← België

Arrest 191585 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.585 Rolnummer: A. 187892/XIV-30271 Zaak: Arrest 191585 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-02 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-29 22:57 Fiche Arrest nr 191.585 van 18 maart 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.585 van 18 maart 2009 in de zaak A. 187.892/XIV-30.

  1. In zake : XXX, alias XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat J. DE LIEN, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, alias XXX, van Iraakse nationali- teit, op 17 april 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 8945 van 19 maart 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 2657 van 30 april 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur R. VAN DEN EECKHOUT, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 3 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 februari 2009; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-30.271-1/7 Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. FLACHET die, loco Advocaat J. DE LIEN verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché Kr. GOOSSENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX, alias XXX, van Iraakse nationaliteit, komt België binnen op 9 april 2006 en vraagt op 15 maart 2007 om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
  4. Deze aanvraag wordt op 25 oktober 2007 door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verworpen. 1.
  5. Op 13 november 2007 tekent verzoekster tegen deze weigeringsbeslis- sing beroep aan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. 1.
  6. Het beroep van verzoeker wordt opgeroepen op de openbare terechtzitting van 21 januari 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Op deze zitting worden zowel verzoekster, bijgestaan door Advocaat M. VAN DEN BROECK, loco Advocaat J. DE LIEN, als Attaché J. VERSTRAETEN, die optreedt voor de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, gehoord, waarna de debatten worden gesloten en de zaak in beraad wordt genomen. 1.
  7. Op 19 maart 2008 velt de wnd. voorzitter van de IVde Kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het thans bestreden arrest, waarbij aan verzoekster de vluchtelingen- en de subsidiaire beschermingsstatus worden geweigerd. XIV-30.271-2/7 Dit arrest luidt als volgt: “(...) 1.
  8. Verzoekster voert in een eerste middel een schending aan van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en van de principes van het E.U.- procesrecht in het algemeen. Zij argumenteert dat zij recht heeft op een beroep met volle rechtsmacht. Dit recht wordt volgens verzoekster beperkt gezien zij na het indienen van haar beroep geen nieuwe stukken kan aanbrengen en geen geactualiseerde memorie of conclusies kan neerleggen. Verzoekster wijst erop dat de invulling van artikel 47 gelijklopend is met de invulling van artikel 6 E.V.R.M. en dat dit laatste artikel niet alleen toegang tot de rechter garandeert, maar ook eisen stelt aan de rechterlijke toetsing van het overheidsoptreden; in het bijzonder moet de rechter alle voor het betreffende geschil relevante vragen van zowel juridische als feitelijke aard kunnen onderzoeken. Om haar betoog te ondersteunen, verwijst verzoekster naar rechtspraak van het E.H.R.M. omtrent de toepassing van dit artikel. Zij vraagt de Raad de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie: “Dienen de lidstaten te voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83 en houdt artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie in dat deze administratieve rechtscolleges over een eigen onderzoeksbevoegdheid dienen te beschikken die hen toelaat tot op de dag van de eindbeslissing onderzoek te verrichten naar alle relevante feiten die nuttig zijn om de zaak te beoordelen?” 1.
  9. Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie heeft als dusdanig geen bindende kracht. Het Europees Hof van Justitie stelt in het arrest van 27 juni 2006 in de zaak C-540/03, anders dan voorgehouden door verzoekster, uitdrukkelijk dat “het Handvest geen bindend rechtsinstrument is” (R.v.St., beschikking nr. 1400, 18 oktober 2007). Artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens is niet van toepassing op geschillen betreffende de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. De voormelde wet van 15 december 1980 bepaalt uitdrukkelijk dat het beroep tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal een beroep is met volle rechtsmacht. De Raad kan luidens artikel 39/2, §1, de bestreden beslissingen bevestigen, hervormen en vernietigen wegens een substantiële onregelmatigheid of het ontbreken van essentiële elementen die inhouden dat de Raad niet kan komen tot de bevestiging of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen te bevelen. Zulks houdt in dat de Raad kennis neemt van het geschil in zijn volledigheid en de beslissing van de Commissaris- generaal kan herzien, ongeacht op grond van welk motief deze tot de bestreden beslissing is gekomen. Het gebrek aan aanvullende onderzoeksbevoegdheid wordt ondervangen door een aantal correcties: de vreemdeling mag overeenkomstig artikel 39/76 onder bepaalde voorwaarden nieuwe gegevens aanvoeren in het verzoekschrift en de Raad kan ook op eigen initiatief beslissen om onder bepaalde voorwaarden rekening te houden met elk nieuw gegeven dat hem ter kennis wordt gebracht door de partijen, ook tijdens de terechtzitting, en zulks zelfs wanneer daarvan geen melding is gemaakt in het inleidend verzoekschrift. Ten slotte kan de kamervoor- zitter of rechter in vreemdelingenzaken de bestreden beslissing vernietigen en voor een nieuw onderzoek terugsturen naar het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen indien hij van oordeel is dat hij de zaak niet ten gronde kan onderzoe- ken omdat hij niet beschikt over bepaalde essentiële gegevens en waarvoor het nodig is aanvullende onderzoeksmaatregelen te bevelen (R.v.St., beschikking nr. 1344, 9 oktober 2007). Het eerste middel is ongegrond. 2.
  10. In haar tweede middel voert verzoekster de schending aan van artikel 62 van de voormelde wet van 15 december 1980, van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 XIV-30.271-3/7 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en van artikel 48/4 van de voormelde wet van 15 december
  11. Zij stelt dat zij geconfronteerd had moeten worden met de stukken van de federale politie. Zij blijft erbij haar originele identiteitskaart te hebben afgegeven en meent dat de conclusie van de federale politie, namelijk dat zij mogelijks de identiteit aanneemt van de eigenares van dit authentieke document, een veronderstelling is die niet geverifieerd kan worden mits zij niet betrokken was bij het onderzoek. Tot slot stelt zij dat het feit een valse naam te hebben gebruikt niet opweegt tegen het feit dat zij risico loopt voor haar leven. 2.2.
  12. De motiveringsplicht, zoals vervat in de voormelde wet van 29 juli 1991, moet verzoekster toelaten de redenen te begrijpen die aan de basis liggen van de genomen beslissing. Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekster de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de motiveringsplicht in casu is bereikt. Hetzelfde geldt voor de aangevoerde schending van artikel 62 van de voormelde wet van 15 december
  13. Verzoekster voert bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aan, zodat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht. 2.2.
  14. De bestreden beslissing is gesteund op de vaststelling dat verzoekster bewust poogde de Belgische overheden te misleiden. Zij legde als bewijs voor haar identiteit en afkomst een vals document voor (zie het in het administratief dossier toegevoegde rapport van de federale gerechtelijke politie van 12 oktober 2007: “Le document examiné est une contrefaçon totale”). De uitgiftedatum van dit document is 2 oktober 2006 hoewel verzoekster sinds april 2006 in België is. Zij kan geen enkele plausibele verklaring geven aangaande de wijze waarop zij het kwestieuze document verkregen heeft. Verzoekster gaf na Printrakcontrole ook toe bij haar eerste asielaanvraag de identiteit van een vriendin te hebben aangenomen, hetgeen haar gebrek aan kennis aangaande haar voorgehouden geboortestreek, zoals vastgesteld bij de afhandeling van die procedure, verklaart. Gelet op deze vaststellingen wordt geoordeeld dat verzoekster de Belgische autoriteiten op intentionele wijze trachtte te misleiden. 2.2.
  15. De Raad stelt vast dat verzoekster omtrent haar identiteitsfraude er zich toe beperkt te poneren dat zij wel haar originele identiteitskaart heeft neergelegd en wijst op een gebrek aan confrontatie. Verzoekster blijft evenwel in gebreke de onderbouwde technische vaststellingen van het voormelde politierapport, waaruit blijkt dat zij een valse identiteitskaart voorlegde, te weerleggen. Evenmin verklaart zij hoe zij aan het kwestieuze document geraakt is en brengt zij een verschoningsgrond bij omtrent het gebruik van een alias. Haar bewering dat een valse naamdracht niet opweegt tegen het risico voor haar leven, doet geen afbreuk aan de welbewuste misleiding. 2.2.
  16. Naar luid van artikel 39/56, eerste lid, van de voormelde wet van 15 december 1980 kan de vreemdeling enkel een beroep tegen de beslissing van de Commissaris- generaal instellen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wanneer hij doet blijken van een benadeling of van een belang. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen blijkt dat het de uitdrukkelijke wil van de wetgever is dat de procedure van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zo veel als mogelijk aansluit bij die van de Raad van State. Dienvolgens kan voor de interpretatie van de verschillende begrippen en rechtsfiguren worden teruggegrepen naar de interpretatie die bij de Raad van State wordt aangewend (Gedr. St. Kamer, 2005-2006, 2479/001, 116). Volgens vaststaande rechtspraak van de Raad van State moet het belang, opdat de vordering ontvankelijk zou zijn, persoonlijk, rechtstreeks, actueel, en geoorloofd zijn (R.v.St., nr. 169.116, 20 maart 2007; R.v.St., nr.148.037, 4 augustus 2005; R.v.St., nr. 139.086, 12 januari 2005). Volgens het algemeen rechtsbeginsel “Fraus omnia corrumpit” (R.v.St., nr. 168.515, 5 maart 2007; R.v.St., nr. 116.620, 28 februari 2003; R.v.St., nr. 99.520, 5 oktober 2001; R.v.St., nr. 98.827, 12 september 2001), dat de openbare orde raakt, wordt het wettig karakter van het belang aangetast wanneer gepoogd wordt de Belgische asielinstanties op intentionele wijze te misleiden om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling en de subsidiaire XIV-30.271-4/7 beschermingstatus te verkrijgen. Hieruit volgt dat het beroep onontvankelijk is wegens ontstentenis van het wettelijk vereiste rechtmatig belang. (...).”.
  17. Over de gegrondheid van het beroep. 2.
  18. Overwegende dat verzoekster als derde middel aanvoert: “VIERDE (DERDE) MIDDEL: Schending van artikel 48/3 en 48/4 van de Wet van 15.12.
  19. Schending van art. 1 A 2) van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen ondertekend te Genève op 28 juli
  20. Schending van art. 39/65 van de Vreemdelingenwet. Het bestreden arrest stelt dat het adagium fraus omnia corrumpit van toepassing is. Verzoekster zou een gebrek aan belang daar haar belang zou zijn aangetast door het algemeen rechtsbegisnel "fraus omnia corrumpit". De gegeven motivering vertrekt in feite van het punt dat verzoeker niet te goeder trouw zou zijn en dat het adagium "fraus omnia corrumpit" onverkort van toepassing zou zijn. Verzoekster zal hierna uiteenzetten dat de goede trouw geen vereiste is in de Conventie van Genève. Verzoeker stelt uitdrukkelijk dat de Conventie van Genève geen enkele verwijzing bevat naar het begrip goede trouw. Conform het Verdrag van Wenen (art. 31 en 32) betreffende het verdragsrecht dient een verdrag strikt geïnterpreteerd te worden. Enkel in geval van ambiguïteit, onduidelijkheid of kennelijke onredelijkheid kan verwezen worden naar voorbereidende werken. Verzoekster stelt dat de tekst van de Conventie van Genève duidelijk is en geen enkele ambiguïteit noch onduidelijk noch kennelijke onredelijkheid bevat. Zelfs al zou verzoekster manifest te kwader trouw (quod certe non) dan nog zou het nog niet kennelijk onredelijk zijn om de goede trouw niet als voorwaarde te incorporeren in het verdrag. Het feit dat een kandidaat niet te goeder trouw doet immers helemaal niets af van het feit dat de vervolgende instanties de kandidaat vluchteling wel zullen vervolgen. Het is dan ook logisch dat goede trouw geen vereiste kan en mag zijn,wanneer het leven van verzoekster op het spel staat. Een kandidaat vluchteling die een bedrieglijke asielaanvraag heeft ingediend kan mogelijks schuldig bevonden worden aan valsheid in geschrifte maar kan echter nooit het recht van de bescherming zoals geformuleerd in art. 33 van de Conventie van Genève ontnomen worden. De vereiste van goede trouw is dan ook niet verenigbaar met het begrip non refoulement in art. 33 van de Conventie van Genève. De Conventie van Genève zelf voorziet bovendien een aantal uitsluitingsclausules. De lijst is limitatief opgesteld en voorziet niet in een geval waarbij een kandidaat uitgesloten wordt omwille van een eerdere bedrieglijke aanvraag. Wanneer de Belgische overheid deze uitsluitingsgrond wenst in te voeren kan niet anders besloten worden dan dat de Belgische overheid de internationale rechtsregels geformuleerd in de Conventie van Genève schendt. Terecht concludeert Guy S. Goodwin -Gill, welke een autoriteit is inzake de Conventie van Genève in zijn werk "Danian v Secretary of State for the Home department Comment: Refugee Status and Good Faith" als volgt : De zogenaamde vereiste van goede trouw lijkt een aantrekkelijk en een vanuit zichzelf rechtvaardigend antwoord op de asielzoeker die probeert het proces te manipuleren. Echter dit principe heeft geen wettelijke grond. Het kan niet gelezen worden in artikel 1A

(2), en er is geen algemeen principe van internationaal recht dat de toepassing ervan rechtvaardigt zoals in het beroep van Danian. Er is dan ook geen grond om te stellen dat de Conventie bedoeld was enkel bescherming te bieden aan het XIV-30.271-5/7 individu dat te goeder trouw is, een stelling waarvan het onmogelijk is ze logisch, consistent en in overeenstemming met de Conventie in het bijzonder met art.33 toe te passen. Geen enkele verklaring erover verschijnt in de Conventie en nooit werd een dergelijke verklaring gesteld in de voorbereidende werken. Integendeel, de omstandig- heden waarin de Conventie niet dient toegepast te worden bij iemand die mogelijks een gegronde vrees heeft voor vervolging - uitsluiting onder artikel 1F zij waarvan er ernstige vermoedens bestaan dat zij ernstige oorlogsmisdaden hebben gepleegd enz...- werden zeer eng omschreven, aanvaard als zijnde limitatief en dienen zeer restrictief te worden geïnterpreteerd. Dat het principe van "fraus omnia corrumpit" op geen enkele wijze gehanteerd kan worden in een asielaanvraag. Noch om de aanvraag af te wijzen noch om de geloof- waardigheid van verzoekster in vraag te stellen daar dit de facto hetzelfde gevolg heeft. De feiten en verklaringen van verzoeker in zijn tweede asielaanvraag dienen dan ook ten gronde onderzocht te worden door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. In casu stelt zij slechts ten onrechte vast dat er geen belang zou zijn in hoofde van verzoekster. Dat derhalve de genoemde wetsartikelen geschonden zijn.”; 2.2. Overwegende dat in haar memorie van wederantwoord verzoekster het derde middel zoals uiteengezet in het inleidend verzoekschrift herneemt; 2.3.1. Overwegende dat verzoekster een derde middel afleidt uit de schending van de artikelen 39/65, 48/3 en 48/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, en van artikel 1, A
(2), van de Conventie van Genève; dat verzoekster het bestreden arrest aanhaalt dat overweegt dat haar belang bij het beroep is aangetast ingevolge de toepassing van het adagium “fraus omnia corrumpit”; dat verzoekster betwist dat goede trouw een vereiste is in de Conventie van Genève en stelt dat het eventuele ontbreken ervan niets afdoet aan het risico op vervolging in het land van herkomst; dat zij besluit dat het principe “fraus omnia corrumpit” op geen enkele wijze gehanteerd kan worden in een asielaanvraag, noch om de aanvraag af te wijzen noch om haar geloofwaardigheid in vraag te stellen; dat verzoeksters feiten en verklaringen in haar tweede asielaanvraag, volgens haar, ten gronde dienen onderzocht te worden door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, die ten onrechte vaststelt dat zij het vereiste belang zou ontberen; 2.3.
  1. Overwegende dat het algemeen rechtsbeginsel “fraus omnia corrumpit” er niet aan in de weg staat dat een vreemdeling, ten overstaan van wie door de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een beslissing tot weigering van de vluchtelingenstatus en weigering van de subsidiaire beschermingsstatus is genomen, over het vereiste wettig belang beschikt om die beslissing met een beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan te vechten, tenzij zou blijken dat het beroep tot nietigverkla- ring zelf door bedrog is aangetast; dat, zoals verzoekster aanvoert, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aldus ten onrechte geoordeeld dat verzoeksters beroep XIV-30.271-6/7 onontvankelijk is bij toepassing van het adagium “fraus omnia corrumpit”; dat het derde middel in die mate gegrond is, BESLUIT: Artikel
  2. Vernietigd wordt het arrest nr. 8945 van 19 maart 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel
  3. Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overgeschre- ven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Artikel
  4. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel
  5. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien maart tweeduizend en negen, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-30.271-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.585 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.