← België

Arrest 191656 - Milieuvergunningen - 19/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.656 Rolnummer: A. 190291/VII-37280 Zaak: Arrest 191656 - Milieuvergunningen - 19/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-27 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 23:09 Fiche Arrest nr 191.656 van 19 maart 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.656 van 19 maart 2009 in de zaak A. 190.291/VII-37.

  1. In zake : Annick SEVENS, die woonplaats kiest bij advocaten I. LARMUSEAU, T. MALFAIT en S. DE MAESSCHALCK, kantoor houdende te GENT, Kasteellaan 141 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat
  2. tussenkomende partij : Carlos VAN CROMBRUGGHE VAN LEERNE, die woonplaats kiest bij advocaat M. D'HOORE, kantoor houdende te BRUGGE, Dirk Martensstraat
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Annick SEVENS op 7 november 2008 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 27 augustus 2008 waarbij het beroep aangetekend tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 9 november 2006, houdende het weigeren van de milieuvergunning aan Carlos VAN CROM- BRUGGHE VAN LEERNE om een installatie voor de productie van groene stroom en groene warmte uit biomassa te exploiteren, aan de Groenstraat te Deinze, gegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing wordt opgeheven en de gevraagde vergunning wordt verleend; Gezien de nota van de verwerende partij; VII-37.280-1/10 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 19 januari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 februari 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. MALFAIT, die verschijnt voor verzoekster, van advocaat F. TEMMERMAN die, loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat G. VERMAERCKE die, loco advocaat M. D'HOORE verschijnt voor de tussen- komende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. De tussenkomst Overwegende dat met een verzoekschrift van 28 november 2008 Carlos VAN CROMBRUGGHE VAN LEERNE, houder van de bestreden vergunning, vraagt om in de debatten te mogen tussenkomen; dat dit verzoek kan worden ingewilligd;
  5. De gegevens van de zaak Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 2.
  6. Op 24 mei 2006 dient de tussenkomende partij een milieuvergun- ningsaanvraag in voor de exploitatie van een inrichting waar stroom en warmte zal worden geproduceerd uit biomassa, hoofdzakelijk door middel van een vergistings- VII-37.280-2/10 installatie voor organisch biologische afvalstromen, mest en energiegewassen, en bijkomend door verbranding van houtafval. De inrichting zou komen op een terrein dat volgens het gewest- plan een industriegebied is, met de andere aanwijzing gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO*s, en volgens een goedgekeurd later Bijzonder Plan van Aanleg (hierna : BPA) bedrijvenzone. Dit BPA is in herziening gesteld, met de bedoeling de verkeersinfrastructuur te verbeteren. 2.
  7. Verzoekster woont blijkbaar op 250 meter van de geplande inrichting, in woongebied met landelijk karakter. 2.
  8. Naar aanleiding van het openbaar onderzoek worden drie bezwaarschriften ingediend, waarvan één collectief met 310 namen. Op 9 november 2006 weigert de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen de gevraagde vergunning. 2.
  9. De tussenkomende partij tekent administratief beroep aan tegen die beslissing. 2.
  10. De volgende adviezen worden verleend : - de afdeling Stedenbouwkundig Beleid adviseert voorwaardelijk gunstig en stelt : "Zowel de gemachtigde ambtenaar als het college van burgemeester en schepenen zijn van mening dat er vooral op verkeerstechnisch vlak problemen zijn in de Groenstraat, aangezien uit de aanvraag blijkt dat het aantal transpor- ten (zowel aanvoer als afvoer) geraamd wordt op 62 transporten per week of 12 per dag en dat de bestaande wegenis hier niet voor geschikt is. De ongunstige adviezen van het Agentschap RO Oost-Vlaanderen d.d. 25 juli 2006 en 11 augustus 2006 en het college van burgemeester en schepenen worden om die reden gevolgd in afwachting van de goedkeuring van het gewijzigd bijzonder plan van aanleg. Tevens dient de aandacht gevestigd op het feit dat het bijzonder plan van aanleg zeer specifieke voorschriften omvat met betrekking tot de aanvaardbare bedrijvigheid. Er zijn enkel bedrijven toegestaan die voor de omgeving geen abnormale geluidshinder, stankontwikkeling noch abnormaal brand- en ontploffingsgevaar, met inbegrip van water- bodem of luchtvervuiling, veroorzaken en die van de woonzones in een bedrijvenpark moeten geïsoleerd worden om redenen van socio-economische en ruimtelijke aard. Voorliggende bedrijvigheid kan dus enkel worden toegestaan als blijkt dat de omliggende bedrijven geen hinder van de nieuwe exploitatie kunnen ondervinden"; - de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij adviseert gunstig; VII-37.280-3/10 - de Vlaamse Landmaatschappij adviseert gunstig, behalve voor een van de gevraagde afwijkingen van de sectorale voorwaarden, en suggereert een aantal bijzondere vergunningsvoorwaarden; - de Vlaamse Milieumaatschappij adviseert gunstig; - de afdeling Milieuvergunningen adviseert gunstig, en suggereert een aantal bijzondere vergunningsvoorwaarden; - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie ten slotte adviseert ongunstig. 2.
  11. Op 27 augustus 2008 wordt de bestreden beslissing genomen : het beroep van de tussenkomende partij wordt gegrond bevonden en de gevraagde vergunning wordt verleend;
  12. De ontvankelijkheid van de vordering tot schorsing 3.
  13. Overwegende dat de tussenkomende partij als exceptie opwerpt dat de door verzoekster aangevoerde hinder zodanig hypothetisch en/of verwaar- loosbaar is dat zij niet over het rechtens vereiste belang zou beschikken, ook rekening gehouden met de bestemmingsvoorschriften ter plaatse; 3.
  14. Overwegende dat over die exceptie slechts uitspraak zou moeten worden gedaan indien aan de beide, cumulatieve voorwaarden om tot de schorsing van de tenuitvoerlegging over te gaan is voldaan, wat te dezen, zoals zal blijken, niet het geval is;
  15. De gegrondheid van de vordering tot schorsing Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel kan berokkenen; VII-37.280-4/10 4.
  16. Overwegende dat verzoekster met betrekking tot de tweede voorwaarde aanvoert dat zij eigenares en bewoonster is van een woning gelegen op een afstand van 250 meter van de site waar de vergunde inrichting zal worden opgericht; dat zij meent dat door de oprichting van de geplande mestverwerkings- installatie het rustig woongenot "voor de rest van (haar) dagen onherroepelijk (dreigt) te zullen worden aangetast"; dat volgens haar zowel uit de algemene situering, als uit de vergunningsaanvraag "ontegensprekelijk" blijkt dat het niet enkel gaat om een aanzienlijke uitbreiding van de bestaande activiteiten, maar eveneens om het opstarten van een nieuwe verwerkingsinstallatie van mest en diverse afvalstromen; dat zij stelt dat die uitbreiding onder meer blijkt uit het feit dat de milieuvergunningsaanvraag betrekking heeft op de oprichting van een nieuwe vergistingsinstallatie met een capaciteit van 60.000 ton per jaar, die afhankelijk van de marktomstandigheden zal worden ingevuld door mest, primaire grondstoffen en organisch biologische afvalstromen, dat daarenboven een opslagplaats voor mest van 15.265 m3 voorzien is in industriegebied, evenals een opslagplaats voor organisch biologische afvalstromen van 15.435 m3, dat het "geen betoog" hoeft dat een wijziging en uitbreiding van dergelijke omvang onaanvaardbare milieuhinder met zich meebrengt voor de omgeving en de omwonenden, zowel ten gevolge van de exploitatie zelf als ten gevolge van de toename van het aantal transportbeweging- en als gevolg van het af- en aanrijden van vrachtwagens met mest- en afvalstoffen op onaangepaste wegen, dat de geplande inrichting een klasse 1-inrichting is en bijgevolg de meest hinderlijke categorie van inrichtingen, zodat niet zonder meer kan worden voorbijgegaan aan de diverse vormen van milieuhinder; dat verzoekster vervolgt met te wijzen op "onaanvaardbare geurhinder" die veroorzaakt zal worden door de geplande mestverwerkingsinstallatie, terwijl niet blijkt "dat een afdoende geurstudie werd uitgevoerd met het oog op het reduceren van de geurhinder"; dat zij ook betoogt dat er verkeershinder zal ontstaan en dat de "verkeerleefbaarheid" wordt aangetast doordat de uitbreiding van de inrichting een "aanzienlijk verkeers- genererend effect met zich zal meebrengen, waarop de huidige wegeninfrastructuur niet is voorzien", dat de geplande wijziging en uitbreiding van het bedrijf zich situeert langs de Groenstraat, die in geen geval geschikt is voor het veelvuldig af- en aanrijden van zware vrachtwagens, dat tevens rekening dient te worden gehouden met een niet te onderschatten cumulatief effect, gelet op de reeds bestaande zeer drukke oogstperiodes, en dat een extra (en aanzienlijke) toename van het verkeer in deze periode voor extra overlast zal zorgen, waarop de bestaande verkeersinfrastruc- tuur geenszins is voorzien; dat verzoekster in dit verband benadrukt dat de geplande mestverwerkingsinstallatie enkel via een zeer smalle weg te bereiken is, die totaal VII-37.280-5/10 ongeschikt is voor het voorziene zwaar vrachtverkeer, dat de definitieve goedkeu- ring van de herziening van het BPA in geen geval de verkeersproblematiek op korte termijn oplost, aangezien er geen enkele garantie bestaat dat of, en wanneer de door de herziening geplande verbreding van de Groenstraat daadwerkelijk zal worden gerealiseerd, zodat er alleen kan "gekeken worden naar de actuele toestand waarin de Groenstraat zich bevindt", dat "het (...) voor zich (spreekt) dat niet enkel de verkeershinder, maar ook de verminderde veiligheid en aantasting van (haar) rustige woonomgeving een serieuze aantasting van (haar) woon- en leefklimaat betekent"; dat verzoekster ook "luchtverontreiniging, verontreiniging van de bodem, het grondwater en het oppervlaktewater en het massaal aantrekken van ongedierte" aanvoert; dat zij in dit verband wijst op "mogelijke bodemverontreiniging ten gevolge van de output van de vergistingsinstallatie in of op Vlaamse bodem"; dat zij stelt dat het "niet onbelangrijk is (...) dat de uitbreiding van het aantal dieren en de opslag van afval, mest en groenvoeders ongetwijfeld ook extra ongedierte (onder meer vliegen, ratten, insecten, muizen) zal aantrekken, met alle bijkomende hinder die daarmee gepaard gaat voor de buurt"; dat zij ten slotte wijst op visuele hinder "nu de geplande klasse 1-inrichting een industrieel karakter heeft, wat geenszins passend is in het overheersende landschap"; 4.
  17. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat verzoekster voorbijgaat aan de geldende planbestemming van het terrein waarop de inrichting zal worden ingeplant, terwijl zij evenmin rekening houdt met de bestemmingsgebieden in de onmiddellijke omgeving van haar woning, waaronder een industriegebied, dat verzoekster in "haar inleidend verzoekschrift nergens vermeldt binnen welke bestemming haar woning is gelegen, hetgeen nochtans van doorslaggevend belang kan zijn voor de beoordeling van de aangevoerde hinderas- pecten"; dat de verwerende partij er op wijst dat men als bewoner of omwonende meer hinder dient te verdragen binnen een bestemming waarin zoals in casu een bedrijvenzone wordt voorzien dan in een woongebied, dat verzoekster herhaaldelijk gewaagt van een aanzienlijke uitbreiding van de bestaande activiteiten evenals van een uitbreiding van het aantal dieren, terwijl het in casu een nieuwe inrichting betreft, die in vervanging komt van de berenfokkerij (varkens) die aldaar in het verleden was gevestigd; dat indien de nieuwe inrichting gebeurlijk hinder zou veroorzaken in hoofde van verzoekster, de verwerende partij betoogt dat deze eventuele hinder bezwaarlijk ernstiger kan zijn dan de hinder die werd veroorzaakt door het voormalige varkensbedrijf, waarvan de exploitatie wordt stopgezet; dat volgens de verwerende partij er ook rekening moet worden gehouden met de VII-37.280-6/10 omstandigheid dat er, blijkens het bestreden besluit, nog andere bedrijven zijn gevestigd, waaronder een composteringsbedrijf en een betoncentrale, die bezwaar- lijk kunnen worden geacht minder hinder te veroorzaken dan de vergunde inrichting en waaromtrent in het inleidend verzoekschrift van verzoekster "het stilzwijgen bewaard" wordt; dat voorts, steeds volgens de verwerende partij, verzoekster "nergens concreet aantoont dat mag worden verwacht dat zij effectief hinder zal ondervinden van de exploitatie van de inrichting, terwijl in het bestreden besluit uitgebreid wordt ingegaan op de maatregelen die door de exploitant worden en moeten worden genomen om de hinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken", dat de aangevoerde geurhinder "door geen enkel concreet element (is) gestaafd" en bovendien wordt tegengesproken door de overwegingen in het bestreden besluit, waarin wordt aangetoond dat er zich geen geurhinder zal voordoen en er meerdere bijzondere milieuvergunningsvoorwaarden worden opgelegd, waarvan verzoekster "niet aantoont dat deze onvoldoende zijn om geurhinder te vermijden"; dat wat de verkeershinder betreft, de verwerende partij betoogt dat verzoekster voorbijgaat aan de vaststelling dat de transporten van en naar de inrichting blijkens het bestreden besluit louter via de Groenstraat zullen plaatsvinden, en geenszins langs de Schipdonkstraat waar verzoekster woonachtig is, dat de ongeschiktheid van de overigens grotendeels onbewoonde Groenstraat voor het verkeer dan ook geen ernstig nadeel kan uitmaken in hoofde van verzoekster die daar niet woonachtig is en die evenmin aanvoert dat zij deze straat nodig heeft, dan wel er veelvuldig gebruikt van maakt om tot bij haar woning te komen, dat de Groenstraat waarlangs het vervoer zal gebeuren alleszins in niets verschilt van de normale verharde landbouwwegen in landbouwgebied, waarlangs aan- en afvoer van vee, mest, veevoeder en dergelijke meer via vrachtverkeer mogelijk is, hetzij dezelfde transporten die van en naar de inrichting zullen geschieden; dat wat betreft de verminderde verkeersveiligheid, volgens de verwerende partij niet valt in te zien dat het beperkt bijkomstig transport, in een omgeving die nu reeds wordt gekenmerkt door industrie en landbouw, een ernstig nadeel uitmaakt in hoofde van verzoekster "die dit overigens evenmin concreet aantoont"; dat wat betreft geluidsoverlast, de verwerende partij verwijst naar het bestreden besluit zelf dat "de loutere bewering van verzoekende partij tegenspre(ekt)", dat zulks ook het geval is voor de beweerde luchtverontreiniging en verontreiniging van grondwater en oppervlaktewater, terwijl de verwerende partij niet inziet op welke manier de inrichting zal leiden tot bodemverontreiniging en het massaal aantrekken van ongedierte, dat een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou veroorzaken in hoofde van verzoekster, die volgens haar inleidend verzoekschrift op 250 meter van de inrichting woont; dat ten slotte VII-37.280-7/10 de verwerende partij evenmin inziet op welke manier de visuele hinder een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou veroorzaken in hoofde van verzoekster in het kader van een procedure inzake de milieuvergunning, temeer omdat in het bestreden besluit wordt voorzien in de aanleg van een voldoende breed groenscherm; 4.
  18. Overwegende dat de tussenkomende partij hoofdzakelijk opmerkt dat de woning van verzoekster gelegen is in woongebied met landelijk karakter en dat dergelijke woongebieden in het kader van de milieuwetgeving geenszins als hindergevoelige gebieden worden beschouwd, zodat de tolerantiedrempel ten aanzien van potentieel hinderlijke activiteiten alleszins beduidend hoger dient te liggen; dat zij er, zoals de verwerende partij, op wijst dat het niet opgaat te spreken over een mestverwerkingsinstallatie, aangezien mest slechts een van de grondstoffen is die zal worden vergist, dat het geen uitbreiding van bestaande activiteiten betreft, maar nieuwe activiteiten die in de plaats komen van voorheen uitgevoerde en dat er geen mestopslag wordt vergund van 15.265 m3, maar slechts van 1.265 m3; dat volgens de tussenkomende partij verzoekster wijst op een aantal hinderbronnen, doch nalaat aannemelijk te maken dat deze hinder zich zal manifesteren en dat het derhalve loutere beweringen zijn die ook louter hypothetisch zijn en niet volstaan ter ondersteuning van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel; dat de tussenkomen- de partij ten slotte opmerkt dat de opgesomde nadelen niet voortvloeien uit de bestreden beslissing, maar wel uit de bestemming tot bedrijvenzone en dat het bestreden besluit enkel deze bestemming realiseert; 4.
  19. Overwegende dat het aan een verzoekende partij in een schorsingsprocedure toekomt om concreet aannemelijk te maken dat de door haar bestreden beslissing haar rechtsreeks en persoonlijk een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; dat hiertoe feitelijke, natrekbare en controleerbare gegevens dienen te worden aangebracht, zodat loutere hypothesen niet in aanmer- king genomen kunnen worden om de moeilijke herstelbaarheid en de ernst van een nadeel te appreciëren; dat verzoekster zegt woonachtig te zijn op een afstand van 250 meter van de geplande inrichting; dat zij blijkens haar verzoekschrift woonachtig is in de Schipdonkstraat en dat de geplande inrichting zich situeert aan de Groenstraat; dat haar woning blijkens het verzoekschrift gelegen is in de zuidoostelijke richting ten opzichte van de geplande inrichting; dat haar woning bijgevolg niet is gelegen in de overheersende zuidwestelijke windrichting; dat dit laatste zijn belang heeft bij de appreciatie van geurhinder, luchtverontreiniging en geluidshinder; dat het bestreden besluit voorts tal van hinderberperkende maatrege- VII-37.280-8/10 len bevat waarvan de efficiëntie door verzoekster helemaal niet in twijfel wordt getrokken; dat zij zich daarentegen, om haar aangevoerde hinder als moeilijk te herstellen ernstig nadeel aan te merken, heeft beperkt tot algemeenheden zoals dat het "ontegensprekelijk (blijkt)", dat het "geen betoog (be)hoeft", dat het "buiten kijf (staat)", dat het "geen twijfel (lijdt)"; dat zij bovendien voor de aangevoerde geurhinder geen rekening houdt met de in het bestreden besluit hiertoe opgelegde bijzondere vergunningsvoorwaarden; dat zij voorts niet afdoende bewijst dat de aangevoerde verkeershinder voor haar persoonlijk een probleem kan scheppen omdat zij, enerzijds, niet woont in de straat van de geplande inrichting en, anderzijds, niet aantoont dat zij regelmatig de Groenstraat moet aandoen om haar woning te kunnen bereiken; dat het bestreden besluit trouwens ook stelt dat de transporten niet langs de woonkernen in de omliggende straten zullen rijden; dat het bestreden besluit ook voor de aangevoerde geluidsoverlast, luchtverontreiniging, bodemverontreiniging, verontreiniging van grondwater en oppervlaktewater en hinder door ongedierte oog heeft gehad en dat ook voor die aangevoerde hinder maatregelen zijn opgelegd die evenmin door verzoekster worden bekritiseerd; dat ten slotte met betrekking tot de visuele hinder, een loutere bewering dat "de geplande klasse 1-inrichting een industrieel karakter heeft, wat geenszins passend is in het overheersende landschap" evenmin als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan worden aangemerkt omdat verzoekster niet aannemelijk maakt dat zij, gelet op de precieze lokalisatie van haar woning en de afstand ervan tot aan de geplande inrichting, rechtstreeks zicht heeft op de geplande inrichting, noch dat de geplande inrichting noodzakelijkerwijze, door de aard zelf ervan, visueel betekenis- vol meer hinderlijk zou zijn dan wat kan worden verwacht in een industriegebied of in een bedrijvenzone, terwijl er bovendien voorzien is een groenscherm; dat, overigens, indien er nadeel zou zijn, dit nadeel veeleer voortvloeit uit een stedenbouwkundige vergunning; Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat aan de tweede voorwaarde gesteld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan; dat die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen; 4.
  20. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst vraagt dat verzoekster in toepassing van artikel 37 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State veroordeeld zou worden tot een geldboete van 2.500 euro "gelet op het kennelijk onrechtmatig beroep"; dat het in VII-37.280-9/10 beginsel aan de partijen niet toekomt te vragen dat dergelijke geldboete wordt opgelegd, zodat die vraag wordt afgewezen, BESLUIT: Artikel
  21. Het verzoek tot tussenkomst van Carlos VAN CROMBRUGGHE VAN LEERNE in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
  22. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  23. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien maart tweeduizend en negen, door : de H. L. HELLIN, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-37.280-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.656 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.216.297 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.