← België

Arrest 191246 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 10/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.246 Rolnummer: A. 188202/XIV-30346 Zaak: Arrest 191246 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 10/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-18 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-29 21:38 Fiche Arrest nr 191.246 van 10 maart 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.246 van 10 maart 2009 in de zaak A. 188.202/XIV-30.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat J. CALLEWAERT, kantoor houdende te 1210 BRUSSEL, Haachtsesteenweg 55 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraakse nationaliteit, op 16 mei 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 9817 van 11 april 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 2813 van 11 juni 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 20 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 januari 2009; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-30.346-1/19 Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. CALLEWAERT, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché S. DUPONT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX komt op 23 juli 2007 België binnen en vraagt op 24 juli 2007 om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
  4. Deze aanvraag wordt op 21 december 2007 door de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verworpen. 1.
  5. Verzoeker tekent tegen deze weigeringsbeslissing op 10 januari 2008 beroep aan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. 1.
  6. Op de zitting van 20 maart 2008 wordt verzoeker, bijgestaan door Advocaat J. CALLEWAERT, gehoord. 1.
  7. Op 11 april 2008 velt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het thans bestreden arrest, waarbij aan verzoeker de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus worden geweigerd. Dit arrest is als volgt gemotiveerd : “
  8. Het feitenrelaas luidt volgens de bestreden beslissing als volgt: “U, die verklaart de Irakese nationaliteit te bezitten, zou afkomstig zijn van Suq as-Shuyukh. U zou een sjiiet zijn van Arabische origine, zou gescheiden zijn en één zoon hebben. Tot aan de val van het regime van Saddam Husayn zou u woonachtig zijn geweest in Nasiriya. In 1986 zou u zijn toegetreden tot de Baathpartij. U zou sinds 1988 voor “munshaat Ur” hebben gewerkt, een overheidsbedrijf waar aluminium en kabels werden gemaakt. Binnen de XIV-30.346-2/19 munshaat zou u enerzijds uw gewone job in de administratie hebben gehad en anderzijds zou u binnen de munshaat actief zijn geweest voor de partij: u zou informatie hebben doorgespeeld over deserteurs, opposanten en dergelijke binnen de munshaat aan de Baathpartij. In 1990 zou u uw legerdienst hebben aangevat, waar u binnen de dienst ‘politiek onderricht’ zou hebben gewerkt. Na uw legerdienst zou u vrijwillig dienst hebben gedaan om een regio met een radarinstallatie te beveiligen waardoor u twee medailles zou hebben gekregen. U zou dit ongeveer gedurende zeven maanden hebben gedaan. Circa 1993 zou u terug zijn gaan werken in de munshaat. In 1994 zou u de graad van udw (lid) hebben behaald binnen de Baath partij. In 2000 of 2001 zou u udw firqa zijn geworden binnen de partij en zou u de verantwoordelijke zijn geworden van de veiligheid in de munshaat. U zou verantwoordelijk zijn geweest voor de informatie die werd doorgespeeld over mensen binnen de munshaat. Buiten de munshaat zou u uw activiteiten voor de partij hebben voortgezet. Bovendien zou u tijdelijk de persoon met de functie udw qiyada firqa (lid van leiding van de firqa) hebben vervangen. Na de val van het Saddamregime zou u in Zubayr zijn gaan wonen. Na ongeveer een jaar zou u zijn ondergedoken in de boerderij van een vriend, Abu (A.), in Mazara. U zou hier zijn ondergedoken omdat sjiitische milities op zoek waren naar leden van de Baath partij Er zouden geregeld mensen naar u hebben geïnformeerd bij Abu (A.). In februari of maart 2007 zou u aanwezig zijn geweest op een rouwplechtigheid voor een zekere Hajj (M.). Iemand zou hebben gezegd dat het grote schaap al was gedood, en dat nu de kleine schapen zouden worden gedood. Hij zou daarmee hebben gerefereerd naar Saddam Husayn en de Baathisten. Op 1 juli 2007 zou u Irak hebben verlaten. U verklaarde zich vluchteling op 24 juli
  9. Ter ondersteuning van uw asielaanvraag legt u volgende documenten voor: uw identiteitskaart, een kopie van de identiteitskaart van uw zoon, uw nationaliteits- bewijs, ontslagbrief 2007, kopie van attest van toekenning medaille

(1992), kopie van attest van toekenning medaille
(1994), kopie van een attest toekenning graad udw mutadarrib (lid in training), kopie document over opening van bankreke- ning, kopie van lidkaart “vrienden van de president”
(1995), kopie van ontvangstbewijs wapen
(1986), attest van militair kamp van Baath
(1986).” 2. De verklaringen van de kandidaat-vluchteling kunnen een voldoende bewijs zijn van zijn hoedanigheid van vluchteling op voorwaarde dat ze plausibel, geloofwaardig en eerlijk zijn (J. HATHAWAY, The Law of Refugee Status, Butterworths, Toronto- Vancouver, 1991, 84). De verklaringen mogen niet in strijd zijn met algemeen bekende feiten. De bewijslast berust in beginsel bij de kandidaat-vluchteling die in de mate van het mogelijke elementen dient aan te brengen ter staving van zijn relaas en bij het ontbreken van dergelijke elementen, hiervoor een aannemelijke verklaring dient te geven. Het voordeel van de twijfel kan slechts worden verleend indien alle elementen werden onderzocht en men overtuigd is van de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen (UNHCR, Guide des procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugié, Genève, 1992, 204). De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet niet bewijzen dat de feiten onwaar zouden zijn (R.v.St., X, nr. 43.027, 19 mei 1993) en het is niet de taak van de Raad zelf de lacunes in de bewijsvoering van de vreemdeling op te vullen (R.v.St., X, nr. 173.197, 5 juli 2007). De ongeloofwaardigheid van een asielrelaas kan niet alleen worden afgeleid uit tegenstrijdigheden, maar ook uit vage, incoherente en ongeloofwaardige verklaringen. 3.1. Verzoeker voert aan dat de verhoren zeer slecht zijn gevoerd, hetgeen duidelijk blijkt uit de nota’s van de verhoren. Hij stelt dat de manier van verhoren duidelijk leidt tot verwarring. Omwille van de onduidelijke en verwarde manier van ondervragen is het volgens verzoeker bijna logisch dat er tegenstrijdigheden, verwarringen en vaagheden optreden. Verzoeker stelt dat er meerdere tegenstrijdigheden worden aangehaald door de bestreden beslissing, doch beweert dat deze duidelijk allemaal voortvloeien uit XIV-30.346-3/19 misverstanden, onduidelijke vertaling en het niet begrijpen van de staat, de Baathpartij en de situatie. 3.2. Van een kandidaat-vluchteling mag verwacht worden dat deze, gelet op het belang ervan voor de beoordeling van zijn asielaanvraag, de feiten die de oorzaak waren van zijn vlucht uit het land van herkomst nauwkeurig, zorgvuldig en op een coherente en geloofwaardige manier weergeeft. De wijze waarop een verhoor wordt geleid, biedt op zich geen verklaring voor de vaststellingen van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (verder: CGVS), noch voor het afleggen van tegenstrijdi- ge verklaringen (RvSt., X, nr. 150.135, 13 oktober 2005; RvSt., X, nr. 129.658, 24 maart 2004). De verhoorverslagen van het CGVS werden opgesteld door een onpartijdige ambtenaar die er geen persoonlijk belang bij heeft de verklaringen van verzoeker onjuist weer te geven en als dusdanig de nodige garanties biedt inzake objectiviteit (RvSt., X, nr. 132.673, 18 juni 2004; RvSt., X, nr. 108.470, 26 juni 2002). Verzoeker mag bewijzen dat hetgeen in de verhoorverslagen werd neergeschreven op een andere manier door hem werd gezegd. Hij dient deze beweringen evenwel te ondersteunen met concrete en pertinente gegevens (RvSt., X, nr. 169.219, 21 maart 2007; RvSt., X, nr. 163.342, 10 oktober 2006; RvSt., X, nr. 150.135, 13 oktober 2005). De Raad stelt vast dat verzoeker zich in casu aangaande de door hem aangehaalde problemen tijdens de verhoren beperkt tot het uiten van een aantal loutere beweringen die hij niet uitwerkt aan de hand van concrete en pertinente gegevens. Uit de stukken in het administratief dossier blijkt dat de verhoren bij DVZ en het CGVS normaal zijn geschied, dat de gehoorverslagen precieze en gedetailleerde gegevens van het asielrelaas weergeven en geen aanwijzing bevatten van moeilijkheden tijdens de gehoren (stukken 4, 7 en 14). Verzoeker verklaarde bij de Dienst Vreemdelingenzaken (verder: DVZ) dat hij de tolk goed begreep en dat hij geen bezwaar had tegen de tolk. Hij aanvaardde het gehoorver- slag nadat het hem werd voorgelezen in het Arabisch en hij verklaarde dat de door hem gegeven inlichtingen oprecht zijn, waarmee hij aangaf dat ze overeenstemmen met de werkelijkheid (administratief dossier, stuk 14). Verzoeker gaf, nadat het verslag hem werd voorgelezen in het Arabisch, aan dat zijn verklaringen in de vragenlijst juist zijn en overeenstemmen met de werkelijkheid en hij ondertekende de vragenlijst voor akkoord (stuk 13, p.4). Verzoeker, noch zijn advocaat dewelke bij beide gehoren bij het CGVS aanwezig was, maakten enige melding van problemen, hoewel de vraag werd gesteld of verzoeker de tolk begreep en erop gewezen werd dat eventuele problemen (betreffende de tolk of andere) gemeld moesten worden (stuk 4, p.1; stuk 7, p.1). Verzoekers algemene opmerkingen aangaande de verhoren zijn derhalve, mede in acht genomen dat verzoeker niet aantoont op welke wijze dit alles een invloed zou hebben gehad op zijn verklaringen, geen afdoende verklaring voor de in de bestreden beslissing gedane vaststellingen. 4.1. Verzoeker voert de schending aan van artikel 48/3 van de voormelde wet van 15 december 1980 en van de motiveringsplicht, voorzien door artikel 62 van voornoemde wet. 4.2. De uitdrukkelijke motiveringsplicht, voorgeschreven in artikel 62 van de voormelde wet van 15 december 1980, heeft tot doel de procespartij in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid een beslissing heeft genomen, zodat de rechtszoekende kan oordelen of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt. Verzoeker brengt kritiek uit op de inhoud van de motivering, zodat de schending van de materiële motiveringsplicht wordt aangevoerd en het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht. 4.3.1. De motivering van de bestreden beslissing luidt als volgt: “Vooreerst moet worden opgemerkt dat u in de loop van uw asielprocedure tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd die de oprechtheid van uw asielaan- vraag ondermijnen. Zo zijn uw verklaringen over uw Baathverleden en activiteiten in dienst van dit regime en partij zeer incoherent en vaag. U verklaarde tijdens uw eerste gehoor op het Commissariaat-generaal meermaals dat u lid was van de ‘amn al-hizb’ (veiligheidsdienst van de partij) en dat u op XIV-30.346-4/19 een bepaald moment zelfs de verantwoordelijke werd van deze organisatie (CG 8/11/07, p.11, 13, 15,). Tijdens uw tweede gehoor op het Commissariaatgeneraal werd u gevraagd wat die amn al-hizb precies is. U geeft aanvankelijk een vrij vaag antwoord: u verklaart dat het een veiligheidsdienst is en dat de shuba van de partij verantwoordelijk zou zijn voor de ganse regio (wijk en munshaat). Uzelf zou vooral voor de veiligheid van de munshaat hebben ingestaan. Wanneer nogmaals wordt gevraagd wat de amn al-hizb dan precies is, verklaart u dat het de veiligheid van de munshaat Ur was. Vervolgens wordt u er nogmaals mee geconfronteerd dat u op het vorige interview over de “amn al-hizb” sprak, maar u beweert dat die niet bestond en dat de partij geen veiligheidsdienst heeft: er zou de amn van de munshaat zijn en de amn van het district, zo stelt u. Alles zou wel afhangen van de partij, maar er zou niets bestaan dat amn alhizb heet. Dit is zeer eigenaardig. Dergelijke onsamenhangende verklaringen doen ernstige twijfels rijzen over de geloofwaardigheid van uw verklaringen over uw functie binnen de Baathpartij, temeer u tijdens het eerste gehoor meermaals duidelijk over uw vooraanstaande functie in de amn al-hizb sprak. Bovendien blijkt uit de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie aan het administratieve dossier is gevoegd, dat er wel degelijk de amn al-hizb bestond binnen de Baathpartij. Bijgevolg wordt de geloofwaardigheid van uw verklaringen tijdens het tweede gehoor over de amn al-hizb verder ondermijnd.” 4.3.2. Verzoeker betoogt dat alle veiligheidsdiensten afhingen van de partij en bemand werden door partijleden. Er was een duidelijk onderscheid tussen afdelingen gericht op de veiligheid van bedrijven, van districten en van de partijorganisatie zelf. Verzoeker bevestigde meerdere malen het bestaan van de Amn Al Hizb. Hij beweert dat het verhoor uitermate verward verliep en dat dit blijkt uit de nota’s van de dossierbehande- laar. De zogenaamde ontkenning van het bestaan van de Amn Al Hizb kan volgens verzoeker alleen het gevolg zijn van deze verwarring en kan niet serieus genomen worden als men alle verklaringen samen leest. 4.3.3. De Raad stelt vast dat verzoeker tijdens zijn eerste gehoor op het CGVS verklaarde dat hij de verantwoordelijke was van de Amn al-Hizb op zijn werk (stuk 7, p.11,15). Tijdens zijn tweede gehoor op het CGVS verklaarde verzoeker dat de Amn al-Hizb niet bestaat (stuk 4, p.4). Dat deze tegenstrijdigheid te wijten zou zijn aan het verwarde verloop van het verhoor, kan niet worden aanvaard daar voormelde gegevens niet voor interpretatie vatbaar zijn en uit de verhoorverslagen blijkt dat de verhoren op een normale manier zijn geschied. De bestreden motivering vindt steun in het administratief dossier, is pertinent en terecht en wordt door de Raad tot de zijne gemaakt. 4.4.1. De bestreden motivering luidt verder als volgt: “Vervolgens verklaarde u tijdens het eerste gehoor op het Commissariaat- generaal dat u, vanaf het moment dat u rafiq werd binnen de partij, niet meer voor de munshaat werkte. U zou enkel en alleen nog voor de partij hebben gewerkt (CG 8/11/07, p.13), zo vertelt u. Tijdens uw tweede gehoor op het Commissariaat-generaal zegt u echter dat u sinds u rafiq was zowel voor de munshaat als voor de partij werkte. Zo verklaart u dat u van 1994 tot 2000 op de personeelsdienst van de munshaat werkte. U zou in deze periode zowel voor de munshaat als voor de partij hebben gewerkt. Voor de munshaat zou u aanwezig- heden, productie, post en bestellingen hebben gecontroleerd en voor de partij zou u de veiligheid en personen hebben moeten controleren (CG 13/12/07, p.4-5). Later verklaart u dat u, toen u udw was geworden, meer verantwoordelijkheden kreeg op het werk en dat u werd overgeplaatst naar de sectie public relations (CG 13/12/07, p.8). Bij confrontatie met het feit dat u eerder had gezegd niet meer te hebben gewerkt voor de munshaat, verklaart u dat u tijdens het vorige interview aangaf dat u vanaf het moment dat u udw werd niet meer voor de derde etappe werkte (CG 13/12/07, p.9). Dit is geen afdoende verklaring, temeer daar u tijdens uw eerste gehoor met geen woord heeft gerept over zulke derde etappe. Bovendien verklaarde u eerder tijdens uw tweede gehoor dat u van 1994 tot 2000 XIV-30.346-5/19 in de personeelsdienst van de derde etappe werkte (CG 13/12/07, p.4). Dergelijke tegenstrijdige verklaringen doen ernstige twijfels rijzen over de geloofwaardig- heid van uw taken binnen de munshaat.” 4.4.2. Verzoeker beweert dat de verhoren uitermate verwarrend zijn. De feiten op zich zijn reeds verwarrend. In Irak was alles partij, hetgeen voor verzoeker een evidentie is. De scheidslijn tussen partij en bedrijf is er enkel één die het CGVS maakt maar die niet voor verzoeker bestaat, met als gevolg dat de vragen voor hem niet duidelijk zijn, zodat de antwoorden niet éénduidig kunnen zijn. Verzoeker stelt dat als men het geheel leest, men de grote lijnen wel duidelijk kan begrijpen. 4.4.3. Verzoekers verklaring dat de verhoren en feiten verwarrend zijn, doet geenszins afbreuk aan de door hem afgelegde tegenstrijdige verklaringen. Tijdens zijn eerste gehoor bij het CGVS verklaarde hij dat hij sedert hij Rafiq was niet meer voor de munshaat werkte (stuk 7, p.13), terwijl uit zijn tweede gehoor bij het CGVS blijkt dat hij sedertdien zowel voor de partij als voor de munshaat werkte (stuk 4, p.4-9). Verzoekers bewering dat de scheidslijn die door het CGVS wordt gemaakt niet bestaat is niet dienstig ter weerlegging van de bestreden motieven aangezien hij zelf deze scheiding maakte, daar waar hij verklaarde: “Sedert ik Rafiq was, werkte ik niet meer voor mnshat. Ik werkte voor partij” (stuk 7, p.13). De bestreden motivering vindt steun in het dossier, is terecht en wordt door de Raad overgenomen. 4.5.1. De bestreden motivering luidt verder als volgt: “Daarnaast lopen ook uw verklaringen over de taken die u had voor de partij sterk uiteen. Zo moet worden opgemerkt dat u tijdens uw tweede gehoor verklaarde vaak verhoren te hebben afgenomen in het kader van een onderzoek, zowel binnen de shuba als binnen de munshaat (CG 13/12/07, p.11). Tijdens uw eerste gehoor op het Commissariaatgeneraal verklaarde u echter nooit zelf een verhoor te hebben afgenomen. Uw vriend Talat had u immers afgeraden zelf verhoren af te nemen, uit veiligheidsoverwegingen (CG 8/11/07, p.12). Later tijdens hetzelfde relaas verklaarde u dan weer dan u soms gewoon verhoren volgde en dat u soms zelf vragen stelde (CG 8/11/07, p.13). Ook mensen die naar de shuba van de partij werden gebracht, zou u niet zelf hebben verhoord (CG 8/11/07, p.18). Weer wat later verklaart u dat u wel mensen verhoorde die u naar de shuba had gestuurd (CG 8/11/07, p.18). Het feit dat u uw verklaringen steeds wijzigt, doet ernstige twijfels rijzen over de oprechtheid van uw verklaringen en laten weinig ruimte geloof te hechten aan uw verklaringen. Verder moet worden opgemerkt dat u uw verklaringen over uw persoonlijke verantwoordelijkheden constant aanpast, waardoor een waas van onduidelijkheid over uw precieze verantwoordelijkheden ontstaat. Zo verklaart u op een bepaald moment dat u mensen op uw eigen verantwoordelijkheid vrijliet. Wanneer u daarop wordt gevraagd of u deze verantwoordelijkheid had, verklaart u: “Ja, maar ik ging steeds via Talat. Hij vertrouwt me en tekent dan”. Wanneer u ter verduidelijking wordt gevraagd of u zelf de verantwoordelijkheid had of niet, verklaart u dat u die niet had, dat u geen macht had (CG 8/11/07, p.14). Het feit dat u hierover geen coherente verklaringen aflegt, doet ernstige twijfels rijzen over de geloofwaardigheid van uw verklaringen over uw verantwoordelijkheden binnen de partij. Ze doen trouwens vermoedens rijzen dat u de ware toedracht van uw verantwoordelijkheden tracht te verdoezelen. Bovendien moet worden opgemerkt dat het uiterst bevreemdend is dat u aanvankelijk verklaart dat nooit iemand werd gearresteerd op basis van informatie die u doorgaf. Als antwoord op de vraag wat er dan gebeurde met mensen waarover u informatie heeft doorgegeven, haalt u dan weer wel aan dat sommigen naar de veiligheidsdienst van Bagdad werden gestuurd, maar dat u niet weet wat er verder met hen gebeurde (CG 8/11/07, p.14). Op de vraag of politieke opposanten binnen de munshaat werden gearresteerd, geeft u evenmin een duidelijk antwoord. Het enige dat u aangeeft, is dat ze niet meer in de munshaat mochten en dat ze verhoord werden. Op de vraag wat er dan gebeurde als de beschuldigingen correct bleken te zijn, geeft u XIV-30.346-6/19 geen antwoord. Het enige dat u dan zegt, is dat er dan bewijzen moeten zijn geweest (CG 8/11/07, p.18). Het feit dat u dergelijke onduidelijke en ontwijken- de antwoorden geeft, doet vermoeden dat u de ware toedracht van uw activiteiten wil verhullen.” 4.5.2. Aangaande de invulling van de veiligheidstaak, verklaart verzoeker dat hij verhoren heeft afgenomen in het kader van gemeenrechtelijke en politieke feiten op het bedrijf. De verhoren in het kader van politieke feiten werden echter afgenomen in het comité in de lokalen van de Shuba en niet in het bedrijf zelf. Over deze verhoren had verzoeker geen eindverantwoordelijkheid. 4.5.3. Verzoekers verklaringen in het verzoekschrift kunnen niet worden gerijmd met zijn verklaringen tijdens zijn eerste gehoor op het CGVS, alwaar hij verklaarde nooit zelf een verhoor te hebben afgenomen (Ibid., p.12). Zij doen bovendien geen afbreuk aan de voormelde in de bestreden beslissing gedane vaststellingen. De Raad stelt vast dat verzoeker de motieven niet weerlegt met betrekking tot (
  1. i)hetgeen gebeurde met de mensen waarover hij informatie heeft doorgegeven (
  2. ii)de vraag of politieke opposanten binnen de Munshat werden gearresteerd (iii) de vraag wat er gebeurde als de beschuldigingen correct bleken te zijn. Derhalve worden deze motieven als niet betwist en vaststaand beschouwd. De bestreden motivering vindt steun in het administratief dossier, is pertinent en terecht en wordt door de Raad tot de zijne gemaakt. 4.6.1. De motivering van de bestreden beslissing gaat verder als volgt: “Daarbij moet worden opgemerkt dat u onsamenhangende verklaringen heeft afgelegd over de informatie die u doorspeelde over oppositie-activiteiten. Aanvankelijk verklaart u dat u geen info heeft doorgespeeld in verband met politieke activiteiten. De beschuldigingen die u te horen kreeg, zouden immers nooit correct zijn geweest. Op de RvV 20.156 / Pagina 6 van 9 vraag of zulke beschuldigingen bij u dan nooit correct waren, verklaart u dat het “bijna” nooit correct was. Bij confrontatie dat u de correcte info dan toch moet hebben doorgespeeld, herhaalt u weer dat ze nooit correct waren bij u. Als verklaring geeft u op dat er in uw regio alleen Baathisten woonden (CG 8/11/07 p.16-17). Later, wanneer u wordt gevraagd welke verdachte personen u liet overbrengen naar de shuba (sectie binnen Baathpartij) voor ondervraging, verklaart u dat hier politieke opposanten bij waren. U moest dan nagaan of deze beschuldigingen correct waren. U geeft opnieuw een ontwijkend antwoord op de vraag of deze beschuldigingen dan correct waren, maar plots verklaart u wel dat de helft van de leden van Dawa en Badr uit Nasiriya komen, en dat er bijgevolg ook beschuldigingen klopten tegen werknemers van de munshaat (CG 8/11/07, p.18- 19). Tijdens uw tweede gehoor blijkt dat u minstens een onderzoek heeft gevoerd waarbij de beschuldigingen correct bleken te zijn. Er zouden namelijk twee Irakezen zijn opgepakt die voor de Iraanse inlichtingendienst werkten. U zou hen hebben ondervraagd (CG 13/12/07, p.9). Verder heeft u ook onsamenhangende verklaringen afgelegd over het onderzoek naar beschuldigingen van het beledigingen van de president of de partij. Zo verklaarde u aanvankelijk dat jullie actie ondernamen in het geval er zulke beschuldigingen waren, maar alleen als er effectief getuigen waren. Dit zou echter nooit bij jullie gebeurd zijn. U zou alleen gehoord hebben dat het wel eens gebeurde in Bagdad (CG 8/11/07, p.17). Later, op de vraag in welke gevallen van verdenking u mensen liet meenemen naar de shuba, geeft u op dat het meestal om diefstal ging. Op de vraag of er ook andere zaken waren, is het eerste voorbeeld dat u geeft dat van mensen die ervan beschuldigd werden de president te hebben beledigd (CG 8/11/07, p.18). Ook tijdens uw tweede gehoor geeft u bij een omschrijving van de onderzoeken die u moest voeren binnen de munshaat, het onderzoek naar dergelijke beledigingen op (CG 13/12/07, p.7). Dit alles is zeer opmerkelijk. Vervolgens is het uiterst bevreemdend dat u in uw vragenlijst voor het Commissariaat-generaal aangaf dat uw laatste functie udw qiyada firqa (lid van het bestuur van een afdeling) was (vragenlijst dd.3/8/07, vraag 3). Tijdens uw gehoor ontkent u echter dat u zelf XIV-30.346-7/19 udw qiyada firqa bent geweest. U zou wel de udw qiyada firqa hebben vervangen wanneer deze afwezig was, maar dit zou slechts voor één of twee weken zijn geweest. Dergelijke uiteenlopende verklaringen zijn uitermate bevreemdend, temeer daar u er sterk de nadruk op legt dat u in deze enkele weken toch niet dezelfde bevoegdheden had als de echte udw qiyada firqa (CG 8/11/07, p.14, CG 13/12/07, p.10, 11-12). Bij confrontatie kan u geen afdoende verklaring geven: het enige dat u kan zeggen is dat uw verklaring in de vragenlijst een vergissing van uwentwege moet zijn geweest. Het is uiterst bevreemdend dat u zich over zulke zaken zou vergissen. Verder moet worden opgemerkt dat u in de loop van uw asielprocedure tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over uw paspoort. Zo verklaart u tijdens uw gehoor op het Commissariaat-generaal dat u uw paspoort bij uw familie heeft gelaten toen u naar België kwam. Uw familie zou het hebben vernietigd uit schrik voor sjiitische milities (CG 8/11/07, p.5). Even later verklaart u dat uw paspoort al sinds 2002 zoek is (CG 8/11/07, p.5). Bij confrontatie verklaart u dat 'verloren' en 'vernietigd' hetzelfde is, hetgeen hoogst betwistbaar is. Uw familie zou het verborgen hebben en het niet meer terugvin- den (CG 8/11/07, p.5). Bij de Dienst Vreemdelingenzaken gaf u nog een andere versie op van wat er met uw paspoort is gebeurd. Toen beweerde u dat u uw paspoort bij zich had toen u Irak wilde ontvluchten. Het zou nog in Irak gestolen zijn (DVZ vraag 21). Bij confrontatie kan u geen afdoende verklaring geven, u verklaart alleen dat u dit niet heeft gezegd (CG 8/11/07, p.6). Het feit dat u dergelijke tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd doet afbreuk aan uw algemene geloofwaardigheid. Uit bovenstaande vaststellingen moet worden geconcludeerd dat u incoherente en onduidelijke verklaringen heeft afgelegd over uw precieze betrokkenheid bij het Baathregime. Het feit dat u uw verklaringen steeds aanpast, doet vermoeden dat u bewust heeft gepoogd een onduidelijk en misleidend beeld te scheppen van uw betrokkenheid bij het Baath regime. Aangezien uw actuele vrees en uw vluchtmotieven gebaseerd zijn op uw betrokkenheid bij het Baathregime, kan geen geloof worden gehecht aan uw vluchtrelaas. Bijgevolg moet worden gesteld dat u er niet in bent geslaagd een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève aannemelijk te maken. (…) In het licht van het bedrieglijke karakter van uw verklaringen, moet worden opgemerkt dat de documenten die u heeft voorgelegd ter ondersteuning van uw asielaanvraag niet van die aard zijn dat ze bovenstaande appreciatie van uw dossier kunnen wijzigen. In het kader van een asielprocedure kan immers worden verwacht dat er niet alleen documenten worden voorgelegd, maar dat deze documenten samen gaan met coherente verklaringen. De documenten die u voorlegt veranderen niets aan de vaststelling dat u incoherente verklaringen heeft afgelegd over uw precieze activiteiten en bevoegdheden binnen het voormalige Irakese regime.” 4.6.2. Verzoeker stelt dat hij in het feitenrelaas in het huidige verzoekschrift vrij grondig is ingegaan op de organisatie van de veiligheidsdienst, zijn taken, zijn lidmaatschap van de partij, de verhoren en de verantwoordelijkheden. Hij beweert dat bepaalde feiten voor hem evident zijn zodat hij het moeilijk heeft ze uit te leggen aan leken. De manier van werken van het Baathregime is volgens hem niet makkelijk te begrijpen voor personen die nooit in zulke staat hebben geleefd. Verzoeker meent dat men op basis van het relaas zoals in het verzoekschrift en tijdens zijn verhoren weergegeven duidelijk kan besluiten dat hetgeen hij vertelt de waarheid is. Een persoon die niet zou hebben gewerkt voor de munshaat en veiligheidsdienst zou deze informatie nooit zo gedetailleerd kunnen weergeven. Verzoeker stelt dat zijn verklaringen verward zijn en wijt dit aan het feit dat het ingewikkelde gegevens zijn die niet gemakkelijk zijn om uit te leggen. Hij beweert dat de informatie voor hem bovendien zo evident is dat hij ze op een uitermate nonchalante manier overbrengt. XIV-30.346-8/19 Verzoeker meent dat de motivering van de bestreden beslissing ambigu is aangezien men duidelijk gelooft dat hij betrokken was bij het Baath-regime waar men stelt dat hij heeft getracht “een onduidelijk en misleidend beeld te scheppen van zijn betrokkenheid bij het Baathregime” maar daaruit afleidt dat er geen geloof kan worden gehecht aan het vluchtrelaas. Hij stelt dat door het CGVS niet wordt betwist dat hij lid was van de Baath en in dat kader veiligheidstaken uitoefende binnen zijn bedrijf, doch dat men zelf blijk geeft te vermoeden dat hij hogere of belangrijke verantwoordelijkheden had. Verzoeker stelt dat het CGVS consequent dient te zijn en ofwel op basis van onder andere tegenstrijdigheden dient aan te duiden dat het relaas onwaar is en zijn beslissing daarop te baseren ofwel dient toe te geven dat zijn relaas correct is en de weigering op een andere basis te motiveren. Verzoeker betoogt dat men, indien men zijn relaas aanvaardt, niet anders kan dan hem erkennen aangezien een persoon die werkte voor de veiligheidsdiensten van Saddam ontegensprekelijk vervolging riskeert in het Irak van vandaag, zowel door de huidige staat als door delen van de bevolking. De enige basis waarop men hem dan ook zou kunnen weigeren is een uitsluitingsclausule. Het CGVS doet dit echter niet expliciet in de motivering. Verzoeker beweert dat zijn verantwoordelijkheid binnen de Baathpartij en de veiligheidsdienst daar duidelijk niet hoog genoeg voor was en dat de daden die hij stelde hoogstens het verhoren van personen en het doorsturen naar de centrale dienst in Bagdad waren. Indien het CGVS een uitsluitingsclausule meent te kunnen toepassen moet dit duidelijk gesteld en gemotiveerd worden, hetgeen in casu niet gebeurd is. Verzoeker concludeert dat artikel 48/3 van de voormelde wet van 15 december 1980 flagrant geschonden is. Hij is lid geweest van de Baath en van de veiligheidsdienst op een lager echelon, hetgeen een risico inhoudt op vervolging. 4.6.3. Van verzoeker, die beweert te vrezen voor zijn leven en vrijheid en daarom de bescherming van de Belgische autoriteiten vraagt, mag worden verwacht dat deze alle elementen ter ondersteuning van zijn asielaanvraag op correcte wijze en zo accuraat mogelijk aanbrengt, zeker de elementen die de directe aanleiding vormen van zijn vertrek of vlucht uit het land van herkomst. Hij dient dit zo volledig en gedetailleerd mogelijk te doen en dit reeds van bij het eerste interview, daar op hem de verplichting rust om zijn volledige medewerking te verlenen aan de asielprocedure (RvSt., X, nr. 150.135, 13 oktober 2005). Derhalve is verzoekers bewering dat het ingewikkelde gegevens betreffen, dat de gegevens voor hem dermate evident zijn dat hij ze nonchalant weergeeft en dat zij moeilijk te begrijpen zijn voor iemand die niet in dat regime heeft geleefd, geenszins dienstig ter weerlegging van de bestreden motivering. De Raad stelt vast dat verzoeker de bovenvermelde motieven aangaande (
  3. i)de onsamenhangende verklaringen aangaande de informatie die hij doorspeelde over oppositieactiviteiten (
  4. ii)de onsamenhangende verklaringen aangaande het onderzoek dat hij voerde naar beschuldigingen van het beledigen van de partij of de president (iii) zijn laatste functie, udw firqa dan wel udw qiyadet firqa (
  5. iv)zijn paspoort (
  6. v)de neergelegde documenten, niet in concreto weerlegt. Zij worden derhalve geacht niet betwist en vaststaand te zijn. De motivering van de bestreden beslissing vindt steun in het administratief dossier, is pertinent en terecht en wordt door de Raad overgenomen. Deze motieven klemmen des te meer daar verzoeker incoherente verklaringen aflegde aangaande zijn houding ten aanzien van de Baathpartij. Tijdens zijn eerste gehoor op het CGVS verklaarde hij: “ik was vredig man. Alles kwam van Tal’at, ik wou zelf geen lid worden van de partij” (stuk 7, p.16), terwijl hij elders verklaarde dat (
  7. i)hij zich aansloot bij de partij omdat van de partij nobel was en hij dacht dat het goed was (Ibid., p.10) (
  8. ii)hij de partij bewonderde (stuk 4, p.4). In acht genomen hetgeen vooraf gaat, kwam het CGVS terecht tot de conclusie dat er geen geloof kan worden gehecht aan verzoekers voorgehouden profiel en vluchtrelaas. Derhalve kan in hoofde van verzoeker geen gegronde vrees voor vervolging worden aanvaard in vluchtelingenrechtelijke zin. XIV-30.346-9/19 4.7.1. Ter zitting legt verzoeker een attest neer waaruit blijkt dat zijn zoon niet langer naar school gaat. 4.7.2. Betreffende het ter zitting neergelegde document, dient te worden opgemerkt dat het een kopie betreft waarvan de authenticiteit niet kan worden nagegaan zodat hieraan slechts een geringe bewijswaarde kan worden toegekend en dat deze kopie, in acht genomen de inhoud ervan waaruit blijkt dat verzoekers zoon niet meer naar school gaat en werd bedreigd omdat verzoeker lid was van de Baathpartij, geen afbreuk doet aan de voormelde vaststellingen. 4.8. Gelet op het voorafgaande kan niet worden aangenomen dat verzoeker voldoet aan de voorwaarden zoals bepaald in artikel 48/3 van de voormelde wet van 15 december 1980. 5.1. De bestreden motivering luidt ten aanzien van de subsidiaire beschermingsstatus als volgt: “U bent afkomstig uit Centraal-Irak. Uit een analyse van de situatie in Irak blijkt dat er op dit ogenblik in Centraal-Irak een reëel risico van ernstige schade in de zin van artikel 48/4, §2, c van de Vreemdelingenwet bestaat. Deze vaststellingen volstaan niet om u de status van subsidiaire bescherming toe te kennen. Zoals boven vastgesteld blijkt immers dat geen geloof kan worden gehecht aan uw voorgehouden profiel. Deze ongeloofwaardigheid is van die aard dat het onmogelijk is om een correct beeld te vormen van uw profiel en hoedanigheid, van uw activiteiten in het verleden, van de draagwijdte van uw bevoegdheden onder het vorige regime, van uw positie of situatie in Irak, van de eventuele toepassing van de uitsluitingsclausule, van de mogelijkheid voor u tot het bekomen van bescherming in uw land van herkomst of om te besluiten dat u als burger kan worden beschouwd. Het spreekt voor zich dat de subsidiaire beschermingsstatus niet kan worden toegekend aan personen waarvan men in het geheel niet weet wie of wat ze zijn.(…)” 5.2. Verzoeker voert de schending aan van de artikelen 48/4 en 55/4 van de voormelde wet van 15 december 1980 en van de motiveringsplicht. Hij stelt dat overeenkomstig artikel 55/4 een vreemdeling kan worden uitgesloten van de subsidiaire beschermings- status wanneer “er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat…”. In casu zijn zulke redenen volgens verzoeker niet aanwezig of worden ze niet gegeven in de bestreden beslissing. Men heeft twijfels omtrent zijn profiel en verantwoordelijkheden, doch een twijfel is geen ernstige reden en dient in het voordeel van verzoeker te spelen. Verzoeker stelt dat er geen element is waaruit men zou kunnen afleiden dat hij een militair zou zijn geweest onder het regime van Saddam. Hij was een burger die werkte voor de veiligheidsdienst. Dit was een volkomen normaal gegeven in het Irak van voorheen. Verzoeker meent dat het overduidelijk is dat hij op dit moment een gewone Iraakse burger is en geen strijder, noch militair. Hij concludeert dat hij een burger is, woonachtig in Centraal-Irak, een risicovolle regio en beweert dat men geen enkele serieuze en ernstig onderbouwde reden kan geven waarom men hem zou kunnen uitsluiten van het statuut. Verzoeker stelt dat hij, indien het statuut van vluchteling zou worden geweigerd, ten minste het beschermingsstatuut dient te genieten. 5.3. Verzoeker brengt kritiek uit op de inhoud van de motivering, zodat de schending van de materiële motiveringsplicht wordt aangevoerd en het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht. De Raad stelt vast dat de bestreden beslissing geen toepassing maakt van artikel 55/4 van de voormelde wet van 15 december 1980, zodat de schending van voornoemd artikel niet dienstig wordt aangevoerd door verzoeker. Uit het voormelde (zie sub 3.2. tot 4.6.3.) blijkt dat de twijfels omtrent verzoekers voorgehouden profiel, omwille van zijn vage, incoherente, niet plausibele en strijdige verklaringen, ertoe leiden dat zijn profiel niet te bepalen is. Het feit dat verzoekers profiel niet vast te stellen is, is derhalve uitsluitend te wijten aan zijn persoonlijk gedrag. De aldus door verzoeker zelf veroorzaakte twijfel en onduidelijkheid kan er niet toe leiden dat hij, naar analogie met artikel 50 van het eerste aanvullend Protocol van XIV-30.346-10/19 8 juni 1977 bij de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 betreffende de behandeling van slachtoffers van internationale gewapende conflicten, beschouwd wordt als burger. Verzoeker dient, vooraleer hem, naar analogie met voormeld Protocol, het voordeel van de twijfel kan worden toegekend en hij als ‘burger’ kan worden beschouwd, te hebben voldaan aan de medewerkingsplicht door het afleggen van geloofwaardige verklaringen teneinde de ter zake bevoegde instanties toe te laten zich een beeld te vormen van zijn maatschappelijke positie en de eventueel daaruit voortvloeiende nood aan bescherming. Door het persoonlijk gedrag van verzoeker is het onmogelijk een correcte inschatting te maken van zijn positie in zijn land van herkomst en bijgevolg onmogelijk te beoordelen of hij (
  9. i)al dan niet een burger is (
  10. ii)gelet op zijn beweerde hoge functie en activiteiten binnen de Baath, al dan niet valt onder de toepassing van artikel 55/4 van de voormelde wet van 15 december 1980 (iii) al dan niet beroep kan doen op beschermingsmogelijkheden. De subsidiaire bescher- mingsstatus kan aan verzoeker niet worden toegekend. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VOOR VREEMDELINGENBETWIS- TINGEN: Artikel 1 De vluchtelingenstatus wordt aan de verzoekende partij geweigerd. Artikel 2 De subsidiaire beschermingsstatus wordt aan de verzoekende partij geweigerd.”. 2. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.1. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert: “EERSTE MIDDEL: Schending (van) het artikel 48/4 van de wet van 15/12/1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Tekst Tekst artikel 48/4: "§ 1. De subsidiaire beschermingsstatus wordt toegekend aan de vreemdeling, die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt en die geen beroep kan doen op artikel 9ter, en ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade zoals bepaald in paragraaf 2 en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen en niet onder de uitsluitingsgronden zoals bepaald in artikel 55/4, valt. § 2. Ernstige schade bestaat uit :
  11. a)doodstraf of executie; of
  12. b)foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst; of
  13. c)ernstige bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het geval van een internationaal of binnenlands gewapend conflict." Discussie: De betreden beslissing weigert de subsidiaire bescherming toe te kennen aan verzoeker om de volgende redenen: «Uit het voormelde (zie sub 3.2 tot 4.6.3) blijkt dat de twijfels omtrent verzoekers voorgehouden profiel, omwille van zijn vage, incoherente, niet plausibele en strijdige verklaringen, ertoe leiden dat zijn profiel niet te bepalen is. Het feit dat verzoekers profiel niet vast te stellen is, is derhalve uitsluitend te wijten aan zijn persoonlijk gedrag. De aldus door verzoeker zelf veroorzaakte twijfel en onduidelijkheid kan er niet XIV-30.346-11/19 toe leiden dat hij, naar analogie met artikel 50 van het eerste aanvullend Protocol van 8 juni 1977 bij de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 betreffende de behandeling van slachtoffers van internationale gewapend conflicten, beschouwd wordt als burger. Verzoeker dient, vooraleer hem, naar analogie met voormeld Protocol, het voordeel van de twijfel kan worden toegekend en hij als "burger" kan worden beschouwd, te hebben voldaan aan de medewerkingsplicht door het afleggen van geloofwaardige verklaringen teneinde de ter zake bevoegde instanties toe te laten zich een beeld te vormen van zijn maatschappelijke positie en de eventueel daaruit voortvloeiende nood aan bescherming. Door het persoonlijk gedrag van verzoeker is het onmogelijk te beoordelen of hij (
  14. i)al dan niet een burger is (
  15. ii)gelet op zijn beweerde hoge functie en activiteiten binnen de Baath, al dan niet valt onder de toepassing van artikel 55/4 van de voormelde wet van 15 december 1980 (iii) al dan niet beroep kan doen op beschermingsmogelijkheden. De subsidiaire beschermingssta- tus kan aan verzoeker niet worden toegekend". Hoewel : Eerste onderdeel Het artikel 48/4 staat toe een subsidiaire bescherming te verlenen aan deze personen die een reëel risico lopen op ernstige schade , onder andere omwille van de ernstige bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het geval van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.". De enige personen die kunnen worden uitgesloten van het statuut zijn deze personen zoals bepaald in het art 55/4 van de voornoemde wet. De bestreden beslissing trekt absoluut niet in twijfel dat verzoeker lid is geweest van de Baath partij, hetgeen wordt bewezen door officiële documenten die niet worden betwist in de bestreden beslissing, en dat verzoeker afkomstig is uit het centrum van Irak, regio waar momenteel een gewapend conflict heerst, hetgeen bevestigd wordt door het CGVS en door de bestreden beslissing. Door zijn motief te baseren op het motief dat verzoeker niet voldoende duidelijk zou zijn en dat men niet zeker is over het feit of verzoeker al dan niet een burger is, zonder evenwel te hebben aangetoond dat verzoeker geen burger is en zonder verzoeker uit te sluiten op basis van het artikel 55/4, rechtvaardigt de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen zijn beslissing niet wettelijk et schendt de beslissing de notie van de subsidiaire bescherming en dus van de wettelijke bepalingen voorzien in het middel. Tweede onderdeel De bestreden beslissing bepaalt dat de hoedanigheid van burger, tijdens de activiteiten die zich hebben afgespeeld in het land van herkomst, een condition sine qua non is om het statuut van subsidiaire bescherming toe te kennen. Hoewel Volgens het UNHCR : «De deelname of de betrekking bij militaire activiteiten kan op geen enkele manier leiden tot een vermoeden van uitsluiting. (..) Hun asielaanvraag moet volledig onderzocht worden, op basis van de voorwaarden tot insluiting alsook op op basis van de elementen die zouden kunnen leiden tot de toepassing van de uitsluitingsclausule. (vrije vertaling van « participation or association with military activities should by no means create an assumption of exclusion (...). Their asylum claims should be examined thoroughly under the inclusion criteria as well as elements related to the possible application of the exclusion clauses.", zie: UN High Commissioner for Refugees, Operational Guidelines on Maintaining the Civilian and Humanitarian Character of Asylum, September 2006. Online. UNHCR Refworld, http://www.unhcr.org/cgi-bin/texis/vtx/refworld/rwmain?docid=452b9bca2 Deze vaststellingen, opgesteld in het kader van de notie van vluchtelingen, gelden mutatis mutandis eveneens voor de subsidiaire bescherming, een statuut dat eveneens een rol vervult van internationale bescherming voor diegenen die het nodig hebben. Een aandachtige lezing van het artikel 48/4 §2,
  16. c)kan trouwens doen denken dat de hoedanigheid van burger, de mogelijke slachtoffers bedoelt van een gewapend conflict XIV-30.346-12/19 en niet de vereiste hoedanigheid van de persoon aan wie de bescherming dient te worden toegekend. Door als voorwaarde te stellen, om een erkenning van de subsidiaire bescherming te verkrijgen, dat verzoeker moet bewijzen dat hij een burger was tijdens zijn activiteiten in het land van herkomst, rechtvaardigt de RVV zijn beslissing niet wettelijk en schendt zij wet zoals opgenomen in het middel.”; 2.1.2. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord integraal het in zijn inleidend verzoekschrift ontwikkelde middel herhaalt; 2.1.3. Overwegende dat artikel 18 van de Richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming bepaalt dat “(d)e lidstaten (...) de subsidiaire beschermingsstatus (verlenen) aan een onderdaan van een derde land of staatloze die overeenkomstig de hoofdstukken II en V in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming”; dat hoofstuk II van voormelde richtlijn, onder meer, in artikel 4 bepaalt dat de beoordeling van de aanvraag op individuele basis gebeurt en dat, onder meer, rekening wordt gehouden met “de door de verzoeker afgelegde verklaringen en overgelegde documenten” en met “de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, waartoe factoren behoren zoals achtergrond, geslacht en leeftijd, teneinde te beoordelen of op basis van de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, de daden waaraan hij blootgesteld is of blootgesteld zou kunnen worden, met vervolging of ernstige schade overeenkomen”; dat voormeld artikel 4 eveneens bepaalt dat het voordeel van de twijfel aan de verzoeker wordt gegund wanneer, onder meer, de verklaringen samenhangend en aannemelijk bevonden zijn en vast is komen te staan dat de verzoeker in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd; dat de bewijslast derhalve, ook wat de nood aan subsidiaire bescherming betreft, in beginsel op de verzoeker rust, die aan de hand van concrete elementen moet aantonen dat hij beantwoordt aan de criteria om in aanmerking te komen voor de subsidiaire bescher- mingsstatus; dat artikel 48/4, § 2, van de Vreemdelingenwet bepaalt dat ernstige schade, onder meer, bestaat uit de ernstige bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het geval van een internationaal of binnenlands gewapend conflict; dat naast de aanwezigheid van een gewapend conflict, van willekeurig geweld waardoor het leven of de persoon van burgers ernstig bedreigd wordt en de onmogelijkheid van een interne vlucht, het burger-zijn één van de constitutieve elementen is om voor de subsidiaire beschermingsstatus in aanmerking te komen; dat artikel 15, c), van voormelde Richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 niet tot doel heeft om bescherming te bieden aan om het even welke persoon waarvan men in het geheel niet weet wie hij is; dat dit logischerwijze inhoudt dat wanneer - zoals in casu - de aanvrager niet aantoont dat hij een burger is omdat XIV-30.346-13/19 de “door verzoeker zelf veroorzaakte twijfel en onduidelijkheid” omtrent zijn profiel het onmogelijk maakt “een correcte inschatting te maken van zijn positie in zijn land van herkomst”, “het bijgevolg onmogelijk (
  17. is)te beoordelen of hij (
  18. i)al dan niet een burger is (
  19. ii)gelet op zijn beweerde hoge functie en activiteiten binnen de Baath, al dan niet valt onder de toepassing van artikel 55/4 van de voormelde wet van 15 december 1980 (iii) al dan niet beroep kan doen op beschermingsmogelijkheden”; dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker lijkt te menen, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet moet aantonen dat verzoeker geen burger is en hij hem niet hoeft uit te sluiten op grond van artikel 55/4 van de Vreemdelingenwet om hem de subsidiaire beschermingsstatus te weigeren; dat uit wat voorafgaat blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geenszins artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet schendt en afdoende motiveert waarom aan verzoeker niet het voordeel van de twijfel kan worden verleend en als “burger” kan worden beschouwd, met name omdat verzoeker door zijn persoonlijk gedrag, en de door hem zelf veroorzaakte twijfel en onduidelijkheid, niet voldoet “aan de medewerkingsplicht door het afleggen van geloofwaardige verklaringen teneinde de ter zake bevoegde instanties toe te laten zich een beeld te vormen van zijn maatschappelijke positie en de eventueel daaruit voortvloeiende nood aan bescherming”; dat voor zover verzoeker verwijst naar een richtlijn van het UNHCR, waarin wordt bepaald dat de deelname aan of de betrokkenheid bij militaire activiteiten op geen enkele manier zou mogen leiden tot een vermoeden van uitsluiting, erop dient gewezen dat dergelijke richtlijnen van het UNHCR geen juridisch bindend karakter hebben; dat verzoeker in casu overigens niet wordt uitgesloten van de subsidiaire beschermingsstatus omwille van zijn deelname aan of betrokkenheid bij militaire activiteiten; dat de subsidiaire beschermingsstatus hem wordt geweigerd op grond van zijn gebrek aan medewerking met de asielinstanties; dat het eerste middel, in de mate het ontvankelijk is, niet gegrond is; 2.2.1. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: “TWEEDE MIDDEL: Schending van artikel 47 van het handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Schending van de principes van het EU procesrecht. Schending van de rechten van de verdediging, zoals voorzien in de Europese constitutionele tradities Verzoeker betoogt dat onderhavig beroep geenszins voldoet aan de waarborgen zoals vastgesteld in bovenvermelde rechten. Verzoeker meent dat hij recht heeft op een beroep met volle rechtsmacht en dat onderhavig beroep hieraan niet voldoet. Verzoeker meent dat hij conform bovenvermelde principes recht heeft op een onderzoek van de feiten door het jurisdictioneel orgaan dat zijn beroep behandelt en dit omwille van het feit dat de natuur van een asielaanvraag een actuele beoordeling dient in te houden van zijn asielaanvraag op het moment van de finale beslissing. Dat dit recht beperkt wordt gezien verzoeker na het indienen van onderhavig beroep geen nieuwe stukken kan aanbrengen en geen geactualiseerde memorie/conclusie kan XIV-30.346-14/19 bijbrengen. Dat geenszins sprake kan zijn van een jurisdictioneel orgaan dat volle rechtsmacht heeft. Verzoeker zal aantonen dat de principes van art. 6 EVRM thans direct van toepassing zijn. Verzoeker zal verder aantonen dat ook art. 47 van het handvest van de grondrechten van de Europese Unie van toepassing is. Verzoeker zal aantonen dat het begrip "volle rechtsmacht" een bijzondere betekenis heeft en dat de betekenis varieert van materie tot materie. Verzoeker zal tenslotte aantonen dat de waarborgen van het Europees procesrecht volledig afwezig zijn en dit ondanks het feit dat de ganse materie van asiel thans onder het Europees recht ressorteert. 1. Wat betreft de toepassing van art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Zowel de Kwalificatierichtlijn (2004/83) als de Procedurerichtlijn verwijzen direct naar het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en dus ook naar art. 47 van het handvest. In juni 2006 citeerde het Europees Hof van Justitie het Charter derwijze dat het zijn rechtstreekse werking bevestigde. Het stelde dat de vermelding in de preambule in de richtlijn voldoende was om het Charter van toepassing te maken (...). Een Advocaat Generaal van het Europees Hof van Justitie stelde dat het Handvest de uitdrukking is van het hoogste niveau, van een democratisch gevestigde politiek consensus welke thans beschouwd moet worden als een catalogus van fundamentele rechten gewaarborgd in het Gemeenschapsrecht. Het handvest wordt geciteerd en toegepast in diverse materies zowel bij het Europees Hof van Justitie als bij nationale rechters. Dat ook het UNHCR deze visie is toegedaan. Dat verzoeker verwijst naar "The European asylum procedures directive in Legal context." Research Paper No. 134. p. 20 ev. (www.unhcr.org) Dat de toepassing van art. 47 van het Handvest dan ook gewaarborgd dient te worden in alle zaken die de Europese Unie regelt waaronder het asielrecht. Dat art. 47 als volgt luidt: Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordi- gen. Rechtsbijstand wordt verleend aan diegenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voorzover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen. Dat de invulling van art. 47 gelijklopend is met de invulling van art. 6 EVRM met het verschil dat het toepassingsgebied zich uitstrekt niet alleen over burgerlijke en strafrechtelijke materies maar ALLE materies die het Europees recht regelt waaronder dus ook het asielrecht. Dat de tekst zowel art. 13 EVRM als art. 6 EVRM incorporeert. Dat de rechtspraak ivm art. 6 EVRM dan ook relevant is ter beoordeling van het feit of dat onderhavig beroep voldoet aan de voorwaarde zoals gesteld in het Europees Handvest. Dat evenwel art. 47 van het handvest geen vereiste stelt van burgerlijke of politieke rechten. 2. Begrip "volle rechtsmacht". Verzoeker stelt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volle rechtsmacht dient te hebben en thans niet voldoet aan deze vereist. Verzoeker betoogt dat het principe dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen eigen onderzoek kan stellen in strijd is met het begrip "full jurisdiction" volle XIV-30.346-15/19 rechtmacht zoals vastgelegd in het EVRM en dus indirect van toepassing via art. 47 van het Handvest (zie hierboven). ‘Full jurisdiction' Van belang is om te beginnen dat artikel 6 lid 1 EVRM niet alleen toegang tot een rechter garandeert maar ook eisen stelt aan de rechterlijke toetsing van overheidsoptre- den. In het kader van een procedure moet op grond van vaste jurisprudentie ten minste één rechterlijke instantie met volledige rechtsmacht ('full jurisdiction') de betreffende besluiten kunnen controleren (...). De eis van `full jurisdiction' houdt in dat de betreffende rechter de bevoegdheid moet hebben: 'to examine all questions of fact and law relevant to the dispute before it.' (...) De rechter moet op grond van artikel 6 lid 1 EVRM dus alle voor het betreffende geschil relevante vragen van juridische en feitelijke aard kunnen onderzoeken. Het is belangrijk om expliciet te constateren dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen rechtsvragen en feitelijke vragen (...). Uit het voorgaande volgt dat de rechter om te voldoen aan de eisen van artikel 6 EVRM dus ook moet kunnen oordelen over de vaststelling van de feiten als deze relevant zijn in het geschil. Daarmee is van belang wat wordt bedoeld met 'facts relevant to the dispute'. Immers alleen met betrekking tot deze feiten geldt het vereiste van `full jurisdiction'. Daarmee is de vraag aan de orde hoe intensief de rechter terzake moet kunnen toetsen. Uitgangspunt van de jurisprudentie van het EHRM lijkt te zijn dat de rechter een eigen oordeel over de feiten moet geven hetgeen impliceert dat hij de bestuurlijke feitenvast- stelling vol moet kunnen toetsen. Gewezen kan hier worden op de uitspraak van het EHRM in de zaak Terra Woningen t. Nederland. Daarin werd een schending van artikel 6 lid 1 EVRM aangenomen omdat de kantonrechter bij het vaststellen van een huurprijs niet zelfstandig wilde onderzoeken of er sprake was van bodemverontreiniging (een factor bij het bepalen van de huurprijs) en het standpunt van Gedeputeerde Staten daarover zonder meer overnam. Dit ondanks het feit dat partijen van mening verschilden over de vraag of er inderdaad sprake was van bodemverontreiniging. Uit het voorgaande zou kunnen worden afgeleid dat een meer terughoudende - marginale- toetsing van de feitenvaststelling nooit door de beugel zou kunnen,365 maar uit de zaak Bryan t. Verenigd Koninkrijk blijkt dat het EHRM onder bepaalde omstandigheden daarmee wel genoegen neemt (...). Deze zaak betrof een handhavings- besluit op grond waarvan de heer Bryan twee huizen moest slopen en bouwmateriaal moest verwijderen. Daartegen kwam hij vergeefs op bij het bestuursorgaan dat het besluit nam, waarna er beroep werd ingesteld bij de rechter. Daar kon echter de juistheid van de vastgestelde feiten die de basis vormden van het besluit niet meer direct worden betwist. De rechter was alleen bevoegd ten aanzien van rechtsvragen en kon geen nader bewijs ontvangen. Wel had de rechter de bevoegdheid om te beoordelen of de procedure waarin de feiten waren vastgesteld rechtmatig was en of de feitenvaststel- ling 'perverse or irrational' was. Beperkingen van rechterlijke controle op de bestuurlijke feitenvaststelling bevinden zich dus 'in de gevarenzone van artikel 6 EVRM', maar zijn gelet op de zaak Bryan niet zonder meer ongeoorloofd. Voor dergelijke beperkingen moet wel een overtuigende rechtvaardigingsgrond bestaan, zoals de aard van het materiële rechtsgebied en de daaraan verbonden bestuurlijke vrijheid en het gespecialiseerde karakter van de feitenvaststelling. Daarbij is van belang dat de bestuurlijke feitenvaststelling in een met voldoende waarborgen omklede - quasirechterlijke - gespecialiseerde administratieve voorprocedure heeft plaatsgevonden. Hieruit lijkt voort te vloeien dat het in dergelijke gevallen in het licht van artikel 6 EVRM ook mogelijk is grenzen te stellen aan het inbrengen van bepaald nieuw bewijsmateriaal in de rechterlijke procedure. Sommige bewijsmateriaal vergt immers een geheel nieuwe beoordeling door de rechter, iets waartoe hij echter juist niet in staat is gelet op, bijvoorbeeld, de daartoe vereiste specialisatie. De beperkingen van rechterlijke controle op de bestuurlijke feitenvaststelling mogen in ieder geval nooit zo ver gaan dat de rechter zich geheel verlaat op het oordeel van het XIV-30.346-16/19 bestuur. Dat zou immers feitelijk betekenen dat de betrokkene opdat punt geen toegang heeft tot de rechter. Er moet in het kader van de rechterlijke procedure een debat kunnen worden gevoerd over de juistheid van het bestuurlijke feitenoordeel en de wijze waarop dat tot stand is gekomen. Het geheel uitsluiten daarvan kan blijkens de jurisprudentie van het EHRM niet door de beugel. Gewezen kan worden op de al genoemde zaak Terra Woningen t. Nederland en op de meer recente zaak Chevrol t. Frankrijk (...). Deze laatste zaak werd aan het EHRM voorgelegd nadat de Franse Raad van State (Conseil d'Etat) het beroep van verzoekster tegen de weigering haar Algerijnse artsexamen te erkennen had afgewezen. Daarbij heeft de Raad van State zijn eigen jurisprudentie gevolgd, waarbij hij, bij de beantwoording van de vraag of de betreffende verdragen toepasselijk waren, zich geheel heeft verlaten op het oordeel van een bestuursorgaan, ook waar dat de feitenvaststelling betrof. Het EHRM is daarover kritisch: ook al lijkt raadpleging van de minister door de Raad van State over de beoordeling van de voorwaarde van wederkerigheid bij de erkenning van diploma's noodzakelijk, door deze wijze van werken verplicht de Raad van State zich het oordeel te volgen van de minister, dat wil zeggen van een buiten de Raad staande en tot de uitvoerende macht behorende autoriteit, zonder het oordeel van die autoriteit aan kritiek of aan een contradictoir debat te onderwerpen. Het Hof is verder van oordeel dat met betrekking tot het inwinnen van het oordeel van de minister, dat bepalend zou zijn voor hetgeen in het geschil ter beslissing stond, voor appellante geen enkele voorziening openstond. Zij heeft geen enkele gelegenheid gekregen zich uit te spreken over het gebruik van het ministerieel oordeel, of over de formulering van de aan de minister gestelde vraag, of over de elementen van de beantwoording van die vraag. Appellante heeft aan de Raad van State verscheidene stukken overgelegd om aan te tonen dat de Algerijnse overheid de betreffende regelingen feitelijk wel degelijk toepaste. Deze stukken zijn zelfs niet onderzocht door de Raad, die derhalve niet heeft willen onderzoeken of zij een goede grondslag voor het betoog van appellante vormden. Aldus heeft de Raad zich gebonden geacht aan het oordeel van de minister, en zichzelf de bevoegdheid ontzegd om feitelijke gegevens die beslissend konden zijn voor het aan hem voorgelegde geschil in zijn beoordelingen te betrekken. Onder deze omstandighe- den kan volgens het EHRM niet worden gezegd dat appellante toegang heeft gehad tot een rechterlijke instantie die een toereikende bevoegdheid had, dan wel erkende dat zij een dergelijke bevoegdheid had, om zich te buigen over alle feitelijke en juridische kwesties die relevant waren om het geschil te beoordelen. Toegepast op de beroepsprocedure bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, meent verzoeker dat deze procedure geenszins voldoet. Dat de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen ambtshalve dient over te gaan tot een onderzoek van alle feiten relevant voor deze zaak. Meer bepaald dient zij zich ervan te vergewissen dat verzoeker geen enkel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4, 2, C van de vreemdelingenwet. Dat de Raad Voor Vreemdelingenbetwistingen geen enkel rapport citeert dat zou aantonen dat verzoeker geen gevaar zou lopen bij een terugkeer naar Afghanistan, meer bepaald de provincie Balkh en het district Mazar-i-Sharif. Integendeel, de Raad stelt zelfs dat er een verslechtering is van de situatie. Dat de Raad nalaat expliciet de voorwaarden van artikel 48/4, §2,
  20. c)van de wet van 15.12.1980 te toetsen. De bestreden beslissing verwijst enkel naar het feit dat het district waar verzoeker van afkomstig is, niet op de lijst van het UNHCR te vinden is en dat verzoekers recente verblijf niet duidelijk is, terwijl dit geen van beiden voorwaarden zijn die in dit artikel terug te vinden zijn. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bovendien de door verzoeker in zijn verzoekschrift aangehaalde rapporten zonder enige motivering negeert. Dat er geen repliek mogelijk is op de nota door de verwerende partij neergelegd. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ambtshalve dient over te gaan tot onderzoek van de actuele toestand in Afghanistan en hierbij de voorwaarden van artikel 48/4, §2,
  21. c)dient na te gaan of de beslissing van het CGVS had dienen te vernietigen en terug te sturen naar het CGVS, zoals ook gevraagd werd in het verzoekschrift tot hoger beroep. XIV-30.346-17/19 Dat ook de beginselen van het Europees procesrecht voortvloeiende uit art. 47 van het Handvest en uit de rechtspraak van het Hof van Justitie zelf geschonden zijn. Dat verzoeker eveneens verzoekt aan de Raad van State een prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie die als volgt luidt: "Dienen de lidstaten te voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege met volle rechtsmacht inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83 en volstaat een mogelijkheid tot terugwijzing naar de initiële administratieve overheid om te kunnen spreken van volle rechtsmacht of dienen deze administratieve rechtscolleges over een eigen onderzoeksbevoegdheid te beschikken die hen toelaat tot op de dag van de eindbeslissing onderzoek te verrichten naar alle relevante feiten die nuttig zijn om de zaak te beoordelen". Dat de vraag relevant is in die zin dat indien beide onderdelen bevestigend beantwoord worden de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ambtshalve diende over te gaan tot een onderzoek.”; 2.2.2. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord integraal het in zijn inleidend verzoekschrift ontwikkelde middel herhaalt en hieraan toevoegt: “De verwijzing naar Belgische rechtspraak is voor het overgrote deel irrelevant gezien de materie ressorteert onder het Europees Gemeenschapsrecht. Dat het aspect “volle rechtsmacht” in overeenstemming dient te zijn met het begrip “volle rechtsmacht” zoals het geïnterpreteerd wordt door het gemeenschapsrecht. Verzoeker verwijst naar de arrest van het Europees Hof van Justitie in de zaak “Organisatie van Volksmujahedeen van Iran tegen de Raad van de Europese Unie” van 12.12.2006, zaak T 228-02. Meer bepaald deriveert het arrest uit Richtlijn 2004/38 (Vrijheid van verkeer en niet 2004/83) rechtsbeginselen, (meer bepaald uit art. 31.3 van de Richtlijn) dat er “rechtsmiddelen dienen te worden voorzien met de mogelijkheid van onderzoek van de wettigheid van het besluit, alsmede van de feiten en omstandig- heden die de voorgenomen maatregel rechtvaardigen”. Dat zulks in casu bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onmogelijk is.”; 2.2.3. Overwegende dat uit de stukken waarop de Raad van State vermag acht te slaan, niet blijkt - en verzoeker ook niet beweert - dat hij voor de Raad voor Vreemdelin- genbetwistingen de in het middel vermelde grieven betreffende de beweerde miskenning van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de rechten van verdediging heeft aangevoerd; dat deze grieven niet voor het eerst voor de Raad van State kunnen worden aangevoerd; dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - in tegenstelling tot hetgeen verzoeker meent - overigens tot op heden geen bindende kracht heeft; dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in het arrest van 27 juni 2006 in de zaak C-540/03, waarnaar verzoeker verwijst, uitdrukkelijk stelt dat “het Handvest geen bindend rechtsinstrument is”; dat het tweede middel niet ontvankelijk is, XIV-30.346-18/19 BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien maart tweeduizend en negen, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-30.346-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.246 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.