id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.469 Rolnummer: A. 185437/XIV-29826 Zaak: Arrest 191469 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 16/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-09 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 22:38 Fiche Arrest nr 191.469 van 16 maart 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.469 van 16 maart 2009 in de zaak A. 185.437/XIV-29.
- In zake : XXX, wonende te 1030 BRUSSEL, Leon Mahillonlaan 80 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Kazachse nationaliteit, op 8 oktober 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 1509 van 31 augustus 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 1430 van 26 oktober 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord door de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 11 juli 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 september 2008; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-29.826-1/8 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché S. BOTTU, die verschijnt voor de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Enig Middel: Schending van artikel 1,A
(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951., van artikel 48 par 3 en par 4 van de Vreemdelingenwet, van de artikelen 57 en volgende van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf en de vestiging van vreemdeling- en, zoals laatst gewijzigd bij de wetten van 15 september 2006, schending van de wet van 15 september 2006 hervormende de Raad van State en inrichtend de Raad van Vreemdelingenbe- twistingen, en meer bepaald artikel 235, schending van de grondwet, meer bepaald van art. 149 G.W., schending van de algemene rechtsbeginselen, meer bepaald schending van de rechten van verdediging, van de verplichting tot motivering, meer bepaald schending van de materiële en formele motiveringsverplichting, manifeste appreciatiefout. Overwegende dat verzoekster vooreerst meent dat de bestreden beslissing niet op afdoende wijze antwoordt waarom de stukken, die zij slechts de dag nà de zitting, waarop de debatten gesloten werden, en die zij bijbracht bij haar schrijven van 23 juli 2007 ontvangen op de Raad van Vreemdelingenbetwistingen, niet in aanmerking genomen werden. Dat vooreerst de formele motivering van minder dan 3 regels niet gelijkgesteld kan worden aan een motivering. Dat het feit dat deze stukken na de sluiting van de debatten bijgebracht werden niets afdoet aan het feit dat zij bijgebracht werden voordat een beslissing genomen werd. Dat verzoekster bovendien uitdrukkelijk de heropening van de debatten gevraagd had. Dat op dit verzoek niet geantwoord werd. Dat voor zover de drie regels desbetreffend als formeel antwoord zouden aanzien kunnen worden (quod non) zij in geen geval een afdoende antwoord, motivering vormen op de vraag van verzoekster. Dat immers de vaststelling dat de debatten gesloten zijn, geen afdoende motivering is voor een weigering van heropening der debatten, die principieel slechts gevraagd wordt na sluiting van de debatten. Dat de niet in overweging neming door de Raad van Vreemdelingenbetwistingen van de aldus bijgebrachte stukken des te schrijnender is, nu de beslissing van de Raad exclusief gebaseerd is op het ontbreken van het bijbrengen van stukken door verzoekster. Dat inderdaad de Raad van State zal vaststellen dat de RVV de zaak ab initio herneemt (p.4) op grond van de volheid van haar bevoegdheid. Dat de Raad géén van de door de CGVS weerhouden tegenstrijdigheden of incoherenties in het relaas van verzoekster weerhoudt. Dat daaruit dan ook afgeleid moet worden dat de RVV impliciet aanneemt dat het relaas van verzoekster coherent is. Overwegende dat de Raad essentieel aan verzoekster verwijt dat zij geen bewijsstukken bijbrengt van haar relatie met een Tsjetsj een en de afstamming van haar zoon. XIV-29.826-2/8 Dat verzoekster wil aanstippen dat wat het geboortebewijs van haar zoontje betreft, zij ab initio steeds verklaard heeft dat zij uit angst de naam van de vader niet liet vermelden. Dat zij bovendien enkel via gewoontehuwelijk gehuwd was met haar echtgenoot, wat het ontbreken van documenten betreffende haar huwelijk verklaarde. Dat de Conventie van Genève geenszins vereist dat de vreemdeling die asiel aanvraagt haar relaas ondersteunt met stukken; dat het volstaat dat een eenduidig en coherent relaas van de problemen gegeven wordt. Dat dit in casu het geval is. Overwegende dat bovendien de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een appreciatiefout maakte door te veronderstellen dat documenten betreffende mensen van Tsjetsjeense origine even makkelijk te verkrijgen zijn als documenten betreffende Kazakken van Russische origine. Dat bovendien de Raad uit het oog verliest dat verzoekster wel eigen familie heeft en had in Kazakstan, doch dat zij alle contact verloor met haar schoonfamilie van Tsjetsjeense origine. Dat het feit dat verzoekster dan ook documenten voor zichzelf kon bekomen onterecht aanzien werd als onwil om documenten betreffende haar echtgenoot bij te brengen. Overwegende dat de bestreden beslissing eveneens foutief gemotiveerd is, wanneer het ontbreken van stukken geacht wordt de geloofwaardigheid van een overigens coherent relaas in het gedrang te brengen. Dat aldus een niet geschreven voorwaarde toegevoegd wordt aan de conventie van Genève. Dat dit des te meer het geval is nu concluante, weliswaar na sluiting van de debatten, alsnog een aantal stukken betreffende haar echtgenoot kon bijbrengen. Overwegende bovendien dat de RVV een manifeste appreciatiefout maakt door te stellen dat verzoekster geen problemen zou gehad hebben in haar land van herkomst, doch dat zij op "beleefde en zelfs vriendelijke wijze" zou zijn toegesproken door haar autoriteiten. Dat deze ondervragingen dermate "vriendelijk" waren dat verzoekster zich verplicht zag, onder te duiken in Rusland, haar land van oorsprong. Dat zij aldaar ontegenzeggelijk zware problemen ontmoette. Dat verzoekster uitlegde dat haar problemen in Rusland een gevolg waren van haar problemen in Kazakstan; dat zij veronderstelt dat ingevolge de samenwerking tussen de Russissche en Kazakse autoriteiten men haar daar terugvond. Dat de absoluut verschrikkelijke ondervragingen in de Russische Federatie eveneens haar echtgenoot betroffen. Dat het dan ook onterecht is dat de RVV haar problemen louter vanuit de feiten zoals zij in Kazakstan gebeurden beoordeeld heeft. Dat conform de Conventie van Genève niét de ernst van de ondervonden vervolging — in casu de (betwist) "vriendelijke" ondervragingen, dienen beoordeeld te worden, doch wél de gewettigde vrees voor vervolging. Dat gelet op de escalatie van de feiten ondervonden door verzoekster — beide in ex-USSR- staten, waarvan de samenwerking nog steeds volop gaat, zeker wanneer het om Tsjetsjenen gaat, de vrees van verzoekster zeker gewettigd is. Dat verzoekster aan de RVV verwijt niét haar gewettigde vrees afgewogen te hebben, doch wel een appreciatiefout gemaakt te hebben en enkel — zoals ten andere ook de CGVS gedaan heeft — de werkelijk ondervonden feiten afgewogen te hebben. Dat bovendien niét de vrees van verzoekster geapprecieerd werd, doch dat zij wel afgerekend werd op het feit dat zij niet met "stukken" de band met haar echtgenoot kon aantonen. Overwegende dat dezelfde redenering door de RVV gevolgd wordt voor de beoordeling van de subsidiaire bescherming. Dat ook daar ten onrechte een voorwaarde die niet in de wet voorzien is, te weten stavingstukken gevraagd wordt, terwijl het relaas van verzoekster op het punt van haar relatie met haar echtgenoot steeds eenduidig geweest is. Dat de verbreking van de bestreden beslissing zich dan ook opdringt”; XIV-29.826-3/8 1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “In een eerste en enig middel beroept verzoekster zich op een schending van artikel 1, A
(2)van de Vluchtelingenconventie van 1951, van artikel 48 par. 3 en 4 en de artikelen 57 en volgende van de Vreemdelingenwet van 1980, van artikel 235 van de Wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen, van artikel 149 van de Grondwet, van de rechten van verdediging en van de materiële en de formele motiveringsplicht, en op een manifeste a appreciatiefout. Verzoekster meent vooreerst dat het bestreden arrest niet op afdoende wijze antwoordt waarom de stukken die verzoekster bij haar schrijven van 23 juli 2007 aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RVV) overmaakte, niet in aanmerking genomen werden. Volgens verzoekster doet het feit dat deze stukken pas na het sluiten van de debatten bijgebracht werden niets af aan het feit dat ze werden ingediend bij de Raad voordat de beslissing werd genomen. Bovendien werpt verzoekster op dat de RVV niet antwoordt op haar uitdrukkelijk verzoek om de debatten te heropenen. Overeenkomstig artikel 39/76 van de Vreemdelingenwet onderzoekt de aangewezen rechter in vreemdelingenzaken slechts de nieuwe gegevens als deze zijn opgenomen in het oorspronk- elijk verzoekschrift en verzoeker aantoont dat hij deze gegevens niet vroeger heeft kunnen inroepen in de administratieve procedure. In afwijking hiervan kan de RW beslissen om elk nieuw gegeven in aanmerking te nemen, dat hem ter kennis gebracht wordt door de partijen, met inbegrip van hun verklaringen ter terechtzitting, onder de cumulatieve voorwaarden dat (
- a)deze gegevens steun vinden in het rechtsplegingsdossier, (
- b)ze van die aard zijn dat ze op een zekere wijze het gegrond of ongegrond karakter van het beroep kunnen aantonen en (
- c)de partij aannemelijk maakt dat zij deze nieuwe gegevens niet eerder in de procedure kon meedelen. Uit het verzoekschrift blijkt echter geenszins dat verzoekster de nieuwe documenten niet eerder had kunnen voorleggen. Verzoeksters bewering dat zij wel eigen familie heeft in Kazakstan, doch dat zij alle contact verloren is met haar Tsjetsjeense schoonfamilie doet hieraan geen afbreuk, te meer daar zij er na het sluiten van de debatten blijkbaar wel opeens in slaagt om foto's en documenten neer te leggen die, luidens haar verklaringen, haar relatie met haar Tsjetsjeense echtgenoot staven. Volgens verweerder heeft de RVV dan ook terecht geoordeeld dat de stukken die op 25 juli 2007 bij aangetekend schrijven aan het dossier werden toegevoegd, niet in overweging genomen kunnen worden vermits deze na de sluiting der debatten werden bijgebracht. Verwerende partij wenst hier bovendien nog aan toe te voegen dat noch de Vreemdelingenwet, noch het Procedurereglement van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voorziet dat er nog stukken kunnen worden neergelegd na het sluiten van de debatten. Bovendien zou dit een schending van de rechten van verdediging inhouden, aangezien de verwerende partij helemaal geen kennis heeft kunnen nemen van deze documenten en dus ook niet de mogelijkheid heeft gehad om hierop te antwoorden. Het feit dat ze in casu werden neergelegd alvorens de RW een arrest geveld heeft, dat dit arrest in hoofdzaak gebaseerd is op het ontbreken van stavingsstukken door verzoekster en dat RW geen tegenstrijdigheden of incoherenties in het relaas van verzoekster weerhouden heeft, doet totaal niets af aan bovenstaande overwegingen. Hierbij aansluitend werpt verzoekster op dat de Vluchtelingenconventie geenszins vereist dat de asielzoeker zijn/haar relaas ondersteunt met stukken en dat het volstaat een eenduidig en coherent relaas van de problemen te geven. Verweerder volgt in dit verband de RW die in het aangevochten arrest vaststelt dat verzoekster zelfs geen enkel begin van bewijs bijbrengt betreffende het door haar voorgehouden relaas van de feiten en dat uit de in het dossier aanwezige stukken enkel kan worden geconcludeerd dat verzoekster een alleenstaande moeder is met een kind ten laste en dat zij de Kazachse nationaliteit heeft. Verzoekster kan bovendien op geen enkele wijze aantonen dat zij een relatie had met een man van Tsjetsjeense origine die de vader van haar kind zou zijn. Evenmin kan zij de identiteit, de nationaliteit of de etnische afkomst van deze man bewijzen, noch diens band met haar kind. Verweerder is, net als de RVV, van oordeel dat het ontbreken XIV-29.826-4/8 van dergelijke essentiële gegevens omtrent de kern van het asielrelaas de geloofwaardigheid ervan ernstig ondermijnt. Verweerder verwijst in dit verband nog naar rechtspraak van de Raad van State die stelt dat de bewijslast inzake de gegrondheid van een asielaanvraag in beginsel immers op de kandidaat-vluchteling zelf rust. Zoals iedere burger die om een erkenning vraagt, moet ook de asielzoeker aantonen dat zijn/haar aanvraag gerechtvaardigd is. Daarom moeten door hem/haar in de mate van het mogelijke stavingsstukken worden aangebracht (R.v.St., nr. 126.529, 17 december 2003). Voorts stelt verzoekster dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een appreciatiefout maakte door te veronderstellen dat documenten betreffende mensen van Tsjetsjeense origine even makkelijk te verkrijgen zijn als documenten betreffende Kazakken van Russische origine. Verwerende partij wenst in dit verband te wijzen op rechtspraak van de Raad van State waarin gesteld wordt dat in de mate dat de verzoekende partij aan de RW een schending van zijn appreciatiebevoegdheid verwijt, dit een heronderzoek van de feiten impliceert, hetgeen niet tot de bevoegdheid van de R.v.St. als administratieve cassatierechter behoort (06-13348, Syrië, R.v.St. nr. 1005 van 26 juli 2007). Dit laatste middel stelt immers in wezen dat de RW (dit onderdeel van) de zaak anders had kunnen beoordelen en betwist aldus zijn feitelijke appreciatie. Volgens artikel 14, §2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State treedt de RW in geval van cassatieberoep tegen de door de administratieve rechtscolleges in laatste aanleg gewezen beslissingen niet in de beoordeling van de zaken zelf. Een dergelijk middel dat (ten onrechte) beoogt dat de Raad van State kennis zou nemen van de feiten en de zaak opnieuw zou onderzoeken, is volgens de Raad van State niet ontvankelijk in graad van administratieve cassatie. (05-16720, Nepal, R.v.St. nr. 1027 van 27 juli 2007 en 04-13951, India, R.v.St. nr. 1028 van 27 juli 2007) Wat betreft de stelling van de RVV dat het ontbreken van stukken de geloofwaardigheid van het asielrelaas in het gedrang brengt, is verweerder, zoals reeds eerder werd aangehaald (zie punt 2.3 van deze memorie), van oordeel dat het ontbreken van essentiële gegevens (stukken) omtrent de kern van het asielrelaas de geloofwaardigheid ervan wel degelijk ernstig ondermijnt. In een volgende overweging haalt verzoekster aan dat de RW een manifeste appreciatiefout maakt door te stellen dat verzoekster geen problemen zou gehad hebben in haar land van herkomst doch dat zij op "beleefde en zelfs vriendelijke wijze" zou zijn toegesproken door haar autoriteiten, terwijl zij zich in werkelijkheid verplicht zag onder te duiken. Als antwoord hierop wenst verweerder te herhalen en te benadrukken dat in de mate dat de verzoekende partij aan de RW een schending van zijn appreciatiebevoegdheid verwijt, dit een heronderzoek van de feiten impliceert, hetgeen niet tot de bevoegdheid van de R.v.St. als administratieve cassatierechter behoort (zie punt 2.4 van deze memorie) Betreffende het niet toekennen van subsidiaire bescherming door de Raad voor Vreemde- lingenbetwistingen stelt verweerder vast dat verzoekende partij hiervoor in haar verzoekschrift uitsluitend verwijst naar de argumenten die zij heeft opgeworpen om de weigering van erkenning van de vluchtelingenstatus te bestrijden. Verweerder verwijst in zijn repliek hierop dan ook naar alle voorgaande vaststellingen en overwegingen van deze memorie. Wat de rechten van verdediging betreft, stelt verweerder vast dat verzoekster niet uiteenzet op welke manier deze rechten zouden geschonden zijn. Verzoekster maakt nergens aannemelijk dat zij niet de kans heeft gehad om haar visie uiteen te zetten waardoor de rechten van verdediging geschonden zouden zijn. In tegenstelling tot wat verzoeker beweert, beklemtoont verwerende partij dat het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk wordt gedragen door in feite en in rechte aanvaardbare motieven en correct en afdoende gemotiveerd is. Verweerder meent dan ook dat aan de motiveringsplicht van jurisdictionele beslissingen is voldaan, aangezien de bestreden beslissing duidelijk de redenen vermeldt waarop zij werd gesteund. Het enig middel is ongegrond.”; 1.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord haar verzoekschrift herneemt en toevoegt dat zij, “in tegenstelling tot wat de CGVS in zijn verweer meent, (...) wel degelijk op het ogenblik van haar schrijven aan XIV-29.826-5/8 de Raad (...) liet weten dat zij de documenten niet eerder kon bijbrengen aangezien zij deze niet eerder ontvangen had”, dat zij “op de RVV tijdens de debatten mondeling gesteld had dat zij via alle mogelijke kanalen gepoogd had aan bijkomende stukken te geraken, doch dat dit haar niet gelukt is”, dat “de CGVS (...) onterecht meent dat de bestreden beslissing wel degelijk motiveert dat de stukken niet in aanmerking genomen worden omdat zij te laat bijgebracht werden”, dat “de CGVS ten onrechte meent dat noch het procedurereglement, noch de wet in de mogelijkheid voorzien stukken bij te brengen na sluiting van de debatten”, dat “de RVV een rechtbank is, dat zowel sluiting als heropening van de debatten mogelijkheden zijn waarover een rechtbank beschikt”, dat “indien de RVV zou gemeend hebben dat het niet mogelijk was op wetgevende of reglementaire gronden de debatten de heropenen, (...) zij dit aldus had moeten motiveren”, dat “de CGVS ten onrechte wil voorhouden dat de RVV slechts zou gesteld hebben dat verzoekster zelfs geen begin van bewijs zou aanbrengen van haar beweringen” en dat “duidelijk stukken geviseerd worden, terwijl voorbijgegaan wordt aan het coherent relaas van verzoekster”; 2. Overwegende dat het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend, te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenverdrag) geen directe werking in het Belgische recht heeft; dat de verzoekende partij niet uiteenzet op welke wijze “de artikelen 57 en volgende” van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en artikel 235 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen door het bestreden arrest zouden zijn geschonden; dat het enige middel in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op eigen regels is gegrond; dat één van de hoofdbekommernissen van de wetgever bij de recente hervorming van het vreemdelingen- contentieux onmiskenbaar de snelle behandeling van de asielaanvragen geweest is; dat het nieuw opgerichte rechtscollege -de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen- de hem voorgelegde beroepen tegen de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vlot en snel moet afhandelen; dat naar luid van artikel 39/76, § 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, ingevoegd met de voornoemde wet van 15 september 2006, de geadiëerde kamervoorzitter of rechter in vreemdelingenzaken een beslissing neemt binnen de drie maanden na de ontvangst van het beroep; dat deze termijn zelfs verkort wordt tot twee maanden voor de zaken die de XIV-29.826-6/8 commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen krachtens de wet bij voorrang heeft moeten behandelen; dat deze termijn weliswaar een termijn van orde is, doch dat de overschrijding ervan niet zonder belangrijke gevolgen blijft; dat zo uitdrukkelijk is voorzien dat de eerste voorzitter dan aan één of meer kamers opdracht geeft om bijkomende zittingen te houden (artikel 39/6, § 1, vijfde lid van de Vreemdelingenwet); dat, indien wegens de voorlegging van nieuwe gegevens de heropening der debatten zou worden bevolen, een nieuwe rechtsdag moet worden vastgesteld en de tegenpartij in de gelegenheid moet worden gesteld de voorgebrachte nieuwe gegevens te onderzoeken en een standpunt in te nemen; dat dergelijke vertraging van de rechtsgang niet te verenigen valt met de door de wetgever gewilde snelle afhandeling van de asieldossiers; dat artikel 39/76 strenge voorwaarden stelt opdat nieuwe gegevens door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in aanmerking zouden kunnen worden genomen; dat in beginsel deze nieuwe gegevens opgenomen moeten zijn in het oorspronkelijk verzoekschrift; dat slechts uitzonderlijk en onder welbepaalde voorwaarden de Raad rekening kan houden met niet in het inleidend verzoekschrift, maar nadien en ten laatste op de terechtzitting aangebrachte nieuwe gegevens; dat de wetgever niet alleen de behandelingstermijn heel kort heeft gehouden (in de regel drie maanden vanaf de ontvangst van het beroep); dat hij ook heeft gewild dat nieuwe gegevens ten laatste op de door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vastgestelde rechtsdag worden aangebracht; dat één en ander leidt tot het besluit dat de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen de wil van de wetgever zou miskennen wanneer hij de debatten zou heropenen om reden dat de asielzoeker tijdens het beraad nieuwe gegevens heeft ontdekt; dat dergelijke nieuwe gegevens eventueel in het kader van een nieuwe asielaanvraag kunnen worden aangebracht, maar geen aanleiding kunnen geven tot een heropening der debatten; dat, aangezien de debatten door hem toch niet konden worden heropend omwille van de voorlegging van nieuwe gegevens, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet gehouden was nader in te gaan op het daartoe in de brief van 23 juli 2007 geformuleerde verzoek; dat het middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat het middel er voor het overige toe strekt de appreciatie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over te doen, terwijl de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de beoordeling van de feiten te treden; dat het middel ook in die mate niet-ontvankelijk is; 3. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; dat het cassatieberoep wordt verworpen, XIV-29.826-7/8 BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien maart tweeduizend en negen, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-29.826-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.469 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div