← België

Arrest 191254 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 10/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.254 Rolnummer: A. 188964/XIV-30437 Zaak: Arrest 191254 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 10/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-18 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 21:40 Fiche Arrest nr 191.254 van 10 maart 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.254 van 10 maart 2009 in de zaak A. 188.964/XIV-30.

  1. In zake : XXX, wonende te 2800 MECHELEN, Vrijgeweidestraat 12 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 12 juli 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 13.545 van 30 juni 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 3101 van 23 juli 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur R. VAN DEN EECKHOUT, op grond van artikel 19 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 4 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 februari 2009; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat H. VAN NIJVERSEEL die, loco Advocaat M. DE RAEDEMAEKER verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché Kr. GOOSSENS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; XIV-30.437-1/4 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegrondheid van het beroep. 1.
  3. Overwegende dat verzoeker een enig middel afleidt uit machtsover- schrijding, de schending van artikel 6 van het E.V.R.M. en een “gebrekkige motivering”; dat verzoeker aanvoert dat de kwalificatie van een bewijsstuk als een “vals stuk” tot de exclusieve bevoegdheid van de correctionele rechtbank behoort, waarbij de rechtsonderhori- ge de waarborgen geniet, bepaald in artikel 6 van het E.V.R.M., dat door zich uit te spreken over de valsheid van het stuk de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen machtsoverschrij- ding begaat en hij het recht van verdediging schendt zoals vastgelegd in artikel 6 van het E.V.R.M.; dat indien de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn bevoegdheid toch niet zou hebben overschreden, verzoeker aanvoert dat op basis van de informatie in het administratief dossier niet op rechtmatige manier kan besloten worden dat er in casu sprake is van een “vals stuk”: de identiteit van de vertrouwenspersonen is niet gekend, hun functie als advocaat omvat niet de bevoegdheid zich uit te spreken over de valsheid van een stuk, het onderzoek gebeurde op basis van een algemeen rapport en het verslag op grond waarvan is besloten tot de valsheid, bevindt zich niet in het administratief dossier, zodat verzoeker onwetend is over de precieze reden waarom nummer of adres niet correct zouden zijn; dat het onderzoek naar de valsheid van de aangebrachte convocatie niet met de nodige proceswaarborgen is omringd, aldus verzoeker, en niet grondig en objectief werd gevoerd; 1.
  4. Overwegende dat artikel 6 van het E.V.R.M. niet van toepassing is op een beslissing van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangezien geen uitspraak wordt gedaan over burgerlijke rechten, noch over de gegrondheid van een strafvervolging; dat in het kader van de beoordeling van een asielaanvraag het tot de bevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen behoort om de bewijswaarde en bewijskracht van de voorgelegde stukken ter ondersteuning van een asielaanvraag of aanvraag tot subsidiaire bescherming te beoordelen; dat uit het bestreden arrest blijkt dat de rechter in vreemdelin- genzaken zich heeft gebaseerd op het resultaat van het Cedoca-onderzoek naar de authenticiteit van de voorgebrachte convocatie, waaruit hij het besluit trekt dat het stuk vervalst is; dat dit onderzoek geen uitstaans heeft met de valsheidsprocedure die voor de correctionele rechtbank wordt gevoerd; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn bevoegdheid niet heeft overschreden; dat het tot de exclusieve en onaantastbare bevoegdheid van de feitenrechter behoort over de objectiviteit en betrouwbaarheid van de door hem geraadpleegde bronnen te oordelen en over de (informatieve) waarde van de door hem XIV-30.437-2/4 gehanteerde rapporten; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest duidelijk motiveert waarom hij verzoekers grieven opgeworpen in het verzoekschrift voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, namelijk omtrent de anonimiteit van de geraadpleegde advocaten, het onderzoek door een Cedoca-researcher en het ontbreken van het verslag in het dossier, niet aanvaardt en waarom hij van oordeel is dat een “vals stuk” werd voorgelegd: namelijk de identiteit van de vertrouwenspersonen wordt niet meegedeeld uit veiligheidsoverwegingen; verzoeker legt niet uit hoe kennis van de identiteit van de advocaten afbreuk zou kunnen doen aan de motivering; het onderzoek naar de authenticiteit van het document gebeurde door een Cedoca-medewerker en niet door de advocaten zelf; het feit dat de informatie niet bij het dossier werd gevoegd is niet van aard om de motivering te weerleggen; verzoeker kent de gronden waarop het besluit steunt om te stellen dat het voorgelegde stuk niet authentiek is; buiten formele kritiek -die de Raad niet volgt- brengt verzoeker geen elementen aan die het besluit in de bestreden beslissing dat verzoeker een niet-authentiek stuk gebruikt, ontkrachten; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aldus genoegzaam motiveert op basis waarvan hij heeft besloten dat het stuk niet authentiek is; dat uit die motivering bovendien blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de zaak afdoende heeft onderzocht; dat onder het mom van een motiveringsgebrek, verzoeker kritiek uit op de feitelijke beoordeling van de zaak door de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen; dat als administratieve cassatierechter, de Raad van State echter niet in de beoordeling van de zaak zelf treedt maar beperkt hij zich tot een wettigheidstoezicht; dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is;
  5. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; dat het cassatieberoep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  6. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  7. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-30.437-3/4 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien maart tweeduizend en negen, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, B. TETTELIN, griffier. De griffier, De voorzitter, B. TETTELIN. A. BEIRLAEN. XIV-30.437-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.254 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.