← België

Arrest 191450 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 16/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.450 Rolnummer: A. 111228/X-10588 Zaak: Arrest 191450 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 16/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-25 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 22:32 Fiche Arrest nr 191.450 van 16 maart 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.450 van 16 maart 2009 in de zaak A. 111.228/X-10.588. In zake : de gemeente RUMST, die woonplaats kiest bij advocaat J. VERBIST, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Brederodestraat 13 tegen : 1. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27, 2. de deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de gemeente RUMST op 8 oktober 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : - het besluit van 25 januari 2001 van de provincieraad van Antwerpen waarbij het ontwerp Ruimtelijk Structuurplan Provincie Antwerpen definitief wordt vastgesteld; - het besluit van 10 juli 2001 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media waarbij het Ruimtelijk Structuurplan Provincie Antwerpen, bestaande uit een informatief en een richtinggevend gedeelte en uit bindende bepalingen, wordt goedgekeurd; Gelet op het arrest nr. 106.998 van 27 mei 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 27 juni 2002 ingediend door de verzoekende partij; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; X-10.588-1/15 Gezien het verslag opgemaakt door auditeur S. DE TAEYE; Gelet op de beschikking van 23 mei 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 21 januari 2009 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 20 februari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. SWARTENBROUX, die loco advocaat J. VERBIST verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat H. SEBREGHTS die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van H. PETTENS, afdelingschef, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Feiten De feiten werden uiteengezet in ‘s Raads arrest nr. 106.998 van 27 mei 2002. 2. Ontvankelijkheid 2.1.1. De eerste verwerende partij betoogt dat de verzoekende partij niet heeft voldaan aan de voorwaarden van de procesbevoegdheid omdat “men (...) moeilijk een besluit tot in rechte treding (kan) nemen vóórafgaandelijk aan de ondertekening en de publicatie van het besluit” en omdat “de gemeenteraad besloten X-10.588-2/15 (heeft) een procedure in te leiden terwijl zulks de exclusieve bevoegdheid is van het schepencollege”. 2.1.2. De tweede verwerende partij argumenteert dat “de machtiging (...) niet het besluit van de provincieraad van Antwerpen van 25 januari 2001 tot definitieve vaststelling van het RSPA” betreft zodat “de vordering (...) ten opzichte van de provincie Antwerpen niet ontvankelijk” is. Voorts herneemt zij de eerste exceptie van de eerste verwerende partij. 2.1.3. De verzoekende partij repliceert dat “de gemeenteraad bij beslissing van 26 februari 2002 het college van burgemeester en schepenen gemachtigd (heeft) om een beroep bij Uw Raad in te dienen gericht op de nietigverklaring van de beide bestreden beslissingen” en de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 1 oktober 2001 waarbij “de ontwerpen van vordering tot schorsing en verzoekschrift tot nietigverklaring (werden) goedgekeurd en opdracht (werd) gegeven aan de raadsman van verzoekster om deze in te dienen (...) ondubbelzinnig de beslissing aan(toont) van het college om onderhavig beroep in te stellen, gericht tegen de beide beslissingen”. 2.1.4. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Rumst op 1 oktober 2001 besloten heeft “akkoord te gaan met de inhoud van de verzoekschriften tot schorsing en nietigverklaring en opdracht te geven aan de advocaten (...) om de verzoekschriften in te dienen”. Bijgevolg heeft het college van burgemeester en schepenen overeenkomstig het toen geldende artikel 123, 8/ van de Nieuwe Gemeentewet, voor het voeren van dit rechtsgeding waarbij de gemeente als eiseres is betrokken, op uitdrukkelijke en ondubbelzinnige wijze beslist in rechte te treden tegen de bestreden besluiten. Uit de gegevens van het dossier blijkt ook dat de gemeenteraad met een besluit van 26 februari 2002 overeenkomstig het toen geldende artikel 270 van de Nieuwe Gemeentewet machtiging heeft verleend aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Rumst om bij de Raad van State het huidige annulatieberoep tegen de beide bestreden besluiten in te dienen. De excepties worden verworpen. 2.2.1. Ter staving van haar belang stelt de verzoekende partij dat zij “actueel en persoonlijk belang (heeft) bij de bestrijding van het PRSA nu zij opkomt voor de verdediging van haar planologisch en stedenbouwkundig beleid” omdat “het X-10.588-3/15 PRSA een belangrijke weerslag heeft op het planologisch en stedenbouwkundig beleid van de gemeente Rumst, met name inzake de selectie van de N 171 als secundaire weg type I, van de toekomstmogelijkheden inzake glastuinbouw en inzake de selectie van de Lage Vosbergstraat als secundaire weg type II” en “bij de uitwerking van haar gemeentelijk ruimtelijk structuurplan (...) gebonden (

  1. is)aan de bindende bepalingen van het PRSA en (...) slechts in uitzonderlijke gevallen (kan) afwijken van de richtinggevende bepalingen ervan”. 2.2.2. De verwerende partijen betwisten het belang van de verzoekende partij omdat “de selectie van het RSPA in provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen uitgewerkt (zal) moeten worden” waarbij “de gemeente Rumst (...) advies (zal) kunnen uitbrengen”, en indien de gemeente Rumst niet zal behoren tot het in het bestreden provinciaal structuurplan geselecteerde concentratiegebied dat in het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan zal afgebakend worden, zij “de lokale concentratie in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan en de gemeentelijke uitvoeringsplannen (zal kunnen) behandelen”. 2.2.3. De verzoekende partij repliceert dat “het beroep (...) gericht (
  2. is)tegen bindende bepalingen uit het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan Antwerpen (hierna ‘PRSA’)”, “indien deze bindende bepalingen niet door Uw Raad vernietigd worden, (dan) moeten ze verder uitgewerkt worden in het uitvoeringsplan” waarbij “een advies van verzoekster (...) enkel de modaliteiten van uitvoering van de bindende beslissingen uit het structuurplan (kan) beïnvloeden, doch niet de principiële beleidsbeslissing zelf”, door “de selectie van de doortrekking van de N 171 als secundaire weg type I”, in tegenstelling tot voorheen “nu het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen de doortrekking van de N 171 niet had opgenomen”, “de provinciale overheid thans de mogelijkheid heeft om deze weguitbreiding te realiseren” terwijl “deze doortrekking volledig op haar grondgebied (...) een belangrijke invloed heeft op een landschappelijk en ecologisch waardevol gebied”, “hinder (zal) veroorzaken bij inwoners van aanpalende wijken uit de gemeente” en “de verkeersveiligheid en de verkeersdrukte te Rumst nadelig (zal) beïnvloeden”, zij “op dezelfde wijze (belang) heeft (...) bij het bestrijden van de bindende bepalingen (...) in verband met de Lage Vosbergstraat” en “inzake de glastuinbouw (...) geenszins vast(staat) dat het provinciaal ruimtelijk structuurplan de glastuinbouw van provinciaal belang ook in de gemeente Rumst situeert”. 2.2.4. Luidens artikel 19, § 2, derde lid van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO) zijn de bindende X-10.588-4/15 onderdelen bindend voor de provincie en de gemeenten op haar grondgebied en voor de instellingen die eronder ressorteren”. Artikel 31 DRO bepaalt onder meer wat volgt: “Het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan richt zich naar het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen en het provinciaal ruimtelijk structuurplan van de provincie waarbinnen de gemeente ligt. Het kan van het richtinggevend deel van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen en van het provinciaal ruimtelijk structuurplan slechts afwijken op grond van de motieven, bepaald in artikel 19, § 3. Van de als bindend aangeduide onderdelen kan niet worden afgeweken”. Artikel 19, § 3, eerste lid DRO bevat de volgende bepaling: “Het richtinggevend gedeelte van een ruimtelijk structuurplan is het deel van het ruimtelijk structuurplan waarvan een overheid bij het nemen van beslissingen niet mag afwijken, tenzij omwille van onvoorziene ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten of omwille van dringende sociale, economische of budgettaire redenen. De uitzonderingsgronden voor een afwijking worden uitgebreid gemotiveerd. Ze mogen in geen geval een aanleiding zijn om de duurzame ruimtelijke ontwikkeling, de ruimtelijke draagkracht en de ruimtelijke kwaliteit van welk gebied ook in het gedrang te brengen”. 2.2.5. De verzoekende partij getuigt in deze omstandigheden van het naar het recht vereiste belang om “de volgende onderdelen van de beide bestreden beslissingen te vernietigen: - de selectie van de N 171 als secundaire weg type I in de bindende en richting- gevende bepalingen van het PRSA; - de richtinggevende bepalingen van het PRSA inzake (
  3. de)serrebouw voor de Antwerpse Gordel en het Mechels rasterlandschap in de mate deze de bestendiging of de uitbouw van lokale serre- of tuinbouwgebieden in de gemeente Rumst zouden beperken of verhinderen; - de selectie van de Lage Vosbergstraat te Rumst als secundaire weg type II in de bindende en richtinggevende bepalingen van het PRSA”. 2.2.6. De excepties worden verworpen. 3. Ten gronde 3.1.1. Het eerste onderdeel van het tweede middel is afgeleid uit de schending van artikel 4 DRO. De verzoekende partij betoogt dat “de selectie van de X-10.588-5/15 N 171 op het grondgebied van de gemeente Rumst één van de laatste open ruimtes van de omgeving zal aantasten” en voorts: “27. Bij de selectie van de N 171 als secundaire weg type II heeft de overheid een kennelijk onjuiste afweging gemaakt van de verschillende ruimtelijke noden in het gebied. De ontsluiting van het industriegebied Krekelenberg hoeft geenszins te gebeuren via de E19, zeker niet als er een ontsluiting via de Al2 wordt voorzien. Het voordeel van een bijkomende ontsluiting via de E19 is geheel onduidelijk. Bovendien weegt een dergelijk voordeel geenszins op tegen de kennelijke nadelen die eraan verbonden zijn: aansnijden van één van de schaarse gebieden van open ruimte in de ruime omgeving, aantasting van een natuurgebied dat reeds als zodanig was ingekleurd op het gewestplan Antwerpen van 3 oktober 1979, negatieve gevolgen voor het leefmilieu, ernstige aantasting van het agrarische landschap en de aanwezige typische kleine landschapselementen (bermbegroeiing, houtkanten, knotwilgen), etc. 28. De gemeente Rumst heeft aan het Provinciaal Instituut voor Hygiëne (‘PIN’) gevraagd om een studie te maken over de natuurwaarden van de Oude Spoorwegberm te Rumst. Uit het verslag van het PIH van augustus 2001 (...) blijkt dat de oude spoorwegberm te Rumst een belangrijk en waardevol landschapselement is omwille van de volgende redenen: - esthetisch: door het vormen van een groen lint, aansluitend op het park van Boom; - recreatief: interessant wandelpad en intensief gebruikt fietspad; - landschapshistorisch: de aanwezigheid van elementen van een oud bos; - biologisch: refugium voor planten van voedselarme gronden; belangrijk voedsel- en woongebied voor allerlei dieren; belangrijk verbindings- gebied (...). Hieraan kunnen nog een aantal elementen worden toegevoegd. Zo zal gelijk welk tracé van de N 171 onherstelbare schade toebrengen aan het bosje aan de Predikherenhoevestraat-Pierstraat. Dit bos bevat elementen van oude bosvorming waarvan het huidige bosje een relict is. Het is duidelijk dat dergelijk bosrelict in een gemeente en een regio die reeds karig bedeeld is met bos de hoogste beschermingsprioriteit verdient. Het landschap ten noorden van de oude spoorwegberm is tevens een mooi open weidelandschap met vele kleinschalige landschapselementen zoals knotbomenrijen en beekvalleien. Dit kleinschalig landschap is zeer waardevol gezien zijn esthetische en ecologische waarde. Deze elementen zijn ecologisch zeer belangrijk als natuurlijke corridors voor de inheemse fauna. Door de uitvoering van de verlenging van de N 171 tussen de E 19 en de A 12 zullen twee beekvalleien en verschillende knotbomenrijen doorsneden worden en daardoor sterk in ecologische waarde dalen. Ook het esthetisch karakter van het open landschap zal grotendeels vernietigd worden. De negatieve weerslag van een dergelijke ingreep (de N 171) op de ruimtelijke kwaliteit is kennelijk disproportioneel ten opzichte van de voordelen ervan”. 3.1.2. De eerste verwerende partij repliceert wat volgt: “Eerste onderdeel: X-10.588-6/15 Doordat artikel 4 DORO oplegt dat de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten tegen elkaar op behoorlijke wijze afgewogen worden en een ernstige aantasting van het leefmilieu in casu onevenredig is met de genomen en aangevochten besluiten. Weerlegging van het eerste onderdeel. In de eigen stelling van verzoekende partij is de N 171 thans reeds een primaire weg type 1, want hij vormt vandaag de verbinding tussen een hoofdweg E 19 en een primaire weg type 1 A 12. Via de expresweg van Edegem aan de E l9 naar Kontich en zo naar Rumst, waar die weg naadloos overgaat in de Pierstraat, die op haar beurt aansluit op de A l2, wordt een heuse verbinding gevormd tussen E19 en A l2 door N 171 met het verlengde ervan, nl. de Pierstraat te Reet-Rumst. Dat karakter zal die verbinding allerminst verliezen door een verlegging ervan op zich. Beide hoofdwegen bestaan sedert tientallen jaren en zijn opgenomen in de gewestplanning zoals opgemaakt onder de stedenbouwwet en het DRO. In het gewestplan heeft de N 171 een functie die veel verder reikt dan de functie die door het PRSPA wordt beoogd. Integendeel tot de stelling van verzoekende partij ontstaat dat karakter van primaire weg type I voor de N 171 zoals verwerende partij reeds in het eerste middel heeft uiteengezet, en dat ze hier als herhaald aanziet, echter slechts door de beslissing daarover de jure door het Vlaamse Gewest dat ertoe alleen bevoegd is, en door de wijze van aanleg en uitbouw van de weg, en door niets anders. Verzoekende partij heeft geen belang bij het middel gezien in haar eigen stelling de N 171 met in het verlengde de Pierstraat te Reet-Rumst, thans reeds primaire weg type I is en de aanleg daaraan niets verandert. Verder betoogt zij dat gelijk welk tracé van de N 171 onherstelbare schade zal toebrengen. Het nadeel is er m.a.w. altijd! De provincie maakte precies de afweging op grond van artikel 4 DORO om de weg te verleggen ter ontlasting van de kern Reet van de gemeente Rumst en betere aansluiting van een industriegebied naar twee hoofdwegen, zonder evenwel de karakteristieken van de secundaire weg te negeren. De overweging dat ‘een weerstand of filtereffect (moet) worden ingebouwd om te voorkomen dat beide secundaire wegen type I de facto als een primaire weg tussen twee hoofd- en primaire wegen zullen functioneren’ in het tweede aangevochten besluit onderlijnt zulks specifiek. De gelijktijdige afweging van de ruimtelijke draagkracht van de ‘open gebieden’ t.o.v. de kernen is in de praktijk gemaakt door de gemeenten uit de Rupelstreek zelf in het door hen opgemaakte mobiliteitsplan voor de Rupelstreek. Dat is overigens reeds in 2000 aanvaard door het Vlaamse Gewest zoals blijkt uit het antwoord van de Vlaamse Minister voor Openbare Werken gegeven op 3 juli 2000. Ongetwijfeld zal de beheerder van de weg streven naar een maximale inpassing van de weg in het landschap teneinde de impact van de weg op de open ruimte te vermijden. Overigens was de weg en het tracé reeds als dusdanig aangeduid en gereserveerd in het gewestplan Antwerpen van 1979. Verzoekende partij heeft geen belang bij het onderdeel. Het is niet gegrond”. 3.1.3. De tweede verwerende partij repliceert wat volgt: “Tegen het eerste onderdeel van het middel wordt verwezen naar de bovenvermelde bedoeling van het RSPA die de selectie van de N 171 als secundaire weg rechtvaardigt. De selectie komt trouwens tegemoet aan de open ruimte in de omgeving. Het verlagen van het fungeren van de N 171 als snelverkeersweg en hoofdverkeersweg volgens het gewestplan zal immers de open ruimte in de omgeving ten goede komen. Het draineren van het verkeer X-10.588-7/15 dat via het onderliggend net van lokale wegen verloopt, naar de secundaire weg zal de open ruimte in de omgeving beschermen. De landschappelijke inpassing die uit het streefbeeld zal volgen, en de verzachtende maatregelen die uit het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan zullen volgen, strekken ertoe om het impact van de weg op de open ruimte maximaal te beperken”. 3.1.4. De verzoekende partij dupliceert wat volgt: “12. Voor wat het eerste onderdeel betreft, blijkt uit het antwoord van de verwerende partijen dat de ruimtelijke afweging niet is gebeurd. Tweede verwerende partij verwijst niet naar enig stuk uit de planningsprocedure die deze afweging zou kunnen bevatten. Zij volstaat met de vermelding dat de selectie als secundaire weg eigenlijk een verbetering betekent ten opzichte van de bestemming in het gewestplan. Hoger heeft verzoekster reeds aangeduid dat het nieuwe structuurplanningsproces in generlei mate door de bestaande bestemmingen gebonden is, zodat deze vergelijking met de bestemming in het gewestplan niet ter zake dienend is. In elk geval kan deze verwijzing niet in aanmerking komen om te bewijzen dat er een afweging gemaakt werd voor de selectie van de doortrekking van de N171, die tot heden niet bestaat. Het gewestplan hield immers geen verplichting in om het reservatiegebied daadwerkelijk te gebruiken voor de aanleg van de het verlengde van de N171. Bovendien heeft in het nieuwe structuurplannings-proces het RSV dit reservatiegebied niet geselecteerd als primaire weg, zodat deze niet gerealiseerd kon worden. Door de selectie in het PRSA is dit thans wel het geval. Hiermede is ook meteen aangetoond dat verzoekster belang heeft bij het middel. De tweede verwerende partij verwijst naar het mobiliteitsplan voor de Rupelstreek om aan te tonen dat de ruimtelijke afweging wel gebeurd zou zijn. Vooreerst moet de ruimtelijke afweging gebeuren door de bevoegde overheid en in het planningsproces dat tot het PRSA geleid heeft. Dit is op grond van de subsidiariteit uitsluitend de provincie Antwerpen. Het mobiliteitsplan voor de Rupelstreek is geenszins een stuk dat uitgaat van de provincie Antwerpen en is bovendien evenmin een stuk dat deel uitmaakt van het planningsproces dat geleid heeft tot het PRSA. Het feit dat het Vlaamse Gewest dit mobiliteitsplan in 2000 ‘aanvaard’ zou hebben, onderstreept dit alleen maar. Om deze reden alleen reeds kan het mobiliteitsplan niet aangewend worden om aan te tonen dat er een ruimtelijke afweging zou hebben plaatsgevonden. Bovendien spreekt verzoekster formeel tegen dat in het mobiliteitsplan voor de Rupelstreek en Aartselaar een ‘gelijktijdige afweging’ zou gemaakt zijn van de ruimtelijke draagkracht van de open gebieden ten aanzien van de kernen. Er is geen voorafgaandelijke of gelijktijdige studie gebeurd van de impact op de uitbreiding van het wegtracé op de open ruimte in het buitengebied (zie mobiliteitsplan aangehecht als aanvullend stuk nr. 10 aan deze memorie). Dit blijkt ondubbelzinnig uit een antwoord van de bevoegde minister op parlementaire vragen naar het opstarten van een landschapsstudie (...). De Minister bevestigde dat de landschapsstudie naar de gevolgen van de doortrekking van de N 171 nog opgestart moest worden, evenwel op een ogenblik dat het mobiliteitsplan reeds afgewerkt was. Volledigheidshalve merkt verzoekster nog op dat deze studie bovendien opgevat werd als het onderzoek naar ‘het inpassen naar de nieuwe weg in het landschappelijk kader van de omgeving’. Dit is een verkeerd uitgangspunt, nu deze uitgaat van de veronderstelling dat de weg wordt aangelegd. Een dergelijke landschapsstudie moest daarentegen de landschappelijke waarde onderzoeken om te beslissen of al dan niet de weg wel zou aangelegd worden (...). Uit al deze gegevens blijkt dat de verwerende partijen geenszins kunnen verwijzen naar het mobiliteitsplan X-10.588-8/15 om het ontbreken van stukken in verband met de ruimtelijke afweging te rechtvaardigen. Het eerste onderdeel van het tweede middel is gegrond”. 3.1.5. Bij ‘s Raads arrest nr. 164.919 van 17 november 2006 wordt de afstand door de verzoekende partijen, waaronder de gemeente Rumst, van het beroep tegen de beslissing van 9 december 2002 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar waarbij aan het Vlaamse Gewest, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, afdeling Wegen en Verkeer Antwerpen, de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van twee bruggen over de autosnelweg A12 ter hoogte van de kruising met de N171 gelegen te Rumst, kadastraal bekend sectie A, ingewilligd. Noch uit de afstand van dat beroep, noch uit de inwilliging ervan, kan worden afgeleid dat de verzoekende partij zich heeft verzoend met de doortrekking of aanleg van de N 171 als secundaire weg type I. De verzoekende partij behoudt aldus haar belang bij dit onderdeel van het middel. 3.1.6. Artikel 4 DRO bepaalt wat volgt : “Art. 4. De ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op deze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit”. 3.1.7. Dit artikel dat onder meer betrekking heeft op het vaststellen van de ruimtelijke structuurplannen bedoeld in artikel 3 DRO, brengt mee dat de opmaak van een ruimtelijk structuurplan een gelijktijdige afweging van behoeften vergt om als structuurplan vervolgens een kader te bieden voor concrete beslissingen inzake ruimtelijke ordening. Wat de selectie van de secundaire wegen binnen het structuur- planningsproces betreft, wordt er in de richtinggevende bepalingen van het bestreden structuurplan bijkomend op gewezen dat “de eisen van verkeersleefbaarheid en ruimtelijke inpassing bepalend zijn voor uitspraken omtrent de aanpak en de herinrichting van de weg” en “een belangrijk element hierbij is de draagkracht van de ruimte, afhankelijk van open of bebouwde ruimte, aantal te doorkruisen kernen, aard van randactiviteiten, lintbebouwing, aantal voertuigen per dag”. X-10.588-9/15 De tweede verwerende partij moest derhalve als structuur- plannende overheid, bij de aanduiding van de N 171 als secundaire weg type I, de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afwegen en daarbij rekening houden met de ruimtelijke draagkracht en de gevolgen voor o.m. het leefmilieu. 3.1.8. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de tweede verwerende partij de N 171 als secundaire weg type I heeft aangewezen na het openbaar onderzoek en ingevolge het advies van de Regionale Commissie van Advies voor de streek Antwerpen en dat “deze bijkomende selectie als secundaire weg (...) onderbouwd is in het mobiliteitsplan van de Rupelstreek” dat “het resultaat (
  4. is)van een samenwerkingsverband tussen de gemeenten Aartselaar, Boom, Hemiksem, Rumst en Schelle”. Met de verzoekende partij moet worden vastgesteld dat in deze studie geen rekening werd gehouden met de gevolgen van de aanwijzing van de N 171 als secundaire weg type I voor de open ruimte in het buitengebied terwijl het betrokken gebied volgens het provinciaal structuurplan zelf deel uitmaakt van de groene “Antwerpse gordel” en tot het “Mechels rasterlandschap” behoort. Zo blijkt uit het antwoord van de minister op de parlementaire vraag nr. 372 van 3 juli 2000 (Vr. en Antw. Vl. R., 2000-2001, 1 december 2000, 447) in verband met de “doortrekking van de N171 naar de A12” dat eerst na de opmaak van het mobiliteitsplan in een landschapsstudie werd voorzien waarin onder meer “de eventuele maatregelen tot beperking van de schade aan het natuurgebied zullen (...) aan bod komen” en “het aspect van de beperking van de verkeershinder, met name vooral de geluidshinder, zal (...) worden behandeld”. Uit het voorgaande volgt dat de aanwijzing van de N 171 als secundaire weg type I door de tweede verwerende partij niet is gepaard gegaan met de door artikel 4 DRO vereiste gelijktijdige afweging van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten waarbij rekening wordt gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. De vaststelling dat in het gewestplan Antwerpen in een reservatie- strook voor de aanleg van de N 171 is voorzien, doet geen afbreuk aan de op de tweede verwerende partij op grond van artikel 4 DRO rustende verplichting om, als structuurplannende overheid, die ter zake voor de aanwijzing van de secundaire wegen geenszins gebonden is aan de in het gewestplan ter realisatie van de X-10.588-10/15 wegenaanleg voorziene reservatiestroken, de vereisten van voormelde bepaling na te leven. Het betoog van de eerste verwerende partij luidens hetwelk de verzoekende partij geen belang zou hebben bij dit middelonderdeel “gezien in haar eigen stelling de N 171 met in het verlengde de Pierstraat te Reet-Rumst, thans reeds primaire weg type I is en de aanleg daaraan niets verandert” en “zij verder betoogt dat ‘gelijk welk tracé van de N 171 onherstelbare schade zal toebrengen'”, kan niet worden bijgetreden. De beweringen van de verzoekende partij aangaande de feitelijke toestand van de N 171 doen immers haar belang bij de vernietiging van de formele aanduiding van de N 171 als secundaire weg type I in het bestreden structuurplan, met de daaruit voor haar op grond van artikel 19, § 2, derde lid en § 3, eerste lid DRO voortvloeiende juridische gebondenheid als structuurplannende overheid, niet teniet. Voorts geldt nog de vaststelling dat de bedenking van de verzoekende partij dat gelijk welk tracé van de N 171 onherstelbare schade zal toebrengen, luidens de termen van het verzoekschrift beperkt blijkt te zijn tot de beweerde schade aan het bosje aan de Predikherenhoevestraat-Pierstraat. Dit maakt dus evenmin een gebrek aan belang in hoofde van de verzoekende partij bij de vernietiging van de aanwijzing van de N 171 als secundaire weg type I aannemelijk. 3.1.9. Het middelonderdeel is gegrond. 3.2.1. Het zesde middel is genomen uit de schending van “artikel 18, tweede lid, 2/ van het DRO, van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel”. De verzoekende partij betoogt wat volgt: “49. Het middel is afgeleid uit de schending van artikel 18, tweede lid, 2/ van het DRO, van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel, doordat deze bepalingen inzake glastuinbouw ertoe strekken de bestendiging of de ontwikkeling van louter lokale serre- of tuinbouwgebieden in de gemeente Rumst te verhinderen of te bemoeilijken, terwijl een provinciaal ruimtelijk structuurplan slechts de structuurbepalende elementen van provinciaal belang mag bevatten en de taakstellingen met betrekking tot de uitvoering ervan (art. 18, tweede lid, 2/ DRO). Toelichting bij het middel 50. De glastuinbouwgebieden te Rumst worden niet geselecteerd op provinciaal niveau. Het PRSA laat in het midden welk gedeelte van de gemeente Rumst behoort tot de Antwerpse gordel en welk tot het Mechels rasterlandschap. In beide hypothesen lijkt de optie van het PRSA nochtans te zijn om geïsoleerde tuinbouwactiviteiten te weren en enkel geordende ontwikkeling van serrebouw te aanvaarden. Volgens de Regionale Adviescommissie kan een en ander opgelost worden in een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. Een dergelijk plan kan echter X-10.588-11/15 slechts in uitzonderlijke omstandigheden afwijken van een provinciaal ruimtelijk structuurplan, met name in geval van bepaalde onvoorziene ontwikkelingen of dringende sociale, economische of budgettaire redenen (art. 31, jo. 19, § 3, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, hierna ‘DRO’). Bestaande kernen met (glas)tuinbouw zijn noch onvoorziene ontwikkelingen, noch dringende redenen. 51. Een provinciaal ruimtelijk structuurplan mag slechts de structuur- bepalende elementen van provinciaal belang bevatten en de taakstellingen met betrekking tot de uitvoering ervan (art. 18, tweede lid, 2/ DRO). In de mate het de bestendiging of de ontwikkeling van louter lokale serre- of tuinbouwgebieden belemmert, schendt het PRSA de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen”. 3.2.2. In het door haar op 25 juli 2000 verstrekte advies over het ontwerp van provinciaal ruimtelijk structuurplan Antwerpen betoogt de verzoekende partij dat “de 2 bestaande kernen met tuinbouwactiviteiten nl. het gebied rond de Vosberg in Rumst en het gebied Reet Statie-Borzestraat te Reet zich op een gestructureerde manier moeten kunnen ontwikkelen binnen het Mechels rasterlandschap” en dat “indien één of beide gebieden niet worden opgenomen in het Mechels Rasterlandschap (...) de toekomstige ontwikkeling van de glastuinbouw mogelijk (dient) te blijven. Deze mogelijkheid moet op een geordende wijze realiseerbaar zijn binnen het gemeentelijk structuurplan” . Inzake de Antwerpse Gordel wordt in de doelstellingen van het richtinggevend gedeelte het volgende bepaald : “De ongeordende ontwikkeling van serrebouw wordt tegengegaan. In en nabij Ranst kan een concentratie van serrebouw van provinciaal niveau worden ontwikkeld. Grondgebonden land- en tuinbouw worden versterkt als buffer naast het grootstedelijk gebied”. 3.2.3. Uit het voorgaande volgt dat de geordende ontwikkeling van serrebouw op lokaal vlak, hetgeen de verzoekende partij uitdrukkelijk beoogt, op geen enkele manier wordt verhinderd. De bepaling nr. 21 van het bindend gedeelte van het bestreden plan, die enkel de omgeving van Hoogstraten en van Ranst als provinciale concentratiegebieden selecteert, en de bepaling nr. 45 die voorziet dat de provincie de glastuinbouwgebieden van provinciaal niveau afbakent in uitvoeringsplannen in overleg met het Vlaamse Gewest en de gemeentebesturen, doen evenmin enige afbreuk aan de bevoegdheid van de verzoekende partij om in haar planningsinstrumenten op gemeentelijk niveau in een gebied voor geordende ontwikkeling van serrebouw te voorzien. Hetzelfde geldt voor de bepaling m.b.t. het Mechels rasterlandschap, waar wordt gesteld dat “de duidelijke keuze voor een samenhangend geheel van serrebouwactiviteiten de vervoerstroom (...) beter kan inkaderen”. X-10.588-12/15 3.2.4. Het middel is ongegrond. 3.3.1. Het zevende middel is genomen uit de schending van “de artikelen 19 en 24 van het DRO, van de bindende bepalingen van het RSV en van het decreet van 17 december 1997 houdende bekrachtiging van de bindende bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 23 september 1997 houdende definitieve vaststelling van het RSV”. De verzoekende partij argumenteert wat volgt: “54. Het middel voert de schending aan van de artikelen 19 en 24 van het DRO, van de bindende bepalingen van het RSV en van het decreet van 17 december 1997 houdende bekrachtiging van de bindende bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 23 september 1997 houdende definitieve vaststelling van het RSV, doordat de Lage Vosbergstraat en het verlengde tot aan de ring van Lier wordt opgewaardeerd van een lokale weg naar een secundaire weg type II om te voorzien in een aansluiting van Duffel op het hoofdwegennet, terwijl de richtinggevende bepalingen inzake secundaire wegen type II bepalen dat het gaat om een verzamelfunctie voor het kleinstedelijk gebied, en terwijl Duffel niet is ingedeeld als kleinstedelijk gebied doch als economisch knooppunt buiten de stedelijke gebieden en buiten het economisch netwerk van het Albertkanaal. Toelichting bij het middel 55. Het RSV stelt aangaande secundaire wegen van type II het volgende: ‘3.1.5. Secundaire wegen: wegen met een verbindingsfunctie en verzamelfunctie op lokaal en bovenlokaal niveau Secundaire wegen zijn wegen die een belangrijke rol spelen in het ontsluiten van gebieden naar de primaire wegen en naar de hoofdwegen (= verzamelfunctie op bovenlokaal niveau) en die tevens op lokaal niveau van belang zijn voor de bereikbaarheid van de diverse activiteiten langsheen deze wegen (= toegang geven). Deze wegen zijn niet van gewestelijk belang. (...) Op basis van deze functies kunnen vier types van secundaire wegen onderscheiden worden : (...) - Type 2. De weg verzorgt een verzamelfunctie voor het kleinstedelijk gebied naar het hoofdwegennet, maar kan niet als primaire weg II worden geselecteerd. De bestaande structuur van de weg kan niet worden aangepast aan de inrichtingscriteria voor primaire wegen II binnen het bestaand tracé en het is, uitgaande van de ruimtelijke criteria, onverantwoord een nieuw tracé te kiezen 56. Volgens de motivering in het PRSA verzorgt de Lage Vosbergstraat de aansluiting van Duffel (specifiek economisch knooppunt) en zijn economische bedrijvigheid op het hoofdwegennet. Volgens de bindende bepalingen van het RSV is Duffel echter niet ingedeeld als (klein)stedelijk gebied, doch als economisch knooppunt buiten de stedelijke gebieden en buiten het economisch netwerk van het Albertkanaal. X-10.588-13/15 Gelet op de definitie van de secundaire wegen type II (verzamelfunctie voor het kleinstedelijk gebied), kan de Lage Vosbergstraat bijgevolg niet ingedeeld worden als secundaire weg van type II”. 3.3.2. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de richtinggevende bepalingen van het bestreden structuurplan de secundaire wegen volgens het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, zijnde wegen die een belangrijke rol spelen in het ontsluiten van gebieden naar primaire wegen en naar de hoofdwegen en die tevens op lokaal niveau van belang zijn voor de bereikbaarheid van de diverse activiteiten langsheen deze wegen, verder verfijnen wat geleid heeft tot een onderverdeling van secundaire wegen in drie types, en in verband met “secundaire weg type II” bepalen: “de hoofdfunctie van de weg is verzamelen naar het hoofdwegennet op bovenlokaal niveau. Dit type heeft slechts in tweede instantie een verbindende functie. Het toegang geven neemt hier een belangrijkere plaats in dan bij het type I”. 3.3.3. De aanwijzing van de Lange Vosbergstraat als secundaire weg type II, die de westelijke industrie van het economisch knooppunt Duffel met de E 19 verbindt, beantwoordt aan de voormelde typologie van het bestreden structuurplan en meer bepaald de omschrijving van de secundaire weg type II overeenkomstig de voormelde richtinggevende bepalingen, die, anders dan de verzoekende partij beweert, de secundaire wegen zoals omschreven in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen verder verfijnen. 3.3.4. Het middel is ongegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van 25 januari 2001 van de provincieraad van Antwerpen waarbij het ontwerp Ruimtelijk Structuurplan Provincie Antwerpen definitief wordt vastgesteld en het besluit van 10 juli 2001 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media waarbij het Ruimtelijk Structuurplan Provincie Antwerpen, bestaande uit een informatief en een richtinggevend gedeelte en uit bindende bepalingen, wordt goedgekeurd, in zoverre “de N 171 als secundaire weg type I in de bindende en richtinggevende bepalingen van het PRSA” wordt geselecteerd. X-10.588-14/15 Artikel 2. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel 3. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als de gedeeltelijk vernietigde besluiten. Artikel 4. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 348,53 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien maart 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, P. LEFRANC, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-10.588-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.450 Gerelateerde publicatie(
  5. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.106.998 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.