id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.299 Rolnummer: A. 180832/VII-36897 Zaak: Arrest 191299 - Milieuvergunningen - 12/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-23 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 22:04 Fiche Arrest nr 191.299 van 12 maart 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.299 van 12 maart 2009 in de zaak A. 180.832/VII-36.
- In zake : de gemeente LENDELEDE, die woonplaats kiest bij advocaat B. VAN DORPE, kantoor houdende te KORTRIJK, Loofstraat 39 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat
- tussenkomende partij : de NV STEVAN, die woonplaats kiest bij advocaat A. LUST, kantoor houdende te BRUGGE, Baron Ruzettelaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de gemeente LENDELEDE op 6 februari 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 8 december 2006 houdende uitspraak over de beroepen aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 8 juni 2006, houdende het gedeeltelijk verlenen aan de NV STEVAN van de vergunning om een stortplaats aan de Heulsestraat 87 te Lendelede verder te exploiteren; Gelet op het arrest nr. 171.907 van 7 juni 2007 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; VII-36.897-1/13 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partij; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 23 juli 2007 ingediend door de NV STEVAN; Gelet op de beschikking van 25 juli 2007 die de tussenkomst van de NV STEVAN toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij en het verzoek tot voortzetting van de tussenkomende partij; Gelet op de beschikking van 5 januari 2009 waarbij de terechtzit- ting wordt bepaald op 5 februari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. VAN DORPE, die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat F. TEMMERMAN die, loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat E. CASTELEYN die, loco advocaat A. LUST verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; VII-36.897-2/13 OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- De tussenkomende partij exploiteert in navolging van een klei- ontginning een stortplaats aan de Heulsestraat te Lendelede, die ingedeeld is in de vakken A, B, C, D en E. 1.
- Volgens het bij koninklijk besluit van 4 november 1977 vastgestelde gewestplan Kortrijk, is de inrichting deels gelegen in een industriege- bied met milieubelastend karakter en deels in een ontginningsgebied, met als nabestemming bosgebied. Blijkbaar is de inrichting ook deels gelegen in een bufferzone. 1.
- Voor de inrichting geldt het Bijzonder Plan van Aanleg (hierna : BPA) "Bergkapel". 1.
- Op 29 juni 2001 vraagt de tussenkomende partij een vergunning aan voor de verdere exploitatie van een stortplaats categorie 2 voor niet-gevaarlijke huishoudelijke en daarmee vergelijkbare afvalstoffen. 1.
- Bij beslissing van 25 oktober 2001 wordt de gevraagde vergunning verleend door de bestendige deputatie van de provincieraad van West- Vlaanderen voor een termijn van acht jaar, mits naleving van bijzondere voorwaar- den. 1.
- Tegen deze beslissing wordt door de tussenkomende partij, de verzoekende partij en omwonenden beroep ingesteld bij de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur. 1.
- Op 26 april 2002 worden deze beroepen gedeeltelijk ingewilligd en wordt de beroepen beslissing gewijzigd. Hierbij wordt gesteld dat de vergun- ningstermijn wordt verkort tot 31 december 2006, met als bijzondere voorwaarde dat het storten van huishoudelijk afval en vergelijkbaar bedrijfsafval vanaf 2004 volledig wordt verboden. 1.
- De tussenkomende partij stelt tegen deze beslissing een annulatieberoep in bij de Raad van State dat gekend is onder het nummer VII-36.897-3/13 A. 123.483/VII-27.
- Bij arrest nr. 180.189 van 28 februari 2008 heeft de Raad van State dit beroep verworpen. 1.
- Op 23 december 2005 dient de tussenkomende partij een milieuvergunningsaanvraag in voor de verdere exploitatie, omdat de aanvoer van afvalstoffen onvoldoende is om tijdig het gewenste eindprofiel te bereiken. 1.
- Op 8 juni 2006 verleent de bestendige deputatie van de provincie- raad van West-Vlaanderen de gevraagde vergunning, voor wat betreft de monostort- plaats voor ontwaterde, niet herbruikbare bagger en ruimingsspecie, residu van zandafscheidings- en grondreinigingsinstallaties en niet-reinigbare verontreinigde grond, maar wordt de vergunning geweigerd voor het verder exploiteren van een categorie 2-stortplaats. De milieuvergunning vangt aan op 1 januari 2007 en eindigt op 31 december
- 1.
- Tegen deze beslissing wordt opnieuw beroep ingesteld bij de bevoegde Vlaamse minister, door onder meer de verzoekende partij en de tussenkomende partij. 1.
- Na het inwinnen van de nodige adviezen, wordt op 8 december 2006 het thans bestreden besluit genomen waarbij de beroepen beslissing deels wordt gewijzigd, de vergunningstermijn wordt verlengd tot 1 september 2011 en wordt gesteld dat bepaalde stortvlakken sneller dienen te worden volgestort en afgewerkt.
- De ontvankelijkheid Volgens de verwerende en de tussenkomende partij heeft de verzoekende partij, als gemeente, geen belang bij haar beroep. Een gemeente heeft in beginsel belang bij een annulatieberoep tegen een milieuvergunning voor een inrichting op haar grondgebied. De verwe- rende en de tussenkomende partij brengen geen gegevens aan die zouden leiden tot een ander oordeel. Het argument dat de verdere exploitatie van de stortplaats nodig zou zijn om te komen tot een afwerkingsprofiel dat de verzoekende partij zelf heeft vooropgesteld in een BPA, kan niet worden aanvaard. Uit het dossier blijkt immers dat de betwisting in hoge mate gaat om de duurtijd van de stortactiviteiten, en bijgevolg om de tijd die nog nodig zal zijn om de door de verzoekende partij VII-36.897-4/13 beoogde nabestemming van het gebied te realiseren. De vraag of de gewraakte voortdurende exploitatie daartoe noodzakelijk of gewenst is, behoort tot de grond van de zaak. Men kan de verzoekende partij bezwaarlijk het belang ontzeggen om met een annulatieberoep te proberen de door haar gewenste ruimtelijke ordening te realiseren. De exceptie kan niet worden aangenomen.
- Ten gronde 3.
- Het eerste middel Standpunt van de verzoekende partij 3.1.
- In een eerste middel wordt de schending aangevoerd van artikel 11, § 1, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet) en van artikel 17, 2/, a), van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I), "Doordat, niettegenstaande de aanvraag tot voorwerp heeft de hernieuwing van de (...) Vlarem I-rubrieken 2.3.6.b.1, 2 en 3 (zie aanvraag p. 15), en dit ook op deze wijze aan het publiek werd kenbaar gemaakt op 9 januari 2006 'Verder exploiteren van een stortplaats andere dan bedoeld in rubriek 2.3.7.: categorie 2 niet gevaarlijke huishoudelijke afvalstoffen, niet-gevaarlijke bedrijfsafvalstof- fen vergelijkbaar met huishoudelijke afvalstoffen en niet-gevaarlijke bijzondere afvalstoffen. Aangevraagde rubrieken uit de indelingslijst Vlarem 2.3.6.b.1., 2.3.6.b.
- en 2.3.6.b.3.', het bestreden besluit de vergunning verleent voor de rubriek 2.3.7 en aldus de bevestiging inhoudt van het besluit genomen op 8 juni 2006 door de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen (...), houdende het verlenen van vergunning voor uitbaten van een mono-stortplaats voor ontwaterd baggerslib en/of ruimingsspecie afkomstig van baggerwerken, uitgevoerd in bevaarbare en onbevaarbare waterlopen met een resterende stortcapaciteit van 363.723 m3 waarbij volgende afvalstoffen worden gestort: ontwaterde, niet herbruikbare bagger- en ruimingsspecie; residu van zandafscheidings- en grondreinigingsinstallaties; niet-reinigbare verontrei- nigde grond; Rubriek Vlarem : 2.3.7.a., voor een termijn van 01.01.2007 t.e.m. 31.12.2009 welke termijn door het bestreden besluit evenwel wordt verlengd tot 1 september 2011; Terwijl, in toepassing van artikel 11 van het milieuvergunningsdecreet elke beslissing over een vergunningsaanvraag wordt voorafgegaan door een openbaar onderzoek dat wordt ingesteld volgens de modaliteiten en binnen de termijnen bepaald door de Vlaamse regering; dat ingevolge artikel 17, 2/, a Vlarem I, het onderwerp van de aanvraag moet bekendgemaakt worden; dat evenwel de vergunning voor de rubriek 2.3.7.a. niet was aangevraagd en dan ook niet het voorwerp heeft uitgemaakt van de bekendmaking en evenmin werd onderworpen aan het openbaar onderzoek; dat de bekendmaking van de aanvraag melding maakt van het verder exploiteren van een stortplaats andere dan bedoeld in rubriek 2.3.7, zodat de belanghebbenden er zich zeker niet moeten aan verwachten dat de aanvraag betrekking heeft op de rubriek 2.3.7.; VII-36.897-5/13 dat de belanghebbenden aldus geen opmerkingen hebben kunnen formuleren omtrent een (onbestaande) aanvraag voor de rubriek 2.3.7.a; dat deze rubriek ambtshalve werd toegevoegd en vergund door de bestendige deputatie en bevestigd door het bestreden besluit; dat de motivering vervat in het besluit van de bestendige deputatie 'gezien de monodeponie van bagger- en ruimingsspecie volledig werd opgenomen en beschreven in het aanvraagdossier' niet kan gelden als verantwoording en rechtsgrond om over te gaan tot ambtshalve vergunning; dat van de belanghebbenden kan worden verwacht dat zij hun bezwaren beperken tot hetgeen het eigenlijke voorwerp uitmaakt van de aanvraag, zoals dit wordt aangeduid door de exploitant en bekendgemaakt; dat van de belanghebbenden niet kan worden verwacht dat zij, ondanks de bekendmaking dat het gaat om het verder exploiteren van een stortplaats andere dan bedoeld in rubriek 2.3.7, toch de lijvige en zeer technische milieuvergunningsaanvraag in die mate zouden doorgronden en interpreteren dat zij tot de bevinding zouden komen dat het eigenlijk voorwerp van de aanvraag moet worden aangevuld met de rubriek 2.3.7.a; dat het openbaar onderzoek een substantiële vormvereiste is; dat het ambtshalve aanvullen van de aanvraag met de Vlarem I rubriek 2.3.7.a die eigen kenmerken vertoont en grond biedt tot andere bezwaren, niet mogelijk is na het openbaar onderzoek; dat aldus artikel 11 van het milieuver- gunningsdecreet werd geschonden, evenals artikel 17, 2/, a Vlarem I". Beoordeling 3.1.
- Een eventuele onvolkomenheid in de bekendmaking van een openbaar onderzoek leidt niet automatisch tot de vernietiging van een erop volgende milieuvergunning. Wie de vernietiging vordert, moet aantonen dat zijn belangen werden geschaad. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de beweerd verkeerde vermelding de verzoekende partij zelf, die als enige een annulatieberoep heeft ingediend, niet op een dwaalspoor heeft gebracht. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lendelede heeft immers, zoals voorgeschreven, advies uitgebracht over de aanvraag, en mag worden geacht de aanvraag correct te hebben gelezen. De tussenkomende partij stelt dan ook terecht dat de verzoekende partij geen belang heeft bij dit middel, dat daarom onontvankelijk is. In haar laatste memorie brengt de verzoekende partij geen elementen aan die tot een ander oordeel kunnen leiden. Zij beperkt zich er immers toe een aantal hypothetische gevallen in ogenschouw te nemen. Het eerste middel is niet gegrond. VII-36.897-6/13 3.
- Het tweede middel Standpunten van de partijen 3.2.
- In een tweede middel wordt de schending aangevoerd van de "ministeriële besluiten van 26 april 2002, 11 juni 2003 en 14 juni 2005" en het beginsel "patere legem quam ipse fecisti" waardoor de overheid gehouden is aan de inhoud van haar vroegere beslissing, tenzij in de beperkte gevallen waarin zij deze kan intrekken, de artikelen 18 en 21 van het milieuvergunningsdecreet en het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, "Doordat het bestreden besluit de klasse 1 milieuvergunning heeft verleend om de stortplaats verder te exploiteren, voor de periode van 1 januari 2007 tot 1 september 2011; Terwijl de minister bij besluit van 26 april 2002 de milieuvergunning voor de stortactiviteiten die door de bestendige deputatie op 25 oktober 2001 was verleend tot 25 oktober 2009 heeft beperkt tot 1 januari 2004 voor het storten van huishoudelijk afval en vergelijkbaar afval en tot 31 december 2006 voor de andere stortactiviteiten o.m. op grond dat '(...) het huidig afvalstoffenbeleid is gesteund op maximale preventie, recyclage en nuttige toepassing van afval; dat daarom het storten van afval, mede gelet op de zware maatschappelijke druk die een dergelijke activiteit met zich meebrengt, zo snel mogelijk moet worden stopgezet; dat dit beleid is geconcretiseerd in de stortverboden volgens het VLAREA; dat het Vlaams Parlement in zijn motie over het stortbeleid en de gezondheidseffecten van stortplaatsen voor omwonenden, aangenomen in plenaire vergadering op 24 oktober 2001, trouwens heeft gevraagd om alles in het werk te stellen om de stortplaatsen in de onmiddellijke omgeving van woonzones of woningen, zoals hier het geval is, prioritair te sluiten volgens een strikt schema; dat deze vraag kan worden bijgetreden, gelet op de onmiskenbare hinder die van een dergelijke activiteit uitgaat (visuele hinder, geur, geluid) en uit voorzorg voor de gezondheid van de omwonenden; dat om die reden een versnelde afwerking van deze stortplaats een vereiste is; dat ook de bestendige deputatie in haar beslissing uitgaat van dit principe, en stelt dat de eindtermijn primeert op het stortvolume of het eindreliëf; dat deze beperking in de tijd tegenover de vergunningsaanvraag en tegenover de vergunning verleend door de bestendige deputatie dan ook niet kan geïnterpreteerd worden als een maatregel in afwachting van wat de toekomst brengt, maar geldt als een duidelijk besluit om de aanvraag voor zover deze betrekking heeft op huishoudelijk en vergelijkbaar bedrijfsafval te weigeren na 1 januari 2004 en voor de andere stortactiviteiten na 1 januari 2007; dat de N.V. STEVAN tegen dit besluit een vordering tot nietigverklaring heeft ingesteld (A. 123.483/VII- 27.170), waaromtrent de Auditeur in zijn verslag van 20 oktober 2006 adviseert tot verwerping; dat deze beperking in de tijd werd bevestigd door de ministe- riële besluiten van 11 juni 2004 en 14 juni 2005, zoals aangetoond in de feitelijke uiteenzetting; dat de Minister gehouden is aan zijn eigen besluit van 26 april 2002, zoals later bevestigd, tot verwerping van de vraag tot verlenging van de milieuvergunning na 31 december 2006; dat door op 26 april 2002 te beslissen dat de vergunning wordt verleend tot 31 december 2006, de minister toen zijn bevoegdheid niet is te buiten gegaan en zijn macht niet heeft overschreden; dat de minister immers gehouden was te oordelen over de VII-36.897-7/13 aanvraag zoals geformuleerd door de N.V. STEVAN, die op het standpunt stond dat de vergunningstermijn van 8 jaar zelfs te kort was en zou moeten verlengd worden tot 15 jaar (zie ministerieel besluit van 26 april 2002 p. 3); dat de rechtspraak van de Raad van State (arrest nr. 50.366 van 24 november 1994) dat de minister zijn bevoegdheid overschrijdt wanneer hij beslist dat de milieuvergunning op een bepaalde locatie niet meer kan worden verlengd na een bepaalde datum, niet toepasselijk is op het geval waarin de minister, zoals in casu, precies verplicht is uitspraak te doen op de milieuvergunningsaanvraag voor een bepaalde periode en hij deze slechts toestaat tot een bepaalde datum, waardoor de aangevraagde vergunning voor de aangevraagde latere periode wordt geweigerd; dat wanneer later een verlenging van de milieuvergunning wordt aangevraagd voor de periode waarvoor de vergunning voorheen werd geweigerd, de minister geen abstractie kan maken van zijn vorige beslissing; dat de minister slechts onder zeer beperkte voorwaarden, zoals uitgewerkt door de rechtspraak van de Raad van State, de bevoegdheid heeft zijn vroegere vergunning geheel of gedeeltelijk in te trekken, wat hij in casu niet heeft gedaan en waartoe ook de voorwaarden niet vervuld zijn; dat deze intrekkingsvoor- waarden niet kunnen worden omzeild door gewoon een nieuwe beslissing te nemen die strijdig is met de vorige beslissing; dat de minister aldus zijn bevoegdheid overschrijdt door in het bestreden besluit de stortingsvergunning te verlenen voor de periode na 1 januari 2007 tot 1 september 2011, zonder dat de voorwaarden voor de intrekking van zijn daarmee strijdig besluit van 26 april 2002 zijn vervuld; dat het daarbij niet volstaat om, buiten de strikte intrekkingsvoorwaarden, andere gegevens en overwegingen naar voor te brengen, om zich niet meer te houden aan de eerder genomen beslissing; dat a fortiori eigen tekortkomingen aan de opgelegde exploitatievoorwaarden van de exploitant niet in aanmerking kunnen worden genomen om een verlenging van de vergunning toe te staan in strijd met de vorige beslissing; En terwijl, de bevoegdheid van de overheid om steeds bij gemotiveerde beslissing, ambtshalve of op verzoek, de door haar opgelegde vergunningsvoor- waarden te wijzigen of aan te vullen (artikel 21 van het milieuvergunningsde- creet), niet de bevoegdheid impliceert om ambtshalve of op verzoek van de exploitant of anderen de vergunningsweigering na een bepaalde datum om te zetten in een vergunning; En terwijl, in toepassing van artikel 18 van het milieuvergunningsdecreet, de vergunning op proef mag worden verleend voor een termijn van ten hoogste twee jaar in welk geval de bevoegde overheid voor het verstrijken van die termijn een definitieve beslissing neemt, waaruit a contrario volgt dat de minister door zijn bestreden besluit van 8 december 2006 niet gemachtigd was een beslissing te nemen die strijdig is met zijn besluit van 26 april 2002 dat geen vergunning op proef verleende, maar een definitieve vergunning; En terwijl de burger en de belanghebbenden krachtens het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel 'moeten kunnen vertrouwen op toezeggingen of beloften en besluiten die het bestuur in een concreet geval heeft gedaan of op wat door hem niet anders kan worden opgevat dan als een vaste gedrags- of beleidsregel van het bestuur op grond waarvan dat bestuur de door hem opgewekte gerechtvaardigde verwachtingen niet mag beschamen' (M. Van Damme en A. Wirtgen, Het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, in Beginselen van Behoorlijk Bestuur, Die Keure, 2006, p. 320); dat de in de tijd tot 1 januari 2007 beperkte stortingsvergunning verleend bij besluit van 26 april 2002 en bevestigd door de vermelde latere ministeriële besluiten, in hoofde van de burgers en van de gemeente rechtmatige verwachtingen heeft gecreëerd doordat de verdere vergunning van de stortplaats na die datum werd geweigerd; dat het hier gaat om een expliciete, uitvoerbare beslissing van de bevoegde overheid die niet is aangetast door enige onregelmatigheid, waarvan elk normaal voorzichtige burger en de overheid mag verwachten dat deze VII-36.897-8/13 beslissing zal worden gehonoreerd; dat de verzoekster in dit verband haar beroepsakte van 14 juli 2006 bevestigt waarin zij heeft aangevoerd: 'Over- wegende dat tijdens het openbaar onderzoek 734 bezwaren werden ingediend waarbij de sluiting van de stortplaats gevraagd werd; Overwegende dat enkel het weigeren van een cat. 2-stortplaats niet kan beschouwd (worden) als een tegemoetkoming aan deze bezwaren, daar er nog steeds een stortuitbating actief blijft met alle bijhorende hinder; Overwegende dat bij drie verschillende ministeriële besluiten telkens werd gesteld dat de einddatum van 31.12.2006 primordiaal was; Overwegende dat de gemeente dan ook van oordeel is dat deze einddatum moet nageleefd worden ongeacht het niveau dat gehaald wordt en dat de uitbater rekening houdende met deze einddatum dan ook een aangepast werkplan moet opmaken teneinde op deze einddatum de stortplaats effectief te sluiten; Overwegende dat de gemeenteraad in zitting van 28 juni 2006 eenparig beslist heeft dat deze beslissing onaanvaardbaar is voor de Lendeleedse bevolking en de voltallige gemeenteraad dan ook het College gevraagd heeft om beroep aan te tekenen;' en verder: 'De aanvraag tot verlenging van de bestaande milieuvergunning met 4 jaar en 8 maanden nl. tot 01.09.2011 druist in tegen de geest van de laatste ministeriële besluiten inzake de milieuvergunningen waarbij de einddatum van 31.12.2006 prioritair wordt gesteld en niet meer de maximale opvulling. In de milieuvergunning afgegeven door Minister Dua d.d. 26.04.2002 wordt de einddatum van 25.10.2009 opgelegd door de Bestendige Deputatie d.d. 25.10.2001 ingekort tot 31.12.2006, de bijzondere voorwaarde opgelegd waarbij tegen uiterlijk 1 september 2002 de aanvrager een gemotiveerd rapport inzake de mogelijkheden tot verlaging van het eindreliëf moet voorleggen en de bijzondere voorwaarde opgelegd (wordt) waarbij het jaarrapport alle maatregelen moet bevatten die genomen zijn om een versnelde opvulling te realiseren zodat de stortactiviteiten op 31.12.2006 kunnen beëindigd worden. In de milieuvergunning afgegeven door Minister Tavernier d.d. 11.06.2004 wordt het scenario met de laagste capaciteit weerhouden met nog een bijkomende afvlakking. De einddatum 31.12.2006 blijft echter gehandhaafd. In de milieuvergunning afgegeven door Minister Peeters d.d. 14.06.2005 wordt op basis van de enorme aanvoer die in de aanvraag tot aanpassing van de bijzondere voorwaarden wordt gegarandeerd, enerzijds een versoepeling van het eindniveau toegestaan (bijkomende afvlakking wordt opgeheven) maar anderzijds blijft de einddatum van 31.12.2006 behouden en wordt hij als prioritair beschouwd. Nu stellen wij vast dat in de nieuwe vergunning weer de maximale opvulling als belangrijkst element naar voor komt en de einddatum bijkomstig is. De vrees bestaat dan ook dat wanneer hij op de einddatum van de vergunning nog steeds niet de opgelegde maximale hoogtelijnen gehaald heeft, opnieuw een verlenging zal aanvragen. Op basis van deze beslissingen heeft de plaatselijke bevolking alle hoop op die einddatum gesteld. Na 26 jaar overlast is het maatschappelijk niet te verantwoorden dat deze einddatum terug met ettelijke jaren wordt opgescho- ven'; dat door het bestreden besluit het rechtszekerheids- en vertrouwensbegin- sel wordt geschonden". 3.2.
- De verwerende partij stelt dat de bestreden beslissing in overeenstemming blijft met de beleidsopties die de afgelopen jaren betreffende deze inrichting werden gehanteerd. Zij citeert dan uitvoerig uit de bestreden beslissing, waaruit moet blijken "dat de bevoegde overheid niet zonder meer afstapt van een eerder ingenomen standpunt, maar op basis van een uitvoerige motivering uiteenzet waarom het eerder vooropgestelde einde van de exploitatie van de stortplaats VII-36.897-9/13 vooralsnog moet worden verlengd, waarbij wordt voorzien in meerdere garanties om de hinder voor de omwonenden nog verder te beperken, en een eindafwerking van de stortplaats gefaseerd en verantwoord te laten plaatsvinden". 3.2.
- In haar memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij dat de vergunningsbeslissing van 26 april 2002 tevens een weigering inhield de vergunning te verlenen voor de aangevraagde periode na 31 december 2006, hetgeen niet zomaar een tijdelijke beslissing was, waarna de zaak opnieuw kon worden onderzocht, maar een bewuste en gemotiveerde negatieve individuele overheidsbe- slissing dat het storten beëindigd moest zijn tegen 31 december 2006, zodat diezelfde overheid die nadien niet kon omzetten in een positieve beslissing. 3.2.
- De tussenkomende partij weerlegt op uitvoerige wijze het door de verzoekende partij ingeroepen middel, waarin zij vier onderdelen ontwaart. Zij stelt meer bepaald dat het bestuur over de vergunningsaanvraag beslist op grond van de alsdan bestaande feitelijke toestand en regelgeving, zonder gebonden te zijn aan vorige beslissingen, genomen in andere omstandigheden, en dat de overheid haar beleid steeds moet kunnen aanpassen aan de wisselende eisen van het algemeen belang. Zij betoogt ook dat er geen omzetting is geweest van een negatieve in een positieve beslissing. Steeds volgens de tussenkomende partij stond niets er aan in de weg dat de minister op 8 december 2006, gelet op de principiële beleids- en beoordelingsbevoegdheid van de overheid, anders besliste dan wat vier jaar eerder was beslist, in overigens andere feitelijke omstandigheden. Na een lange theoreti- sche uiteenzetting over het vertrouwensbeginsel beklemtoont de tussenkomende partij dat de overheid te dezen wel degelijk binnen haar appreciatie- en beleidsbe- voegdheid is gebleven door te beslissen de tussenkomende partij meer tijd te laten om tot een afwerking van de stortactiviteit te komen binnen de eerder toegelaten hoogtelijnen. Zij besluit dat "een teleurstelling oplopen of een hoop niet meteen ingelost zien, (...) nog geen onwettigheid (is)". 3.2.
- In haar laatste memorie zet de verzoekende partij uiteen dat de eerdere beslissing "een werkelijke beslissing over een concreet punt" was, en dat de verwerende partij gebonden was door de inhoud ervan. Zij heeft deze plicht geplaatst onder de noemer "patere legem quam ipse fecisti". Het onderdeel van het middel blijft echter bestaan, ook als de Raad van State zou oordelen dat deze Latijnse rechtsspreuk enkel betrekking heeft op algemene reglementen. De eerdere beslissing over de eindduur van de vergunning was volgens de verzoekende partij VII-36.897-10/13 een definitieve beslissing die geen beleidsmarge open liet voor de mogelijkheid om een nieuwe vergunning te verlenen. Beoordeling 3.2.
- De verzoekende partij geeft in haar laatste memorie toe dat het door haar ingeroepen beginsel "patere legem quam ipse fecisti", zoals de auditeur het in zijn verslag opmerkt, niet adequaat is. De beslissing van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 26 april 2002 heeft de vergunningstermijn beperkt tot 31 december 2006, omwille van het feit dat een versnelde sluiting van de stortplaats voorrang moest krijgen op het realiseren van het eerder voorziene eindreliëf, "gelet op de onmiskenbare hinder die van een dergelijke activiteit uitgaat (visuele hinder, geur, geluid) en uit voorzorg voor de gezondheid van de omwonenden". Aan de tussenkomende partij werd opgelegd een rapport ter goedkeuring voor te leggen met haalbare scenario's voor een lager eindreliëf. In de beslissing van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking van 11 juni 2004 werd de doelstelling om het storten te beëindigen tegen diezelfde datum bevestigd, en werd verwezen naar een bij een afzonderlijk besluit vastgesteld eindreliëf. In de beslissing van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 14 juni 2005 werd dit nogmaals bevestigd. In de thans bestreden beslissing wordt onder meer overwogen dat, ingevolge in de motivering aangehaalde omstandigheden, de uitbating kan gebeuren zonder noemenswaardige geur- en stofhinder. Voorts blijkt uit een aantal in de bestreden beslissing vermelde gegevens dat de einddatum van 31 december 2006 niet haalbaar is om de stortplaats te Lendelede op een gecontroleerde manier af te werken. Meer bepaald wordt overwogen "dat de exploitant bij aangetekend schrijven d.d. 20 november 2006 de gegevens heeft bezorgd in verband met de aanvoer van de afvalstoffen tot en met 15 november 2006; dat hieruit blijkt dat de hoeveelheid baggerspecie die werd gestort, in 2006 sterk is verminderd; dat de sterke schomme- lingen in de hoeveelheid baggerspecie die moet gestort worden in sterke mate beïnvloed wordt door de uitgevoerde baggerwerken en de kwaliteit van de gebaggerde specie; dat de in de vergunningsaanvraag opgenomen prognose voor de opvulling van de stortplaats bijgesteld moet worden; dat het derhalve aangewezen is de termijn van de vergunning te koppelen aan de termijn van de lopende vergunning van de andere op het terrein uitgevoerde activiteiten, zijnde 1 september 2011, om de beschikbare stortcapaciteit voor baggerspecie maximaal VII-36.897-11/13 te benutten; dat dit niets afdoet van de verplichting voor de exploitant om te streven naar een zo snel mogelijke opvulling van de stortplaats". Ook wordt in de bestreden beslissing verwezen naar het advies van de afdeling Toezicht Volksgezondheid dat aangeeft dat de manier waarop het stort momenteel wordt uitgebaat en de aard van de gestorte afvalstoffen maken dat de stortplaats momenteel weinig hinder veroorzaakt voor de omwonenden, in tegenstelling tot vroeger. Voorts wordt in dit advies gesteld dat er naast het hinderaspect ook de ongerustheid van de omwonen- den is in verband met hun gezondheid doch dat er, wanneer het stort te Lendelede niet op een gecontroleerde manier wordt afgewerkt, ook overlast voor de omwonen- den zal zijn, en dat er dan evenveel (of meer) gezondheidsrisico's blijven bestaan. De verantwoording die in het bestreden besluit wordt gegeven voor het verder vergunnen van de exploitatie na 31 december 2006 kan niet kennelijk onredelijk worden genoemd. De verzoekende partij toont evenmin aan dat de aangehaalde elementen feitelijk onjuist zijn. Het wijzigen van de eerder voorziene einddatum omwille van de in het bestreden besluit aangehaalde motieven is geen fundamentele beleidswijziging. Het tweede middel is niet gegrond, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-36.897-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf maart tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. L. HELLIN. VII-36.897-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.299 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.907 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div