← België

Arrest 191552 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.552 Rolnummer: A. 187214/XIV-30262 Zaak: Arrest 191552 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-02 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 22:56 Fiche Arrest nr 191.552 van 18 maart 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.552 van 18 maart 2009 in de zaak A. 187.214/XIV-30.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat L. DENYS, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Paleizenstraat 154 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken, thans de Minister van Migratie- en asielbeleid. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Tunesische nationaliteit, op 25 februari 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 6033 van 21 januari 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 2432 van 21 maart 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M.STERCK, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 3 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 februari 2009; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-30.262-1/6 Gehoord de opmerkingen van Advocaat L. DENYS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat Th. SCHREURS die, loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX, van Tunesische nationaliteit, dient op 10 april 2007 een aanvraag in tot het bekomen van een visum type-D, teneinde zich te herenigen met zijn Belgische echtgenote. 1.
  4. Op 6 september 2007 beslist de Minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van het verzoek tot afgifte van een visum type-D gezinshereniging. 1.
  5. Tegen deze beslissing dient verzoeker op 9 oktober 2007 een beroep tot vernietiging in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. 1.
  6. Bij arrest nr. 6033 van 21 januari 2008 wordt het beroep tot nietigverkla- ring verworpen. Dit is het bestreden arrest.
  7. Over de gegrondheid van het beroep. 2.
  8. Overwegende dat verzoeker als derde middel aanvoert: “Derde middel, Schending van de bevoegdheid toegekend aan de Raad voor Vreemdelingenbetwisting- en door artikel 39/1, tweede lid en artikel 39/2 van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980 Voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen riep verzoeker de schending van de artikelen 46 en 27 van het Wetboek Internationaal Privaatrecht en van artikel 146bis B.W. in. XIV-30.262-2/6 Deze wetsbepalingen werden bij de weigering van het visum verkeerdelijk ingeroepen door de tegenpartij aangezien deze artikelen niet van toepassing waren op de situatie van verzoeker en zijn echtgenote. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelde in zijn arrest dat zij niet de rechtsmacht heeft om, weze het incidenteel, te onderzoeken of de weigering tot erkenning van de geldigheid van het huwelijksakte door de Dienst Vreemdelingenzaken in overeenstemming is met de wet. De Raad meent dat verzoeker zich krachtens artikel 23 W.I.P.R. zich tot de rechtbank van eerste aanleg moet richten. Op grond van artikel 39/1 en 2 van de Vreemdelingenwet is de Raad voor Vreemdeling- enbetwistingen bevoegd om als annulatierechter de wettigheid te beoordelen van alle beslissingen genomen op grond van de Vreemdelingenwet. Het gaat in casu om een beslissing genomen door de Dienst Vreemdelingenzaken op grond van de Vreemdeling- enwet, met name de weigering van een visum. De Raad is bevoegd om de wettigheid te beoordelen van alle motieven ingeroepen door de Dienst Vreemdelingenzaken wanneer zij deze beslissing neemt, weze het motieven die te maken hebben met de interne wettigheid van normen van burgerlijk recht (...). Meer bepaald is de Raad bevoegd om als annulatierechter na te gaan of artikel 46 W.I.P.R. en artikel 146bis B.W. door de Dienst Vreemdelingenzaken juist werd toegepast. Voor de Raad had verzoeker met name gesteld dat de Dienst Vreemdelingen- zaken artikel 146bis alleen mag inroepen voor een huwelijk afgesloten in België, en niet voor een huwelijk afgesloten in het buitenland, zoals dat van verzoeker. Verzoeker vroeg bijgevolg niet aan de Raad na te gaan of het huwelijk van verzoeker geldig is, maar enkel of inzake de toepassing van artikel 46 en 146bis voornoemd de Dienst Vreemdelingenzaken de wet heeft geschonden of niet. Dit behoort tot het objectief contentieux waarvoor de Raad bevoegd is (...). De Raad weigert dit te doen en oefent zijn bevoegdheid niet uit die haar door artikel 39/1 en 2 werd toegekend. Bijgevolg schendt ze de haar door dit artikel opgedragen bevoegdheid.”; 2.
  9. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord stelt: “Derde middel, Schending van de bevoegdheid toegekend aan de Raad voor Vreemdelingenbetwisting- en door artikel 39/1, tweede lid en artikel 39/2 van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980 Voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen riep verzoeker de schending van de artikelen 46 en 27 van het Wetboek Internationaal Privaatrecht en van artike1146bis B.W. in. Deze wetsbepalingen werden bij de weigering van het visum verkeerdelijk ingeroepen door de tegenpartij aangezien deze artikelen niet van toepassing waren op de situatie van verzoeker en zijn echtgenote. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelde in zijn arrest dat zij niet de rechtsmacht heeft om, weze het incidenteel, te onderzoeken of de weigering tot erkenning van de geldigheid van het huwelijksakte door de Dienst Vreemdelingenzaken in overeenstemming is met de wet. De Raad meent dat verzoeker zich krachtens artikel 23 W.I.P.R. zich tot de rechtbank van eerste aanleg moet richten. Op grond van artikel 39/1 en 2 van de Vreemdelingenwet is de Raad voor Vreemdeling- enbetwistingen bevoegd om als annulatierechter de wettigheid te beoordelen van alle beslissingen genomen op grond van de Vreemdelingenwet. Het gaat in casu om een beslissing genomen door de Dienst Vreemdelingenzaken op grond van de Vreemdeling- enwet, met name de weigering van een visum. De Raad is bevoegd om de wettigheid te beoordelen van alle motieven ingeroepen door de Dienst Vreemdelingenzaken wanneer zij deze beslissing neemt, weze het motieven XIV-30.262-3/6 die te maken hebben met de interne wettigheid van normen van burgerlijk recht (...). Meer bepaald is de Raad bevoegd om als annulatierechter na te gaan of artikel 46 W.I.P.R. en artikel 146bis B.W. door de Dienst Vreemdelingenzaken juist werd toegepast. Voor de Raad had verzoeker met name gesteld dat de Dienst Vreemdelingen- zaken artikel 146bis alleen mag inroepen voor een huwelijk afgesloten in België, en niet voor een huwelijk afgesloten in het buitenland, zoals dat van verzoeker. Verzoeker vroeg bijgevolg niet aan de Raad na te gaan of het huwelijk van verzoeker geldig is, maar enkel of inzake de toepassing van artikel 46 en 146bis voornoemd de Dienst Vreemdelingenzaken de wet heeft geschonden of niet. Dit behoort tot het objectief contentieux waarvoor de Raad bevoegd is (...). De Raad weigert dit te doen en oefent zijn bevoegdheid niet uit die haar door artikel 39/1 en 2 werd toegekend. Bijgevolg schendt ze de haar door dit artikel opgedragen bevoegdheid. Naast een lang citaat uit de bestreden beslissing, beperkt verweerder zich in de memorie van antwoord tot een verwijzing naar artikel 144 G.W., hetgeen onbegrijpelijk voorkomt: verzoeker vraagt immers niet aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich uit te spreken over de geldigheid van het huwelijk, doch enkel zich uit te spreken over de weigering van een visum en de motieven van de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken in dat verband, en aldus de haar door artikel 39/1 en 2 van de Vreemdelingenwet opgedragen rechtsmacht uit te oefenen. In haar antwoord op het tweede middel stelt verweerder nog dat in zoverre verzoeker de beslissing van een administratieve overheid -verzoeker veronderstelt dat hiermee de Dienst Vreemdelingenzaken wordt bedoeld- wenst aan te vechten, hij zich kan wenden tot de rechtbank van eerste aanleg. Nu artikel 39/1 stelt dat als enige de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bevoegd is om zich uit te spreken over de wettigheid van een beslissing genomen op grond van de Vreemdelingenwet, miskent verweerder de rechtsmacht aan de RvV door dit artikel toegekend.”; 2.3.
  10. Overwegende dat het derde middel is genomen uit de schending van de bevoegdheid toegekend aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen door artikel 39/1, tweede lid en artikel 39/2 van de Vreemdelingenwet; dat verzoeker stelt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet de rechtsmacht heeft om, weze het incidenteel, te onderzoeken of de weigering van de erkenning van de geldigheid van een huwelijksakte door de Dienst Vreemdelingenzaken in overeenstemming is met de wet, terwijl hij enkel aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft gevraagd na te gaan of de Dienst Vreemdelingenzaken inzake de toepassing van de artikelen 46 en 146bis B.W. de wet heeft geschonden of niet, dat, aangezien dit behoort tot het objectief contentieux, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op grond van artikel 39/1 en 39/2 van de Vreemdelingenwet bevoegd is hierover te oordelen; 2.3.
  11. Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in zijn arrest overweegt dat “waar verzoeker vervolgens aanvoert dat noch artikel 27 van het W.I.P.R. noch artikel 146bis van het burgerlijk wetboek toestaan aan verweerder om toepassing te maken van artikel 146bis van het burgerlijk wetboek, de Raad vast(stelt) dat verzoeker in wezen aanvoert dat verweerder ten onrechte weigert om het door hem met een Belgische onderdane afgesloten huwelijk te erkennen”, (...) dat “overeenkomstig de in de XIV-30.262-4/6 artikelen 144-146 van de Grondwet vervatte bevoegdheidsregels tussen de gewone hoven en rechtbanken enerzijds, en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als administratief rechtscollege anderzijds, de rechtsmacht van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uitgesloten (is) indien de wetgever een beroep heeft opengesteld bij de gewone hoven en rechtbanken tegen de beslissing van de administratieve overheid”, (...), dat “de wetgever een rechtstreeks beroep bij de hoven en rechtbanken (heeft) voorzien” en dat “dit impliceert dat de Raad niet de rechtsmacht heeft om, weze het incidenteel, te onderzoeken of de weigering vanwege verweerder tot het erkennen van de geldigheid van de huwelijksakte wettig is”; 2.3.
  12. Overwegende dat in zijn annulatieberoep verzoeker omtrent het middel, genomen uit de schending van de artikelen 27 en 47 van het WIPR en artikel 146bis BW, onder meer, het volgende heeft uiteengezet: “L'article 146bis du Code civil n'est applicable qu'aux mariages célébrés en Belgique et permet soit d'empêcher la célébration du mariage, soit après la célébration d'en demander la nullité devant le Tribunal de Première Instance. En invoquant l’article 46 précité, la partie adverse en fait une application erronée puisqu'elle n'a pas la compétence pour l'invoquer, puisqu'en le faisant, elle fait fi de l'appréciation qui en a été faite par la seule autorité competente pour le faire, á savoir l'Officier de l'état civil tunisien. L'article 46 en appliquant le principe du renvoi a comme conséquence que seul 1'Officier de l'état civil peut examiner si l'article 46 est respecté ou non. En invoquant article 146bis du Code civil belge, la partie adverse à fait une application erronée car cet article n'est pas applicable à un mariage célébré à l'étranger.”; dat verzoeker kan worden bijgetreden waar hij aanvoert dat hij met deze stelling niet de geldigheid van de huwelijksakte heeft willen betwisten, maar wel de Raad voor Vreemde- lingenbetwistingen heeft willen doen nagaan of de Dienst Vreemdelingenzaken de wet, en meer in het bijzonder artikel 146bis BW, juist heeft toegepast; dat de Raad voor Vreemde- lingenbetwistingen ten onrechte verwijst naar artikel 27, §1, derde lid W.I.P.R. dat bepaalt dat de rechtbank van eerste aanleg oordeelt over het beroep tegen de weigering van de geldigheid van een akte, en naar de in de artikelen 144-146 van de Grondwet vervatte bevoegdheidsregels om zich onbevoegd te verklaren en het middel onontvankelijk te bevinden; dat het derde middel in die mate gegrond is, XIV-30.262-5/6 BESLUIT: Artikel
  13. Vernietigd wordt het arrest nr. 6033 van 21 januari 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel
  14. Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overgeschre- ven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Artikel
  15. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel
  16. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien maart tweeduizend en negen, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-30.262-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.552 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.