlak van de sociale zekerheid. 6. Naar aanleiding van deze exceptie is door de staatsraad- verslaggever ter zitting aan de verzoekende partij gevraagd of haar beroep, wat de eerste bestreden beslissing betreft, enkel gericht is tegen de kwalificatie van het UZA als privaatrechtelijke instelling, dan wel of het ook gericht is tegen de beslissing tot afsplitsing zelf van het UZA. De verzoekende partij heeft verklaard IX-4739-13/15 dat haar beroep tegen de hele beslissing van de raad van bestuur van 4 november 2004 is gericht, dus ook tegen de beslissing tot afsplitsing. In zoverre met het beroep tegen de eerste bestreden beslissing de nietigverklaring beoogd wordt van de beslissing tot afsplitsing zelf, stelt de Raad van State evenwel vast dat uit het verzoekschrift niet blijkt dat tegen die beslissing enig middel wordt aangevoerd. De verzoekende partij verwijt aan de beslissing tot afsplitsing niets anders dan dat zij de privaatrechtelijke aard van de rechtspersoon van het UZA vaststelt. Ambtshalve moet dienvolgens vastgesteld worden dat het beroep onontvankelijk is in zoverre het gericht is tegen de beslissing tot afsplitsing. 7. In zoverre de verzoekende partij met het beroep tegen de eerste bestreden beslissing de vernietiging van de kwalificatie van het UZA als privaatrechtelijke rechtspersoon beoogt, moet worden opgemerkt dat de kwalificatie van een rechtspersoon - privaatrechtelijk of publiekrechtelijk - in beginsel niet volgt uit een beslissing van een administratieve overheid, maar uit de toepassing van de terzake relevante rechtsregels. Behoudens een afwijkende bepaling, die er te dezen niet is, kan aan de hand van de in het objectieve recht vastgestelde criteria in een concreet geval worden uitgemaakt of het gaat om een privaatrechtelijke dan wel een publiekrechtelijke rechtspersoon. De raad van bestuur van de UA heeft naar aanleiding van de aanneming van de eerste bestreden beslissing vastgesteld dat “de verzelfstandiging van het UZA een feit (wordt) en het UZA als instelling zonder winstoogmerk met ingang van 1 januari 2005 een private rechtspersoon sui generis (wordt)”. Dit is noodzakelijkerwijze slechts een standpunt van de raad van bestuur van de UA. Wanneer zich een concreet geschil voordoet, staat het aan de rechter - hetzij de gewone rechter, hetzij een administratieve rechter - om, aan de hand van de wettelijke criteria, vast te stellen wat de precieze kwalificatie van het UZA is. Het standpunt dat een administratieve overheid met betrekking tot de kwalificatie van de rechtspersoonlijkheid van een bepaalde rechtspersoon inneemt, is geen voor vernietiging vatbare akte. IX-4739-14/15 In zoverre met het beroep tegen de eerste bestreden beslissing de nietigverklaring beoogd wordt van de kwalificatie van het UZA als privaatrechtelijke rechtspersoon, is het beroep dan ook onontvankelijk. De ambtshalve opgeworpen exceptie is gegrond. 8. Uit het voorgaande volgt dat het beroep in zijn geheel onontvankelijk is. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 10 maart 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-4739-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.234 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.