id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.572 Rolnummer: A. 188732/XIV-30395 Zaak: Arrest 191572 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-02 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 22:57 Fiche Arrest nr 191.572 van 18 maart 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.572 van 18 maart 2009 in de zaak A. 188.732/XIV-30.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat F. LANDUYT, kantoor houdende te 8730 BEERNEM, Bloemendalestraat 147 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van beweerde Servische nationaliteit, op 26 juni 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 11.375 van 20 mei 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 2997 van 4 juli 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 3 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 februari 2009; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-30.395-1/8 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat F. LANDUYT verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché Kr. GOOSSENS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Verzoekster komt het Belgische Rijk binnen als minderjarige samen met haar ouders in het voorjaar van
- Op 3 oktober 2003 vraagt zij met haar toenmalige partner voor het eerst in eigen naam asiel aan. Deze aanvraag wordt geweigerd. Het beroep tot schorsing en tot nietigverklaring worden op 3 november 2005 door de Raad van State verworpen. Hierna dient verzoekster nog driemaal opeenvolgend een asielaanvraag in, hetgeen telkens leidt tot een beslissing van weigering van in overwegingname door de Dienst Vreemdelingenzaken. 1.
- Op 24 januari 2007 dient zij een vijfde asielaanvraag in. Op 20 februari 2008 wordt een beslissing tot weigering van de vluchtelingenstatus en weigering van de subsidiaire beschermingsstatus genomen. 1.
- Verzoekster tekent tegen deze weigeringsbeslissing op 5 maart 2008 hoger beroep aan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. 1.
- Op de zitting van 16 mei 2008 wordt verzoekster, bijgestaan door Advocaat H. VAN NIJVERSEEL loco Advocaat V. VANDERNEEREN, gehoord. 1.
- Op 20 mei 2008 velt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het thans bestreden arrest, waarbij het beroep tegen de beslissing van 20 februari 2008 van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen wordt verworpen. XIV-30.395-2/8 Dit arrest is als volgt gemotiveerd : “
- Over de gegrondheid. (sic) 2.
- In haar verzoekschrift voert verzoekster een schending aan van de artikelen 48/3 en 48/4 van de Vreemdelingenwet. Zij is Roma uit Kroatië en omdat zij tot het zigeunerras behoort riskeert zij systematische vervolging in haar land van herkomst. Zij loopt ook een reëel risico op ernstige schade, waardoor artikel 3 van het E.V.R.M. “speelt”. Zij stelt dat geen intern vestigingsalternatief kan worden tegengeworpen omdat Roma ook in Servië en Montenegro worden gediscrimineerd en op een mensonwaardige wijze dienen te overleven. 2.2.
- De bestreden beslissing is gesteund op de vaststelling van de Commissaris- generaal dat verzoekster bij haar vijf opeenvolgende asielaanvragen een valse identiteit heeft aangenomen. De kwestieuze valsheid blijkt onomstotelijk uit het administratief dossier (informatie van de politie van Aalst van 14 februari 2008). In haar verzoekschrift brengt verzoekster geen enkel concreet element bij dat deze vaststelling afdoend weerlegt of er een aannemelijke verklaring voor geeft. Zij stelt enkel dat zij als ongeschoolde geen inzicht heeft in tijd en ruimte en dat haar ouders destijds haar deze valse identiteit hebben gegeven, terwijl zij zich zelf niet bewust was van de gevolgen hiervan. Dergelijke argumentatie kan niet als aanvaardbare verscho- ningsgrond voor haar bedrieglijke handelwijze worden aangezien, mede gelet op het feit dat zij reeds vijf maal asiel aanvroeg in België onder deze valse identiteit en dat zij evenzeer manifest gelogen heeft over haar verblijfplaats de voorbije jaren. De Raad stelt vast dat verzoekster gepoogd heeft de Belgische asielinstanties op intentionele wijze te misleiden. 2.2.
- Naar luid van artikel 39/56, eerste lid, van de voormelde wet van 15 december 1980 kan de vreemdeling enkel een beroep tegen de beslissing van de Commissaris- generaal instellen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wanneer hij doet blijken van een benadeling of van een belang. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen blijkt dat het de uitdrukkelijke wil van de wetgever is dat de procedure van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zo veel als mogelijk aansluit bij die van de Raad van State. Dienvolgens kan voor de interpretatie van de verschillende begrippen en rechtsfiguren worden teruggegrepen naar de interpretatie die bij de Raad van State wordt aangewend (Gedr. St. Kamer, 2005-2006, 2479/001, 116). Volgens vaststaande rechtspraak van de Raad van State moet het belang, opdat de vordering ontvankelijk zou zijn, persoonlijk, rechtstreeks, actueel, en geoorloofd zijn (R.v.St., nr. 169.116, 20 maart 2007; R.v.St., nr.148.037, 4 augustus 2005; R.v.St., nr. 139.086, 12 januari 2005). Volgens het algemeen rechtsbeginsel “Fraus omnia corrumpit” (R.v.St., nr. 168.515, 5 maart 2007; R.v.St., nr. 116.620, 28 februari 2003; R.v.St., nr. 99.520, 5 oktober 2001; R.v.St., nr. 98.827, 12 september 2001), dat de openbare orde raakt, wordt het wettig karakter van het belang aangetast wanneer gepoogd wordt de Belgische asielinstanties op intentionele wijze te misleiden om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling en de subsidiaire beschermingstatus te verkrijgen. Hieruit volgt dat het beroep onontvankelijk is wegens ontstentenis van het wettelijk vereiste rechtmatig belang.”.
- Over de ontvankelijkheid van het beroep. 2.1.
- Overwegende dat verzoekster als eerste middel aanvoert: “III.
- Schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (B.S., 12 september 1991) en schending van het Internationaal Verdrag betreffende de status van XIV-30.395-3/8 Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij Wet van 26 juni 1953, schending van artikel 1 van het Internationaal Verdrag van Genève betreffende de Vluchtelingen en de Staatlozen ondertekend op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953, B.S. 4 oktober 1953 en schending van artikelen 48 en 48/3 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, B.S. 31 december 1980; III.
- Terwijl de wetgeving m.b.t. de motivering er strekt toe de formele motivering als een substantiële vormvereiste op te leggen. Dat de wetgever duidelijk de bedoeling had om de formele motivering als een substantieel vormvoorschrift op te leggen, zonder mogelijkheid deze motiveringsvereiste vervangen te zien door deze of gene motivering die de rechtsonderhorige wel op één of andere wijze bekend zou zijn. Dat ook het vereiste van motivering, zoals omschreven in andere bronnen van het recht is geschonden (LAMBRECHTS, W., Geschillen van bestuur, Kluwer, Antwerpen, 1988, p. 69-70, en verwijzingen). Dat ook hier betreft het een substantiële vormvereiste (R.v.St, nr. 31.882, dd. 1 februari 1989 ). Dat de beslissing zelf niet voldoet aan de motiveringsvereiste omschreven in de formele motiveringswet en in andere rechtsbronnen (Arbeidshof Gent, 14 december 1994, R.W.,, 1995-96, 49). Dat de formele motiveringswet niet alléén een waarborg voor de burger die alzo vermag duidelijk kennis te nemen van al de elementen welke aan de basis liggen van de beslissing en van de draagwijdte ervan is ( RvSt, N.V. Hoeve, nr. 45.623, dd. 30 december 1993; RvSt, Smets-Jet, nr. 41.884, 4 februari 1993, A.P.M. 1993, 43; RvSt, Scheire, 40.739, 13 oktober 1992; en RvSt. Verschaffel, m. 40.389, 10 november 1992; LAGASSE, D., 'La loi du 29 juillet 1991 rélative a la motivation formelle des actes administratives', J.T. 1991, 737; cfr. Verslag, Senaat,(bijzondere zitting 1988) 1990-91, nr. 215/3, 16 ) maar ook een waarborg voor de goede werking van het gerechtelijk apparaat is ( RvSt., A.S.B.L. Envirronnemt et Patrimoine écusinoir, nr. 44.847, dd. 9 november 1993; RvSt., N.V. Hoeve, nr. 45.623, dd. 30 december 1993; LAGASSE, D., 'La loi du 29 juillet 1991 rélative a la motivation formelle des actes administratives', J.T. 1991, 737; Advies RvSt. dd. 21 oktober 1987, Senaat, ( bijzondere zitting 1988) 1990-91, nr. 215/2, 6; RvSt., Damilot, 41.281, 4 december 1992, Cfr. RvSt, Warnants, nr. 21.635, 3 december 1981). Dat het Internationaal verdrag betreffende de Status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juni 1951 en goedgekeurd bij Wet van 31 januari 1953, en het Protocol van New-York van 31 januari 1967 betreffende de Status van Vluchtelingen, goedgekeurd bij wet van 27 februari 1967, een internationaal instrument met humanitaire doelstellingen is, hetgeen een soepele interpretatie en evenwichtige verdeling van de bewijslast vergt (BOSSUYT, M.," De vluchtelingendefinitie uit het Verdrag van Genève" in Binnen en buiten, Vluchtelingen op zoek naar recht, Tegenspraak Cahiers nr. 7., Kluwer, Antwerpen, 1988, p. 29). Dat mijn verzoekster wel degelijk een belang heeft. Dat zij onintentoneel de Overheidsinstantie misleidde. Dat immers haar ouders een foute naam opgaven waar zij niets kon aan doen. Dat zij steeds deze naam heeft vastgehouden uit angst. Dat mijn verzoekster uiteindelijk toch haar juiste naam heeft gehanteerd. Dat dit geen fraude is die elk belang onmogelijk maakt.”; 2.1.
- Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord integraal het in haar inleidend verzoekschrift ontwikkelde middel herhaalt zonder enigszins in te gaan op de argumenten van de verwerende partij; XIV-30.395-4/8 2.1.
- Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing is op de beslissingen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, vermits hij geen bestuur maar een administratief rechtscollege is; dat verzoekster niet in het minst verduidelijkt op welke wijze zij de aangevoerde artikelen 48 en 48/3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), die een algemene omschrijving van het begrip “vluchteling” omvatten, geschonden acht; dat hetzelfde geldt voor de aangevoerde schending van artikel 1 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953; dat blijkens de motivering van het bestreden arrest het beroep van verzoekster tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen wordt verworpen omdat zij bij haar vijf opeenvolgen- de asielaanvragen een valse identiteit aannam en zij geen enkel concreet element bijbrengt dat deze valsheid afdoende weerlegt of er een aannemelijke verklaring voor geeft; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als feitenrechter soeverein oordeelt of en in welke mate het gebruik van een valse identiteit van aard is de algehele geloofwaardigheid van het asielrelaas aan te tasten en over het al dan niet voorhanden zijn van een verschoningsgrond voor het gebruik van een valse identiteit; dat verzoekster enkel aanvoert dat de vastgestelde fraude niet intentioneel was, hetgeen evenwel de feitelijke beoordeling van de zaak betreft; dat het eerste middel niet ontvankelijk is; 2.2.
- Overwegende dat verzoekster als tweede middel aanvoert: “
- MIDDELEN MET BETREKKING TOT DE SUBSIDIAIRE BESCHERMING III.
- Schending van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980 en schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (B.S., 12 september 1991). III.
- Indien de rechtbank toch van oordeel zou zijn dat verzoeker valt onder de uitsluitingsgrond in tegenstelling tot wat hierboven uiteen is gezet, dan dient aan verzoeker toch nog de subsidiaire beschermingsstatus te worden toege- kend. In een recente publicatie stelt het UNHCR: "Consequences of Exclusion Persons to whom an exclusion clause applies are not eligible for refugee status. They cannot benefit from international protection under the 1951 Convention, nor under UNHCR's mandate. However, they may still be protected against return to a country where they are at risk of ill-treatment by virtue of other international instruments." (UNHCR's Eligibility Guidelines for Assessing the International Protection Needs of Iraqi Asylum- seekers, August 2007", p. 139-150) Vrije vertaling: "Gevolgen van de uitgesloten personen op wie een uitsluitingsclausule van toepassing is zijn net van verkiesbaar voor vluchtelingenstatus. Zij kunnen niet genieten van internationale bescherming onder de Conventie van 1951, noch enig UNCHR mandaat. Niettegenstaande, kunnen zij nog beschermd worden XIV-30.395-5/8 tegen hun terugkeer naar een land waar zij in gevaar zijn voor slechte behandeling omwille van.Jandere internationale instrumenten. "The application of the Exclusion Clauses: Article 1F of the 1951 Convention relating to the Status of Refugees" bepaalt daarenboven: "An excluded individual may still be protected against return to a country where he or she is at risk of ill-treatment by virtue of other international instruments. For. example, the 1984 Convention Against Torture and Other Cruel, Inhuman or Degrading Treatment or Punishment absolutely prohi bits the return of an individual to a country where there is a risk that he or she will be subjected to torture. Other international and regional human rights instruments contain similar pro visions. (UNHCR's GUIDELINES ON INTERNATIONAL PROTECTION: Applica- tion of the Exclusion Clauses: Article 1F of the 1951 Convention relating to the Status of Refugees, 4 september 2003, p. 4) Vrije vertaling: "Een uitgesloten persoon kan nog steeds beschermd worden tegen hun terugkeer naar een land waar zij in gevaar zin voor slechte behandeling omwille van andere internationale instrumenten. Bijvoorbeeld verbiedt de Conventie tegen Folteringen en andere Gruwelijke. Onmenselijke en Vernederende Behandeling en Bestraffing van 1984, de terugkeer van een individu naar een land waar het risico bestaat waar hij of zij aan foltering onderworpen zou worden. Ander internationale en regionale mensenrechten instrumenten bevatten gelijkaardige provisies." De richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004, zoals omgezet in artikel 48/4 Vreemdelingenwet, stelt dat van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te dat wanneer hij naar zijn land van herkomst(...) terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade zoals bepaald in paragraaf 2 (...), recht heeft op subsidiaire bescherming. Paragraaf van artikel 48/4 Vreemdelingen verwijst in punt 2 uitdrukkelijk naar foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van verzoeker in zijn land van herkomst én/of ernstige bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het geval van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Verweerster erkent dat in Zuid-Irak de situatie uitermate onveilig is om mensen aldaar terug te sturen. "Uit een grondige analyse van de actuele situatie in Irak blijft dat er in Zuid-Irak een reëel risico bestaat van 'ernstige bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het geval van een internationaal of binnenlands gewapend conflict (art. 48/4 §2 c van de gecoördineerde Vreemdelingenwet). " In de bestreden beslissing stelt verweerster bovendien dat een gegronde vrees voor vervolging - zelfs - in de zin van de vluchtelingenconventie allerminst kan worden uitgesloten. Volledig ten onrecht, stelt verweerster dat verzoekster evenmin in aanmerking komt voor het statuut van subsidiaire bescherming. Dat de beslissing deze rechtsregel schendt.”; 2.2.
- Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord integraal het in haar inleidend verzoekschrift ontwikkelde middel herhaalt zonder enigszins in te gaan op de argumenten van de verwerende partij; XIV-30.395-6/8 2.2.
- Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing is op de beslissingen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, vermits hij geen bestuur maar een administratief rechtscollege is; dat verzoekster zich in het tweede middel beperkt tot een louter theoretische uiteenzetting omtrent de uitsluitingsclausules van het Vluchtelingenverdrag en de voorwaarden om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming zonder evenwel het verband van deze uiteenzetting met het bestreden arrest aan te tonen of aan te geven in welke mate het bestreden arrest in strijd zou zijn met de in het middel geschonden geachte bepalingen; dat het bestreden arrest overigens niet in het minst is gebaseerd op een uitsluitingsclausule, zodat de theoretische uiteenzetting daaromtrent niet terzake dienend is; dat het bestreden arrest voorts niet in het minst is gebaseerd op de overwegingen “dat een gegronde vrees voor vervolging - zelfs - in de zin van de vluchtelingenconventie allerminst kan worden uitgesloten” en “dat verzoekster evenmin in aanmerking komt voor het statuut van subsidiaire bescherming”, zodat het middel, wat dit onderdeel betreft, grondslag mist; dat voor zover verzoekster aanvoert dat “Verweerster erkent dat in Zuid-Irak de situatie uitermate onveilig is om mensen aldaar terug te sturen”, het middel eveneens feitelijke grondslag mist daar verzoekster verklaarde de Servische (dan wel Kroatische) nationaliteit te hebben; dat het tweede middel niet ontvankelijk is; 2.
- Overwegende dat, aangezien de middelen niet ontvankelijk zijn ook het beroep niet ontvankelijk is, zodat niet dient te worden nagegaan of de Raad voor Vreemde- lingenbetwistingen in casu wel tot de ontvankelijkheid van het beroep kon besluiten, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-30.395-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien maart tweeduizend en negen, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-30.395-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.572 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.