bedoelde hypothese; dat de verzoekende partij een verzoek tot voortzetting heeft ingediend doch daarin niets over de subsidiaire beschermingsstatus vermeldt; Overwegende dat de vraag rijst of de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen op 13 maart 2007 met de bestreden beslissing uitspraak over de subsidiaire beschermingsstatus moest doen, ook al had de verzoekende partij dit niet uitdrukkelijk gevraagd; Overwegende dat de asielaanvraag van de verzoekende partij van 6 juni 2005 dateert, dat de beslissing tot weigering van de erkenning als vluchteling van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 5 december 2005 dateert en dat het beroep van de verzoekende partij bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van 21 december 2005 dateert; dat de verzoekende partij bij gebrek aan wettelijke regeling tot dan toe de subsidiaire beschermingsstatus niet kon vragen; dat, zoals hierboven is uiteengezet, artikel 235, § 1, tweede lid, van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de bevoegdheid van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen geeft om uitspraak te doen over de subsidiaire beschermingsstatus, dit tot 1 juni 2007; Overwegende dat de bevoegdheid van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen precies hierin bestaat om voor een asielaanvraag autonoom en in één enkele procedure te onderzoeken of de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus al dan niet moet worden toegekend, ook zonder dat een afzonderlijke of expliciete aanvraag van de subsidiaire beschermingsstatus is vereist; XIV-29.273-4/6 Overwegende dat de in artikel 235, §
, van de voornoemde wet vastgelegde regeling, met de verplichting om een verzoek tot voortzetting in te dienen, om de volgende redenen geen afbreuk aan het voorgaande doet: - dat de in artikel 235, § 1, van die wet vastgelegde bevoegdheid aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen uitdrukkelijk tot 1 juni 2007 is gegeven en niet tot de in § 2 van de zelfde bepaling bedoelde hypothese of datum is beperkt; - dat noch in de overgangsregeling van artikel 235, § 1, van die wet voor wat betreft de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, noch in de definitieve regeling voor wat betreft de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in een afzonderlijke of uitdrukkelijke aanvraag van de subsidiaire beschermingsstatus is voorzien, zodat niet kan worden ingezien waarom in de in artikel 235, §
van dezelfde wet bedoelde gevallen wel een uitdrukkelijke aanvraag van de subsidiaire beschermingsstatus in het verzoek tot voortzetting zou zijn vereist; dat het niet vermelden van de subsidiaire beschermingsstatus in het verzoek tot voortzetting of het niet geven van nadere toelichting zijn gevolgen voor de motivering van de te nemen beslissing kan hebben doch geen afbreuk doet aan de verplichting om minstens een uitspraak over het al dan niet toekennen van de subsidiaire beschermingsstatus te doen indien de betrokkene niet als vluchteling wordt erkend; dat de middelen met andere woorden in het licht van de criteria om als vluchteling te worden erkend en vervolgens in het licht van de criteria voor het toekennen van de subsidiaire beschermingsstatus moeten worden behandeld; Overwegende dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen er bij het nemen van de bestreden beslissing derhalve toe gehouden was een uitspraak te doen houdende het al dan niet toekennen van de subsidiaire beschermingsstatus; dat het middel in die mate gegrond is, BESLUIT: Artikel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.