← België

Arrest 191586 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.586 Rolnummer: A. 188789/XIV-30399 Zaak: Arrest 191586 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-02 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 22:58 Fiche Arrest nr 191.586 van 18 maart 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.586 van 18 maart 2009 in de zaak A. 188.789/XIV-30.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat V. VEREECKE, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Elf Julistraat 32 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraakse nationaliteit, op 30 juni 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 11.932 van 28 mei 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 3008 van 7 juli 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 3 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 februari 2009; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-30.399-1/7 Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. BAELDE die, loco Advocaten V. VEREECKE en V. STROOBANTS verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché Kr. GOOSSENS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. Overwegende dat blijkens de motivering van de bestreden beslissing de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: “XXX, die verklaart van Irakese nationaliteit te zijn, is volgens zijn verklaringen het rijk binnengekomen op 28 september 2005 en heeft zich een eerste keer vluchteling verklaard op 29 september
  4. Op 11 januari 2006 nam de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten omdat verzoeker geen gevolg had gegeven aan de oproeping. Vervolgens verklaarde verzoeker zich vluchteling in Nederland en daarna in Zweden. Op 7 juni 2006 werd verzoeker in het kader van de Dublinovereenkomst vanuit Zweden naar België overgebracht. Op 8 juni 2006 diende verzoeker een tweede asielaanvraag in. Op dezelfde dag nog deed hij afstand van deze asielaanvraag en zou vervolgens opnieuw naar Zweden zijn gereisd, vanwaar hij op 22 september 2006 in het kader van de Dublinovereenkomst opnieuw werd teruggestuurd naar België. Op 25 september 2006 diende verzoeker een derde asielaanvraag in. Deze asielaanvraag werd op 29 september 2006 niet in overweging genomen door de Dienst Vreemdelingenza- ken (bijlage 13quater). Op 18 juli 2007 diende verzoeker een vierde asielaanvraag in. Op 24 juli 2007 werd het dossier van verzoeker door de Dienst vreemdelingenzaken overgedragen aan het Commissariaat-generaal, waar verzoeker werd gehoord op 16 oktober 2007 en op 11 december
  5. Op 19 februari 2008 nam de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing tot weigering van de vluchtelingenstatus en weigering van de subsidiaire beschermingsstatus. Deze beslissing werd op 20 februari 2008 aangetekend verzonden.”. 1.
  6. Verzoeker tekent tegen deze weigeringsbeslissing op 6 maart 2008 hoger beroep aan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. 1.
  7. Op de zitting van 16 mei 2007 wordt verzoeker, bijgestaan door advocaat V. STROOBANTS, gehoord. XIV-30.399-2/7 1.
  8. Op 28 mei 2008 beslist de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat verzoekers beroep tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen moet worden verworpen. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd: “
  9. Nopens de ontvankelijkheid. 2.
  10. Artikel 39/56 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen stelt dat de vreemdeling enkel een beroep tegen de beslissing van de Commissaris-generaal kan instellen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wanneer hij doet blijken van een benadeling of van een belang. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 15 september 2006 blijkt dat het de uitdrukkelijke wil van de wetgever was dat de procedure van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zo veel als mogelijk aansluit bij die welke geldt voor de Raad van State. Dienvolgens kan voor de interpretatie van de verschillende begrippen en rechtsfiguren worden teruggegrepen naar die welke thans bij de Raad van State wordt aangewend (Gedr. St. Kamer, 2005-2006, nr. 51 2479/001, p. 116-117). Volgens vaststaande rechtspraak van de Raad van State moet het belang persoonlijk, rechtstreeks, actueel, en geoorloofd zijn (zie o.a. R.v.St., nr.148.037, 4 augustus 2005; R.v.St., nr. 139.086, 12 januari 2005). Een belang is slechts wettig wanneer het geoorloofd, “oorbaar” is. Volgens het algemeen rechtsbeginsel “Fraus omnia corrumpit”, dat de openbare orde raakt, wordt het wettig karakter van het belang aangetast wanneer de verzoekende partij de Belgische asielinstanties bewust misleidt door haar bedrieglijke handelwijze om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling of de toekenning van de subsidiaire beschermingstatus te verkrijgen (R.v.St., nr. 116.620, 28 februari 2003; R.v.St., nr. 99.520, 5 oktober 2001; R.v.St., nr. 98.827,12 september 2001). 2.
  11. Uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker zich in België tot twee maal toe aan de asielprocedure heeft onttrokken, éénmaal door het land te verlaten en éénmaal door vrijwillig afstand te doen van de opgestarte procedure. Uit deze houding van verzoeker kan worden afgeleid dat hij niet zinnens was asiel aan te vragen in België. Dit blijkt overigens uitdrukkelijk uit het verzoekschrift, daar verzoeker stelt dat hij tot twee maal toe naar Zweden is gevlucht omdat vluchtelingen met de Irakese nationaliteit daar in grote getale bescherming konden vinden. Verder blijkt uit het administratief dossier dat verzoeker, na zijn tweede overname door België van Zweden, naar aanleiding van zijn opeenvol- gende asielaanvragen telkenmale een totaal ander asielrelaas heeft uiteengezet. In het kader van zijn derde asielaanvraag verklaarde verzoeker dat zijn schoonvader lid was geweest van de Baathpartij en dat hijzelf als gevolg hiervan problemen zou hebben gekend na de machtswissel. In het kader van zijn vierde asielaanvraag verklaarde verzoeker voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat hij Irak is ontvlucht omwille van de toenemende spanningen tussen Yezidi’s en Moslims, terwijl hij voor het Commissariaat-generaal stelde te zijn gevlucht omdat hij door terroristen werd bedreigd. Geconfronteerd met deze incoherente verklaringen gaf verzoeker toe te hebben gelogen, stelde hij geen persoonlijke problemen te hebben gekend in Irak en dat hij in 2005 is gevlucht omwille van de algemeen onveilige situatie in zijn regio. Op grond van deze vaststellingen besluit de Commissaris-generaal terecht dat verzoeker aanvankelijk op intentionele wijze heeft getracht de Belgische asielinstanties te misleiden door het uiteenzetten van verschillende frauduleuze vluchtverhalen. Verzoeker laat na XIV-30.399-3/7 in het verzoekschrift een aannemelijke verklaring te geven voor deze frauduleuze verklaringen en stelt onterecht dat het feit dat hij getracht heeft een persoonlijke vervolging aan te tonen, in deze niet van wezenlijk belang is voor de beoordeling van de vraag tot subsidiaire bescherming. 2.
  12. Het bewijs van identiteit en nationaliteit is een essentieel element in de asielprocedure. Ter ondersteuning van zijn vierde asielaanvraag legt verzoeker de “originele” identiteitskaarten neer van hemzelf, zijn echtgenote en zijn kinderen. De neergelegde identiteitsdocumenten werden ter verificatie voorge- legd aan de Federale Politie, die oordeelde dat de documenten totaal vervalst zijn, daar het kleurenkopieën van een Irakese identiteitskaart zijn. Verzoekers uitleg in het verzoekschrift, dewelke wordt herhaald ter zitting, dat niet hijzelf maar zijn vader de identiteitsdocumenten heeft aangevraagd, dat bij zijn weten dit de originele documenten zijn en dat hij geen verklaring kan geven voor de bevindingen van de onderzoeksdiensten doet geen afbreuk aan deze overweging- en. Elke asielzoeker draagt immers zelf de verantwoordelijkheid voor de stukken die hij neerlegt. Ook het feit dat verzoeker bij aangetekend schrijven van 29 april 2008 kopie neerlegt van zijn oude identiteitskaart, waarvan het origineel ter zitting wordt getoond en waarvan eveneens ter zitting een eensluidend verklaarde vertaling wordt neergelegd, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat verzoeker bij aanvang van de asielprocedure valse documenten heeft gehanteerd waarvan hij overigens, niettegenstaande de vaststellingen van de Federale Politie, blijft beweren dat het om authentieke documenten zou gaan. 2.
  13. Overeenkomstig het algemeen rechtsbeginsel “fraus omnia corrumpit” kan geen gunstig gevolg worden verleend aan het beroep van een vreemdeling die bedrog pleegt bij het indienen van een asielaanvraag. Gelet op bovenstaande overwe- gingen kan worden besloten dat verzoeker de autoriteiten op wiens bescherming hij een beroep wilde doen bewust heeft misleid zodat de onontvankelijkheid van het beroep dient te worden vastgesteld wegens het ontbreken van het wettelijk vereiste rechtmatig belang.”.
  14. Over de gegrondheid van het beroep. 2.
  15. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: “Schending van artikel 149 van de gecoördineerde grondwet en artikel 39/56 wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. (...) Grieven: De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verklaart het beroep onontvankelijk bij gebrek aan wettig belang, zeggende dat verzoeker tijdens de procedure de Belgische asielautoriteiten heeft trachten te misleiden door de voorlegging van valse identiteitsdo- cumenten, Terwijl het belang van verzoeker bij het indienen van het schorsings - en nietigheidsbe- roep eruit bestond om een wettig beschermingsstatuut te bekomen en niet om voordeel te putten uit de als vals beschouwde documenten, Zodat het bestreden arrest de aangevoerde bepalingen, artikel 149 GW en 39/56 Vr.W., schendt. Toelichting: Artikel 39/56 Vr.W. bepaalt: "De beroepen bedoeld in artikel 39/2 kunnen voor de Raad worden gebracht door de vreemdeling die doet blijken van een benadeling of van een belang". XIV-30.399-4/7 De krenking van een belang kan enkel tot een rechtsvordering leiden als het om een rechtmatig belang gaat. Degene die enkel het behoud van een toestand in strijd met de openbare orde nastreeft, heeft geen rechtmatig belang. In dezelfde zin kan de persoon die de verwezenlijking van een onrechtmatig voordeel nastreeft of het herstel voor het verlies daarvan, niet toegelaten worden tot de rechtbank. Dit beginsel heeft als gevolg dat het belang dat erin bestaat om een illegale, niet-vergunde toestand te bestendigen, een onwettig belang is. Hetzelfde geldt voor een nietigheidsberoep tegen een beslissing tot sluiting van een huis van ontucht. Kortom, een vordering die betrekking heeft op een ongeoorloofd voorwerp, is (inderdaad) principieel onontvankelijk. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen maakt echter in voorliggend geval ten onrechte toepassing van de principiële vereiste van wettig belang zoals vervat in artikel 39/56 Vr.W. Het belang bestaat met name in het materieel of moreel voordeel dat de verzoeker kan halen uit de vordering die hij instelt. Welnu, in casu bestond het belang van het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen in hoofde van verzoeker erin om de erkenning te bekomen als vluchteling (artikel 48/3 Vr.W.), minstens het subsidiaire beschermingsstatuut te verwerven (artikel 48/4 Vr.W.). Dit streven kan bezwaarlijk als onwettig worden beschouwd. Integendeel. Beide statuten zijn zelfs uitdrukkelijk bij wet voorzien. Verzoeker benadrukt dat hij zijn beroep niet baseert op de beweerdelijk valse documenten, noch dat hij hieruit een rechtsmiddel put. In het verzoekschrift wordt de afkomst van verzoeker trouwens volledig gesteund/onderbouwd op andere elementen. Verzoeker vroeg m.a.w. géén beschermingstatuut op basis van de als vals beschouwde identiteitsdocumenten. Er moet dan ook besloten worden dat verzoeker met zijn beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op geen enkele wijze enig voordeel wilde halen uit de 'als vals beschouwde identiteitsdocumenten', doch enkel beoogde om een bij wet voorzien beschermingsstatuut te bekomen, op grond van feitelijke elementen (oud paspoort, gedetailleerde verklaringen, Er kan dan ook niet gesteld worden dat het beroep een onwettig voordeel beoogde, zodat er ook geen sprake is van een onwettig belang. De bestreden beslissing miskende aldus artikel 149 GW en 39/56 Vr.W.;”; 2.
  16. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt: “TWEEDE MIDDEL: Schending van artikel 149 van de gecoördineerde grondwet en artikel 39/56 wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Verweerder voert aan in de memorie van antwoord dat verzoeker geen wettig belang heeft aangezien hij op intentionele wijze heeft getracht de asielinstanties te misleiden. Verweerder herneemt de overwegingen vervat in het bestreden arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Verweerder betwist ook nu niet de feitelijke afkomst van verzoeker, noch wordt betwist dat verzoeker uiteindelijk zijn verzoek tot erkenning heeft gebaseerd op andere bewijsstukken dat de als vals beschouwde identiteitsdocumenten. Kortom, zelfs indien men aanneemt dat de identiteitsdocumenten moeten beschouwd worden als een kopie van de originelen (en niet de originelen zelf), dan nog doet dit geen afbreuk aan het gegeven dat ongeacht deze documenten de afkomst van verzoeker uit centraal-Irak vast staat, alsmede de onveilige toestand aldaar, en dus het reëel gevaar voor zijn leven of persoon. XIV-30.399-5/7 Aldus moet de vraag gesteld worden in welke mate een vreemdeling, van wie niet betwist wordt dat er in zijnen hoofde een reëel risico bestaat op ernstige bedreiging van diens leven of persoon als gevolg van willekeurig geweld, geen wettig belang zou hebben om beroep aan te tekenen tegen een weigering tot toekenning subsidiaire beschermingsstatus louter en alleen omdat hij eerder terloops de procedure heeft getracht de Belgische autoriteiten te misleiden. Het belang van verzoeker ligt in de hervorming van de weigeringsbeslissing. Dit belang lijkt prima facie wettig en geoorloofd. Of het beroep ook gegrond is, rekening houdende met het eerder misleidend gedrag, staat daar trouwens volledig los van. Verzoeker had echter onmiskenbaar een belang om beroep aan te tekenen.”; 2.3.
  17. Overwegende dat verzoeker in het tweede middel in essentie aanvoert dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ten onrechte in voorliggend geval toepassing maakt van de principiële vereiste van het wettig belang zoals vervat in artikel 39/56 van de Vreemdelingenwet en dat “de vraag (moet) gesteld worden in welke mate een vreemdeling, van wie niet betwist wordt dat er in zijnen hoofde een reëel risico bestaat op ernstige bedreiging van diens leven of persoon als gevolg van willekeurig geweld, geen wettig belang zou hebben om beroep aan te tekenen tegen een weigering tot toekenning subsidiaire beschermingsstatus louter en alleen omdat hij eerder terloops de procedure heeft getracht de Belgische autoriteiten te misleiden”; 2.3.
  18. Overwegende dat het algemeen rechtsbeginsel “fraus omnia corrumpit” er niet aan in de weg staat dat een vreemdeling, ten overstaan van wie door de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een beslissing tot weigering van de vluchtelingenstatus en weigering van de subsidiaire beschermingsstatus is genomen, over het vereiste wettig belang beschikt om die beslissing bij de Raad voor Vreemdelingenbetwisting- en aan te vechten, tenzij zou blijken dat het beroep tot nietigverklaring zelf door bedrog is aangetast; dat dient besloten dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ten onrechte tot de onontvankelijkheid heeft besloten op grond van het algemeen rechtsbeginsel “fraus omnia corrumpit”; dat het tweede middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  19. Vernietigd wordt het arrest nr. 11.932 van 28 mei 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. XIV-30.399-6/7 Artikel
  20. Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overgeschre- ven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Artikel
  21. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel
  22. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien maart tweeduizend en negen, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-30.399-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.586 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.