id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.463 Rolnummer: A. 183569/XIV-29543 Zaak: Arrest 191463 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 16/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-09 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 22:36 Fiche Arrest nr 191.463 van 16 maart 2009 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.463 van 16 maart 2009 in de zaak A. 183.569/XIV-29.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat F. LANDUYT, kantoor houdende te 8730 BEERNEM, Bloemendalestraat 147 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Chinese nationaliteit, op 24 mei 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 23 april 2007 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen; Gelet op de beschikking nr. 893 van 29 juni 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 19 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 9 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 december 2007; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die loco advocaat F. LANDUYT verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché L. DECROOS, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; XIV-29.543-1/4 Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenverdrag), van de artikelen 39/69, 48, 49 en 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van het redelijk- heidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel opwerpt; dat zij de bestreden beslissing citeert en aanvoert dat haar verklaringen geen tegenstrijdigheid bevatten die de beweerde vrees voor vervolging in het gedrang brengen, dat haar Tibetaanse afkomst en Chinese nationaliteit niet ernstig in twijfel kunnen worden getrokken, dat het niet verbatim inroepen van een rechtsregel niet betekent dat het verzoekschrift van 1 februari 2007 niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 39/69, § 1, tweede lid, 4/, van de Vreemdelingenwet, dat uit de inhoud kan worden afgeleid dat de verzoekende partij een reëel risico op ernstige schade inroept, zoals omschreven in artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet, dat het verhoor op het commissariaat-generaal en op de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zich op de kennis van de streek en het bewijs van de identiteit en de reisroute toespitst, dat het gebrek aan kennis is te wijten aan de zeer lage scholingsgraad van de verzoekende partij, dat de verzoekende partij waarschijnlijk afkomstig is uit India of Nepal indien zij al langer weg uit Tibet zou zijn, dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen deze denkpiste niet heeft onderzocht en dat het niet onderzoeken van deze logische denkpiste een schending van het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel vormt;
- Overwegende dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen naar luid van artikel 235, § 2, van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voor de vanaf 1 december 2006 ingediende beroepen tot en met 31 mei 2007 dezelfde bevoegdheden als de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft, waarbij eveneens wordt bepaald dat “deze beroepen worden behandeld overeenkomstig de procedure en de bepalingen bepaald bij de artikelen (...) 39/69” van de Vreemdelingenwet; Overwegende dat de verzoekende partij in het op 1 februari 2007 bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen ingediende verzoekschrift tot beroep stelt dat XIV-29.543-2/4 zij bij een terugkeer naar Tibet (China) wel degelijk een gegronde vrees voor vervolging koestert en daarbij citeert uit een rapport van Amnesty International en uit een website over de mensenrechtensituatie in China; dat de verzoekende partij zich aldus beperkt tot het uiteenzetten van haar eigen standpunt ten gronde en aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen vraagt de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen te “herzien”; dat zij noch impliciet nog expliciet de schending van een rechtsregel opwerpt; dat het verzoekschrift tot beroep bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen geen rechtsmiddel bevat en aldus niet voldoet aan de vereisten van artikel 235, § 2, van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen juncto artikel 39/69, § 1, 4/, van de Vreemdelingenwet; dat het middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij voor het overige andermaal een nieuwe feitelijke beoordeling van de zaak voorstelt, waarbij zij voorbijgaat aan de niet- ontvankelijkheid van haar verzoekschrift tot beroep bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen en aan het feit dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de beoordeling van de feiten te treden; dat het middel in die mate niet- ontvankelijk is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; dat het cassatieberoep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-29.543-3/4 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien maart tweeduizend en negen, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-29.543-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.463 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.