← België

Arrest 191443 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 16/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.443 Rolnummer: A. 74549/X-7463 Zaak: Arrest 191443 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 16/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-27 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 22:29 Fiche Arrest nr 191.443 van 16 maart 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.443 van 16 maart 2009 in de zaak A. 74.549/X-

  1. In zake : Rudy TIMMERMANS, die woonplaats kiest bij advocaat J. GUNS, kantoor houdende te 1790 AFFLIGEM, Kasteelstraat 58 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat
  2. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Rudy TIMMERMANS op 3 juni 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 7 april 1997 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van zijn beroep tegen de beslissing van 4 juli 1996 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij de vergunning is geweigerd voor het regulariseren van een opblaasbare tent op een perceel gelegen te Affligem, Molenweg, kadastraal bekend sectie D, nr. 54/d; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 7 augustus 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; X-7463-1/10 Gelet op de beschikking van 15 januari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 februari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad S. DE TAEYE; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. GUNS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat F. van DIEVOET, die loco advocaat M. van DIEVOET verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  3. De feiten 1.
  4. De verzoeker dient op 17 november 1995 (datum van het ontvangstbewijs) een regularisatieaanvraag in voor het tijdelijk oprichten van een opblaasbare tent op een perceel gelegen aan de Molenweg te Affligem, kadastraal bekend sectie D, nr. 54/d. Deze aanvraag werd ingediend als zijnde een bouwaanvraag voor werken en handelingen van geringe omvang en betreft een tent van 6m bij 20m met een hoogte van 3,50 m, opgericht achteraan het perceel op 2 m afstand van de achterste perceelsgrens en circa 1 m van de zijdelingse perceelsgrens. 1.
  5. Het voornoemde perceel is overeenkomstig het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 maart 1977, gelegen in woonuitbreidingsgebied. Het is niet gelegen binnen een gebied waarvoor een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg bestaat en evenmin binnen het gebied van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. 1.
  6. De gemachtigde ambtenaar verleent op 11 december 1995 het volgende ongunstig advies over de aanvraag : X-7463-2/10 “Volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse - K.B. 7 maart 1977 situeert het eigendom zich in een woonuitbreidingsgebied. Art. 5 van de planologische voorschriften. Het projekt voorziet de oprichting van een opblaasbare tent. Door de ligging in een woonuitbreidingsgebied komt door de voorziene inplanting de toekomstige uitbouw van dit gebied in het gedrang. Tevens is het projekt omwille van zijn vormgeving, uitzicht en materiaalgebruik op esthetisch vlak onaanvaardbaar en als storend waar te nemen in de omgeving. De goede ruimtelijke uitbouw wordt ernstig geschaad; aldus ONGUNSTIG”. 1.
  7. Op 8 januari 1996 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Affligem de aanvraag overeenkomstig het voormelde ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar. 1.
  8. Op 4 juli 1996 beslist de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant het door de verzoeker tegen de voornoemde weigeringsbeslissing ingestelde beroep niet in te willigen. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd : “Overwegende dat de aanvraag het regulariseren van een zonder voorafgaande vergunning opgerichte opblaastent beoogt, op een perceel grond gelegen in de Molenweg, te Affligem; dat het een perceel met een oppervlakte van ong. 13a50ca betreft, bebouwd met een woning nabij de voorliggende weg; dat de tent 6,00 m x 20,00 m meet en ingeplant werd achteraan op het perceel, op 3m afstand van de zijdelingse- en van de achterperceelsgrens; Overwegende dat volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 maart 1977, het betrokken perceel grond gelegen is in een woonuitbreidingsgebied; Overwegende dat volgens artikel 5.1.
  9. van het koninklijk besluit van 28 december 1972, betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en de gewestplannen, de woonuitbreidingsgebieden bestemd zijn voor groepswoningbouw zolang de bevoegde overheid over de ordening van het gebied niet heeft beslist; Overwegende dat gedeeltelijke aansnijdingen van woonuitbreidingsgebieden onder vorm van bouw- of verkavelingsvergunningen slechts kunnen worden overwogen in woonuitbreidingsgebieden of gedeelten van woonuitbreidingsgebieden waar de ordening reeds bepaald is door de feitelijke toestanden; gebieden waarvan de stedenbouwkundige aanleg als voldoende gekend kan aanzien worden omwille van het bestaande stratenpatroon en bestaande bebouwing; waarvan kan aangenomen worden dat het bijzonder plan van aanleg, nodig tot aansnijding van het gebied, aan de plaatselijke toestand weinig zal veranderen; Overwegende dat het perceel weliswaar bebouwd is (woning nabij de straat), sluit dit evenwel niet uit dat de tuinstrook of eventueel het hele perceel, zou betrokken worden in de stedebouwkundige aanleg van het gebied; Overwegende dat de toekomstige stedebouwkundige aanleg van de plaats op heden niet gekend is, bij gebreke aan uitvoeringsplan, dient de aanvraag te worden geweigerd op grond van de bestemming van het gebied; Overwegende dat in bijkomende orde eveneens het standpunt van de Gemachtigde Ambtenaar dient te worden bijgetreden, waar deze stelt dat de X-7463-3/10 vormgeving (boogvorm) en materiaalgebruik niet verenigbaar zijn met de omgeving; dat vorm en materiaal niet harmonisch samengaan met de bestaande bebouwing in de omgeving; dat de tent omgeven is door schermbeplanting, evenwel zichtbaar is vanaf de straat en vanaf de woningen aan de Brusselbaan; Overwegende dat met betrekking tot de constructie op het aanpalend perceel (perceel in functie van de Brusselbaan), dat door de beroeper aangehaald wordt als voorgaande, dient gesteld dat deze vergund werd op 15 december 1986 na gunstig advies van de Gemachtigde Ambtenaar; dat het een bouwwerk van 5,00 m x 12,35 m betreft, dat ingeplant werd in de tuinstrook op 44 m achter de rooilijn van de Brusselbaan; dat het opgevat is met rechte wanden van voorgelakte geprofileerde metaalplaten en een lichtgebogen dak in hetzelfde materiaal; dat qua afmetingen en inplanting deze constructie vergelijkbaar is met de thans gevraagde en op deze aspecten wel degelijk als een voorgaande te beschouwen; Gelet op het ongunstig advies van de Directie Infrastructuur, dienst gebouwen, dd. 17 juni 1996, (...); Overwegende dat het niet opportuun is alsnog bouwtoelatingen te verlenen binnen het woonuitbreidingsgebied, zolang de totale ordening ervan onvoldoende gekend is; dat het advies van de Gemachtigde Ambtenaar dient te worden bijgetreden en de weigeringsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen bevestigd; Gelet op de hierboven vermelde overwegingen waaruit blijkt dat het onderhavig beroep niet kan ingewilligd worden”. 1.
  10. Bij besluit van 7 april 1997 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening wordt het beroep van de verzoeker verworpen. In dit besluit wordt onder meer het volgende overwogen : “Overwegende dat onderhavige aanvraag strekt tot het regulariseren van een zonder vergunning opgerichte opblaasbare tent van 6m bij 20m met een hoogte van 3.50m, opgericht achteraan het perceel op 2m afstand van de achterste perceelsgrens en circa 1m van de zijdelingse perceelsgrens; dat het perceel vooraan bebouwd is met een woning; dat rondom het perceel een groenaanplanting is voorzien om het geheel te omkaderen en het uitzicht van de buren te vrijwaren; dat de aanvraag wordt voorgesteld als een tijdelijke constructie; dat het kwestieus terrein paalt aan de achtertuinen van de eigendommen gelegen langs de Brusselbaan; Overwegende dat de grond volgens het gewestplan Halle - Vilvoorde - Asse, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 maart 1977, gelegen is in een woonuitbreidingsgebied; dat overeenkomstig artikel 5 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen de woonuitbreidingsgebieden uitsluitend bestemd zijn voor groepswoningbouw zolang de bevoegde overheid over de ordening van het gebied niet heeft beslist en zolang, volgens het geval, ofwel die overheid geen besluit tot vastlegging van de uitgaven voor de voorzieningen heeft genomen, ofwel omtrent deze voorzieningen geen met waarborgen omklede verbintenis is aangegaan door de promotor; Overwegende dat kwestieuze grond niet gelegen is binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling; dat wegens het ontbreken van enig gedetailleerd ordeningsplan de vergunningverlenende overheid de voorliggende vraag dient te evalueren aan de hand van de X-7463-4/10 gebruikelijke inzichten en noden betreffende een goede aanleg der plaats, gebaseerd op de eerder geciteerde voorschriften van het vigerend gewestplan; Overwegende dat gedeeltelijke aansnijdingen van woonuitbreidingsgebieden onder vorm van bouw- of verkavelingsvergunningen slechts kunnen worden overwogen in woonuitbreidingsgebieden of gedeelten ervan waar de ordening reeds bepaald is door de feitelijke toestanden; dat in gebieden waarvan de stedenbouwkundige aanleg als voldoende gekend is, omwille van het bestaande stratenpatroon en bestaande bebouwing, kan aangenomen worden dat het bijzonder plan van aanleg, nodig tot aansnijding van het gebied, aan de plaatselijke toestand weinig zal veranderen; dat hoewel het perceel weliswaar bebouwd is, dit evenwel niet uitsluit dat de tuinstrook of eventueel het hele perceel zou betrokken worden in de stedenbouwkundige aanleg van het gehele gebied; dat overigens, ook wanneer het ontwerp niet in strijd is met de op het betrokken gewestplan aangeduide bestemming, het de taak blijft van de daartoe bevoegde overheid te waken over een degelijke ruimtelijke ordening van het gebied; Overwegende dat uit het technisch-stedenbouwkundig onderzoek van onderhavige aanvraag blijkt dat het bouwwerk (opblaasbare tent) qua vorm en materiaalgebruik niet harmonisch samengaat met de residentiële bebouwing van de omgeving; dat het project op esthetisch vlak onaanvaardbaar is en het normaal woongenot van de omgevende bebouwing verstoort; dat, ook al wordt een groenaanplanting rondom het perceel voorzien, de inplanting de goede plaatselijke ordening in het gedrang brengt en niet voor regularisatie in aanmerking komt; dat het beroep van de particulier om voormelde redenen dient verworpen”.
  11. De gegrondheid van het beroep 2.
  12. Eerste middel 2.1.
  13. Het aangevoerde eerste middel In een eerste middel beroept de verzoeker zich op een schending van “de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, doordat het bestreden besluit niet afdoende gemotiveerd is, en zelfs tegenstrijdige motieven gebruikt” : “De wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen heeft met ingang van 1 januari 1992 op een zeer algemene wijze de verplichting tot formele motivering van individuele bestuurshandelingen ingevoerd. Overeenkomstig art. 3 van evengenoemde wet moet deze motivering, die afdoende moet zijn, in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen (...). Het begrip afdoend impliceert ook het begrip draagkracht hebbend; de ingeroepen redenen moeten pertinent zijn en de beslissing verantwoorden. Stijlformuleringen zijn uit den boze, en worden gelijkgesteld met niet-motivering. X-7463-5/10
  14. In de eerste alinea van blz. 2 van het bestreden besluit (...) wordt toegegeven dat rondom het perceel er een groenaanplanting is om het geheel te omkaderen en het uitzicht van de buren te vrijwaren. Daarmee wordt ondubbelzinnig gesteld dat door de groenaanplanting het uitzicht van de buren zal gevrijwaard blijven, hetgeen trouwens ook het geval is :geen van de buren heeft zicht op de geplande constructie. Op bladzijde 2 alinea 5 staat vervolgens vermeld dat, ook al wordt een groenaanplanting voorzien, het woongenot zal gestoord worden.
  15. In eerste orde moet worden opgemerkt dat er een groenaanplanting is die het uitzicht van de buren vrijwaart. Bij de beoordeling van de bestaanbaarheid van de constructie wordt aldus vertrokken vanuit een foutief feitenrelaas, nl. de groenconstructie dient niet meer te worden aangeplant - waardoor het nog enige tijd zal duren alvorens het zicht van de buren zal gevrijwaard zijn - het groenscherm is er reeds aanwezig.
  16. Ten tweede is de motivering aangaande het groenscherm contradictoris, nl. in de eerste alinea van blz. 2 staat vermeld dat het groenscherm het uitzicht van de buren vrijwaart, om daarna in alinea 5 van dezelfde blz. te stellen dat de constructie niet harmonisch samengaat met de ‘residentiële bebouwing’ van de omgeving.
  17. Daarenboven moet worden opgemerkt dat de benaming ‘residentiële bebouwing’ misleidend is. Het perceel van verzoeker paalt aan de percelen langsheen de Brusselsesteenweg. De Brusselsesteenweg is de belangrijkste verkeersas in de gemeente Affligem; zij verbindt de stad Aalst met Brussel. Zij is gekenmerkt - uiteraard - door de inplanting van handelszaken en lintbebouwing over haar gehele lengte. Hoewel bij deze handelszaken over het algemeen ook een woonfunctie is voorzien, kan men bezwaarlijk van een residentiële buurt spreken. Trouwens, volgens de huidige invulling van het begrip woonuitbreidingsgebied (bestemd voor sociale woningbouw) kan de omgeving niet worden bestempeld als zijnde residentieel.
  18. In alinea 4 van blz. 2 van het bestreden besluit wordt, ingaand op de opmerking van verzoeker, toegegeven dat het perceel van verzoeker reeds werd aangesneden (zijn woning staat er), derwijze dat het ontwerp niet in strijd is met de op het gewestplan aangeduide bestemming. Het besluit voegt daaraan toe dat zelfs dan de taak van de overheid er in blijft bestaan te waken over een degelijke ruimtelijke ordening, wat verzoeker trouwens beaamt. In de volgende alinea wordt vervolgens gesteld dat de constructie qua vorm en materiaalgebruik niet harmonieert met de residentiële bebouwing, dat het project esthetisch onaanvaardbaar is en het normaal bouwgenot van de omgeving stoort. Evenwel wordt niet concreet gezegd om welke redenen, nl. door welke vormen of door welk materiaalgebruik de constructie niet harmonieert met de omgeving. Er wordt niet uitgelegd welke de desharmonische functies van de geplande constructies zijn. Evenmin wordt een gegeven aangehaald waarom het bouwwerk op esthetisch vlak onaanvaardbaar is. Verzoeker stelt zich de vraag of het de kleur is, de boogvorm, bepaalde gebruikte materialen, de functie ? Hoe wordt het woongenot gestoord ? Aangezien op al deze vragen geen antwoord wordt gegeven, dient de motivering ter zake te worden aangemerkt als een stijlfiguur. X-7463-6/10 De enige - voor verzoeker - negatieve overweging is niet uitdrukkelijk gemotiveerd. Er worden nl. geen concrete en met de ruimtelijke ordening verband houdende argumenten aangehaald die de weigering verantwoorden (als deze argumenten er niet zijn, dan moet de bouwvergunning worden toegekend). Besluit : het eerste middel is gegrond”. 2.1.
  19. Beoordeling 2.1.2.
  20. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepalen dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd. In de akte moeten de juridische en feitelijke overwegingen worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen en deze moeten afdoende zijn. Artikel 6 van dezelfde wet bepaalt dat deze wet “slechts van toepassing (is) op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen”. Uit deze bepaling volgt dan ook dat op het stuk van de motiveringsverplichting, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen een wet van suppletoire aard is. 2.1.2.
  21. Rekening houdend met het bepaalde in artikel 53, § 3 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna : het gecoördineerde decreet), dat aan de deputatie en aan de Vlaamse regering, wanneer zij in beroep uitspraak doen over bouw- en verkavelingsaanvragen, een motiveringsverplichting oplegt die niet minder streng is dan deze voorgeschreven door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, dient te worden vastgesteld dat het bestreden besluit niet onder de toepassing van de laatstgenoemde wet valt. De ingeroepen schending van de motiveringsverplichting moet in de gegeven omstandigheden dan ook geacht worden te zijn afgeleid uit de schending van artikel 53, § 3 van het voornoemde decreet. X-7463-7/10 2.1.2.
  22. De overweging in het bestreden besluit dat een groenaanplanting rondom het perceel “(wordt) voorzien”, ofschoon deze groenaanplanting reeds aanwezig is, vitieert het bestreden besluit niet, alleen al omdat de verzoeker de eerst vermelde omstandigheid in zijn beroepschrift zelf heeft aangegeven. 2.1.2.
  23. De overweging in het bestreden besluit dat “rondom het perceel een groenaanplanting is voorzien om het geheel te omkaderen en het uitzicht van de buren te vrijwaren” is niet tegenstrijdig met de overweging dat “ook al wordt een groenaanplanting rondom het perceel voorzien, de inplanting de goede plaatselijke ordening in het gedrang brengt”, aangezien de goede ruimtelijke ordening niet enkel door het uitzicht van de buren op de kwestieuze constructie wordt bepaald. 2.1.2.
  24. De Raad van State vermag zijn beoordeling van de eisen van de goede plaatselijke aanleg niet in de plaats te stellen van die van de bevoegde overheid. In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht is hij enkel bevoegd na te gaan of de administratieve overheid de haar terzake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij deze correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. De verzoeker toont te dezen niet aan dat zich geen residentiële bebouwing in de omgeving van het kwestieuze bouwwerk bevindt, noch dat de verwerende partij niet in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen dat het bouwwerk, een opblaasbare tent, “qua vorm en materiaalgebruik” met deze residentiële bebouwing niet samengaat. 2.
  25. Tweede middel 2.2.
  26. Het aangevoerde tweede middel In een tweede middel voert de verzoeker de schending aan van “het gelijkheidsbeginsel en de beginselen van behoorlijk bestuur doordat op het aanpalende perceel een zelfde constructie is ingeplant en aan verzoeker hiertoe geen vergunning wordt gegeven” : “Verzoeker brengt als bijlage 7 een foto aan van het aanpalende perceel. Daarop is te zien dat op dit aanpalende perceel eveneens een tent werd ingeplant van dezelfde grootte en afmetingen. Verwerende partij oordeelt aldus dat de kwestieuze constructie niet strijdig is met de op het gewestplan aangeduide bestemming (cfr. al. 4 blz. 2 van het X-7463-8/10 bestreden besluit), doch dat de kwestieuze constructie niet harmonieert, esthetisch onaanvaardbaar is en het woongenot stoort, ... terwijl op een aanpalend perceel een dergelijke constructie wel is toegelaten. Verzoeker wordt niet op een gelijke wijze als de aanpaler behandeld. Minstens moet een dergelijke handelswijze van het bestuur als onbehoorlijk worden beschouwd. Het is immers niet aanvaardbaar dat een constructie op een bepaalde plaats als niet esthetisch wordt beschouwd, terwijl eenzelfde constructie twintig meter verder (bij de buur) wel als harmoniërend met de omgeving wordt aangemerkt. Besluit : het tweede middel is gegrond”. 2.2.
  27. Beoordeling Het betoog van de verzoeker dat op een aanpalend perceel een tent werd ingeplant van dezelfde grootte en afmetingen, met overlegging van twee niet nader gepreciseerde foto’s die slechts een beperkt deel van deze constructie reveleren, volstaat niet om aan te tonen dat de toestand van deze constructie, zowel in feite als in rechte, gelijk is aan deze van verzoekers eigendom. De verzoeker kon er evenmin mee volstaan de bewijslast ter zake, in zijn laatste memorie, aan de verwerende partij op te dragen. Het middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  28. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  29. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. X-7463-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien maart 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. X-7463-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.443 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.