← België

Arrest 191292 - Natuurbehoud - Vergunningen - 12/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.292 Rolnummer: A. 157708/VII-33223 Zaak: Arrest 191292 - Natuurbehoud - Vergunningen - 12/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-23 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 22:02 Fiche Arrest nr 191.292 van 12 maart 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.292 van 12 maart 2009 in de zaak A. 157.708/VII-33.

  1. In zake : de NV TANKSTATION FOURNIER, die woonplaats kiest bij advocaat X. D'HULST, kantoor houdende te KORTRIJK, Doorniksewijk 66 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te LEUVEN, Naamsestraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV TANKSTATION FOURNIER op 23 november 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 15 september 2004 houdende aanwijzing van het perceel, gelegen aan de Menenstraat 152 te Wervik, kadastraal gekend "33009 WERVIK 3AFD/GELUWE/ Sectie : D en perceelnummer: 0731 M 3", als historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden, overeenkomstig artikel 30, § 2, van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 5 januari 2009 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 5 februari 2009; VII-33.223-1/25 Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. DEWEIRDT die, loco advocaat X. D'HULST verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat F. TEMMERMAN die, loco advocaat J. BERGÉ verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. De verzoekende partij baat een tankstation uit aan de Menenstraat 152 te Geluwe. Zij laat in de loop van 1995 een oriënterend bodemonderzoek uitvoeren door de NV ABO, erkend bodemsaneringsdeskundige. Dit onderzoek wordt in 1999 verder aangevuld. 1.
  5. Bij brief van 27 september 1999 meldt de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna : OVAM) aan de verzoekende partij het volgende : "Geachte, Het verslag van het bodemonderzoek, getiteld 'BVBA Station Fournier Geluwe, Menenstraat 152, 8940 Geluwe. Historisch bodemonderzoek i.v.m. mogelijke bodemverontreiniging + aanvulling (dd. 14.09.1999)' en opgemaakt in januari 1996 door ABO nv, werd door de OVAM gelijkgesteld met een oriënterend bodemonderzoek in uitvoering van artikel 5 van het Vlarebo. Het ingediende onderzoek werd onderworpen aan een administratieve en milieu- technische evaluatie en hieruit blijkt dat het onderzoek werd uitgevoerd volgens een code van goede praktijk. De OVAM is van oordeel dat er op grond van het voormeld oriënterend bodemonderzoek ernstige aanwijzingen zijn dat het kadastrale perceel met volgende gegevens: 33009 WERVIK 3 AFD/GELUWE/ sectie D, perceelnrs. 731 L 3 en 731 M 3, aangetast is door een historische bodemverontreiniging die een ernstige bedreiging vormt. Dit blijkt ondermeer uit de volgende elementen in het meegedeelde oriënterend bodemonderzoek: VII-33.223-2/25 - overschrijding van de bodemsaneringsnorm voor minerale olie (2.58 BSN), benzeen (16.7* BSN), tolueen (2.2*BSN), ethylbenzeen (6.45 BSN), Xyleen (10.7 * BSN), Naftaleen (1.2 * BSN) in de bodem ter hoogte van boring B; - overschrijding van de bodemsaneringsnorm (...) voor benzeen (51* BSN), tolueen (66.7*BSN), ethylbenzeen (68.7 * BSN), Xyleen (162.7 * BSN), Naftaleen (4.7 * BSN) in de bodem ter hoogte van boring A; - overschrijding van de bodemsaneringsnorm voor minerale olie (9.7* BSN) in de bodem ter hoogte van boring D; - overschrijding van de bodemsaneringsnorm voor minerale olie (3.6 * BSN), benzeen (4000 * BSN), tolueen (60*BSN), ethylbenzeen (7.3 * BSN), Xyleen (20 * BSN), Naftaleen (1.3 * BSN) in het grondwater; - en de ligging in zeer kwetsbaar grondwater; De OVAM is van oordeel dat op basis van het voorgelegde verslag van het uitgevoerde bodemonderzoek geen definitieve uitspraak kan worden gedaan over de ernst van de bodemverontreiniging. Daartoe ontbreekt nog informatie met betrekking tot de aard, hoeveelheid, concentratie en oorsprong van de verontreinigende stoffen, de mogelijkheid op verspreiding ervan en het gevaar op blootstelling eraan van mensen, planten en dieren en van het grond- en oppervlaktewater, evenals een prognose van de spontane evolutie van de verontreinigde bodem naar de toekomst toe. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 30 van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering zal de OVAM aan de Vlaamse Regering voorstellen deze grond aan te duiden als te saneren terrein. Sanering gebeurt conform de bepalingen van het bodemsaneringsdecreet. Concreet betekent dit dat voorafgaand aan de saneringswerken het bodemsane- ringsproject dient opgesteld te worden. Het beschrijvend onderzoek en het bodemsaneringsproject, opgesteld door een erkend bodemsaneringsdeskundige, moeten bij de OVAM ingediend worden per aangetekend schrijven. Het uitvoeren van een bodemsanering sluit echter niet uit dat door de saneringsplichtige reeds de nodige maatregelen dienen genomen te worden om een verdere verontreiniging van het milieu te voorkomen. De hiaten in het oriënterend bodemonderzoek dienen te worden opgenomen in het beschrijvend bodemonderzoek nl. er dienen nog analyses te gebeuren op zware metalen, EOX en VOCI's. Indien u reeds overging tot de verwijdering van de verontreinigde grond en/of de sanering van het grondwater zonder begeleiding door een erkend bodemsaneringsdeskundige, dan dient u aan de OVAM de volgende documen- ten te bezorgen : - een beschrijving van de uitgevoerde saneringswerken - de bewijzen van de afvoer naar een vergunde inrichting - een bodemonderzoek uitgevoerd onder leiding van een erkend bodemsane- ringsdeskundige, om aan te tonen dat de sanering werd uitgevoerd conform de bepalingen van artikel 8 van het decreet. We verzoeken u de OVAM binnen een termijn van twee maanden in kennis te stellen van alle reeds ondernomen en/of verder door u voorgenomen acties betreffende de bodemverontreiniging op voormeld terrein". Deze brief wordt naderhand nog tot twee maal toe, met identieke brieven van 4 en 14 oktober 1999, gecorrigeerd wat betreft de aanduiding van de kadastrale percelen. De aanvulling van het oriënterend bodemonderzoek in 1999 bevat louter gegevens met betrekking tot het perceel nr. 731 M
  6. De bodemsaneringsdes- kundige vermeldt uitdrukkelijk dat het perceel "731 N 3 (tuin) (...) niet (werd) VII-33.223-3/25 onderzocht in het onderzoek uit 1996, daar op deze percelen geen VLARE- BO-activiteiten plaatsvonden". 1.
  7. In maart 2001 dient de verzoekende partij, in het kader van geplande infrastructuurwerken, op eigen initiatief een voorstel in voor het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek, dat zou worden verricht door de NV GEOSAN, erkend bodemsaneringsdeskundige. Op 13 maart 2001 verklaart OVAM dit voorstel van beschrijvend bodemonderzoek conform. Op 21 mei 2001 vat de NV GEOSAN het beschrijvend bodemon- derzoek aan. Dit onderzoek wordt door diezelfde bodemsaneringsdeskundige verder aangevuld in rapporten van 19 december 2001 en van 30 mei
  8. In de eerste aanvulling wordt zowel met betrekking tot het perceel nr. 731 M 3 als met betrekking tot het perceel nr. 731 N 3 gesteld dat er op "dit perceel een ernstige bedreiging is naar mens en milieu toe" en dat "dit perceel (dient) opgenomen te worden in het register van verontreinigde gronden". Op 29 augustus 2001 meldt OVAM aan de verzoekende partij dat het eindverslag van het beschrijvend bodemonderzoek niet conform is aan de bepalingen van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering (hierna : bodemsaneringsdecreet) en legt zij een aanvullend beschrijvend bodemon- derzoek op. In deze brief wordt melding gemaakt van de beroepsmogelijkheid op grond van artikel 23 van het bodemsaneringsdecreet. Op 5 februari 2002 meldt OVAM aan de verzoekende partij dat ook het eindverslag van het aanvullend beschrijvend bodemonderzoek niet conform is aan de bepalingen van het bodemsaneringsdecreet en legt zij een tweede aanvullend beschrijvend bodemonderzoek op vóór 30 april
  9. In deze brief wordt eveneens melding gemaakt van de beroepsmogelijkheid op grond van artikel 23 van het bodemsaneringsdecreet. Op 30 juli 2002 verklaart OVAM het beschrijvend bodemonder- zoek conform en meldt zij dat er moet worden overgegaan tot het opstellen en het indienen van een bodemsaneringsproject. Zij leidt uit het onderzoek af dat er op de percelen nrs. 731 M 3 en 731 N 3 een historische bodemverontreiniging voorkomt die een ernstige bedreiging vormt. De beroepsmogelijkheid op grond van artikel 23 van het bodemsaneringsdecreet wordt opnieuw vermeld. Aangezien de verzoekende partij geen bodemsaneringsproject opstelt en voorlegt aan OVAM schrijft deze op 16 juni 2003 een herinneringsbrief. VII-33.223-4/25 1.
  10. Op 30 december 2003 wordt het bodemsaneringsproject opgemaakt. Bij beslissing van 25 juni 2004 wordt dit bodemsaneringsproject door OVAM niet conform verklaard aan de bepalingen van het bodemsaneringsde- creet. 1.
  11. Op 25 juni 2004 dient de verzoekende partij een administratief beroep in tegen de voornoemde beslissing van OVAM van 27 september 1999, met de rechtzetting van 14 oktober
  12. 1.
  13. Dit beroep wordt op 28 juni 2004 door de afdeling Juridische Dienstverlening van het departement Leefmilieu en Infrastructuur van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap (hierna: AJD) onontvankelijk bevonden. 1.
  14. Op 26 juli 2004 dient de verzoekende partij administratief beroep in tegen de voornoemde beslissing van OVAM van 25 juni 2004 dat het bodemsane- ringsproject niet conform verklaart. 1.
  15. Op 23 augustus 2004 vordert de verzoekende partij voor de Raad van State de nietigverklaring van de beslissing van 28 juni 2004 van de AJD, die het administratief beroep van de verzoekende partij onontvankelijk verklaart. Dit annulatieberoep wordt verworpen bij arrest nr. 190.352 van 12 februari
  16. 1.
  17. Op 8 september 2004 stelt OVAM aan de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur voor de gronden gelegen te Wervik, Menenstraat 152, kadastraal gekend als sectie D, nr. 731 M 3 en als sectie D, nr. 731 N 3, aan te duiden als historisch verontreinigde gronden waar bodemsane- ring moet plaatsvinden. 1.
  18. Op 15 september 2004 beslist de verwerende partij om op het voorstel van OVAM in te gaan en het perceel nr. 731 M 3 ook effectief aan te duiden als historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden. Dit is het bestreden besluit in onderhavige zaak. Op dezelfde datum beslist de verwerende partij om op het voorstel van OVAM in te gaan en het perceel nr. 731 N 3 ook effectief aan te duiden als historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden. Dit is het bestreden besluit in de zaak gekend onder A.157.710/VII-33.
  19. VII-33.223-5/25 1.
  20. Op 15 oktober 2004 verklaart de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur het onder pt. 1.7 vermelde administratief beroep ongegrond, en wordt de beslissing van OVAM van 25 juni 2004 waarbij het bodemsaneringsproject niet conform wordt verklaard, bevestigd;
  21. De ontvankelijkheid 2.
  22. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord volgende exceptie aanvoert : "(...) De verwerende partij gedraagt zich naar de wijsheid van uw Raad voor wat de ontvankelijkheid van het beroep betreft op het vlak van de vereiste van procesbevoegdheid / hoedanigheid. Zij wil enkel aanstippen dat het volgens vaststaande rechtspraak toekomt aan de verzoekende partij, als rechtspersoon, het bewijs te leveren dat haar bevoegde orgaan regelmatig, binnen de wettelijke termijn, de beslissing heeft genomen om voor Uw Raad een beroep tot nietigverklaring in te dienen (...). (...) De verzoekende partij toont niet aan dat zij een geldig belang heeft bij de vernietiging van de beslissing van 15 september
  23. Zij schrijft dat zij er alle belang bij heeft dat wordt nagegaan of de historische verontreiniging op haar percelen wel van die aard is dat er ernstige aanwijzingen zijn dat er een ernstige bedreiging is en dat de bestreden beslissing dit onvoldoende aantoont. De argumentatie van verzoekster overtuigt niet. Bij beslissing van 30 juli 2002 heeft de OVAM immers het beschrijvend bodemonderzoek dat verzoek- ster vrijwillig door de erkende bodemsaneringsdeskundige GEOSAN NV heeft laten uitvoeren conform verklaard. De bodemsaneringsdeskundige concludeer- de dat de percelen van verzoekster aangetast zijn door historische bodemveront- reiniging. De OVAM nam die visie over ter staving van haar beslissing dat verzoekster aldus diende over te gaan tot het opstellen en indienen van een saneringsproject (hetgeen verzoekende partij ook heeft gedaan): - zie bv. beschrijvend bodemonderzoek dd. 21 mei 2001 (stuk 3, pag. 57) : '6.4.
  24. De bodem- en grondwaterverontreiniging met aromaten en minerale olie is historisch. Gezien de aanwezigheid van een humaan en een verspreidingsrisico is er een ernstige bedreiging op het terrein aanwezig ten gevolge van een bodem- en grondwaterverontreiniging met aromaten en minerale olie. Er dient overgegaan te worden tot sanering.' (...) - beslissing van de OVAM dd. 30 juli 2002 (stuk 17, pag. 2, midden) : 'Hierbij verklaart de OVAM het voornoemde beschrijvend bodemon- derzoek conform aan de bepalingen van het bodemsaneringsdecreet. Op de kadastrale percelen met volgende kadastrale gegevens: Gemeentenr: 33009, afdeling WERVIK 3 AFD/GELUWE/ sectie:D, perceelnr: 0731 E3, 0731 L3, 0731 M3 en 0731 N3 en een deel van de Menenstraat en van de Komerenstraat komt een historische bodemverontreiniging voor, die een ernstige bedreiging vormt. Er moet overgegaan worden tot het opstellen en indienen van een bodemsaneringsproject.' (...) De beslissing van de OVAM dd. 30 juli 2002 houdende conformverklaring van het beschrijvend bodemonderzoek werd door de verzoekende partij niet aangevochten. Verzoekster heeft dan ook geen geldig belang bij de vernietiging van de bestreden beslissing. VII-33.223-6/25 (...) Verzoekende partij heeft nog geprobeerd een beslissing van de AJD over de grond van de zaak - aanwezigheid van historische bodemverontreiniging op de percelen - te forceren (onontvankelijkheidsbeslissing waartegen een verzoekschrift tot nietigverklaring werd ingediend bij de Raad van State, G/A 154.997NII-32.654) door op 25 juni 2004 beroep aan te tekenen tegen de OVAM-brieven dd. 27 september en 14 oktober 1999, om alzo te pogen de vervulling van haar verplichtingen op basis van het Bodemsaneringsdecreet uit te stellen. De reden hiervoor is duidelijk: zij kon de beslissing van de OVAM dd. 30 juli 2002 ratione temporis niet meer aanvechten. Het beroep is onontvankelijk"; 2.
  25. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord als volgt reageert op de aangevoerde exceptie : "(...) Verzoekster toonde reeds in het verzoekschrift aan dat zij tijdig beroep aantekende bij de Raad van State. (...) Verder was in de bestreden beslissing uitdrukkelijk het beroep bij de Raad van State voorzien en vermeld. (...) De verwerende partij meent dat verzoekster daar geen belang of nadeel aantoont. Dit is niet correct. Verzoekster verwijst naar een arrest van de Raad van State nr. 81.065 dd. 17.06.1999, waarbij de Raad van State een verzoekschrift tot nietigverkla- ring kreeg voorgelegd betreffende een gelijkaardige beslissing van de Vlaamse Regering. Dit beroep werd ontvankelijk verklaard. (zie ook Rv.St. nr. 73.647, 14 mei 1998) Bovendien wenst verzoekster er nog op te wijzen dat de Raad reeds eerder heeft beslist weliswaar kennelijk onder de wetgeving zoals ze van toepassing was vóór de wijziging van het Bodemsaneringsdecreet door het decreet van 26 mei 1998 - dat de aanwijzing van historisch verontreinigde gronden waar bodemsanering moet plaatsvinden geen louter declaratief karakter heeft. Onder meer werd overwogen dat dergelijk aanwijzingsbesluit op individuele wijze een element van de rechtspositie van de eigenaar wijzigt en dat de wetsterminologie erop duidt dat de Regering de mogelijkheid heeft er anders over te oordelen dan de OVAM, die het voorstel doet. (R.v.St., NV Belgaar- de/Vl.Gewest, nr. 73.647, T.M.R. 1998, 367 e.v.). Het feit aldus dat de rechtspositie van verzoekster gewijzigd wordt, toont reeds voldoende het belang aan. Verzoekster betwist niet dat er verschillende percelen aangetast zijn door een zekere mate van historische verontreiniging. Verzoekster betwist wel dat er geconcludeerd had kunnen worden dat er ernstige aanwijzingen van een ernstige bedreiging zouden kunnen zijn in de zin van artikel (...) 2, 3/ BSD. Wanneer zulks wordt vastgesteld, heeft dit tot gevolg dat verzoekster de bodem moet saneren, wat financiële en andere gevolgen met zich meebrengt. De Raad van State heeft aangenomen dat de ernstige historische bodemveront- reiniging de verkoop van het goed tegen een normale verkoopswaarde ten stelligste zal bemoeilijken (R.v.St. nr. 73.648, 14 mei 1998, http://www.raadvst-consetat.be (7 januari 2000); T.M.R.1998, 371). Wanneer er dan nog eens ernstige aanwijzingen zouden zijn van een ernstige bedreiging, VII-33.223-7/25 wordt de verkoop nog moeilijker, aangezien men het risico loopt eerst nog te moeten saneren alvorens men kan verkopen. Verzoekster heeft dus weldegelijk een belang. Zij wenst aan te tonen dat de voorwaarden om tot verder bodemonderzoek en eventueel -sanering over te gaan, niet zijn vervuld, waardoor zij niet moet saneren. Dit is een geoorloofd belang. Het is voorts niet omdat verzoekster niet tegen de conformverklaring van het beschrijvend bodemonderzoek in beroep is gegaan, dat er geen belang (meer) is. De verschillende stappen in de sanering moeten gezien worden als een complexe administratieve rechtshandeling. Aangezien verzoekster in beroep is gegaan tegen de beslissing van OVAM dd. 27.09.1999 en 14.10.1999 staat ook die conformverklaring op de helling. De saneringsprocedure bestaat immers uit een reeks opeenvolgende beslissingen die verschijnen als samenhangende bewerkingen die één geheel uitmaken. Bijgevolg kan de vernietiging van het resultaat van de hele verrichting worden gevorderd op grond van de onregelmatigheid van één van de samenstellende handelingen. (...) Minstens heeft het feit dat de conformverklaring niet wordt aangevochten van bijvoorbeeld een voorstel van beschrijvend bodemonderzoek, niet tot gevolg dat de geadresseerde zich niet meer zou kunnen verzetten tegen de zienswijze van de overheid m.b.t. de saneringsverplichting zelf (het voorhanden zijn van 'ernstige aanwijzingen voor ernstige bodemverontreiniging')"; 2.
  26. Overwegende dat de beslissing van de verwerende partij waarbij zij een perceel aanwijst als historisch verontreinigde grond waarop een sanering moet plaatsvinden, een administratieve rechtshandeling met een individuele strekking uitmaakt die de juridische positie van de verzoekende partij wijzigt; dat de verzoekende partij haar belang niet verliest omdat zij geen beroep bij de Raad van State heeft ingesteld tegen een voorgaande beslissing in toepassing van het bodemsaneringsdecreet of omdat zij tegen een dergelijke beslissing een onontvan- kelijk beroep bij de Raad van State zou hebben ingesteld; dat de vordering tijdig is ingesteld en ontvankelijk is; dat de exceptie wordt verworpen;
  27. Ten gronde 3.1.
  28. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 30 van het bodemsaneringsdecreet en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : wet van 29 juli 1991); dat zij het middel als volgt toelicht : "De Vlaamse Regering oordeelt op voorstel van OVAM dat er een ernstige aanwijzing zou zijn dat de historische bodemverontreiniging een ernstige bedreiging vormt in de zin van artikel 30, § 1 van het bodemsaneringsdecreet (hierna: BSD) en wijst daarom de grond in kwestie aan als historische verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaats vinden. VII-33.223-8/25 Artikel 30 BSD bepaalt het volgende : '§
  29. Op gronden met historische bodemverontreiniging wordt bodemsane- ring uitgevoerd indien er ernstige aanwijzingen zijn dat de bodemver- ontreiniging een ernstige bedreiging vormt. §
  30. De Vlaamse regering wijst op voorstel van OVAM die historisch veront-reinigde gronden aan, waar bodemsanering moet plaatsvin- den'. In de bestreden beslissing verwijst de Vlaamse Regeling naar de motivering in het voorstel tot aanwijzing die O.V.A.M. zelf aan de Vlaamse regering heeft gericht. Zelf geeft ze geen eigen zelfstandige beoordeling over de ernst van de aanwijzingen die er zouden zijn dat de verontreiniging een ernstige bedreiging vormt. De Vlaamse Regering neemt dus de motivering van O.V.A.M. gewoon over. Aldus meent verzoekster dat een loutere verwijzing naar het voorstel van O.V.A.M. op het vlak van de motiveringsplicht op zich al onvoldoende, minstens betwistbaar is. De redenen die de grondslag van de beslissing vormen, moeten immers in principe in de beslissing zelf terug te vinden zijn. Ondergeschikt toont O.V.A.M. in haar voorstel niet aan dat er ernstige aanwijzingen zijn dat de bodemverontreiniging een ernstige bedreiging vormt. Artikel 2, 3/ BSD definieert 'bodemverontreiniging die een ernstige bedreiging vormt' als volgt: 'Bodemverontreiniging die een ernstige bedreiging vormt :

(1)bodemverontreiniging waarbij er contact is of kan zijn tussen de verontreinigende stoffen of organismen en mensen, planten of dieren en waarbij dit contact zeker of waarschijnlijk schadelijke gevolgen zal hebben voor de gezondheid van mensen, planten of dieren;
(2)bodemverontreiniging die waterwinning nadelig kan beïnvloeden. Bij de evaluatie van de ernst van de bedreiging door bodemverontreini- ging, houdt men in concreto rekening met: - kenmerken van de bodem; - de aard en de concentratie van de stoffen of organismen; - de mogelijkheid op verspreiding ervan; - de functies die de bodem vervult; - het gevaar op blootstelling van mensen, planten of dieren en waterwin- ningen'. De Vlaamse Regering (en OVAM) moet aldus aantonen dat er ernstige aanwijzingen zijn dat er een bodemverontreiniging is die een ernstige bedreiging vormt in de zin van bet BSD. O.V.A.M. verwijst in haar voorstel (stuk nr. 3) naar een tabel betreffende de aard en concentratie van stoffen en organismen. Dergelijke tabel is een niet-afdoende en nietuitdrukkelijke motivatie. Vooreerst vermeldt deze tabel geen enkele datum of verwijzing naar enig bodemonderzoek, zodat verzoekster niet weet uit welke periode deze gegevens komen. Zijn deze gegevens recent of vijf of tien jaar oud? Verzoekster moet de relevantie van deze gegevens kunnen inschatten, quod non. Een leek kan uit deze tabel niet afleiden of de grond of het grondwater verontreinigd is, laat staan dat de verontreiniging een ernstige bedreiging kan vormen. Dergelijke motivatie is onduidelijk voor een normaal gemiddeld persoon en valt dus niet samen met een afdoende motivering. Verzoekster kan hieruit niet opmaken hoe de overheid de gegeven concentraties beoordeelt naar de ernst van de aanwijzingen toe. Daar we te doen hebben met historische verontreiniging, en dus een beoordeling in concreto over de ernst van de verontreiniging, moet juist gesteld worden dat de verontreiniging van gronden in deze gebieden in beginsel als minder ernstig moet beschouwd worden dan bijvoorbeeld in natuurgebied of VII-33.223-9/25 ander kwetsbaar gebied. De minister duidt niet aan hoe de beperkte verontreini- ging een mogelijk risico voor mens en milieu zou kunnen vormen. De Vlaamse Regering steunt zich o.a. op het bodemonderzoek van 21.05.2001 en 19.12.
  1. OVAM verklaarde deze bodemonderzoeken niet conform aan de bepalingen van het Bodemsaneringsdecreet (stuk 6 en 7). Noch de Vlaamse Regering, noch OVAM kan hier dan ook argumenten uit halen. Ze schenden bijgevolg de motiveringsplicht. De motivering van de Vlaamse regering verliest dus elke draagkracht. In het aanvullende beschrijvend bodemonderzoek dd. 19.12.2001 (stuk 8, p. 7-8) is er evenmin een duidelijke motivering waarom er sprake is van een ernstige bedreiging voor mens en milieu. In het onderzoek staat uitdrukkelijk geschreven dat er geen bodem- of grondwatermonsters zijn genomen voor dit perceel. Er kan dus moeilijk sprake zijn van correcte feitenvinding. Het pompstation zelf werd reeds enkele jaren geleden volledig gerenoveerd, ook de ondergrondse tanks, zodat het niet-nemen van grondwatermonsters op dit perceel een ernstig gebrek is aan de correcte feitenvindingen en bijgevolg een onvoldoende motivering. Ook het tweede aanvullend beschrijvend dd. 30.05.2002 (stuk 9) vertelt niets nieuws of bijkomend over enige mogelijke verontreiniging op het perceel in kwestie, zodat de Vlaamse Regering hier geen enkel nieuw element kan uithalen. Om te beslissen of er ernstige aanwijzingen zijn voor een ernstige bedrei- ging, moet de punten geëvalueerd worden die het bodemsaneringsdecreet voordraagt, met name de kenmerken van de bodem, de aard en de concentratie van de stoffen of organismen, de mogelijkheid op verspreiding ervan, de functies die de bodem vervult, het gevaar op blootstelling van mensen, planten of dieren en waterwinningen. Dergelijke motivatie is nergens terug te vinden. Er moet duidelijk gemoti- veerd worden waarom er bijvoorbeeld ernstige aanwijzingen zijn voor gevaar bij mens, plant of dier, Een verwijzing naar isoconcentratielijnen (stuk 8, p. 7A-8) volstaat geenszins. Een leek, zoals verzoekster, kan hier niet uit afleiden of er ernstige aanwijzingen zijn van een ernstige bedreiging. De burger moet immers in staat zijn de gegrondheid van de genomen administratieve beslissing waar te nemen (...) Minstens vereisen deze omgevingsfactoren een meer sluitende motivering! Quod non. Het is pas na het voeren van een individueel concreet onderzoek met inachtneming van de in artikel 2, 3/ BSD opgelegde criteria, dat kan worden vastgesteld dat er ernstige aanwijzingen zijn dat de verontreiniging een ernstige bedreiging vormt. Het betreft hier een historische verontreiniging en geen nieuwe verontreini- ging in de zin van het BSD. Nieuwe verontreiniging moet worden gesaneerd zodra de normen zijn overschreden, maar voor gronden met historische verontreiniging moet geval per geval in concreto worden onderzocht of er ernstige aanwijzingen zijn dat de verontreiniging wel een ernstige bedreiging vormt, in de zin van het decreet, hetgeen in casu niet is gebeurd. Er wordt dus nergens aangegeven hoe de aard, lokalisatie of de concentratie van de vastgestelde verontreiniging een ernstige aanwijzing kan zijn dat er schade voor mens en milieu zou kunnen veroorzaakt worden. Het is dus ook niet aangetoond dat de Vlaamse Regering op grond van een individueel concreet onderzoek met inachtneming van artikel 2, 3/ BSD opgelegde criteria tot het besluit is gekomen dat er ernstige aanwijzingen zijn dat de in de bestreden beslissing opgenomen historische verontreinigde grond een ernstige bedreiging vormt waar bodemsanering moet plaatsvinden. De motivering is dan ook al te oppervlakkig gebeurd en is in rechte en in feite onvoldoende onderbouwd. Zij is niet afdoende in de zin van de wet van VII-33.223-10/25 29.07.1991 en in de zin van de materiële motiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuurlijk handelen. De overheid moet bovendien de nodige zorgvuldigheid aan de dag leggen bij de voorbereiding van een overheidsbesluit. De Vlaamse Regering moet zich volledig inlichten over alle belangrijke elementen die een beslissing kunnen beïnvloeden"; 3.1.
  2. Overwegende dat de verwerende partij daarop als volgt antwoordt : "(...) De bestreden beslissing voldoet aan de formele motiveringsplicht (...) In de bestreden beslissing van 15 september 2004 wordt expliciet bepaald 'dat wordt ingestemd met het als bijlage opgenomen voorstel van de OVAM; dat de daarin genomen motivering omtrent de aard en de ernst van de vastgestelde historische verontreiniging integraal deel uitmaakt van onderhavi- ge beslissing'. De Raad van State heeft in een arrest van 3 juli 2003 geoordeeld dat een overheid voldoet aan de haar opgelegde formele motiveringsplicht door zich aan te sluiten bij een advies en zo de motivering van dit advies tot de zijne te maken (nr. 121.242). De overheid kan volstaan met het overnemen van de adviezen of verslagen, op voorwaarde dat de inhoud ervan bekend is aan de belanghebbende en ze uitdrukkelijk worden overgenomen of gehecht aan de beslissing (R.v.St. nr. 44.290, 30 september 1993). De bestreden beslissing houdt aldus geen schending van de formele motiveringsplicht zoals vereist door artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. (...) Bovendien kan een schending van de formele motiveringsplicht, hetgeen in casu niet het geval is, geen aanleiding geven tot nietigverklaring indien uit de gegevens van de zaak blijkt dat de verzoekende partij de motieven van het bestreden besluit kent (R.v.St. nr. 90.226, 16 oktober 2000; R.v.St. nr. 51.004, 28 december 1994;) of indien de motieven blijken uit het neergelegde administratief dossier (R.v.St. nr. 103.155, 5 februari 2002). In casu is het duidelijk dat de verzoekende partij de motieven kende nu het voorstel van OVAM was gehecht aan de bestreden beslissing zoals deze werd betekend aan de verzoekende partij op 27 september 2004 (stuk 28). Bovendien heeft de verzoekende partij de ganse procedure doorlopen van beschrijvend bodemonderzoek tot bodemsaneringsproject. Het doel van de wet van 29 juli 1991 werd aldus bereikt. (...) De Raad van State heeft in een arrest van 14 juni 1994 (nr. 47.940) geoordeeld dat wie door kritiek te leveren op de motieven van de bestreden beslissing (hetgeen verzoekende partij in casu doet, cf. infra) aantoont dat hij de motieven terdege kent, geen belang heeft bij het aanvoeren van de schending van de formele motiveringsplicht. Dit onderdeel is niet ontvankelijk, minstens ongegrond. (...) Er wordt voldoende aangetoond dat er ernstige aanwijzingen zijn dat de bodemverontreiniging een ernstige bedreiging vormt (...) De OVAM heeft afdoende aangetoond dat er ernstige aanwijzingen zijn dat de bodemverontreiniging een ernstige bedreiging vormt conform art. 30 BSD juncto art. 2, 3/ BSD. Bijgevolg kon zij aan de Vlaamse regering voorstellen de gronden aan te duiden als historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden. (...) Uit de lectuur van het voorstel van de OVAM dd. 8 september 2004 (stuk 2) blijkt dat de bijgevoegde tabel betrekking heeft op het gevoerde oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek (stukken 3 tot 6 en 8 tot 9), zoals VII-33.223-11/25 dat laatste wel degelijk door de OVAM conform werd verklaard op 30 juli 2002 (stuk 17). Deze tabel dient samen te worden gelezen met het oriënterende en beschrijvende bodemonderzoek. Grondmonster B heeft betrekking op perceel M 3 zoals blijkt uit de aanvulling van 14 september 1999 (stuk 9, p. 2). Gelet op zijn professionele situatie kan de verzoekende partij er zich moeilijk op beroepen een leek te zijn in de materie van de brandstoffen. (...) Het karakter van de bodemverontreiniging werd duidelijk vastgesteld in het beschrijvend bodemonderzoek dat in opdracht van de verzoekende partij werd uitgevoerd, en waarnaar het voorstel van de OVAM én de bestreden beslissing verwijzen. De door verzoekende partij aangestelde bodemsanerings- deskundige heeft vastgesteld dat er een ernstige bedreiging met minerale olie en aromaten op het terrein aanwezig is (beschrijvend bodemonderzoek dd. 21 mei 2001, o.a. p. 66 en aanvullingen, stukken 3 tot 6). De bodemsanerings- deskundige concludeerde dat het om historische bodemverontreiniging gaat. In de eerste aanvulling bij het beschrijvend bodemonderzoek dd. 19 december 2001 wordt besloten dat er 'op dit perceel [M 3] een ernstige bedreiging is naar mens en milieu toe en dat dit perceel dient opgenomen te worden in het register van de verontreinigde gronden' (stuk 5, p. 8, bovenaan). In de tweede aanvulling bij het beschrijvend bodemonderzoek dd. 30 mei 2002 worden een aantal grondwaterstalen geanalyseerd. Ondanks een aantal positieve punten, is het algemene besluit dat het aan te raden is 'om de sanering zo spoedig mogelijk aan te vangen', 'gezien de hoge concentraties welke in de kernen worden waargenomen.' (stuk 6, p 5). Ook in het bodemsaneringsproject wordt de vastgestelde verontreiniging nogmaals herhaald (stuk 7, p. 4 tot 6). (...) Anders dan verzoekende partij beweert, worden in het beschrijvend onderzoek wel degelijk alle punten die artikel 2, 3/,
(2)BSD voordraagt voldoende en in concreto geëvalueerd. Bij wijze van voorbeeld verwijst verwerende partij naar een niet-limitatief aantal relevante passages. - de kenmerken van de bodem Op pagina's 9 en 10 van het onderzoek van 21 mei 2001 (stuk 3) wordt de bodembestemming en -opbouw beschreven, alsook de geologische opbouw etc. Ook elders wordt voortdurend verwezen naar de kenmerken van de bodem. - de aard en concentratie van de stoffen of organismen Deze worden uitvoerig uiteengezet in het onderzoek van 21 mei 2001 o.a. van p. 33 tot p. 44, p. 49 etc. - de mogelijkheid op verspreiding ervan Het verspreidingsrisico wordt geanalyseerd op pagina's 55 en 56 van het onderzoek van 21 mei
  1. - de functies die de bodem vervult Deze worden o.a. besproken op pagina's 8 tot 10 van onderzoek van 21 mei
  2. - het gevaar op blootstelling van mensen, planten of dieren en waterwinningen De risico's voor de mens, dier, planten en het ecosytseem wordt uitvoerig geëvalueerd in het onderzoek van 21 mei 2001 (p. 52-54). (...) De betrokken gronden hebben een bestemming als woongebied, waardoor hun verontreiniging als ernstig moet worden beschouwd. Bovendien is de grond gelegen in een gebied dat als zeer kwetsbaar betreffende het grondwater wordt gecatalogiseerd (stuk 5, bijlage 6, p. 7). Als concrete risico's worden aangehaald verspreiding door verwaaiing, vervluchting en doorsijpeling in het grondwater (stuk 3, p. 55-56). Uit deze vaststellingen blijkt duidelijk wat het mogelijke risico is van een verontreiniging voor mens en milieu. VII-33.223-12/25 (...) Verzoekende partij werpt op dat het pompstation zelf 'reeds enkele jaren geleden' volledig werd gerenoveerd en dat men geen grondwatermonsters op dit perceel heeft genomen. De bestreden beslissing zou wegens ernstig gebrek aan correcte feitenvinding onvoldoende gemotiveerd zijn. Verzoekende partij laat echter na de precieze datum van de renovatie aan te duiden. Noch brengt zij enig bewijsstuk aan van deze renovatie. Bij gebrek aan duidelijkheid kan dan ook niet worden geantwoord op deze grief. (...) Gelet op de uitgebreide en allerminst oppervlakkige verslagen is het duidelijk dat een omstandig, individueel en concreet onderzoek werd gevoerd. Aan de vereisten van art. 30 BSD en van de materiële motivering is bijgevolg voldaan, zoals blijkt uit de motieven die uit het administratief dossier kunnen worden gehaald. Het middel is niet ontvankelijk, minstens ongegrond"; 3.1.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord repliceert in de volgende bewoordingen : "(...) In de eerste plaats merkt verzoekster op dat de tegenpartij toegeeft dat de formele motivering in de beslissing zelf ontbreekt (memorie tegenpartij p 7). In tegenstelling met wat verweerster daarna stelt, namelijk dat het doel van de formele verplichting tot motiveren indirect zou zijn bereikt door het advies van OVAM in bijlage toe te voegen, heeft verzoekster door dit gebrek aan formele of uitdrukkelijke motivering, geen duidelijk inzicht gekregen in de motieven waarop de beslissing werkelijk steunt. Er gebeurt een indirecte doorverwijzing van de ene naar de andere akte, van de beslissing naar het voorstel van OVAM, dat zelf naar een bijlage met louter cijfers verwijst, en naar het oriënterend bodemonderzoek in haar geheel, zonder aandacht voor alle mogelijke nuances die daarin zijn vervat! Volgens verzoekster volstaat dat ook formeel niet als voldoende motivering. (...) De motieven van de beslissing zijn in elk geval inhoudelijk ontoereikend om de beslissing rechtsgeldig te kunnen ondersteunen. Zo toonde de Vlaamse regering niet afdoende aan - noch in het besluit zelf, noch via de bekritiseerbare indirecte weg - dat er werkelijk ernstige aanwijzin- gen zijn dat de bodemverontreiniging een ernstige bedreiging vormt in de zin van art. 2, 3 / Bodemsaneringsdecreet. Ze verwees gewoon naar de motivering van de OVAM, wat op zich al onvoldoende is omdat de Vlaamse regering in feite een eigen oordeel moet uitspreken. OVAM dan weer verwijst in haar voorstel louter naar een tabel betreffende de aard en concentratie van stoffen. Verzoekster mag dan weten dat de bodemsaneringsnorm overschreden is, dit is nog geen automatische aanduiding dat er ernstige aanwijzingen zijn dat de bodemverontreiniging een ernstige bedreiging vormt ! De bodemsaneringsnorm is alvast niet het exclusieve beoordelingskader bij historische verontreiniging ! Immers, dat vormt nu net het wezenlijk onder- scheid met het beoordelingskader voor nieuwe bodemverontreiniging zoals dat in het decreet van 22.2.1995 gemaakt wordt. Nergens wordt aan verzoekster duidelijk gemaakt hoe er contact is of kan zijn tussen de verontreinigende stoffen of organismen en mensen, planten of dieren en hoe dit contact zeker of waarschijnlijk schadelijke gevolgen zal hebben voor de gezondheid van mensen, planten of dieren. VII-33.223-13/25 Dit vindt men nergens terug in de bestreden beslissing, en vindt men ook niet terug in het voorstel van OVAM wiens motivering de Vlaamse regering zegt integraal overgenomen te hebben. Nergens wordt werkelijk getoetst aan de criteria van art. 2, 3/ Bodemsane- ringsdecreet; met name: de kenmerken van de bodem; de aard en de concentra- tie van de stoffen of organismen; de mogelijkheid op verspreiding ervan; de functies die de bodem vervult; het gevaar op blootstelling van mensen, planten of dieren en waterwinningen. Hoe kan verzoekster dan met kennis van zaken nagaan of het juist is dat er ernstige aanwijzingen zijn dat de bodemverontreiniging een ernstige bedreiging vormt? Het weze herhaald dat er hier sprake is van historische verontreiniging en niet van een nieuwe bodemverontreiniging. Bij historische verontreiniging dient er een in concreto individuele beoordeling, aan de hand van meerdere feitelijke elementen, plaats te grijpen. Dit houdt veel meer in dan alleen een beoordeling op grond van de bodemsane- ringsnormen. De wil van de decreetgever bestond er alvast in dat de beoordeling van de 'ernstige bedreiging' bij historische verontreiniging op een gediversifieerde, genuanceerde wijze zou geschieden en in elk geval verschillend van het juridisch regime bij nieuwe verontreiniging, waar louter geoordeeld wordt aan de hand van de normen. (Memorie van Toelichting, Vl. Raad, Zitting 1993-94, Stuk 587-nr.1, 5-6-7). Niets duidt erop dat de bedoeling van de decreetgever erin bestond, dat het thans, bij de beoordeling van de 'ernstige aanwijzingen', plots zou volstaan om gewoon op de bodemsaneringsnormen beroep te doen. Er wordt ook in artikel 30, § 1 nog steeds verwezen naar het criterium 'ernstige bedreiging', en dat vereist een genuanceerde beoordeling, waarbij een verwijzing naar de normen niet volstaat. Een leek kan uit de tabel en de door OVAM in het voorstel aangegeven overwegingen niet afleiden of de bodem of het grondwater in 'ernstige' mate verontreinigd is. Dergelijke motivatie is onduidelijk voor de doorsnee rechtsonderhorige en valt dus niet samen met een afdoende motivering. Verzoekster kan hieruit niet opmaken hoe de overheid de gegeven concentraties beoordeelt naar de ernst van de aanwijzingen toe. Opgemerkt dient ook te worden dat het oriënterend bodemonderzoek alvast aangeeft dat er bijvoorbeeld geen voorzorgs- of veiligheidsmaatregelen dienen getroffen te worden. Hetgeen toch indiceert dat er geen ernstig gevaar kan zijn, anders zouden er misschien toch bepaalde maatregelen moeten genomen worden. Verweerster beweert dat alle punten van art. 2, 3/ BSD voldoende geëvalu- eerd zijn om te kunnen spreken van een ernstige bedreiging. Verweerster verwijst hiervoor naar het bodemonderzoek dd. 21.05.
  4. Dit onderzoek is echter niet relevant, want dit onderzoek werd niet conform verklaard door OVAM (zie stuk 6). OVAM schrijft in haar aangetekende brief dd. 29.08.2001 (pagina 5) (...) : 'Overwegende dat aan de doelstellingen van het beschrijvend bodemon- derzoek (...) niet werd voldaan en dit om volgende redenen: - De aard, hoeveelheid en concentratie van de verontreinigende stoffen of organismen onvoldoende gekend is. - De mogelijkheid op verspreiding van de verontreinig(en)de stoffen of organismen en het gevaar op blootstelling eraan van mensen en planten en dieren en van grond- en oppervlaktewater, is onvoldoende gekend. - De spontane evolutie van de verontreinigde bodem naar de toekomst is onvoldoende gekend.' VII-33.223-14/25 De risico's voor mens, dier, planten en het ecosysteem zijn dus niet uitvoerig, grondig en correct uitgevoerd in het bodemonderzoek dd. 21.05.
  5. Ook bij het aanvullend beschrijvend bodemonderzoek werden de risico's voor mens, dier, planten en het ecosysteem niet onderzocht. (stuk 7: schrijven OVAM dd. 05.02.2002, p. 4 in fine). Het aanvullend beschrijvend bodemonder- zoek werd dan ook niet conform verklaard door OVAM. Ondanks de uitvoering van bijkomende analyses, bestudeert noch het eerste. noch het tweede aanvullend beschrijvend bodemonderzoek de aanwezigheid van ernstige aanwijzingen van een ernstige bedreiging. Aangezien de vaststellingen over de interpretatie van het eerste beschrijvend bodemonderzoek als ontoereikend werden verklaard en dat de volgende beschrijvend bodemonderzoek daar niet dieper op ingaan staat het vast dat het niet bewezen is dat er ernstige aanwijzingen zijn van een ernstige bedreiging. Verzoekster stelt dan ook vast dat de risico's voor mens, dier, planten en het ecosysteem dus niet uitvoerig, grondig en correct werden uitgevoerd. De beslissing van de Vlaamse Regering is dus gesteund op onvoldoende onderzochte gegevens (cf. 'ernstige bedreiging'). Hieruit volgt dat het eerste middel wel degelijk gegrond is"; 3.1.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie nog aanvoert dat in een andere procedure voor de Raad van State, de auditeur reeds van oordeel was dat de loutere vaststelling van de overschrijding van de bodemsane- ringsnorm op zich, niet kan worden beschouwd als een ernstige aanwijzing van een ernstige bedreiging, dat het feit dat het betrokken perceel is gelegen in een gebied dat volgens de kwetsbaarheidskaart van het grondwater als "zeer kwetsbaar ca 1" wordt gecatalogeerd, in samenhang met andere motieven, geen afdoende motivering is, dat het beschrijvend bodemonderzoek niet relevant is en geen grond kan zijn omdat het niet conform werd verklaard door OVAM omwille van het feit dat het gevaar voor mens en milieu niet werd onderzocht, dat OVAM immers in haar brief van 29 augustus 2001 het volgende schrijft : "Overwegende dat aan de doelstellingen van het beschrijvend bodemonder- zoek (...) niet werd voldaan en dit om volgende redenen : - De aard, hoeveelheid en concentratie van de verontreinigende stoffen of organismen onvoldoende gekend is. - De mogelijkheid op verspreiding van de verontreinig(en)de stoffen of organismen en het gevaar op blootstelling eraan van mensen en planten en dieren en van grond- en oppervlaktewater, is onvoldoende gekend. - De spontane evolutie van de verontreinigde bodem naar de toekomst is onvoldoende gekend"; dat zij voorts stelt dat dit betekent dat er geen enkel onderzoek voorligt dat het gevaar of de bedreiging onderzoekt, dat integendeel, de laatste onderzoeken aantonen dat er geen verontreiniging is, dat de kwetsbaarheidskaart wordt overschat, dat een dergelijke kaart kan worden gedefinieerd als een kaart van de risicograad van verontreiniging van het grondwater in de bovenste waterlaag door stoffen die van op de bodem in de grond dringen, enkel rekening houdend met statische VII-33.223-15/25 parameters, dat de Vlaamse overheid deze kaart op haar website als volgt omschrijft : "De kwetsbaarheidskaart heeft tot doel de gebruiker een globaal beeld te verschaffen met het oog op een regionale planning. Voor de evaluatie van ingrepen die een verontreiniging kunnen veroorzaken, geldt deze kaart als een richtlijn voor de uitvoering van de nodige studies terzake. De kwetsbaarheidskaart van het grondwater kan gebruikt worden om een eerste idee te krijgen van de haalbaarheid van een bepaalde ingreep, maar ze mag in geen geval gebruikt worden als het enige criterium om te beslissen of een beoogde activiteit een gevaar kan vormen voor de kwaliteit van het grondwater of niet. Noch de schaal, noch de gebruikte methodiek laten toe ze aan te wenden met het oog op een pasklaar antwoord. Bijkomend onderzoek, waarbij onder meer de dynamische en hydrochemische factoren in overweging genomen worden, zal dus steeds noodzakelijk blijven"; 3.1.
  7. Overwegende dat het bestreden besluit is genomen op grond van artikel 30 van het bodemsaneringsdecreet, zoals gewijzigd bij decreet van 26 mei 1998; dat die bepaling als volgt luidt : "§
  8. Op gronden met historische bodemverontreiniging wordt bodemsanering uitgevoerd indien er ernstige aanwijzingen zijn dat de bodemverontreini- ging een ernstige bedreiging vormt. §
  9. De Vlaamse regering wijst op voorstel van OVAM die historisch verontreinigde gronden aan, waar bodemsanering moet plaatsvinden. §
  10. Indien het beschrijvend bodemonderzoek aantoont dat de bodemverontrei- niging een ernstige bedreiging vormt, wordt een bodemsaneringsproject opgesteld en worden bodemsaneringswerken uitgevoerd"; dat hieruit volgt dat de sanering van historisch verontreinigde gronden slechts verplicht is indien twee voorwaarden zijn vervuld : dat de grond als historisch verontreinigd moet worden aangewezen indien er ernstige aanwijzingen zijn dat de bodemverontreiniging een ernstige bedreiging vormt, en dat er moet worden gesaneerd indien het beschrijvend bodemonderzoek aantoont dat de bodemverontrei- niging een ernstige bedreiging vormt; dat sinds de decreetswijziging op 26 mei 1998, de uitvoering van bodemsanering op historisch verontreinigde gronden is verruimd, aangezien het voortaan volstaat dat er ernstige aanwijzingen van een ernstige bedreiging zijn en niet langer wordt vereist dat er sprake is van een ernstige bedreiging als dusdanig; dat een besluit tot aanwijzing van historisch verontreinigde gronden waar bodemsanering moet plaatsvinden, een administratieve rechtshande- ling van individuele strekking is; dat het bestreden besluit daarom valt onder het toepassingsgebied van de voornoemde wet van 29 juli 1991; dat het feit dat pas in een later stadium van de bodemsaneringsprocedure een beslissing zal worden genomen waarbij de "subjectieve plicht" tot sanering zal worden gevestigd, daar niets aan verandert; dat luidens artikel 2 van de voornoemde wet van 29 juli 1991 VII-33.223-16/25 alle bestuurshandelingen met individuele strekking uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd; dat artikel 3 van diezelfde wet bepaalt dat de motivering de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat de motivering afdoende moet zijn; dat de belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht opgelegd door de meergenoemde wet van 29 juli 1991 is gelegen in de beschouwing dat de betrokken bestuurde in de hem aanbelangende beslissing zelf, de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, onder meer opdat hij met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing gebeurlijk met een annulatieberoep te bestrijden; Overwegende dat het bestreden besluit in zijn motivering als volgt verwijst naar het voorstel van OVAM : "Overwegende dat (...) wordt ingestemd met het als bijlage opgenomen voorstel van de OVAM; dat de daarin opgenomen motivering omtrent de aard en de ernst van de vastgestelde historische verontreiniging integraal deel uitmaakt van onderhavige beslissing"; dat de verwerende partij ermee kan volstaan de motivering van het als bijlage bij het bestreden besluit opgenomen voorstel van OVAM expliciet tot de hare te maken; dat in het voorstel van OVAM, dat integraal deel uitmaakt van het bestreden besluit, wordt gewezen op de aard en concentratie van de stoffen en organismen die aanleiding geven tot ernstige aanwijzingen voor een historische verontreiniging die een ernstige bedreiging vormt; dat die stoffen per parameter en met de respectieve- lijk aangetroffen concentraties in de bodem worden opgesomd in een tabel die als bijlage is gehecht aan het voorstel van OVAM tot aanwijzing van de betrokken gronden; dat daarenboven in het voorstel van OVAM uitdrukkelijk wordt vermeld dat de grond "volgens de kwetsbaarheidskaart van het grondwater gelegen is in een gebied dat als zeer kwetsbaar ca1 wordt gecatalogiseerd"; dat ten slotte ook wordt gewezen op de bestemming van de grond als woongebied; dat voornoemde motieven als afdoende worden beschouwd omdat zij voldoende kenbaar maken waarop de "ernstige aanwijzingen", zoals aangenomen door de verwerende partij, zijn gebaseerd; dat bovendien de aanwijzing van de historisch verontreinigde gronden waar bodemsanering moet plaatsvinden geschiedt op grond van "ernstige aanwij- zingen", wat betekent dat de aanwijzing gebeurt op basis van een "eerste" inschatting; dat blijkt dat tussen 27 september 1999 en 15 september 2004, de bevoegde overheid aan de verzoekende partij de kans heeft gegeven over te gaan tot vrijwillige sanering in de zin van artikel 47bis van het bodemsaneringsdecreet, alvorens de juridisch afdwingbare procedure die aanvangt met de in artikel 30, § 2, van het bodemsaneringsdecreet bedoelde aanwijzing, op te starten; dat de VII-33.223-17/25 verzoekende partij eraan voorbijgaat dat er binnen laatstgenoemde procedure een gradatie bestaat tussen, enerzijds, ernstige aanwijzin-gen voor een ernstige bedreiging die blijken uit een oriënterend bodemonderzoek en, anderzijds, het feit of er al dan niet een ernstige bedreiging is; dat in het bestreden besluit is beslist dat er voor de gronden van de verzoekende partij ernstige aanwijzingen in de zin van artikel 30, § 1, van het bodemsaneringsdecreet bestaan; dat op het moment dat het bestreden besluit is genomen, er reeds een beschrijvend bodemonderzoek voorhanden was waarin werd gesteld dat er op de betrokken percelen "een ernstige bedreiging is naar mens en milieu toe"; dat vanuit het oogpunt van de materiële motiveringsplicht laatstgenoemd feit volstaat om de beslissing dat er ernstige aanwijzingen zijn voor een ernstige bedreiging, te schragen; dat de verzoekende partij benadrukt dat OVAM het voornoemde beschrijvend bodemonderzoek op 29 augustus 2001 en op 5 februari 2002 niet conform heeft verklaard; dat, daargelaten de vraag of het enkele feit dat OVAM een beschrijvend bodemonderzoek "niet conform" heeft verklaard wel automatisch betekent dat uit dit onderzoek geen enkel argument zou kunnen worden gepuurd met betrekking tot het vervuld zijn van de voorwaarden van artikel 30, § 1, van het bodemsaneringsdecreet, het vaststaat dat OVAM het voornoemde beschrijvend bodemonderzoek op 30 juli 2002 wel degelijk conform heeft verklaard; dat het eerste middel niet gegrond is; 3.2.
  11. Overwegende dat de verzoekende partij in het tweede middel de schending aanvoert van het zorgvuldigheidsbeginsel, van het vertrouwensbeginsel, van het beginsel van de fair play en van het beginsel van de redelijke termijn; dat zij het middel als volgt adstrueert : "(...) In het kader van deze bodemonderzoeken kreeg verzoekster een aangetekend schijven van OVAM gedateerd op 27.09.1999 (stuk 4) en later gewijzigd door het erratum dd. 14.10.1999 (stuk 5). Dit schijven vermeldt : 'overeenkomstig de bepalingen van artikel 30 van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodensanering zal de OVAM aan de Vlaamse Regering voorstellen deze grond aan te duiden als te saneren terrein'. Pas na vijf jaar beslist de Vlaamse regering deze grond aan te duiden als historisch verontreinigd waar bodemsanering moet plaatsvinden. Het spreekt voor zich dat noch OVAM, noch de Vlaamse Regering het dus belangrijk vond dat deze grond moet gesaneerd worden; anders zou men toch geen vijf jaar wachten. Dit schendt het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. De burger heeft het recht dat de overheid zijn positie duidelijk vaststelt en niet in het vage laat. (...) Aangezien verzoekster na het schrijven van OVAM dd . 27.09.1999 geen beslissing kreeg te horen van de Vlaamse Regering, ging verzoekster ervan uit dat de Vlaamse Regering niet is ingegaan op het voorstel van de OVAM. VII-33.223-18/25 Verzoekster was er dan ook van overtuigd dat er het betrokken perceel niet ging aangeduid worden als een te saneren terrein. Voor verzoekster heeft dit belangrijke consequenties omdat een sanering al vlug enkele tienduizenden euro's kan kosten. Mocht verzoekster hiervan op de hoogte zijn geweest dan (...) had zij er bij haar exploitatie rekening mee kunnen houden. Deze plotse beslissing van de Vlaamse Regering komt voor verzoekster dan ook hoogst onverwacht aangezien verzoekster ervan uit ging dat de Regering niet is ingegaan op het voorstel van OVAM. Er is geen enkele verantwoording waarom die beslissing zo lang op zich laat wachten. De Vlaamse Regering schendt bijgevolg het vertrouwensbeginsel aangezien het bestuur moet vermijden dat de burger in de rechtmatige verwachtingen welke hij uit bestuursoptreden put, wordt gefrustreerd. (...) De overheid mag het door haar opgewekt rechtmatig vertrouwen niet miskennen . (Antwerpen, 18 oktober 1999, C.D.P.K. 2000, p. 498, R.W. 2000-01, p. 1087). De burger moet kunnen vertrouwen op een vaste gedragslijn van de overheid, of op toezeggingen of beloften die de overheid in een concreet geval heeft gedaan (zie o.m. R.v.St., nr. 32893 van 28 juni 1989; R.v.St ., nr . 94090 van 19 maart 2001; Cass., 10 juni 1998, Arr. Cass . 1987-1988, 1313; Cass., 27 maart 1992, R.W. 1991-92, p. 1466 ; Cass., 6 november 2000, A.P.T. 2000, 236) Het uitblijven van de beslissing van de Vlaamse Regering kan beschouwd worden als het uitvoeren van een vertragingsmanoeuvers in de besluitvorming. Van de overheid wordt verwacht dat ze de fairplay-norm in acht neemt. Alhoewel de fairplay-norm niet door de Raad van State uitdrukkelijk als vernietigingsgrond wordt erkend, werd hij toch in enkele gevallen erkend. (...) Verder getuigt het niet van fair-play noch van zorgvuldigheid dat enkel het perceel M3 en N3 worden aangeduid als een historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden, terwijl het perceel L 3 -het grootste perceel, dat ook verontreinigd is- niet aangeduid wordt als een historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden. (stuk 10) De Vlaamse regering laat verzoekster dus volledig in het ongewisse. Het pompstation bestaat uit verschillende percelen, maar er worden maar twee percelen aangeduid als een historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden. De twee kleinste percelen moeten dus gesaneerd worden en het grootste niet. Dit bewijst nog eens de onzorgvuldige kennis en besluitvorming van het dossier door de Vlaamse Regering. Als men weet dat het eerste bodemonderzoek dateert van 1996 en men pas na acht jaar tot het besluit komt dat het terrein moet gesaneerd worden, is het duidelijk dat de overheid heeft stilgezeten. De Vlaamse regering had binnen een redelijke termijn een beslissing moeten nemen . Niets verantwoordt en verklaart het stilzitten gedurende die periode (R.v.St. nr. 106.479, 8 mei 2002). Waarschijnlijk had OVAM na het verzoekschrift tot nietigverklaring dd. 23.08.2004 bij de Raad van State gemerkt dat de procedurevoorschriften voor sanering bij verzoekster niet werden nageleefd omdat er geen beslissing was van de Vlaamse Regering. OVAM probeerde dit waarschijnlijk nog recht te zetten door op 08.09.2004 een voorstel te doen aan de Vlaamse regering om de betrokken percelen aan te wijzen als historisch verontreinigde gronden waar bodemsanering moet plaatsvinden. Het onredelijk lang stilzitten van de overheid is een inbreuk op de zorgvul- digheidsplicht (art. 1383 B.W.) en in het algemeen op de beginselen van behoorlijk bestuur, art. 1 Eerste Aanvullend Protocol E.V.R.M. en art 6 E.V.R.M. (Antwerpern 22 september 1998, A.J.T. 2000-01, 730) Het staat met andere woorden vast dat het stilzitten van de Vlaamse Regering een schending uitmaakt van verschillende algemene beginselen van VII-33.223-19/25 behoorlijk bestuur in het bijzonder de schending van het zorgvuldigheidsbegin- sel, vertrouwensbeginsel, het beginsel van fair play en het beginsel van redelijke termijn. (...) Aangezien de Vlaamse Regering verwijst naar het niet-afdoende gemotiveer- de voorstel van OVAM dd. 08.09.2004, schendt zij het zorgvuldigheidsbegin- sel. Zoals reeds hoger vermeld kan de verwijzing in het voorstel naar de tabel niet aanvaard worden, net zoals de argumentatie van het beschrijvend bodemonderzoek (stuk 8). Verder verwijst Vlaamse Regering naar twee niet conform verklaarde beschrijvende bodemonderzoeken. De Vlaamse Regering kan zich niet steunen op een onderzoek dat OVAM zelf heeft afgekeurd ! Art. 3, §2 BSD bepaalt impliciet dat een oriënterend bodemonderzoek twee jaar geldig is. OVAM en de Vlaamse Regering beroepen zich echter op onderzoe- ken die meer dan twee jaar oud zijn. De Vlaamse Regering kan zich niet steunen op dergelijke 'oude' gegevens, zeker niet als het decreet bepaalt dat de gegevens van een bodemonderzoek maar twee jaar relevant zijn. De motivering van de Vlaamse Regering vertoont niet de minste zorgvuldig- heid . De gegevens waar de Vlaamse Regering zich op steunt zijn verouderd of niet conform de wetgeving. De verwijzing naar het bodemonderzoek dd. 09.01.1996 kan ook allerminst overtuigen, aangezien dit onderzoek niet gebeurde in het kader van het Bodemsaneringsdecreet. Het onderzoek van 09.01.1996 is geenszins een oriënterend bodemonderzoek zoals de Vlaamse Regering stelt. Pas na het aanvullend onderzoek van 14.09.1999, waarop de Vlaamse Regering zich niet steunt (!), wordt het onderzoek van 1996 en 1999 aanzien als een oriënterend bodemonderzoek (stuk 4). Uit de 'motivatie' van de beslissing van de Vlaamse Regering blijkt dat de Vlaamse Regering zich niet steunt op het onderzoek van 14.09.1999 zodat het vast staat dat de Vlaamse Regering geen rekening gehouden heeft met alle relevante elementen m.b.t. de verontreiniging van het perceel. De beslissing van de Vlaamse Regering schendt dus niet alleen de Wet van 29 juli 1991, maar ook de zorgvuldigheidsplicht aangezien de overheid zijn beslissing op een zorgvuldige wijze dient voor te bereiden"; 3.2.
  12. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord als volgt reageert : "(...) Verzoekende partij slaagt er niet in concreet en nauwkeurig aan te tonen op welke manier het beginsel van fair-play en het zorgvuldigheidsbegin- sel zouden zijn geschonden. (...) Het is inderdaad zo dat tussen de eerste brieven van 27 september en 14 oktober 1999 en de uiteindelijk beslissing van 15 september 2004 (stuk 1) een periode van 5 jaar is verlopen. Verzoekende partij is echter verkeerd wanneer zij stelt dat de OVAM en de Vlaamse regering zo lang hebben stilgezeten. Aan de hand van een eenvoudige chronologisch overzicht (zie supra randnr. 2) kan deze periode wordt gerechtvaardigd. Daaruit blijkt dat er steeds een constante vooruitgang werd gemaakt. De reden waarom de OVAM niet vroeger een voorstel heeft gedaan aan de Vlaamse regering om het perceel aan te duiden als te saneren, ligt in het feit dat verzoekende partij zelf en vrijwillig een voorstel van beschrijvend bodemonder- VII-33.223-20/25 zoek heeft gedaan. De OVAM zag zich toen nog niet genoodzaakt om een voorstel te doen aan de Vlaamse regering. Gelet op alle verwikkelingen en op de kans die verzoekende partij heeft gekregen om over te gaan tot een vrijwillige sanering, werd de bestreden beslissing binnen een redelijke termijn genomen. Uit dit overzicht blijkt ook het belang dat de verwerende partij aan deze problematiek hecht. (...) De positie van de OVAM is altijd zeer duidelijk geweest, zodat de verzoekende partij niet in haar verwachtingen kan zijn gefrustreerd. Steeds heeft zij vastgehouden aan haar oordeel dat het betrokken perceel aangetast is door een ernstige verontreiniging. Nooit heeft verwerende partij een toezegging of een belofte gedaan, waaruit zou blijken dat zij van mening is veranderd. De bestreden beslissing is dan ook geen 'plotse' beslissing, maar is het eindpunt van een lang en consequent proces. Wanneer de verzoekende partij immers laat blijken dat zij het bodemsane- ringsproject niet meer wil verder zetten (aangetekende brief dd . 11 augustus 2004 (stuk 25) en dus niet vrijwillig zal overgaan tot sanering, is de verwerende partij genoodzaakt haar hiertoe te verplichten door de gronden aan te wijzen als historisch verontreinigde gronden waar sanering moet plaatsvinden (art. 30 juncto art. 31 BSD). Verzoekende partij kan niet redelijk voorhouden dat zij meende dat er geen probleem meer was en dat het perceel niet zou aangeduid worden als een (verplicht) te saneren terrein indien zij de sanering niet meer vrijwillig verder zette. Dat zou geen rechtmatig vertrouwen zijn geweest. (...) Indien de verzoekende partij niet akkoord was met het OVAM-besluit dat op het terrein een historische bodemverontreiniging voorkomt die een ernstige bedreiging vormt, dan had zij de conformverklaring van het beschrij- vend bodemonderzoek dd . 30 juli 2002 moeten aanvechten. Dit deed de verzoekende partij niet. (...) Op geen enkele moment heeft de verwerende partij de procedure vertraagd (zie randnrs. 2 en 19). Integendeel, zij heeft steeds met de gepaste spoed gereageerd op briefwisseling van de verzoekende partij. Voor de volledigheid merkt verwerende partij op dat artikel 47bis BSD bepaalt dat de artikelen 12 t.e.m. 23, 25 t.e.m. 29 en 32 t.e.m. 35 van het BSD van toepassing zijn op de vrijwillige bodemsanering, onverminderd de bevoegdheid van de OVAM om op een later tijdstip de andere bepalingen van het BSD toe te passen. (...) Het feit dat ook perceel L 3 verontreinigd is, doet niets af aan de historische verontreiniging van perceel M
  13. (...) Anders dan verzoekende partij voorhoudt, steunt de verwerende partij haar beslissing volledig terecht op volgende onderzoeken. - een beschrijvend bodemonderzoek, met in begrip van de twee aanvullingen (stukken 3 tot 6), conform verklaard bij OVAM-besluit van 30 juli 2002 (stuk 17); - een met een oriënterend bodemonderzoek gelijkgesteld onderzoek, daarin begrepen de aanvulling van 14 september 1999 (stukken 8-9 en 12). Verzoekende partij is verkeerd wanneer zij stelt dat de aanvullingen geen deel zouden uitmaken van respectievelijk het beschrijvend en het oriënterend bodemonderzoek"; 3.2.
  14. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord als volgt repliceert : VII-33.223-21/25 "(...) In het kader van deze bodemonderzoeken kreeg verzoekster een aangetekend schrijven van OVAM gedateerd op 27.09.1999 (stuk 4) en later gewijzigd door het erratum dd. 14.10.1999 (stuk 5) voor de percelen 731 L3 en 731 M
  15. Dit schrijven vermeldt : 'overeenkomstig de bepalingen van artikel 30 van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering zal de OVAM aan de Vlaamse Regering voorstellen deze grond aan te duiden als te saneren terrein.' Overeenkomstig art. 30, §2 BSD wijst de Vlaamse Regering immers op voorstel van OVAM die historisch verontreinigde gronden aan, waar bodemsa- nering moet plaatsvinden Pas na vijf jaar beslist de Vlaamse regering deze grond aan te duiden als historisch verontreinigd waar bodemsanering moet plaatsvinden. Het spreekt voor zich dat noch OVAM, noch de Vlaamse Regering het dus belangrijk vond dat deze grond moet gesaneerd worden; anders zou men toch geen enkele jaren wachten. Dit schendt het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. De burger heeft het recht dat de overheid zijn positie duidelijk vaststelt en niet in het vage laat. (...) De beslissing van de Regering staat los van het feit of er vrijwillig of gedwongen gesaneerd wordt. Het is niet omdat verzoekster 'vrijwillig' zou begonnen zijn te saneren dat het perceel niet meer zou moeten aangeduid worden als een 'grond waar bodemsanering moet plaatsvinden'. Het feit dat verzoekster aldus 'vrijwillig' saneerde, is geen rechtvaardiging van het zolang uitblijven van een beslissing van de Vlaamse Regering. Er is geen enkele reden of regel waaruit blijkt dat de Vlaamse Regering haar beslissing zou moeten uitstellen op basis van het al dan niet (vrijwillig of gedwongen) saneren. Als een grond moet gesaneerd worden, moet de Vlaamse Regering een beslissing nemen op voorstel van OVAM. De Vlaamse Regering beslist autonoom. Eenmaal het voorstel is gedaan door OVAM, ligt alles in handen van de Vlaamse Regering. Dergelijke beslissing heeft immers enkel tot doel de historische gronden waar bodemsanering moet plaatsvinden te identificeren. 'Gedr. St., Vl. Reg., 1993-1994, nr. 587/1, 33 : 'De Vlaamse Regering zal, op voorstel van OVAM, de historisch verontreinigde gronden waar bodemsanering moet plaatsvinden identificeren (...).' (...)' Volgens de uiteenzetting van verweerster heeft OVAM aldus bewust haar voorstel niet overgemaakt aan de Regering ondanks het feit dat ze dit reeds had aangekondigd op 27.09.
  16. Blijkbaar wou OVAM de reactie van verzoekster op haar brieven afwachten. Decretaal gezien was dit nergens voor nodig. OVAM heeft dus blijkbaar opzettelijk haar voorstel achtergehouden voor de Vlaamse Regering ondanks hetgeen ze aan verzoekster vertelde, met name dat ze haar voorstel ging overmaken aan de Vlaamse Regering. De beslissing van de Vlaamse Regering staat duidelijk los van de contacten die verzoekster had met OVAM. Verweerster vergeet dit onderscheid te maken. Verzoekster kan nog meegeven dat zij nooit contact heeft gehad met de Vlaamse Regering . Dergelijk bewust en opzettelijk vertragingsmanoeuvre van OVAM en verweerster kan beschouwd worden als een schending van de fair-play (...) en het vertrouwensbeginsel. De overheid is immers verplicht de historische verontreinigingen onmiddel- lijk te identificeren en daar geen jaren mee te wachten. Aangezien verzoekster na het schrijven van OVAM dd. 27.09.1999 geen beslissing kreeg te horen van de Vlaamse Regering, ging verzoekster ervan uit dat de Vlaamse Regering niet is ingegaan op het voorstel van de OVAM. (...) VII-33.223-22/25 Zoals reeds hoger aangegeven was het eerste beschrijvend bodemonderzoek niet conform verklaard door OVAM (zie stuk 6) . OVAM schrijft in haar aangetekende brief dd. 29.08.2001 (pagina 5) (...) : 'Overwegende dat aan de doelstellingen van het beschrijvend bodemon- derzoek (. ..) niet werd voldaan en dit om volgende redenen : - De aard, hoeveelheid en concentratie van de verontreinigende stoffen of organismen onvoldoende gekend is. - De mogelijkheid op verspreiding van de verontreinig(en)de stoffen of organismen en het gevaar op blootstelling eraan van mensen en planten en dieren en van grond- en oppervlaktewater, is onvoldoende gekend. - De spontane evolutie van de verontreinigde bodem naar de toekomst is onvoldoende gekend'. De risico's voor mens, dier, planten en het ecosysteem zijn dus niet uitvoerig, grondig en correct uitgevoerd in het bodemonderzoek dd. 21.05.
  17. Ook bij het aanvullend beschrijvend bodemonderzoek werden de risico's voor mens, dier, planten en het ecosysteem niet onderzocht. Het aanvullend beschrijvend bodemonderzoek werd dan ook niet conform verklaard door OVAM. (stuk 7 : schrijven OVAM dd. 05.02.2002, p. 4 in fine). Ondanks de uitvoering van bijkomende analyses, bestudeert ook het tweede aanvullend beschrijvend bodemonderzoek de aanwezigheid van ernstige aanwijzingen van een ernstige bedreiging niet. Aangezien de vaststellingen over de interpretatie van het eerste beschrijvend bodemonderzoek als ontoereikend werden verklaard en dat de volgende beschrijvende bodemonderzoeken daar niet dieper op ingaan staat het vast dat het niet bewezen is - dat er ernstige aanwijzingen zijn van een ernstige bedreiging. De beslissing van de Vlaamse Regering is dus gesteund op onvoldoende onderzochte gegevens (cf. 'ernstige bedreiging') hetgeen het zorgvuldigheidsbe- ginsel schendt. Bijgevolg is het tweede middel gegrond"; 3.2.
  18. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie nog stelt dat de vrijwillige uitvoering van de sanering los moet worden gezien van de aanduiding door de verwerende partij van een historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden, dat volgens de uiteenzetting van de verwerende partij, OVAM bewust haar voorstel niet aan de regering heeft overgemaakt, ondanks het feit dat OVAM dit reeds op 27 september 1999 had aangekondigd, dat OVAM blijkbaar de reactie van de verzoekende partij op haar brieven wou afwachten, dat dit decretaal gezien, nergens voor nodig was, dat OVAM "blijkbaar opzettelijk haar voorstel (heeft) achtergehouden voor de Vlaamse Regering"; 3.2.
  19. Overwegende dat in zoverre in het tweede middel de argumentatie van het eerste middel wordt herhaald, verwezen wordt naar de beoordeling van het eerste middel; dat de verzoekende partij niet aantoont welk belang zij heeft bij het middelonderdeel waarin zij betoogt dat de verwerende partij ook het perceel nr. 731 L 3 had moeten aanwijzen als historisch verontreinigde grond waar VII-33.223-23/25 bodemsanering moet plaatsvinden; dat het middel feitelijke grondslag mist in zoverre de verzoekende partij aanvoert dat de bevoegde overheid tussen 14 oktober 1999 en 15 september 2004 zou hebben stilgezeten; dat zoals reeds uiteengezet, de verzoekende partij in maart 2001 op eigen initiatief een voorstel indiende voor het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek; dat vervolgens blijkt dat de bevoegde overheid aan de verzoekende partij eerst de kans heeft willen geven over te gaan tot vrijwillige sanering in de zin van artikel 47bis van het bodemsaneringsde- creet, alvorens de juridisch afdwingbare procedure die aanvangt met de in artikel 30, § 2, van het bodemsaneringsdecreet bedoelde aanwijzing, op te starten; dat het feit dat de bevoegde overheid er niet toe verplicht was deze houding aan te nemen, niet impliceert dat zij, door aldus te handelen, de door de verzoekende partij aangehaalde beginselen zou hebben geschonden; dat de verwerende partij in het bestreden besluit is opgetreden als orgaan van het actief bestuur en niet als een rechterlijke instantie, zodat artikel 6 van het EVRM niet toepasselijk is; dat het tweede middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  20. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  21. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-33.223-24/25 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf maart tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-33.223-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.292 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.