← België

Arrest 191501 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 17/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.501 Rolnummer: A. 188702/XIV-30394 Zaak: Arrest 191501 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 17/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-27 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 22:44 Fiche Arrest nr 191.501 van 17 maart 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.501 van 17 maart 2009 in de zaak A. 188.702/XIV-30.394. In zake : XXX, wonende te 2200 HERENTALS, Stationsplein 9 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Sierra Leoonse nationaliteit, op 23 juni 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 11.604 van 23 mei 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 3026 van 8 juli 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 3 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 februari 2009; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-30.394-1/9 Gehoord de opmerkingen van Advocaat H. VAN NIJVERSEEL die, loco Advocaat M. DE RAEDEMAEKER verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché Kr. GOOSSENS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. XXX, die beweert van Sierra Leoonse nationaliteit te zijn, vraagt op 29 december 2004 om erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.2. De Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beslist op 24 augustus 2006 dat verzoeker niet als vluchteling kan worden erkend. 1.3. Verzoeker tekent op 7 september 2006 tegen deze weigeringsbeslissing hoger beroep aan bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. 1.4. Op 17 maart 2007 wordt een verzoekschrift in voortzetting ingediend. 1.5. Bij beslissing van 23 april 2007 van de Voorzitter van de Tweede Nederlandse Kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen wordt de zaak naar de algemene rol verwezen. 1.6. Het hoger beroep van verzoeker wordt opgeroepen op de zitting van 15 mei 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. 1.7. Op deze zitting wordt verzoeker, bijgestaan door zijn raadsvrouw, gehoord. XIV-30.394-2/9 1.8. Op 23 mei 2008 neemt de wnd. voorzitter van de IVde Kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het thans bestreden arrest, waarbij de vluchtelingen- status en de subsidiaire beschermingsstatus aan verzoeker worden geweigerd. Dit arrest rust op volgende redengeving : “1. Het feitenrelaas luidt volgens de bestreden beslissing als volgt: "U bent afkomstig van Magbethe (Port Loko distrikt) maar u groeide grotendeels op bij uw tante te Freetown (Sierra Leone). In 1994 keerde u terug naar uw dorp en zette u een handel in palmolie op tussen uw dorp en de hoofdstad. Uw ouders zijn landbouwers. Tijdens de burgeroorlog werd u gevangen genomen door rebellen (voormalige soldaten van het Sierraleoonse leger) en gedwongen mee op te rukken naar Freetown. U was niet betrokken bij gevechten maar diende lasten te dragen voor de rebellen. U werd meegenomen naar Makeni en moest er werken voor 'general Bio'. Toen hij besliste naar Kono te vertrekken, nam u de benen en keerde terug naar uw dorp. Op 2 november 2004, tijdens de maand van de ramadan, was u in uw kamer samen met XXX (S.), de zoon van de imam. Jullie hadden sexuele betrekkingen. Dorpelingen vielen de kamer binnen en sleurden u naar buiten. Ondertussen werd u geslagen. Dankzij een tussenkomst van de politie kon u gered worden uit handen van de menigte. De agenten begeleidden u terug naar uw kamer zodat u zich kon aankleden. Daarna namen ze u mee naar het politiekantoor. Enderzijds om u te beschermen tegen de woedende bevolking die gezegd had dat u het dorp niet zou verlaten omdat u tegen de religie, traditie en cultuur van het dorp had gehandeld, anderzijds omdat u zou worden overgebracht naar Port Loko om er te worden berecht. U hoorde de aanvallers nog zeggen dat ze zouden terugkeren na het avondgebed. Enkele uren later hoorde u mensen discussiëren en uw richting opkomen. Er werd geslagen op de deur. U slaagde erin het raam open te breken en het woud in te rennen. U werd nog achtervolgd door de dorpelingen maar kon niettemin ontkomen. U trok naar Magbonto en verbleef er enkele dagen bij uw vriend Abdul. Op 4 november 2004 reisde u verder naar Freetown. U zocht uw toevlucht bij uw tante maar zij was al op de hoogte gebracht van de gebeurtenissen door uw vader en wou u niet in huis opnemen. U ging dan maar naar een klant van u, XXXb (Juba Hill, Freetown), met wiens zoon XXX u tevens een relatie had. U bleef de eerste twee weken binnen om problemen te vermijden. Toen u op een dag ging wandelen aan Lumley beach, liep u een zekere XXX tegen het lijf. Jullie raakten aan de praat en enige tijd later spraken jullie iedere avond af. U vertelde hem over uw problemen en ongeveer vijf dagen nadat u hem ontmoet had, hadden jullie sexuele betrekkingen. Op 8 december 2004 stond de echtgenoot van XXX, pastoor XXX, met een krant in de hand u op te wachten aan de deur van zijn woning. Hij zei u dat hij alles al vernomen had van XXX, nam een machete en begon u achterna te zitten terwijl hij andere mensen te hulp riep. U kon ontkomen en ging naar de woning van mister XXX. Ook hij beschikte over de krant waarin uw naam vermeld stond en u beschuldigd werd van pedofilie. U legde hem uit dat u nooit met personen jonger dan 18 geslapen had. U mocht bij hem blijven en ondertussen contacteerde hij zijn Belgische zakenpartner. Op 20 december 2004 reisde u per helikopter naar Lungi airport en van daaruit per vliegtuig naar België. XXX bracht u onder bij zijn zakenpartner XXX en vertrok op 23 december 2004 naar zijn familie in Italië. XXX wou dat u cocaïne zou smokkelen. U weigerde maar toen hij u bedreigde met de dood stemde u toch in. Nog diezelfde nacht ontsnapte u uit zijn woning. U sprak iemand aan die u begeleidde naar de gebouwen van de Belgische asielinstanties waar u op 29 december 2004 uw asielprocedure startte." 2. De verklaringen van de kandidaat-vluchteling kunnen een voldoende bewijs zijn van zijn hoedanigheid van vluchteling op voorwaarde dat ze plausibel, geloofwaardig en eerlijk zijn (J. HATHAWAY, The Law of Refugee Status, Butterworths, Toron- to-Vancouver, 1991, 84). De verklaringen mogen niet in strijd zijn met algemeen XIV-30.394-3/9 bekende feiten. De bewijslast berust in beginsel bij de kandidaat-vluchteling die in de mate van het mogelijke elementen dient aan te brengen ter staving van zijn relaas en bij het ontbreken van dergelijke elementen, hiervoor een aannemelijke verklaring dient te geven. Het voordeel van de twijfel kan slechts worden verleend indien alle elementen werden onderzocht en men overtuigd is van de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen (UNHCR, Guide des procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugié, Genève, 1992, 204). De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet niet bewijzen dat de feiten onwaar zouden zijn (R.v.St., X, nr. 43.027, 19 mei 1993) en het is niet de taak van de Raad zelf de lacunes in de bewijsvoering van de vreemdeling op te vullen (R.v.St., X, nr. 173.197, 5 juli 2007). De ongeloofwaardigheid van een asielrelaas kan niet alleen worden afgeleid uit tegenstrijdigheden, maar ook uit vage, incoherente en ongeloofwaardige verklaringen. 3.1. De motivering van de bestreden beslissing luidt als volgt: (...) 3.2. Verzoeker voert aan dat zijn asielaanvraag gegrond is op een ernstige vrees voor vervolging door de autoriteiten en de bevolking omwille van zijn homoseksuele geaardheid, dewelke bevestigd wordt door de verantwoordelijke van de "Werkgroep Internationale Solidariteit Holebi's". Verzoeker betoogt dat homoseksualiteit in Sierra Leone een groot taboe is en als onzedelijk wordt beschouwd, waardoor homoseksuelen zich in een zeer kwetsbare positie bevinden en riskeren slachtoffer te worden van vervolgingen. Hij wijst erop dat de Commissaris-generaal deze problematiek erkent in de bestreden beslissing. Aangaande zijn verklaringen over het lot van XXX, zijn partner, voert verzoeker aan (

  1. i)dat hij zodanig werd aangepakt door de dorpsgenoten dat het logisch en geloofwaar- dig is dat hij niet heeft gezien wat er ondertussen met XXX is gebeurd (
  2. ii)dat hij zelf onmiddellijk werd gearresteerd en nadien zijn geboortedorp ontvlucht is (iii) dat hij consequent voorbehoud heeft gemaakt om zich uit te spreken over het lot van zijn partner omdat diens positie als zoon van de imam en lid van de "secret society" misschien verschillend is van zijn positie in het dorp, zonder zich te willen uitspreken over de vraag of dit nadelig dan wel voordelig is. Verzoeker stelt dat het niet volledig op de hoogte zijn van de werking van SLLAGA of de juridische positie van homoseksuelen in Sierra Leone geen afbreuk doet aan het gegeven van zijn homoseksuele geaardheid en hij wijst erop dat de juridische positie niet zo duidelijk is, zeker niet voor niet-juristen. Een engagement bij SLLAGA is volgens verzoeker niet evident in een land als Sierra Leone. Verzoeker wijst erop dat het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (verder: CGVS) geen rekening gehouden heeft met het feit dat verzoeker zich in België, waar homoseksualiteit geen taboe is, wel openlijk heeft geëngageerd in de holebibeweging W.I.S.H. Inzake zijn reisroute volhardt verzoeker in zijn verklaring dat hij zelf het paspoort niet toonde, maar dat Pierre dit voor hem deed en voert hij aan dat de informatie waarop het CGVS zich baseert enkel spreekt over een algemene situatie, doch niet over de grenscontrole van verzoeker persoonlijk. Verzoeker verwijt het CGVS zonder motivering de bewijswaarde te verwerpen van de verklaring van de verantwoordelijke van voormelde beweging en wijst erop dat het interview in de `gaykrant' aantoont dat hij publiekelijk uitkomt voor zijn geaardheid. Deze elementen moeten ernstig worden genomen, te meer daar het CGVS zelf de kwetsbare positie van holebi's in Sierra Leone erkent. Ten slotte voert verzoeker de schending aan van artikel 3 EVRM en artikel 1 van het verdrag tegen foltering en onmenselijke behandeling. 3.3. De uiteenzetting van een rechtsmiddel vereist dat zowel de geschonden rechtsregel of het geschonden rechtsbeginsel wordt aangeduid als de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden rechtshandeling werd geschonden (R.v.St., nr. 168.403, 2 maart 2007; R.v.St., nr. 166.392, 8 januari 2007). Verzoeker geeft niet aan op welke wijze artikel 1 van het verdrag tegen foltering en onmenselijke XIV-30.394-4/9 behandeling door de bestreden beslissing zou geschonden zijn, waardoor dit onderdeel van het middel niet dienstig wordt aangevoerd. De Raad wijst erop dat hij in het kader van zijn bevoegdheid, bepaald in artikel 39/2, §1 van de voormelde wet van 15 december 1980, geen uitspraak doet over een terugleidingsmaatregel en aldus niet vermag artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden rechtstreeks te toetsen (zie R.v.St, nr. 173.134, 3 juli 2007). De Raad onderzoekt in casu enkel het reële risico op foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van verzoeker in zijn land van herkomst in het kader van de subsidiaire bescherming van artikel 48/4, §2 van de voormelde wet van 15 december 1980 (zie infra, punt 4). De Raad stelt vast dat verzoeker geen begin van bewijs bijbrengt omtrent zijn reisweg, hetgeen een negatieve indicatie inhoudt voor zijn geloofwaardigheid. Bovendien brengt verzoeker geen concrete elementen bij die de informatie omtrent de grenscontroles waarop het CGVS zich steunt weerleggen en beperkt hij zich ertoe zijn eerdere verklaringen hieromtrent te herhalen, hetgeen geenszins afdoende is om de bestreden motivering te ontkrachten, die het terecht ongeloofwaardig acht dat (
  3. i)een zekere "Pierre" belangeloos verzoekers vlucht en reisdocumenten zou gefinancierd hebben (
  4. ii)hij de achternaam van deze persoon niet kent, terwijl hij verklaarde een relatie met hem te hebben gehad en bijna drie weken bij hem te hebben verbleven in Freetown alvorens Sierra Leone te verlaten (administratief dossier, stuk 3, p. 18-19) (iii) hij nooit enig reisdocument in handen zou hebben gehad noch heeft moeten voorleggen en hem geen vragen werden gesteld bij aankomst (Ibid., p.6). Deze motivering blijft overeind en wordt door de Raad overgenomen. De Raad merkt op dat verzoeker zich ertoe beperkt zijn asielmotieven in algemene bewoordingen te herhalen en te verwijzen naar de positie van homoseksuelen in Sierra Leone. Een verwijzing naar de algemene situatie van homoseksuelen in zijn land van herkomst volstaat geenszins om een persoonlijke en gegronde vrees voor vervolging aannemelijk te maken. Verzoeker legde uiterst vage verklaringen af over XXX, de persoon met wie hij betrapt werd en waardoor hij diende te vluchten, terwijl dit de kern van zijn asielrelaas raakt. Hij herhaalt zijn eerdere verklaringen door te stellen dat hij niet weet wat er met XXX gebeurd is gezien hij zelf gearresteerd werd en vluchtte, hetgeen niet afdoende is om de bestreden motivering te weerleggen, die terecht stelt dat van verzoeker redelijkerwijs kan verwacht worden dat hij duidelijke en coherente verklaringen aflegt aangaande het lot van zijn toenmalige partner en het gevaar dat deze relatie voor hem meebracht, rekening houdend met het feit dat zij reeds een jaar een relatie hadden. Verzoeker toont bovendien niet aan dat hij ernstige pogingen ondernomen heeft teneinde meer informatie te bekomen omtrent de huidige situatie van XXX, terwijl hij nochtans verklaart contact te hebben met verschillende mensen in Sierra Leone (administratief dossier, stuk 3, p. 5-6). Verzoeker weerlegt de bestreden beslissing niet aangaande de onduidelijkheid over de feiten waarvan hij precies beschuldigd zou zijn, homoseksualiteit dan wel pedofilie. Deze vaststelling wordt derhalve als niet-betwist en vaststaand beschouwd. De ernst en geloofwaardigheid van verzoekers problemen wordt verder ondermijnd door (
  5. i)het feit dat hij, ondanks zijn beweerde verschillende homoseksuele ervaringen met personen uit zijn dorp (administratief dossier, stuk 3, p.15), met de zoon van een pastor (Ibid., p. 17) en met rebellen (administratief dossier, stuk 10, p. 8), nauwelijks op de hoogte is van de juridische positie van homoseksuelen in zijn land van herkomst en de holebi-beweging in het algemeen (
  6. ii)zijn desinteresse in de homo-gemeenschap in Sierra Leone die blijkt uit zijn vage verklaringen omtrent de dood van Fanny Ann Eddy, oprichtster van de Sierra Leone Lesbian and Gay Association (SLLAGA) (iii) het feit dat hij voormelde organisatie nooit gecontacteerd heeft, ondanks het feit dat hij in Freetown verbleef na zijn beweerde vlucht uit zijn dorp en er tevens een seksuele relatie onderhield met de zoon van de pastor. Van verzoeker wordt niet gevraagd dat hij volledig op de hoogte is van de werking van SLLAGA, noch van de complete juridische context. Van iemand die zijn land van herkomst ontvlucht omwille van zijn seksuele geaardheid kan wel redelijkerwijs verwacht worden dat hij duidelijke XIV-30.394-5/9 verklaringen aflegt omtrent deze problematiek, waaruit kan afgeleid worden dat hij effectief betrokken en geïnteresseerd is. Ten overvloede aanvaardt de Raad verzoekers ontsnappingsverhaal niet daar het niet plausibel voorkomt dat hij ontsnapte uit zijn cel, door middel van het breken van een raam met twee of drie metalen staven, en aan de woedende menigte en dit terwijl deze woedende menigte het politiekantoor belaagde alwaar de politie hem had ondergebracht teneinde hem te beschermen tegen deze menigte (administratief dossier, stuk 16, p. 13; stuk 3, p.11). Waar verzoeker naar de brief van de verantwoordelijke van de "Werkgroep Internatio- nale Solidariteit Holebi's" en een artikel in de "gaykrant" verwijst om zijn homoseksue- le geaardheid aan te tonen, merkt de Raad op dat de bestreden beslissing terecht oordeelde dat aan dergelijke documenten, bij gebrek aan objectief karakter en mede gelet op zijn ongeloofwaardige verklaringen, geen bewijswaarde kan worden gehecht. Het voorafgaande in acht genomen, kan niet worden aangenomen dat verzoeker voldoet aan de voorwaarden zoals bepaald in artikel 48/3 van de voormelde wet van 15 december 1980. 4.1. Verzoeker vraagt de toekenning van het statuut van subsidiaire bescherming en stelt dat hij een reëel en actueel risico op ernstige schade lijdt bij terugkeer naar Sierra Leone, waarbij hij verwijst naar de getuigenis van de verantwoordelijke van W.I.S.H. aangaande zijn seksuele geaardheid, alsook naar de uitdrukkelijke erkenning van de problemen die homoseksuelen te vrezen hebben in Sierra Leone door de bestreden beslissing zelf. Verder wijst verzoeker erop dat de bestreden beslissing niet vermeldt dat hij kon worden teruggeleid naar Sierra Leone. 4.2. De Raad stelt vast dat verzoeker zich voor zijn vraag om subsidiaire bescherming op geen andere elementen steunt dan deze die de grondslag vormen van zijn asielrelaas. Derhalve kan hem, zijn ongeloofwaardige verklaringen mede in acht genomen (zie sub 3.3), de subsidiaire beschermingsstatus krachtens artikel 48/4, §2, b van de voormelde wet van 15 december 1980 niet worden toegekend.”. 2. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: “Tweede middel, schending van de motiveringsplicht, van artikel 3 van het EVRM en van artikel 48/4,§2,
  7. b)van de Vw; De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wijst twee cruciale bewijsstukken van verzoeker af als zijnde zonder bewijswaarde, nl. een verklaring van de verantwoordelij- ke van de "Werkgroep Internationale solidariteit Holebi's" en een artikel in de gaykrant; De reden van afwijzing wordt gemotiveerd als "bij gebreke aan objectief karakter en mede gelet op zijn ongeloofwaardige verklaringen"; De afwijzing van de bovengenoemde cruciale stukken gebeurt in het kader van het onderzoek van het feitenrelaas van de asielaanvraag:
  8. a)Dit feitenrelaas heeft betrekking op gebeurtenissen in Sierra Leone. De bewijsstuk- ken bewijzen echter een situatie die vastgesteld kon worden in België. De beweerde ongeloofwaardigheid betreft enkel gebeurtenissen uit Sierra Leone en deze ongeloof- waardigheid kan geen afbreuk doen aan de bewijswaarde van verklaringen die betrekking hebben op een situatie vastgesteld in België;
  9. b)Bij toepassing van artikel 48/3,§2,
  10. b)van de Vw, waarbij een onrechtstreekse toetsing van artikel 3 van het EVRM gebeurt, kan het niet volstaan om enkel te verwijzen naar het onderzoek van het feitenrelaas van de asielaanvraag, maar had een van artikel 48/3 van de Vw onafhankelijke beslissing moeten genomen worden over de seksuele geaardheid van verzoeker, waarbij niet alleen de situatie in Sierra Leone telt, maar ook deze vastgesteld in België; XIV-30.394-6/9 De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft gefaald de situatie in België in rekening te nemen en schendt daardoor artikel 48/4,§2,
  11. b)en artikel 3 van het EVRM;”; 2.2. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich ten onrechte beperkt tot een verwijzing naar het onderzoek van het feitenrelaas van de asielaanvraag en dat op grond van artikel 3 van het EVRM en artikel 48/4, § 2,
  12. b)van de Vreemdelingenwet een van artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet onafhankelijk onderzoek had moeten gebeuren waarbij zijn effectieve seksuele geaardheid centraal staat; 2.3.1. Overwegende dat dit tweede middel gericht is tegen het gedeelte van het aangevochten arrest waarbij verzoeker de subsidiaire beschermingsstatus wordt geweigerd; dat het gedeelte van het bestreden arrest waarbij hem de vluchtelingenstatus wordt geweigerd, erin niet wordt bekritiseerd; dat het tweede middel dan ook slechts kan leiden tot de gedeeltelijke vernietiging van het arrest van 23 mei 2008, met name voor zover uitspraak wordt gedaan over de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus; 2.3.2. Overwegende dat blijkens de motivering van het bestreden arrest de subsidiaire beschermingsstatus niet aan verzoeker wordt toegekend omdat hij zich voor zijn vraag om subsidiaire bescherming op geen andere elementen steunt dan deze die de grondslag vormen van zijn asielrelaas en omdat zoals uiteengezet sub 3.3. zijn verklaringen ongeloofwaardig zijn; dat verzoekers vraag om subsidiaire bescherming niet steunde op de meegemaakte belevenissen in Sierra Leone met andere woorden op zijn asielrelaas, doch wel op

(1)zijn seksuele geaardheid zoals dit blijkt uit de verklaring van de verantwoordelijke van W.I.S.H. en op
(2)de door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen toegegeven “kwetsbare positie van holebi’s in Sierra Leone” (verzoekschrift in voortzetting van 16 maart 2007); dat deze aanvraag slechts onder verwijzing naar de “ongeloofwaardige verklaringen” van verzoeker kon afgewezen worden indien geen geloof kon worden gehecht aan zijn seksuele geaardheid, hetgeen niet het geval is; dat de verwerping sub 3.3. van het verzoek om erkenning van verzoekers hoedanigheid van vluchteling niet op die grond rust, doch wel op andere vaststellingen, met name
(1)het ontbreken van een begin van bewijs omtrent de reisweg en de ongeloofwaardige verklaringen in verband met zijn reis,
(2)de uiterst vage verklaringen aangaande zijn vroegere partner,
(3)de onduidelijkheid over de feiten waarvan hij precies beschuldigd zou zijn,
(4)zijn gebrek aan kennis omtrent de juridische positie van homoseksuelen en omtrent de holebi-beweging in Sierra Leone en zijn desinteresse in de homo-gemeenschap aldaar en
(5)het niet-plausibel ontsnappingsverhaal; dat door verzoekers vraag om toekenning van het subsidiair beschermingsstatuut te verwerpen omwille van de ongeloofwaardigheid van zijn asielrelaas, terwijl de seksuele XIV-30.394-7/9 geaardheid zelf van betrokkene niet in twijfel wordt getrokken, de Raad voor Vreemdeling- enbetwistingen zijn arrest op dit punt niet naar behoren met redenen heeft omkleed; dat de verwerende partij in haar antwoord op het eerste middel tevergeefs opwerpt dat verzoeker er niet in slaagde aan te tonen dat hij persoonlijk door de door hem ingeroepen toestand van mensenrechtenschendingen in zijn land van herkomst zou worden getroffen; dat verzoekers vraag om toekenning van het subsidiaire beschermingsstatuut immers niet op die grond door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wordt afgewezen, doch wel wegens de ongeloofwaardigheid van zijn verklaringen; dat het tweede middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  1. Vernietigd wordt het arrest nr. 11.604 van 23 mei 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen doch enkel in zoverre uitspraak wordt gedaan over verzoekers vraag om toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus. Artikel
  2. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel
  3. Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overgeschre- ven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Artikel
  4. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel
  5. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-30.394-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien maart tweeduizend en negen, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, Ch. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, Ch. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-30.394-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.501 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.