← België

Arrest 191294 - Milieuvergunningen - 12/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.294 Rolnummer: A. 158626/VII-33322 Zaak: Arrest 191294 - Milieuvergunningen - 12/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-23 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 22:02 Fiche Arrest nr 191.294 van 12 maart 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.294 van 12 maart 2009 in de zaak A. 158.626/VII-33.

  1. In zake : de gemeente WACHTEBEKE, die woonplaats kiest bij advocaat T. DE SUTTER, kantoor houdende te GENT, Koning Albertlaan 128 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de gemeente WACHTEBEKE op 24 december 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van het afdelingshoofd van de afdeling Milieuvergunningen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap van 19 oktober 2004 waarbij het beroep van de verzoekende partij ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 30 september 2004, houdende gedeeltelijke wijziging en gedeeltelijke weigering van de wijziging van de bijzondere exploitatie- voorwaarden met betrekking tot het groenscherm, de opslag van metalen en asbest en de opvang van hemelwater betreffende een gemeenteloods en depot met opslagmogelijkheden, gelegen aan de Stationsstraat 128 te Wachtebeke, onontvank- elijk wordt verklaard; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. PROVOOST; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; VII-33.322-1/13 Gelet op de beschikking van 5 januari 2009 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 5 februari 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. DE SUTTER die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat F. TEMMERMAN die, loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. De verzoekende partij exploiteert een containerpark, blijkbaar enige tijd zonder de vereiste vergunningen. Op 11 januari 2001 verkrijgt zij een milieuvergunning, verleend door de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen. Op 22 februari 2001 wordt een stedenbouwkundige vergunning verleend door de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar. Bij een bezoek van de Milieu-inspectie op 26 februari 2004 worden overtredingen vastgesteld van enkele bijzondere vergunningsvoorwaarden en rijst er twijfel over het naleven van enkele andere vergunningsvoorwaarden. 1.
  5. Op 4 juni 2004 dient de verzoekende partij, bij toepassing van artikel 21, § 1, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet) een vraag in tot wijziging van sommige bijzondere vergunningsvoorwaarden. Het gaat om de volgende voorwaarden : "
  6. In afwijking van de bepalingen van art. 5.2.1.4, §5, van VLAREM II mag het groenscherm teruggebracht worden tot 3 m. (...) VII-33.322-2/13
  7. De opslag van metalen en oud ijzer dient te gebeuren in [een] gesloten, vloeistofdichte container. (...)
  8. Asbesthoudende afvalstoffen mogen ter plaatse geen bewerkingen ondergaan en dienen gescheiden van het overige inerte afval in een afgedekte container opgeslagen te worden met het oog op hun afvoer naar een vergunde categorie III - stortplaats. (...)
  9. M.b.t. de opvang van hemelwater Het hemelwater afkomstig van het dak van de bedrijfsgebouwen dient opgevangen te worden in een regentank. Het opgevangen hemelwater wordt minstens gebruikt in de sanitaire installaties". De verzoekende partij argumenteert dat het wegens plaatsgebrek onmogelijk is een groenscherm aan te leggen van meer dan 1 meter breedte, dat een gesloten container voor oude metalen een meerkost betekent, onpraktisch is en in de buurgemeenten niet verplicht wordt gesteld, dat een gesloten container voor asbesthoudend afval een meerkost betekent, dat het risico van de huidige opslag beperkt is, dat een gesloten container in de buurgemeenten niet verplicht wordt gesteld en dat het gebruik van regenwater slechts heel beperkt mogelijk is. 1.
  10. Op 30 september 2004 beslist de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen om de voorwaarde 14 te schrappen en de overige voorwaarden te behouden. De beslissing vermeldt dat een administratief beroep kan worden ingesteld bij de Vlaamse regering. 1.
  11. Op 11 oktober 2004 tekent de verzoekende partij administratief beroep aan. De verzoekende partij wil enkel nog een wijziging van voorwaar- de 12 betreffende het groenscherm verkrijgen. 1.
  12. Met een aangetekende brief van 19 oktober 2004 laat het afdelingshoofd van de afdeling Milieuvergunningen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap weten : "(...) Dit beroep is onontvankelijk bevonden om de volgende reden (...): de voorwaarden werden niet gewijzigd voor het deel van de bestreden beslissing waartegen beroep wordt aangetekend (...)". Dit is het bestreden besluit; VII-33.322-3/13
  13. De ontvankelijkheid 2.
  14. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord volgende exceptie opwerpt : "Volgens verzoekende partij zou het College van Burgemeester en Schepenen van de Gemeente Wachtebeke in de zitting van 10 november 2004 uitdrukkelijk hebben beslist om onderhavig beroep in te stellen, alsook zou een raadsman zijn aangesteld. Deze machtiging van de Gemeenteraad wordt door verzoekende partij evenwel niet meegedeeld. Op heden ligt geen bewijs voor van deze machtiging tot het in rechte treden, overeenkomstig artikel 270 van de Nieuwe Gemeentewet dd. 17 juni
  15. Haar vordering dient dan ook te worden afgewezen als onontvankelijk"; 2.
  16. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord stelt dat de machtiging van de gemeenteraad tot aan het sluiten van de debatten kan worden ingediend en dat zij de vereiste machtiging tijdig zal neerleggen; 2.
  17. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie nog aanvoert dat artikel 57, § 3, 9/, van het gemeentedecreet van 15 juli 2005 (hierna : gemeentedecreet) bepaalt dat het college van burgemeester en schepenen bevoegd is voor het vertegenwoordigen van de gemeente in rechte overeenkomstig artikel 193 van het gemeentedecreet, dat deze laatste bepaling voorschrijft dat het college beslist tot het optreden in rechte namens de gemeente, dat blijkens de parlementaire voorbereiding de decreetgever met dit artikel de regeling die was voorzien in artikel 270 van de nieuwe gemeentewet van 24 juni 1988 (hierna : nieuwe gemeentewet) en die tot veel betwistingen aanleiding gaf, beoogde te vereenvoudigen, dat artikel 302, 117/ en 166/ van het gemeentedecreet de artikelen 123 en 270, eerste en tweede lid, van de nieuwe gemeentewet heeft opgeheven, dat artikel 313, § 1, eerste lid, van het gemeentedecreet bepaalt dat onverminderd de paragrafen 2 en 3, de Vlaamse regering voor elk artikel, of onderdeel ervan, van dit decreet en de daarmee overeenstemmende opheffingsbepalingen, genoemd in artikel 302, de dag bepaalt waarop het in werking treedt, dat artikel 313, § 2, 3/, van het gemeentedecreet bepaalt dat artikel 193 van het gemeentedecreet in werking treedt op 1 januari 2006, dat vanaf die dag bijgevolg enkel het college van burgemeester en schepenen bevoegd is om de beslissing tot in rechte treden te nemen, dat uit de samenlezing van de voornoemde bepalingen en het feit dat het gemeentedecreet niet langer een machtiging van de gemeenteraad tot het instellen van een bepaalde procedurestap vereist, kan worden afgeleid dat met het in werking laten treden van VII-33.322-4/13 artikel 193 van het gemeentedecreet op 1 januari 2006, vanaf die dag minstens ook impliciet de overeenstemmende opheffingsbepaling in artikel 302, 166/, van het gemeentedecreet in werking is getreden, dat aldus het college van burgemeester en schepenen vanaf 1 januari 2006 alleen over het instellen van een beroep tot nietigverklaring beslist zonder dat nog een machtiging van de gemeenteraad is vereist, dat de afschaffing van deze voorwaarde en het feit dat deze machtiging voordien tot de sluiting van de debatten kon worden voorgelegd, tot gevolg heeft dat ook ten aanzien van de nog hangende zaken bij de Raad van State, waarin dergelijke machtiging nog niet zou zijn gegeven, deze niet meer kan worden gevraagd, dat de verzoekende partij bijgevolg geen machtiging van de gemeenteraad moet of kan voorleggen; 2.
  18. Overwegende dat overeenkomstig artikel 270, tweede lid, van de nieuwe gemeentewet, dat van toepassing was op het ogenblik dat onderhavig beroep werd ingediend, een beroep als het onderhavige diende te worden ingesteld door het college van burgemeester en schepenen "na machtiging van de gemeenteraad"; dat volgens vaste rechtspraak de gemeenteraad de wettelijk vereiste machtiging kan geven tot aan het sluiten van de debatten; dat de omstandigheid dat in dit geval het college van burgemeester en schepenen op het ogenblik van het indienen van onderhavig beroep de machtiging van de gemeenteraad nog niet had verkregen, derhalve niet tot gevolg heeft dat het beroep onontvankelijk is; dat met ingang van 1 januari 2006 artikel 270 van de nieuwe gemeentewet is vervangen door artikel 193 van het gemeentedecreet (artikel 313, § 2, 3/, van het gemeentedecreet); dat krachtens die bepaling het college van burgemeester en schepenen voortaan alleen beslist over het instellen van een annulatieberoep en er geen machtiging van de gemeenteraad meer is vereist; dat daaruit volgt dat de verzoekende gemeente thans geen machtigingsbeslissing meer hoeft over te leggen; dat de exceptie niet gegrond is;
  19. Ten gronde 3.1.
  20. Overwegende dat de verzoekende partij in het tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 26, § 2, van het milieuvergunningsdecreet, van artikel 54, § 1, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I), van het gelijkheids- beginsel, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van het redelijkheidsbeginsel; dat zij vrij uitvoerig uit het milieuvergunningsdecreet en Vlarem I citeert en stelt dat de VII-33.322-5/13 enige mogelijke verantwoording welke zij voor het onontvankelijk verklaren van haar beroep ziet, een kennelijk verkeerde toepassing is van artikel 26, § 2, van het milieuvergunningsdecreet samengelezen met artikel 54, § 1, tweede lid, van Vlarem I, dat de verwerende partij de voornoemde bepalingen leest in de zin dat enkel beroep kan worden aangetekend indien in eerste aanleg wijzigingen aan of aanvullingen van de bijzondere voorwaarden zijn doorgevoerd en bijgevolg geen beroep kan worden aangetekend, indien in eerste aanleg geen wijzigingen aan of aanvullingen van de bijzondere voorwaarden zijn doorgevoerd, dat artikel 26, § 2, van het milieuvergunningsdecreet samengelezen met artikel 54, § 1, tweede lid, van Vlarem I nochtans spreekt over een beroepsmogelijkheid tegen "elke" beslissing van de bestendige deputatie, dat een dergelijke lezing dan ook onbegrijpelijk is; dat de verzoekende partij voorts aanvoert dat zij beroep zou kunnen aantekenen, indien de door haar gevraagde wijzigingen of aanvullingen geheel of gedeeltelijk zouden zijn ingewilligd, dat zij evenwel geen beroep zou kunnen aantekenen indien de door haar gevraagde wijzigingen of aanvullingen zonder meer zijn geweigerd, dat indien dit de draagwijdte zou zijn van de bepalingen van artikel 26, § 2, van het milieuvergun- ningsdecreet samengelezen met artikel 54, § 1, tweede lid, van Vlarem I, deze niet in overeenstemming is te brengen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en het gelijkheidsbeginsel, dat zonder enige verantwoording de verzoekende partij de mogelijkheid wordt ontzegd om een administratief beroep in te dienen, dat de mogelijkheid van het administratief beroep haar wordt ontzegd in het geval zij daar het meeste baat bij heeft, dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen uitdrukkelijk heeft aangegeven dat beroep kon worden aangete- kend, dat indien een beroep dat overeenkomstig de geldende modaliteiten en termijnen is ingediend niettemin onontvankelijk wordt verklaard, elke wettigheids- controle door de Raad van State op de grond van de zaak onmogelijk blijft, dat een administratief beroep nochtans voor gevolg heeft dat de beroepsinstantie opnieuw uitspraak kan doen over het gehele dossier, dat deze mogelijkheid ten onrechte aan de verzoekende partij wordt ontzegd, dat indien aan de verzoekende partij, als exploitant, de beroepsmogelijkheid bij de Vlaamse regering wordt ontzegd, er sprake is van een manifeste schending van het gelijkheidsbeginsel, dat desgevallend dienaangaande aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag moet worden gesteld; 3.1.
  21. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord, met betrekking tot de interpretatie van artikel 26, § 2, van het milieuver- gunningsdecreet, het volgende repliceert : VII-33.322-6/13 "Dienaangaande dient vastgesteld dat er geen wijziging was gebeurd met betrekking tot de voorwaarden waartegen verzoekende partij beroep heeft aangetekend. Krachtens artikel 54, § 1, tweede lid Vlarem I kan immers 'tegen een beslissing van de Bestendige Deputatie van de provincieraad, waarbij de vergunningsvoorwaarden overeenkomstig de bepalingen van artikel 45 in eerste aanleg werden gewijzigd of aangevuld, beroep worden aangetekend bij de Vlaamse regering'. Zo ook bepaalt artikel 26 van het decreet betreffende de milieuvergunning dd. 28 juni 1985 dat : '§
  22. Tegen elke beslissing van de bestendige deputatie van de provincie- raad, waarbij de vergunningsvoorwaarden worden gewijzigd of aang- evuld, kan beroep worden ingediend bij de Vlaamse Regering (...)'. Door de Bestendige Deputatie werd bij besluit dd. 30 september 2004 énkel de bijzondere voorwaarde C. 14 i.v.m. de opslag van metalen en oud ijzer, geschrapt. Het verzoek tot wijziging van de voorwaarden nrs. 12, 17 en 19, opgelegd bij besluit van 11 januari 2001 aan het Gemeentebestuur Wachtebeke, wordt geweigerd door de Bestendige Deputatie. Bijgevolg werden deze laatste voorwaarden niet gewijzigd, noch aangevuld. Door verzoekende partij werd echter beroep aangetekend tegen voormelde voorwaarden 12, 17 en
  23. Het stond dan ook aan verwerende partij om, overeenkomstig artikel 54, §1, tweede lid Vlarem I, het beroep af te wijzen als definitief onontvankelijk"; dat de verwerende partij over de aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel het volgende antwoordt : "Verzoekende partij maakt gewag van een schending van het gelijkheidsbe- ginsel, indien haar als exploitant een beroepsmogelijkheid bij de Vlaamse Regering zou worden ontzegd. Desgevallend zou dienaangaande aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag dienen te worden gesteld. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet verzetten er zich niet tegen dat rechtsonderhorigen op een verschillende wijze worden behandeld op voorwaar- de dat dit onderscheid in behandeling berust op objectieve, redelijke en pertinente criteria, en beantwoordt aan het proportionaliteitsbeginsel. Door verzoekende partij wordt echter geen prejudiciële vraag geformuleerd, noch wordt aangetoond op welke wijze de bepalingen van artikel 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet geschonden zouden zijn. In casu kan bezwaarlijk sprake zijn van een bevoegdheidsconflict, dan wel een schending van een fundamenteel grondrecht, zoals bepaald in artikel 142 G.W. Aan verzoekende partij werd allerminst een beroepsmogelijkheid ontzegd, nu er een georgani- seerd administratief beroep openstond "; dat zij zich voorts als volgt vragen stelt bij het belang van de verzoekende partij : "Bovendien blijkt uit de motiveringen van het beroep van verzoekende partij dat zij akkoord ging met de voorwaarden, zoals opgelegd door de Bestendige Deputatie bij Besluit dd. 30 september 2004, nu uit de beroepsakte blijkt dat : 'Aansluiten van de reeds bestaande werf (toiletten) op het regenwater. (...) Gelet echter op de beslissing van de bestendige deputatie is het gemeentebestuur bereid deze werken te laten uitvoeren. (...) Gelet op de beslissing van de bestendige deputatie is het gemeente- bestuur bereid een afgedekte container te gebruiken. Het groenscherm stelde bij opmaak van het dossier problemen aangezien dit een eerder grote oppervlakte inhoudt. (...) VII-33.322-7/13 Ten einde toch enigszins tegemoet te komen aan de voorwaarden opgelegd aan de bestendige deputatie kunnen wij een uitgebreider groenscherm plaatsen aan de voorkant (zijde Stationsstraat).(...) Wij menen Mijnheer de Minister dat wij met onze voorstellen (beroep) zoveel mogelijk tegemoet komen aan de opgelegde voorwaarden (...)' Verzoekende Partij geeft in haar beroepsakte zelf aan dat zij bereid is tegemoet te komen aan de voorwaarden opgelegd door de Bestendige Deputatie! De vraag stelt zich dan ook naar het belang van verzoekende partij bij onderhavige procedure"; dat de verwerende partij ten slotte nog het volgende aanvoert : "Met betrekking tot de overige onderdelen van het tweede middel, met name de beweerde schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, van het redelijkheids- en rechtszekerheidsbeginsel, wordt door verzoekende partij op geen enkele manier gepreciseerd op welke wijze voormelde bepalingen geschonden zouden zijn. Verzoekende partij vermeldt deze beweerde schending van de beginselen van behoorlijk bestuur enkel in de titel van haar tweede middel. Volledigheidshalve wijst verwerende partij nog op het volgende. Er is schending van het redelijkheidsbeginsel wanneer de motieven van een beslissing op zichzelf in feite en in rechte juist zijn, maar tussen die motieven en de inhoud van de beslissing een kennelijke wanverhouding bestaat. De enige grens die aan de discretionaire bevoegdheid van de administratieve overheid wordt gesteld, is dit redelijkheidsprincipe. Het redelijkheidsbeginsel is enkel dan geschonden wanneer het bestuur een beslissing heeft genomen die alle redelijkheid tart, die men van een normaal werkend bestuur onmogelijk kan verwachten. In casu kan de beoordeling kan niet als onredelijk worden beschouwd, vermits toepassing werd gemaakt van de wettelijke bepalingen terzake, waardoor het beroep van verzoekende partij als onontvankelijk diende te worden beschouwd. De enige grens die in casu aan de discretionaire bevoegdheid van de administratieve overheid wordt gesteld, is dit redelijkheidsprincipe. De beoordeling kan in casu niet als onredelijk worden beschouwd. De bestreden beslissing is een beslissing die iedere in redelijkheid handelen- de overheid zou hebben genomen. Zelfs indien een of ander motief niet erg overtuigend zou overkomen, dan nog wettigt dit niet de conclusie dat het besluit tegen alle redelijkheid in zou zijn genomen. In dezen kan evenmin een schending van het rechtszekerheidsbeginsel worden aangetoond. De aanvraag tot het wijzigen van de bijzondere exploitatie- vergunningsvoorwaarden, werd ten dezen terecht geweigerd, vermits beroep werd aangetekend tegen exploitatievoorwaarden dewelke noch werden gewijzigd, noch werden aangevuld door de Bestendige Deputatie"; 3.1.
  24. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord stelt dat een zorgvuldig handelende overheid de toepasselijke regelgeving correct toepast, dat de overheid wel degelijk onredelijk handelt indien wel een beroepsmogelijkheid wordt toegestaan indien de door de aanvrager gevraagde wijzigingen of aanvullingen geheel of gedeeltelijk zouden zijn ingewil- ligd, maar niet indien de door de aanvrager gevraagde wijzigingen of aanvullingen zonder meer zijn geweigerd, dat de schending van het rechtszekerheidsbeginsel niet VII-33.322-8/13 is aangevoerd in het verzoekschrift tot nietigverklaring, maar het zorgvuldigheidsbe- ginsel des te meer, dat de verwerende partij bevestigt dat er een onderscheid wordt gemaakt, dat een beroep kan worden aangetekend indien in eerste aanleg wijziging- en aan of aanvullingen van de bijzondere voorwaarden zijn doorgevoerd, dat geen beroep kan worden aangetekend indien in eerste aanleg geen wijzigingen aan of aanvullingen van de bijzondere voorwaarden zijn doorgevoerd, dat de verwerende partij daarbij impliciet het door de verzoekende partij gelaakte onderscheid bevestigt, dat de verwerende partij aangeeft dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet er zich niet tegen verzetten dat bestuurden op een verschillende wijze worden behandeld op voorwaarde dat dit onderscheid in behandeling berust op objectieve, redelijke en pertinente criteria, en beantwoordt aan het proportionaliteits- beginsel, dat de verwerende partij echter in het geheel nalaat enige verantwoording aan te reiken voor het aangehaalde onderscheid, dat indien de vraag om wijzigingen vanwege de verzoekende partij gedeeltelijk zou zijn ingewilligd, zij wel over een beroepsmogelijkheid zou beschikken, dat nu haar aanvraag is geweigerd, de verzoekende partij geen beroepsmogelijkheid heeft, dat een administratief beroep nochtans voor gevolg heeft dat de beroepsinstantie opnieuw uitspraak kan doen over het gehele dossier, dat deze mogelijkheid ten onrechte aan de verzoekende partij wordt ontzegd, dat een prejudiciële vraag zich dan ook opdringt; dat de verzoekende partij de volgende formulering voorstelt : "(...) Schendt artikel 26, §2, Milieuvergunningsdecreet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wanneer deze bepaling in die zin wordt toegepast dat aan de exploitant een administratieve beroepsmogelijkheid wordt toegekend bij de Vlaamse regering tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad waarbij de vergunningsvoorwaarden worden gewijzigd of aangevuld en de administratieve beroepsmogelijkheid wordt ontzegd tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad waarbij de vergunningsvoorwaarden niet worden gewijzigd of aangevuld waardoor de aanvrager wiens vragen om wijzigingen of aanvullingen in het geheel zijn geweigerd zich zelfs in een minder gunstige positie bevindt dan de aanvrager wiens vraag om wijzigingen of aanvullingen gedeeltelijk is ingewilligd, hierbij rekening houdend met het feit dat een administratief beroep voor gevolg heeft dat de beroepsinstantie opnieuw uitspraak kan doen over het gehele dossier. (...)"; dat de verzoekende partij ten slotte stelt dat de verwerende partij van slechte wil getuigt waar zij zich afvraagt of de verzoekende partij wel een belang heeft bij de onderhavige procedure, na het onvolledig citeren van de beroepsakte van de verzoekende partij, dat de beroepsakte heel uitdrukkelijk het volgende stelt : VII-33.322-9/13 "(...) Wij menen Mijnheer De Minister dat wij met onze voorstellen (beroep) zoveel mogelijk tegemoet komen aan de opgelegde voorwaarden en menen daarom dat een wijziging van de opgelegde voorwaarden moet mogelijk zijn. Bij niet-inwilliging zien wij ons genoodzaakt het containerpark te sluiten voor de bevolking van Wachtebeke. (...)", dat de verwerende partij in de memorie van antwoord een deel van de tekst heeft weggelaten, dat de verzoekende partij wel degelijk een belang heeft bij de onderhavige procedure, dat de bestreden beslissing geen uitspraak heeft gedaan over de door de verzoekende partij gevraagde wijzigingen; 3.1.
  25. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie nog aanvoert dat niet valt in te zien om welke redenen de exploitant geen beroep zou kunnen instellen indien de vergunningsvoorwaarden op zijn verzoek in eerste aanleg wel zijn gewijzigd of aangevuld, maar niet in de mate die hem voldoende genoeg- doening schenkt, namelijk slechts gedeeltelijk, dat de exploitant dan evengoed van de administratieve beroepsmogelijkheid gebruik kan maken en zijn hoop kan stellen in het volledig of meer inwilligen van de door hem gevraagde wijzigingen of aanvullingen door de beroepsinstantie die het hele dossier opnieuw beoordeelt; dat zij volgend voorbeeld geeft : "Aan de verzoekende partij is een groenscherm opgelegd met een breedte van 3m. De verzoekende partij vraagt om de breedte van het groenscherm terug te brengen tot 1m. Het valt niet in te zien om welke redenen de verzoekende partij geen beroep zou kunnen indienen wanneer in eerste aanleg de gevraagde wijziging slechts wordt ingewilligd in die mate dat de breedte van het groenscherm 'slechts' wordt teruggebracht tot 2m. De verzoekende partij heeft recht, minstens zou moeten het recht hebben, om in beroep alsnog te trachten bekomen dat de breedte van het groenscherm wordt teruggebracht tot 1m"; dat zij ten slotte stelt dat een dergelijke beperking geen enkele redelijke verantwoor- ding kan vinden, dat zij niet inziet op welke wijze haar uitgangspunt dubieus is bij het formuleren van het voorstel van prejudiciële vraagstelling, dat de ongelijke behandeling niet louter theoretisch is, noch zonder enige belangenschade; 3.1.
  26. Overwegende dat artikel 26 van het milieuvergunningsdecreet als volgt luidt : "§
  27. Tegen elke beslissing van het college van burgemeester en schepenen, waarbij de vergunningsvoorwaarden worden gewijzigd of aangevuld, kan beroep worden ingediend bij de bestendige deputatie van de provincieraad die uitspraak doet binnen een termijn van twee maanden na ontvangst van het beroepschrift. VII-33.322-10/13 §
  28. Tegen elke beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad, waarbij de vergunningsvoorwaarden worden gewijzigd of aangevuld, kan beroep worden ingediend bij de Vlaamse Regering, die uitspraak doet binnen een termijn van twee maanden na ontvangst van het beroepschrift. §
  29. Het beroep bedoeld in dit artikel kan worden ingediend door de personen, vermeld in artikel 24, §1, binnen de 10 dagen na de bekendmaking van de bestreden beslissing. Dat beroep schorst deze beslissing. §
  30. De Vlaamse Regering regelt de wijze waarop het beroep bedoeld in dit artikel moet worden ingediend, bekendgemaakt en behandeld"; dat artikel 23 van het milieuvergunningsdecreet als volgt luidt : "§
  31. Tegen elke beslissing over vergunningsaanvragen in eerste aanleg genomen door het college van burgemeester en schepenen, kan beroep worden ingediend bij de bestendige deputatie van de provincieraad, die uitspraak doet binnen een termijn van vier maanden na ontvangst van het beroepschrift. §
  32. Tegen elke beslissing over vergunningsaanvragen in eerste aanleg genomen door de bestendige deputatie van de provincieraad, kan beroep worden ingediend bij de Vlaamse Regering, die uitspraak doet binnen een termijn van vijf maanden na ontvangst van het beroepschrift. (...)"; dat uit deze artikelen volgt dat voor de beslissing over milieuvergunningsaanvragen een procedure is voorzien, waarbij voor iedere beslissing over de initiële aanvraag een beroep openstaat; dat voor de latere aanvragen tot wijziging of aanvulling van de voorwaarden van die vergunning, evenwel slechts een beroep openstaat wanneer die voorwaarden effectief zijn gewijzigd of aangevuld; dat dit inhoudt dat het beroep niet is bedoeld als tweede aanleg voor de aanvrager wiens aanvraag is geweigerd; dat als de voorwaarden zijn gewijzigd op vraag van de exploitant, het beroep is bedoeld voor derden-belanghebbenden of voor de adviesverlenende instanties; dat als de voorwaarden daarentegen ambtshalve zijn gewijzigd of aangevuld, of op vraag van de adviesverlenende instanties of derden-belanghebbenden, het beroep is bedoeld om de exploitant de kans te geven voor zijn belangen op te komen; dat de verwerende partij artikel 26, § 2, van het milieuvergunningsdecreet en artikel 54, § 1, tweede lid, van Vlarem I correct heeft toegepast; dat bijgevolg ook het zorgvul- digheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel niet zijn geschonden; Overwegende dat de verzoekende partij van oordeel is dat artikel 26, § 2, van het milieuvergunningsdecreet, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, en wil dat de Raad van State aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag stelt; dat het uitgangspunt van de verzoekende partij evenwel onjuist is; dat de hypothese "dat aan de exploitant een administratieve beroepsmogelijkheid wordt toegekend (...) tegen de beslissing (...) waarbij de vergunningsvoorwaarden worden gewijzigd of aangevuld", enkel zinvol is wanneer de vraag tot wijziging of VII-33.322-11/13 aanvulling niet van de exploitant is gekomen; dat er niet valt in te zien waarom een exploitant die heeft gekregen wat hij heeft gevraagd, daartegen in beroep zou gaan; dat de ongelijke behandeling die door het artikel zou zijn gecreëerd, een loutere interpretatie is van de verzoekende partij, en dat zij hiermee zelf kiest voor een interpretatie die een ongelijke behandeling impliceert; dat de verzoekende partij precies om die reden aan de voorgestelde prejudiciële vraag de bedenking toevoegt dat "de aanvrager wiens vragen om wijzigingen of aanvullingen in het geheel zijn geweigerd zich zelfs in een minder gunstige positie bevindt dan de aanvrager wiens vraag om wijzigingen of aanvullingen gedeeltelijk is ingewilligd"; dat het juist is dat de bewoordingen van artikel 26, § 2, van het milieuvergunningsdecreet, niet uitdrukkelijk uitsluiten dat een aanvrager administratief beroep zou kunnen indienen wanneer zijn vraag tot wijziging van een voorwaarde gedeeltelijk zou zijn ingewilligd; dat zulks niet de situatie is die het artikel beoogt te regelen; dat voortgaande van het hoger uiteengezette doel van artikel 26, § 2, van het milieuver- gunningsdecreet, er ook geen administratief beroep openstaat voor de aanvrager wiens aanvraag gedeeltelijk is ingewilligd; dat in die interpretatie er geen ongelijke behandeling mogelijk is; dat het bijgevolg zinloos is aan het Grondwettelijk Hof te vragen of deze "ongelijke behandeling" de toetsing aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doorstaat; dat het tweede middel niet gegrond is; 3.
  33. Overwegende dat, aangezien de verwerende partij artikel 26, § 2, van het milieuvergunningsdecreet correct heeft toegepast, en zij bij een nieuw onderzoek van de ontvankelijkheid dezelfde beslissing zou moeten nemen, de verzoekende partij geen belang heeft bij haar eerste middel waarin zij de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen heeft aangevoerd; dat bovendien uit het tweede middel blijkt dat de verzoekende partij wel degelijk de motieven van het bestreden besluit blijkt te kennen; dat het eerste middel niet ontvankelijk is, VII-33.322-12/13 BESLUIT: Artikel
  34. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  35. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf maart tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-33.322-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.294 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.