← België

Arrest 191528 - O.C.M.W. - 17/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.528 Rolnummer: A. 178864/XII-4938 Zaak: Arrest 191528 - O.C.M.W. - 17/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-25 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 22:47 Fiche Arrest nr 191.528 van 17 maart 2009 Sociale zaken en volksgezondheid - O.C.M.W. Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.528 van 17 maart 2009 in de zaak A. 178.864/XII-

  1. In zake : Aloïs VAN DEN EYNDE, die woonplaats kiest bij advocaat P. Lahousse, kantoor houdende te Mechelen, Leopoldstraat 64 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP, die woonplaats kiest bij advocaten K. Geelen en K. Wauters, kantoor houdende te Hasselt, Gouverneur Roppesingel
  2. tussenkomende partij : het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN LEUVEN, dat woonplaats kiest bij advocaat Th. Hoschet, kantoor houdende te Leuven, Sint Maartenstraat
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Aloïs Van den Eynde op 24 november 2006 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 25 september 2006 van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering houdende niet inwilliging van zijn beroep tegen het besluit van 25 augustus 1994 van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant, houdende goedkeuring van het besluit van de raad voor maatschappelijk welzijn van Leuven van 19 mei 1994 houdende het opleggen van de tuchtsanctie van de afzetting; Gelet op de beschikking van 11 januari 2007 waarbij aan verzoeker het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend voor wat betreft het beroep tot nietigverklaring; XII-4938-1/6 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 30 maart 2007; Gelet op de beschikking van 23 april 2007 die de tussenkomst van het OCMW van Leuven toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur B. Weekers; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 2 februari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 maart 2009; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. Goossens, die loco advocaat P. Lahousse verschijnt voor verzoekende partij, van advocaat E. Can, die loco advocaten K. Geelen en K. Wauters verschijnt voor verwerende partij, en van advocaat K. Jonckheer, die loco advocaat Th. Hoschet verschijnt voor tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. Weekers; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak
  4. Verzoeker was opsteller bij het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW) van Leuven en ter beschikking gesteld van de vereniging Universitair Ziekenhuis Sint-Pieter. Op 19 mei 1994 legt de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW hem de tuchtstraf “afzetting” op, met ingang van 20 mei
  5. Nadat de deputatie van de provincieraad van Brabant op XII-4938-2/6 25 augustus 1994 dit besluit goedkeurt, verwerpt de bevoegdeVlaamse minister op 5 december 1994 het daartegen door verzoeker ingesteld beroep. Bij arrest nr. 159.968 van 12 juni 2006 vernietigt de Raad van State het voormelde besluit van 5 december 1994 van de Vlaamse minister van Welzijn houdende de goedkeuring van de beslissing van 19 mei 1994 van de raad voor maatschappelijk welzijn van Leuven waarbij verzoeker bij tuchtmaatregel wordt afgezet. Met het thans bestreden ministerieel besluit van 25 september 2006 wordt overwogen dat ingevolge dit arrest een nieuwe beroepstermijn ontstaat, dat een nieuwe beoordeling van het tuchtbesluit noodzakelijk is en wordt finaal het beroep, ingesteld door verzoeker tegen het besluit van de deputatie, niet ingewilligd en het tuchtbesluit van het OCMW van Leuven van 19 mei 1994 waarbij aan verzoeker de tuchtsanctie van de afzetting wordt opgelegd, goedgekeurd. De gegrondheid van het beroep
  6. Verzoeker voert in het inleidend verzoekschrift twee middelen aan ter ondersteuning van zijn beroep. In de memorie van wederantwoord herhaalt hij woordelijk die middelen, zonder te repliceren op het verweer in de memorie van antwoord. Wijl in het auditoraatsverslag wordt voorgesteld om de middelen af te wijzen, beperkt verzoeker zich er toe in de laatste memorie louter de voortzetting van de procedure te vragen, met de vermelding dat hij in zijn middelen volhardt. Uiteenzetting van het eerste middel
  7. Het eerste middel is geput uit de schending van “hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen en/of overschrijding of afwending van macht”, “doordat de bestreden beslissing stelt dat ingevolge het vernietigingsarrest van de Raad van State van 12 juni 2006 een nieuwe beroepstermijn ontstaat en dat een nieuwe beoordeling van het tuchtbesluit noodzakelijk is, terwijl het vernietigingsarrest van de Raad van State van 12 juni 2006 terugwerkende kracht heeft (ex tunc) en er devolutieve werking is, en de vernietigde bestuurs- handelingen bijgevolg geacht worden nooit bestaan te hebben; terwijl de rechtsmacht van de bevoegde Vlaamse Minister over het tuchtbesluit reeds was uitgeput op grond van het beginsel non bis in idem, vermits er daarover reeds eerder een beslissing was genomen in het Ministerieel besluit van 5 december 1994 (houdende afwijzing van het beroep van verzoeker en dus de goedkeuring XII-4938-3/6 van het tuchtbesluit van het OCMW Leuven van 19 mei 1994); terwijl het vernietigingsarrest van de Raad van State de zaak niet terugverwijst naar de bevoegde Vlaamse minister (om daaromtrent een nieuwe beslissing te nemen)”. Beoordeling
  8. Verzoeker heeft het bij het rechte eind waar hij vaststelt dat het arrest van de Raad van State van 12 juni 2006 terugwerkende kracht heeft en dat het vernietigde ministerieel besluit dat uit het rechtsverkeer is verdwenen bijgevolg geacht moet worden nooit te hebben bestaan. Precies daarom spreekt verzoeker zich tegen als hij meent dat er schending zou zijn van een beginsel non bis in idem wanneer de minister met het thans bestreden besluit de tuchtsanctie goedkeurt. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Voorts verliest verzoeker uit het oog dat het optreden van de minister een goedkeuringstoezicht betreft dat, eenmaal geactiveerd, het bestuur tot een uitspraak verplicht, wat dan weer inhoudt, zoals de Raad van State reeds vroeger heeft geoordeeld in onder meer zijn arresten Van de Velde, nr. 121.317, van 4 juli 2003 en Raedt, nr. 178.886, van 24 januari 2008, dat na de nietigverklaring van het eerste ministerieel goedkeuringsbesluit de minister zich opnieuw geplaatst ziet voor de uitoefening van zijn goedkeuringstoezicht, waarvoor hij beschikt over een nieuwe termijn. Wanneer een rechtshandeling wordt vernietigd waarmee een bestuur tegemoet komt aan een verplichting tot handelen, beschikt het bestuur vanaf de betekening van het vernietigingsarrest over een volle termijn om zich weer van zijn verplichting tot handelen te kwijten en om een nieuwe beslissing te nemen. Daartoe is geenszins vereist dat de Raad van State in zijn arrest formeel de zaak naar het bestuur terugwijst of het opdraagt opnieuw te beslissen. In zoverre is het middel ongegrond. Uiteenzetting van het tweede middel
  9. Het tweede middel is geput uit de schending van “hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen en/of overtreding van de wet en/of overschrijding of afwending van macht”, “doordat in het onmogelijke geval dat ingevolge het vernietigingsarrest van de Raad van State van 12 juni 2006 een nieuwe beroepstermijn zou ontstaan en dat een nieuwe beoordeling van het tuchtbesluit noodzakelijk zou zijn, quod non, de bestreden beslissing een onjuiste toepassing heeft gemaakt van artikel 53 § 3 van de OCMW-wet van 8 juli 1976 en/of het principe van de XII-4938-4/6 lijdelijkheid van de rechter heeft geschonden en/of de rechten van verdediging van verzoeker heeft geschonden; terwijl verzoeker niet op de hoogte werd gebracht van een nieuwe beroepstermijn, die slechts aan verzoeker kan worden tegengeworpen wanneer zij hem ter kennis gebracht wordt; terwijl geen enkel gegeven wordt aangereikt dat erop wijst dat de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW Leuven overeenkomstig art. 53 § 3 van de OCMW-wet van 8 juli 1976 opnieuw geldig beroep zou aangetekend hebben, laat staan tijdig beroep; terwijl nergens een bewijs wordt bijgebracht dat de Vlaamse regering ambtshalve een nieuwe beoordeling van het tuchtbesluit kon maken, gelet op de procesautonomie van de partijen”. Beoordeling 6.
  10. Artikel 53, § 3, van de wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, waarvan de schending wordt aangevoerd, luidt : “Het betrokken personeelslid en de raad voor maatschappelijk welzijn kunnen tegen de beslissing van de bestendige deputatie, genomen op grond van § 1 of § 2, bij de Koning beroep instellen binnen vijftien dagen na de kennisgeving die hun ervan wordt gedaan door de bestendige deputatie. De Koning moet beslissen binnen een termijn van drie maanden te rekenen van de dag waarop de akte Hem werd overgezonden; Hij kan evenwel de oorspronkelijke termijn met 3 maanden verlengen indien Hij, vóór het verstrijken van de termijn, ter kennis brengt dat Hij slechts kan beslissen binnen de verlengde termijn”. De verwijzing naar “de Koning” is thans te lezen als “de Vlaamse regering”. 6.
  11. In de bespreking van het eerste middel ligt reeds de beoordeling van het tweede middel besloten. Immers, zoals hiervoor is overwogen, herleeft door het vernietigingsarrest de door het beroep van verzoeker geactiveerde verplichting voor de minister om zijn goedkeuringstoezicht uit te oefenen, en is die beslissing dan ook niet als een ambtshalve optreden van de minister te kwalificeren. Voorts opent het vernietigingsarrest wel een nieuwe termijn voor de overheid voor de uitoefening van dat toezicht, maar geenszins is er sprake van een nieuwe termijn om beroep in te stellen, laat staan dat met voorliggende beslissing uitspraak zou zijn gedaan over een -nooit- door het OCMW ingesteld beroep. Het bestreden ministerieel besluit, waarmee effectief opnieuw uitspraak is gedaan over verzoekers oorspronkelijke beroep, schendt het geciteerde artikel 53, § 3, dan ook niet. Het middel is ongegrond. XII-4938-5/6 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  12. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  13. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien maart 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4938-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.528 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.