id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.465 Rolnummer: A. 183390/XIV-29548 Zaak: Arrest 191465 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 16/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-09 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 22:37 Fiche Arrest nr 191.465 van 16 maart 2009 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.465 van 16 maart 2009 in de zaak A. 183.390/XIV-29.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat A. BAEYENS, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 99 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 14 mei 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 19 maart 2007 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen; Gelet op de beschikking nr. 909 van 3 juli 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 10 januari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 maart 2008; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-29.548-1/4 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. BAEYENS, die de verzoekende partij bijstaat en van attaché L. DECROOS, die verschijnt voor de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending van artikel 149 van de Grondwet en van “het algemeen rechtsbeginsel tot motivering van jurisdictionele beslissingen” opwerpt; dat zij uiteenzet dat zij in haar verzoekschrift tot beroep tegen de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 7 april 2006 tot weigering van de hoedanigheid van vluchteling onder “
- De neergelegde stavingsdocumenten” had aangevoerd dat de studentenkaart vermeldde dat de verzoekende partij voor een opleiding in de academiejaren 2003/04 en 2004/05 was ingeschreven, en drie officiële stempels van de universiteit droeg, dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen concreet had moeten aantonen waarom met de overgelegde documenten geen rekening wordt gehouden, dat de opgegeven redenen daartoe onvoldoende waren en dat het verzwijgen van een verblijf in Polen alvorens in België een asielaanvraag in te dienen geen invloed op de vrees voor vervolging in Tsjetsjenië had, dat in de bestreden beslissing echter niet wordt vermeld dat de inschrijving voor de academiejaren 2003/04 en 2004/05 een cruciaal gegeven is voor het beoordelen van het recente verblijf van de verzoekende partij in het land van herkomst, dat niet wordt gemotiveerd waarom handgeschreven gegevens geen bewijs of begin van bewijs vormen en dat aldus het motiveringsbeginsel is geschonden; 1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift tot beroep tegen de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 7 april 2006 onder het punt “
- De neergelegde stavingsdocumenten” inderdaad nader op de door haar op het commissariaat-generaal overgelegde studentenkaart is ingegaan; dat in de bestreden beslissing eerst op de “onjuistheden en onwetendheden” in de verklaringen van de verzoekende partij wordt ingegaan, waarna uitdrukkelijk wordt verwezen naar de kwestieuze studentenkaart, waarvan wordt geoordeeld “dat dergelijke documenten (...) kunnen worden bijgebracht en aangehaald ter ondersteuning van het voorgehouden relaas van de feiten doch (...) niet vermogen een ongeloofwaardig relaas in zijn geloofwaardigheid te herstellen” en dat de verzoekende partij haar verblijf in de jaren voorafgaand aan haar XIV-29.548-2/4 voorgehouden vertrek uit Tsjestsjenië niet kan aantonen; dat daarmee aan de motiverings- plicht als vormvereiste voor jurisdictionele beslissingen is voldaan; dat de Vaste Beroeps- commissie voor vluchtelingen met de bestreden beslissing vrij de waarde van de door de verzoekende partij neergelegde stukken met betrekking tot het voorgehouden verblijf in het land van herkomst kon appreciëren en dat die beoordeling niet tot de bevoegdheid van de Raad van State als administratieve cassatierechter behoort; dat het eerste middel, voor zover ontvankelijk, ongegrond is; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending van de artikelen 39/2 en 39/76 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) opwerpt; dat zij aanvoert dat de zitting van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen op 5 maart 2007 plaatsvond, dat zij op 8 maart 2007 nieuwe documenten ter staving van haar asielaanvraag ontving, dat zij hierover niet eerder kon beschikken, dat het gaat om gegevens die steun vinden in het rechtsplegingsdossier en van aard zijn om op zekere wijze het gegronde of ongegronde karakter van het beroep aan te tonen, met name het verblijf van de verzoekende partij in het land van herkomst tot aan haar vertrek, dat het een verklaring van het Russische ministerie van Onderwijs betreft waaruit blijkt dat de verzoekende partij tussen 1 september 2002 en haar uitsluiting op 24 juli 2006 onderwijs aan het Staatspetroleuminstituut van Grozny volgde, dat het ook om foto’s met klasgenoten gaat, dat deze documenten met een fax van 9 maart 2007 naar de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen werden gestuurd, dat de verzoekende partij ze ook met een aangetekend schrijven van 2 april 2007 naar de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen heeft gestuurd, dat deze laatste er geen rekening mee heeft gehouden, de stukken niet voor nader onderzoek aan de commissaris-generaal heeft overgemaakt en evenmin heeft gemotiveerd waarom zij de stukken niet ten gronde heeft onderzocht en dat de artikelen 39/2 en 39/76 van de Vreemdelingenwet aldus zijn geschonden; 2.
- Overwegende dat uit het rechtsplegingsdossier blijkt en niet wordt betwist dat de debatten voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen op 5 maart 2007 werden gesloten; dat de verzoekende partij met een fax van haar raadsman op 9 maart 2007 de in het huidige middel genoemde stukken naar de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen heeft gestuurd en in een begeleidende brief heeft gevraagd met die stukken rekening te willen houden bij de eindbeslissing vermits het om fundamentele stukken zou gaan die het verblijf van de verzoekende partij in Tsjetsjenië tot juni 2006 zouden bewijzen; dat in die brief geen heropening der debatten wordt gevraagd en dat geen reden wordt gegeven waarom die stukken niet eerder ter beschikking waren; dat de Vaste Beroepscom- XIV-29.548-3/4 missie voor vluchtelingen in die omstandigheden niet de bij de fax van 9 maart 2007 gevoegde stukken in overweging diende te nemen; dat de aangetekende brief van de raadsman van de verzoekende partij van 2 april 2007 slechts werd verstuurd nadat de bestreden beslissing was genomen; dat het tweede middel ongegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; dat het cassatieberoep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien maart tweeduizend en negen, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-29.548-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.465 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.