← België

Arrest 191468 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 16/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.468 Rolnummer: A. 185824/XIV-29964 Zaak: Arrest 191468 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 16/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-09 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 22:38 Fiche Arrest nr 191.468 van 16 maart 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.468 van 16 maart 2009 in de zaak A. 185.824/XIV-29.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat S. MICHOLT, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Maria van Bourgondiëlaan 7B tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, thans de minister van Migratie- en Asielbeleid. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------ DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Kazachse nationaliteit, op 13 november 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 2656 van 16 oktober 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 1783 van 21 december 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 11 juli 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 september 2008; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-29.964-1/4 Gehoord de opmerkingen van advocaat H. VAN NIJVERSEEL, die loco advocaat S. MICHOLT verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat S. FIERENS, die loco advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1.
  2. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Schending van de rechten van verdediging Schending van artikel 36/60 vreemdelingenwet De hoorzitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen had plaats op 1 oktober
  3. De verzoekende partij was aanwezig. In het verzoekschrift tot nietigverklaring was de aanwezigheid van een tolk Russisch tijdens de gehoorzitting gevraagd, overeenkomstig artikel 36/69 § 1 tweede lid ten 5de van de Vreemdelingenwet. De verzoekende partij is het Nederlands niet voldoende machtig. Ter zitting was er geen tolk aanwezig. De griffie heeft niet voldaan aan haar plicht zoals uiteengezet in artikel 13 § 2 van het KB van 21 december 2006 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwisting. ‘De griffie roept een tolk op indien de vreemdeling, overeenkomstig artikel 39/69 § 1, tweede lid, 5/ van de wet van 15 december 1980, in zijn verzoekschrift aangeduid heeft dat hij zijn opmerkingen zal laten kennen in een andere taal dan deze van de rechtspleging’. Tijdens de zitting werd er volhardt in de vraag tot de aanwezigheid van een tolk dit werd geacteerd op het zittingsblad (stuk 3). De zetelende Voorzitter stelde dat de zaak moest behandeld worden niettegenstaande de uitdrukkelijke vraag van de aanwezigheid van een tolk en dit gezien de Voorzitter geen vragen had voor de verzoekende partij. Niettegenstaande de schriftelijke procedure bepaalt artikel 39/60 Vreemdelingenwet dat : ‘de partijen en hun advocaat mogen ter terechtzitting hun opmerkingen mondeling voordragen. ...’. Bijgevolg kunnen zowel de partijen als de advocaten ter terechtzitting hun opmerkingen voordragen. De verzoekende partij wenste nog iets toevoegen aan het pleidooi van zijn raadsvrouw. Hij was hiertoe niet in staat door de afwezigheid van een tolk. Door de afwezigheid van de tolk werd zowel artikel 39/60 Vreemdelingenrecht als de rechten van verdediging van de verzoekende partij geschonden.”; 1.
  4. Overwegende dat, naar luid van artikel 39/60 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), “de partijen en hun advocaat (...) ter terechtzitting hun opmerkingen mondeling (mogen) voordragen”, met dien verstande dat “geen andere middelen mogen worden aangevoerd dan die welke in het verzoekschrift of in de nota uiteengezet zijn”, zodat de verzoekende partij, met de loutere bewering dat zij nog XIV-29.964-2/4 iets wenste toe te voegen aan het pleidooi van haar raadsvrouw, niet aannemelijk maakt dat zij, binnen het kader van de door haar in haar verzoekschrift aangevoerde middelen, ter terechtzitting elementen wenste aan te brengen die niet reeds in het verzoekschrift, in haar nota of door haar raadsvrouw ter terechtzitting werden uiteengezet en die van aard zijn de strekking van het bestreden arrest te hebben beïnvloed; dat het eerste middel ongegrond is; 2.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Schending artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van daden van bestuur Schending van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen Schending van de materiële motiveringsplicht. Volledig ten onrechte werd er geoordeeld in de bestreden beslissing dat : ‘De Raad merkt bovendien op dat verzoekster tegenstrijdige inlichtingen verstrekt wat betreft het feit of zij al dan niet een Kazachse onderdane is, nu zij een stuk aanbrengt dat uitgaat van de Kazachse autoriteiten (getuigschrift inzake burgerlijke stand) waarin zij omschreven wordt als ‘staatsburgeres’. Door de heer Bart Hillewaert, beëindigd vertaler, die het getuigschrift inzake burgerlijke stand heeft vertaald, wordt gesteld dat : ‘De term staatsburger of staatsburgeres werd en wordt in de landen van de voormalige Sovjetunie gebruikt als een algemene aanspreking voor iemand die in een land verblijft of woont. Deze term heeft echter niets te maken met de nationaliteit. Deze term vindt haar oorsprong in het feit dat alle inwoners van de Sovjetunie staatsburger waren van de Sovjetunie maar los daarvan verschillende nationaliteiten hadden... Dit blijkt onder andere ook uit de geboorteakte van mevrouw Demidova : bovenaan staat er duidelijk vermeld staatsburgers, waarmee bedoelt wordt staatburgers van de Sovjetunie. Verderop in de akte staat er echter bij haar ouders vermeld dat haar vader Russische en haar moeder de Tataarse nationaliteit heeft. Ook nu nog worden de termen staatsburger en staatsburgeres als algemene aanspreking gebruikt in officiële documenten. De voornaamste reden hiervoor is dat er in het Russische geen algemene aanspreking bestaat zoals meneer of mevrouw in het Nederlands. De enige equivalenten die bestaan zijn uitermate formeel en worden bijna uitsluitend gebruikt voor aanspreking van buitenlanders; IN aktes daarentegen zal altijd de term staatsburger gebruikt worden zonder dat deze term een verwijzing inhoudt naar de nationaliteit van de persoon in kwestie.’ (stuk 5) De verzoekende partij legt helemaal geen tegenstrijdige verklaringen af omtrent haar nationaliteit. Na het uiteenvallen van de Sovjet Unie heeft de verzoekende partij nooit de Kazaksche nationaliteit gekregen. Bijgevolg blijkt duidelijk dat op grond van de gegevens in het dossier tot een onredelijk besluit is gekomen door de verwerende partij. De hierboven opgesomde wetsartikelen en rechtsbeginselen werden dan ook geschonden.”; 2.
  6. Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als administratief rechtscollege jurisdictionele beslissingen uitspreekt; dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de XIV-29.964-3/4 vestiging en de verwijdering van vreemdelingen derhalve niet van toepassing zijn op zijn arresten; dat het middel er voor het overige toe strekt de appreciatie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over te doen, terwijl de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de beoordeling van de feiten te treden; dat het tweede middel, in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond is;
  7. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; dat het cassatieberoep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  8. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien maart tweeduizend en negen, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-29.964-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.468 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.