id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.297 Rolnummer: A. 168419/VII-35080 Zaak: Arrest 191297 - Milieuvergunningen - 12/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-25 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 22:03 Fiche Arrest nr 191.297 van 12 maart 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.297 van 12 maart 2009 in de zaak A. 168.419/VII-35.
- In zake : Paul GABRIËL, die woonplaats kiest bij advocaat D. VAN HEUVEN, kantoor houdende te KORTRIJK, President Kennedypark 6, bus 24 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. NIJS, kantoor houdende te DENDERMONDE, Noordlaan 82-
- tussenkomende partij : Rik VERVAEKE, die woonplaats kiest bij advocaat K. VAN WYNSBERGE, kantoor houdende te LEUVEN, Diestsevest
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Paul GABRIËL op 7 december 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 10 oktober 2005, waarbij het beroep, aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 14 april 2005, houdende het weigeren van een milieuvergunning na proef aan Rik VERVAEKE om een inrichting, gelegen aan de Kerkstraat 99 te Deerlijk, te exploiteren en uit te breiden, gegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing wordt opgeheven en de gevraagde vergunning wordt verleend; Gelet op het arrest nr. 156.450 van 16 maart 2006 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; VII-35.080-1/10 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door verzoeker; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 11 mei 2006 ingediend door Rik VERVAEKE; Gelet op de beschikking van 15 mei 2006 die de tussenkomst van Rik VERVAEKE toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 5 januari 2009 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 5 februari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. VERMEIR die, loco advocaat D. VAN HEUVEN verschijnt voor verzoeker, van advocaat F. DE BISSCHOP die, loco advocaat J. NIJS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat K. VAN WYNSBERGE, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; VII-35.080-2/10 OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- Verzoeker woont te Deerlijk in de Bouckaertstraat nr.
- Zijn eigendom grenst aan de achterzijde aan het perceel waarop de kippenstallen van de tussenkomende partij gevestigd zijn. Deze stallen bevinden zich op een afstand van vier meter van de perceelsgrens en op 30 meter van verzoekers woning. Zowel de stallen van de tussenkomende partij als de woning van verzoeker liggen in agrarisch gebied volgens het bij koninklijk besluit van 4 november 1977 vastgestelde gewestplan Kortrijk. 1.
- Op 30 december 1977 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen aan de vader van de tussenkomende partij een vergunning voor het exploiteren van een gemengd bedrijf met onder meer 35.000 kippen. 1.
- De tussenkomende partij neemt midden de jaren '80 de exploitatie van dit bedrijf over. Ingevolge een aanvraag om de vergunning te hernieuwen, verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen op 17 november 1988 een vergunning voor onder meer het houden van 35.000 kippen en een stal voor 20 varkens en 20 runderen, evenwel voor een termijn van slechts vijf jaar, en dit om de exploitant de mogelijkheid te bieden "om zijn inrichting over te brengen naar een geschikte plaats". Het beroep tegen deze beslissing wordt afgewezen bij ministerieel besluit van 14 maart
- 1.
- Bij het verstrijken van de vergunningstermijn wordt opnieuw een aanvraag tot hernieuwing ingediend, waarbij het aantal kippen in de aanvraag wordt beperkt tot 28.000 en waarbij tevens wordt afgezien van de verdere uitbating van één van de vier stallen, die gelegen is in woongebied. Op 19 augustus 1993 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen de gevraagde vergunning, voor onder meer 28.000 kippen en 20 runderen, voor een termijn van slechts tien jaar omdat "het om een oude inrichting gaat die geleidelijk ingesloten raakt door woningen". Als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd dat binnen vijf jaar een degelijker wintervast groenscherm moet worden aangelegd en dat de drie stallen moeten worden voorzien van degelijke stof- en reukfilters. Tegen deze beslissing tekent verzoeker een beroep aan. Dit beroep wordt verworpen op 14 februari
- VII-35.080-3/10 1.
- Op 3 januari 2003 dient de tussenkomende partij een aanvraag in om onder meer de hernieuwing te verkrijgen van de vergunning verleend voor het houden van 28.000 kippen. Op 24 april 2003 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen een vergunning op proef voor twee jaar, waarbij tevens het aantal kippen op grond van de aanvaardbare mestproductie beperkt wordt tot 23.886 en waarbij de gevraagde 20 runderen worden geweigerd. Als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd dat de exploitant binnen een maand na het verkrijgen van de vergunning een detailplan moet opmaken met aanduiding van het gedeelte van de stal dat buiten gebruik zal worden gesteld, en dat de in de milieuvergunning van 19 augustus1993 opgelegde bijzondere voorwaarden van kracht blijven. Tegen deze beslissing wordt een beroep aangetekend door zowel de verzoekende als de tussenkomende partij. Beide beroepen worden verworpen bij beslissing van 24 oktober
- Bij beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 15 juli 2004 wordt de op 24 april 2003 verleende proefvergunning na tussentijdse evaluatie "behouden". 1.
- Bij het aflopen van de termijn voor de proefvergunning weigert de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen op 14 april 2005 de milieuvergunning, in essentie omdat er onvoldoende maatregelen worden genomen om de geur- en geluidshinder voor de omgeving te beperken. 1.
- Tegen deze beslissing wordt door tussenkomende partij een beroep aangetekend. De Vlaamse Landmaatschappij, de afdeling Monumenten en Landschappen en de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen adviseren gunstig. De afdeling Milieuvergunningen adviseert ongunstig. De Gewestelijke Milieuvergunningscommissie adviseert voorwaardelijk gunstig, met name mits het opleggen van de volgende bijzondere voorwaarden: de exploitant moet een register met hokkaarten bijhouden, de stoffilters moeten regelmatig worden geklopt en gereinigd, de mest moet worden afgedekt in afwachting van ophaling, de strooisellaag moet een "DS-gehalte" van minimum 60 % hebben, natte zones moeten worden vermeden door onder andere bij te strooien en de poorten van de stallen mogen slechts worden geopend voor verluchting als de stallen leeg en gereinigd zijn. VII-35.080-4/10 Bij brief van 17 augustus 2005 laat de tussenkomende partij aan de afdeling Milieuvergunningen weten dat er intussen milieukokers werden geplaatst, die een beperking van de geuremissie en van de geluidshinder tot gevolg hebben, en tevens dat er nieuwe geluidsarme ventilatoren werden geplaatst. Op verzoek van de tussenkomende partij wordt op 14 september 2005 ook nog een geluidsstudie uitgevoerd. 1.
- Op 10 oktober 2005 verklaart de verwerende partij het beroep van de tussenkomende partij gegrond en verleent zij de milieuvergunning voor een termijn van twintig jaar voor onder meer de exploitatie van stallen voor 23.886 kippen en de opslag van 100 m³ dierlijke mest. Tevens worden de bijzondere voorwaarden, voorgesteld door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie, opgelegd. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd: "Overwegende dat het voorwerp van onderhavige aanvraag het beroep van de exploitant betreft tegen het weigeren van de definitieve vergunning na proef voor het verder exploiteren van een kippenfokkerij; Overwegende dat de inrichting vergund was tot 19 augustus 2003 voor het exploiteren van een rund- en kippenfokkerij; dat de exploitant een hernieuwing van de vergunning heeft aangevraagd; dat de exploitant een vergunning op proef gekregen heeft voor twee jaar omwille van de problematiek van geluids-, geur- en stofhinder; dat een erkend deskundige in mei 2004 de problematiek in de stallen heeft geëvalueerd; dat op basis hiervan actiepunten voor de exploitant werden geformuleerd; dat in november 2004 de deskundige het bedrijf een bezoek heeft gebracht om te controleren of de actiepunten werden nageleefd; Overwegende dat de actiepunten gedeeltelijk werden uitgevoerd; dat er enkele praktische problemen waren zoals de arbeidsintensiteit van het kloppen en reinigen van de stoffilters en de verhoogde stress bij de dieren door deze manipulaties; dat de exploitant tijdens het horen in de zitting van de Provinciale Milieuvergunningscommissie verklaarde nog de resterende actiepunten (geluidsarme ventilatoren, verplaatsen van de ronddrinkers) ook uitgevoerd te hebben, met uitzondering van het plaatsen van de milieukokers omwille van de investeringskost; Overwegende dat de afdeling Milieu-inspectie op 9 september 2004 en 15 september 2004 geluidsmetingen heeft uitgevoerd; dat er een overschrijding van de richtwaarden is vastgesteld; dat de streefwaarde voor de dag met 2,9 dB(A) was overschreden; dat de streefwaarde voor ' s avonds met 5,2 dB(A) werd overschreden; dat als deze waarde ' s nachts aangehouden wordt er een overschrijding van 10,2 dB(A) te verwachten valt; dat een factuur van 30 juni 2005 aantoont dat de exploitant geluidsarme ventilatoren heeft geplaatst; dat er sindsdien nog geen controlegeluidsmetingen gebeurd zijn; Overwegende dat de afdeling Milieu-inspectie op 17 november 2004 een klacht heeft binnen gekregen van geurhinder; dat een inspecteur van de afdeling Milieu-inspectie op 23 november 2004 geurhinder heeft vastgesteld; dat dit te wijten was aan het feit dat er ongereinigde stallen (zonder kippen) open stonden om te verluchten; dat de kippen net afgevoerd waren naar het slachthuis; dat een factuur van 31 mei 2005 aantoont dat de exploitant 20 milieu-kokers heeft VII-35.080-5/10 geïnstalleerd op de stallen; dat deze geïnstalleerd werden na het verlopen van de proefvergunning; Overwegende dat gesteld kan worden dat de geluidsproductie zal verminderd zijn met het vervangen van de ventilatoren door lawaaivriendelijke ventilatoren; dat de milieukokers een geluidsdempende werking hebben; dat uit het verslag van de erkend deskundige ook blijkt dat dit de hinder door stof zal verminde- ren; Overwegende dat volgens de erkend deskundige de geurhinder afkomstig is door een te lage droge stof-gehalte (%DS) in de strooisellaag; dat rond een van de drinkers een DS van 49,5% werd gemeten; dat het volgens de erkend deskundige opportuun is het DS-gehalte van het strooisel boven de 60% te houden; dat de geurhinder vastgesteld door de inspecteur van de afdeling Milieu-inspectie het gevolg was van het ventileren van niet-gereinigde stallen; dat er geen geurhinder vastgesteld zou zijn als de poorten gesloten waren of als de stallen gereinigd waren vooraleer de poorten geopend werden; Overwegende dat de exploitant geluidsmetingen heeft laten uitvoeren door een erkend deskundige; dat op basis van deze metingen uitgevoerd door de erkend deskundige van Avitech Acoustics bvba een rapport met kenmerk A.0509.2218A werd opgesteld; dat de ventilatoren manueel op hun maximale capaciteit werden gezet; dat in drie meetpunten geluidsmetingen werden uitgevoerd: - P l: Bouckaertstraat 7 (klager) - agrarisch gebied; - P 2: Kerkstraat 101 (woning Rik Vervaeke) - woongebied; - P 3: Groenstraat 27 - agrarisch gebied; dat Lsp in P1, P2 en P3 respectievelijk 32 dB(A) , 31 dB(A) en 29 dB(A) bedraagt; dat in deze omstandigheden er in meetpunt P1 's nachts een overschrijding is met 2 dB(A); Overwegende dat de exploitant verklaarde dat de ventilatoren ' s nachts niet op hun maximale capaciteit staan; dat 's nachts het geluid afkomstig van de ventilatoren lager zal liggen dan overdag omdat het 's nachts koeler is; dat de effectieve waarden lager zullen liggen dan de gemeten waarden".
- Ten gronde 2.
- Verzoeker roept als eerste middel de schending in van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet), van artikel 52, 3/, b), van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I), van het "algemeen rechtsbeginsel dat elke overheid oplegt zijn beslissingen formeel en materieel te motiveren", van artikel 18, § 1, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet), van het rechtszekerheidsbe- ginsel en van de door de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen verleende proefvergunning. Het derde onderdeel van het middel betreft de motivering van de bestreden beslissing, die "intern tegenstrijdig, niet pertinent en niet bewezen" wordt genoemd. VII-35.080-6/10 In essentie bekritiseert dit onderdeel het "voorwaardelijk karakter" van de motivering waarbij wel een milieuvergunning wordt verleend, en het feit dat de enige studie die werd uitgevoerd na de ingrepen van de tussenkomende partij en die van een geluidoverschrijding doet blijken, opzij wordt geschoven. 2.
- In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij als exceptie op dat verzoeker een aantal schendingen inroept die op geen enkele wijze worden toegelicht en dat hij niet enkel moet vermelden welke bepaling werd geschonden, maar ook op welke wijze aan deze bepaling tekortgekomen is. Voorts stelt zij, in verband met de geurhinder, dat er slechts één klacht werd geacteerd, te wijten aan het verluchten van lege, ongereinigde stallen, waarvoor passende maatregelen werden genomen en dat de actiepunten die door de erkende deskundige werden voorgesteld, werden uitgevoerd of als bijzondere voorwaarde werden opgelegd. Inzake de geluidsoverlast stelt zij dat er slechts op één meetpunt sprake is van een overschrijding van de geluidsnorm, met 2 dB(A), wanneer de ventilators "op vol vermogen worden geplaatst", zodat er volgens haar geen maatregelen moeten worden opgelegd, en dat de geluidsniveaus intussen zijn gedaald tot maximaal 32 dB(A). 2.
- De tussenkomende partij betoogt in haar memorie dat alleszins inzake de geluidshinder reeds is aangetoond dat vrij ingrijpende maatregelen zijn getroffen die zeker tot een beperking van de waargenomen hinder zullen leiden, dat er "enkel gedurende de nacht nog sprake (is) van een overschrijding van de richtwaarden - in afwijking van de eerdere geluidsmetingen die op elk ogenblik een overschrijding aantoonden" en dat de vastgestelde nachtelijke overschrijding een louter gevolg is van de gesimuleerde omstandigheden die zich volgens haar in de praktijk nooit zullen voordoen. 2.
- In haar laatste memorie stelt de tussenkomende partij dat de stelling dat geen geurhinder werd waargenomen steunt op de bevindingen van de erkende deskundige. Inzake de geluidshinder meent zij dat op grond van het "beslissingsschema 4.5.6.2." van Vlarem II geen bijkomende maatregelen moeten worden genomen. VII-35.080-7/10 2.
- Verzoeker roept in het middel op een voldoende duidelijke manier de schending in van de materiële en de formele motiveringsplicht en van artikel 18, § 1, van het milieuvergunningsdecreet. De verwerende partij heeft dit ook zo begrepen en heeft het middel kunnen beantwoorden. De exceptie wordt verworpen. In het bestreden besluit wordt gesteld dat door de lawaaivriende- lijke ventilatoren en het plaatsen van milieukokers de geluidsproductie en de hinder door stof "zullen" verminderen. Dit is blijkbaar nog niet vastgesteld. Men leest ook dat er "geen geurhinder vastgesteld zou zijn" als de poorten gesloten waren of als de stallen gereinigd waren vooraleer de poorten geopend werden. Wat de geluidshinder betreft, is er een studie van Avitech, waarnaar in het bestreden besluit wordt verwezen en waaruit blijkt dat de normen niet volledig worden gehaald. Er wordt, volgens deze studie, op het ogenblik van de metingen een overschrijding tot 7 dB(A) vastgesteld, die "in het beste geval" kan worden gereduceerd tot 2 dB(A). Er moeten, steeds volgens deze studie, nog saneringswerken worden bepaald en uitgevoerd, waarna nieuwe metingen moeten gebeuren. De verwerende partij kon niet zomaar voorbijgaan aan de vastgestelde overschrijding van de geluidswaarden. Zij kon dus niet, op grond van deze studie zonder meer toch de vergunning verlenen. Overigens blijkt er geen geluidsstudie te bestaan die de situatie weergeeft als het bedrijf in volle werking is. Voorts verwijst de verwerende partij in de bestreden beslissing naar de vastgestelde geurhinder bij het verluchten van ongereinigde stallen. Zij leidt daaruit, zonder meer, af dat, als deze bron van geurhinder zou wegvallen, er helemaal geen geurhinder meer zou zijn. Dit is een loutere veronderstelling die niet wordt onderbouwd. Uit de motivering van het bestreden besluit blijkt niet dat de verwerende partij in het administratief dossier voldoende garanties heeft gevonden dat de vastgestelde hinder in de toekomst tot een aanvaardbaar niveau zal worden teruggebracht en dat de vastgestelde overtredingen van de milieunormen zullen worden verholpen. Het derde onderdeel van het eerste middel is gegrond, VII-35.080-8/10 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 10 oktober 2005, waarbij het beroep, aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 14 april 2005, houdende het weigeren van een milieuvergunning na proef aan Rik VERVAEKE om een inrichting, gelegen aan de Kerkstraat 99 te Deerlijk, te exploiteren en uit te breiden, gegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing wordt opgeheven en de gevraagde vergunning wordt verleend. Artikel
- Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-35.080-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf maart tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. L. HELLIN. VII-35.080-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.297 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.450 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div