← België

Arrest 191658 - Milieuheffingen - 19/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.658 Rolnummer: A. 176531/VII-36492 Zaak: Arrest 191658 - Milieuheffingen - 19/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-27 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 23:09 Fiche Arrest nr 191.658 van 19 maart 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuheffingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.658 van 19 maart 2009 in de zaak A. 176.531/VII-36.

  1. In zake : de NV UGINE & ALZ BELGIUM, die woonplaats kiest bij advocaat L. SWARTENBROUX, kantoor houdende te BRUSSEL, Brederodestraat 13 tegen : de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM), die woonplaats kiest bij advocaat W. SLOSSE, kantoor houdende te ANTWERPEN, Brusselstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de NV UGINE & ALZ BELGIUM op 7 september 2006 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van "de beslissing van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (...), vervat in haar brieven van 7 en 20 juli 2006, gericht aan verzoekster, en volgens dewelke 'met ingang van het derde kwartaal 2006 voor het storten van het waterzuiveringsslib op de categorie 1-stortplaats van de NV Remo te Houthalen-Helchteren het milieuhef- fingstarief krachtens artikel 47, § 2, 7/ van het afvalstoffendecreet toegepast (moet) worden'"; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 10 maart 2008 waarbij wordt bepaald dat de zaak met toepassing van artikel 90, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, door één lid van de kamer wordt behandeld; VII-36.492-1/15 Gelet op de beschikking van 19 januari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 februari 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. SWARTENBROUX, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat G. VERMAERCKE die, loco advocaat W. SLOSSE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De gegevens van de zaak Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. De verzoekende partij is producent van roestvaste staalproducten. Het waterzuiveringsslib afkomstig van die productie wordt gestort op de klasse 1-stortplaats uitgebaat door de NV REMO MILIEUBEHEER te Houthalen- Helchteren. 1.
  5. Destijds bevatte artikel 47 van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen (hierna : afvalstoffende- creet) volgende door het decreet van 22 december 1995 ingevoegde bepaling : "§
  6. Aan een milieuheffing zijn onderworpen de uitbaters van de in § 2, 1/ tot en met 37/ bedoelde vergunningsplichtige inrichtingen en van de in § 2, 38/ bedoelde ondernemingen, gemeenten en verenigingen van gemeenten. §
  7. Het bedrag van de milieuheffingen bedoeld in § 1 wordt vastgesteld op: (...) 150 frank per ton, voor het storten op voormelde stortplaats van: (...) - recyclageresidu's van bedrijven die hoofdzakelijk afvalstoffen afkomstig van selectieve inzamelingen gebruiken of voorsorteren als grondstof voor de aanmaak van nieuwe producten". VII-36.492-2/15 1.
  8. Sinds de wijziging door het decreet van 6 juli 2001 wordt in artikel 47 van het afvalstoffendecreet het volgende gesteld : "§
  9. Aan een milieuheffing zijn onderworpen de uitbaters van de in § 2, 1/ tot en met 42/ bedoelde vergunningsplichtige inrichtingen alsook de ophalers van de in § 2, 43/ bedoelde afvalstoffen. §
  10. Het bedrag van de milieuheffingen bedoeld in § 1 wordt vastgesteld op: (...) 7/ 49,58 euro per ton, voor het storten van afvalstoffen op een stortplaats vergund voor bedrijfsafvalstoffen; (...) 38/ 6,2 euro/ton voor het storten, in een daartoe vergunde inrichting, en 1,24 euro/ton voor het verbranden, in een daartoe vergunde inrichting, van recyclageresidu*s van bedrijven die afvalstoffen afkomstig van selectieve inzamelingen, zoals hieronder vermeld, gebruiken of voorsorteren als grondstof voor de aanmaak van nieuwe producten. De te storten of te verbranden restfractie moet na voorbehandeling kleiner zijn dan de hierna vermelde percentages welke moeten beschouwd worden ten opzichte van de totale aanvoer van de betreffende afvalstoffen op jaarbasis in de vergunde inrichting: - 5 gewichtspercent voor papier en kartonafval; - 15 gewichtspercent voor glasafval; - 13 gewichtspercent voor lompenafval; - 25 gewichtspercent voor kunststofafval, geldend voor de bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe producten; - 5 gewichtspercent voor kunststofafval, geldend voor de bedrijven die kunststofafval voorsorteren; - 10 gewichtspercent voor elektronisch en elektrisch schrootafval; - 10 gewichtspercent voor schrootafval; - 20 gewichtspercent voor houtafval; - 5 gewichtspercent voor groenafval; - 5 gewichtspercent voor piepschuimafval; - 10 gewichtspercent voor groente-, fruit- en tuinafval (GFT); - 11 gewichtspercent voor groente-, fruit- en tuinafval vermengd met gebruikte luiers; - 5 gewichtspercent voor bouw- en sloopafval; - 10 gewichtspercent voor rubberafval, andere dan bandenafval; - 5 gewichtspercent voor bandenafval; - 20 gewichtspercent voor plastic verpakkingen, metalen verpakkingen en drankkartons (PMD); - 25 gewichtspercent voor shredderafval/flotatieafval afkomstig van schroot- verwerking; - 5 gewichtspercent voor voedselafval; - 25 gewichtspercent voor gebruikte oplosmiddelen. De vermelde gewichtspercenten gelden voor verbranden en storten samen. Voor het storten, in een daartoe vergunde inrichting, of verbranden, in een daartoe vergunde inrichting, van afvalstoffen afkomstig van het gebruik van selectief ingezameld papier- of kartonafval of van het voorbehandelen tot grondstof binnen de inrichting vergund voor de aanmaak van nieuw papier of karton geldt een tarief van 1,24 euro/ton. Voor het storten, in een daartoe vergunde inrichting, of verbranden, in een daartoe vergunde inrichting, van recyclageresidu*s van bedrijven die glasafval afkomstig van selectieve inzamelingen, gebruiken of voorsorteren als grondstof voor de aanmaak van nieuw glas geldt een tarief van 0 euro/ton. VII-36.492-3/15 Als jaarbasis moeten worden beschouwd de laatste vier gekende kwartalen voorafgaand aan het kwartaal waarin de afvalstoffen worden gestort of verbrand; (...)". 1.
  11. Op 14 oktober 2005 stuurt de verwerende partij een brief aan de verzoekende partij die luidt als volgt : "De milieuheffing voor het storten van uw waterzuiveringsslib. Geachte heer/mevrouw, De OVAM heeft vastgesteld dat voor het storten van het slib afkomstig van uw, waterzuiveringsinstallatie het verlaagd milieuheffingstarief toegepast wordt overeenkomstig artikel 47.§ 2 .38/ van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, hierna afvalstoffendecreet genoemd. Ik wil u meedelen dat de toepassing van deze verlaagde milieuheffing onterecht is, omdat het waterzuiveringsslib niet kan beschouwd worden als een 'recyclageresidu van een bedrijf dat afvalstoffen afkomstig van selectieve inzameling gebruikt of voorsorteert als grondstof voor de aanmaak van nieuwe producten'. Gelet op het voorgaande moet met ingang van 1 januari 2006 voor het storten van het betreffend waterzuiveringsslib op een vergunde categorie 1- deponie het milieuheffingstarief overeenkomstig art. 47.§2.7/ van het afvalstoffendecreet toegepast worden". 1.
  12. De verzoekende partij reageert hierop op 7 november 2005 in de volgende bewoordingen : "Betreft : Milieuheffing voor het storten van waterzuiveringsslib Ref. : AB/MH/DG-05-
  13. Wij hebben uw schrijven inzake hoger vermelde aangelegenheid goed ontvangen. Wij zijn ten stelligste verbaasd over de inhoud van dit schrijven en zijn helemaal niet akkoord met uw standpunt. Dienaangaande willen wij uitdrukkelijk stellen dat de verlaagde milieuhef- fing wel degelijk terecht is en dat het waterzuiveringsslib wél moet beschouwd worden als een recyclageresidu van een bedrijf dat afvalstoffen afkomstig van selectieve inzameling gebruikt of voorsorteert als grondstof voor de aanmaak van nieuwe producten. De redenen hiervoor zijn de volgende: - UGINE & ALZ Belgium NV betaalt reeds een 12-tal jaar de verlaagde milieuheffing voor dit waterzuiveringsslib; mocht men problemen vastge- steld hebben naar een mogelijke interpretatie dienaangaande, dan had dit ca. 12 jaar geleden moeten gemeld worden; - destijds stelde de heer Dewulf (OVAM) dat in toepassing van het afvalstof- fendecreet het volledige bedrijf als recyclage-inrichting diende beschouwd te worden, dus met inbegrip van het waterzuiveringsslib; vandaar het steeds toegepaste verlaagd milieuheffingstarief; - tijdens latere controles op het bedrijf heeft de afgevaardigde van de OVAM dit standpunt steeds aanvaard; dit impliceert dat de OVAM steeds akkoord gegaan is met het destijds ingenomen standpunt van de heer Dewulf; - uw schrijven is niet gemotiveerd; VII-36.492-4/15 - er werden recentelijk op dit vlak geen wetswijzigingen doorgevoerd waaruit een mogelijke wijziging van standpunt kan voortvloeien. Bijgevolg mag met ingang van 01 januari 2006 voor het storten van waterzuiveringsslib op een vergunde categorie l-deponie het milieuheffingsta- rief overeenkomstig artikel 47.§2.7/ van het afvalstoffendecreet niet worden toegepast en blijft artikel 47.§
  14. 38/ van toepassing. Mocht U niet akkoord zijn met onze visie dienaangaande, dan verzoeken wij U per kerende om een antwoord. Zoniet, gaan wij ervan uit dat U akkoord bent met ons standpunt en blijft het verlaagd milieuheffingstarief overeenkomstig artikel 47.§2.38/ van toepassing. Uiteraard blijven wij ter beschikking voor verdere inlichtingen". 1.
  15. Op 16 november 2005 stuurt de verwerende partij volgende brief aan de verzoekende partij : "De milieuheffing voor het storten van uw waterzuiveringsslib. Geachte heren, In antwoord op uw in rand vermeld schrijven kan ik u het volgende meedelen. De OVAM gaat niet akkoord met uw visie inzake het toepassen van het verlaagd milieuheffingstarief voor het storten van uw waterzuiveringsslib. De inhoud van onze brief dd . 14 oktober 2005 met referentie AB/MH/DG-05-0021 blijft bijgevolg van kracht (...)". 1.
  16. Op 12 april 2006 stuurt de verzoekende partij volgende brief aan de verwerende partij : "Milieuheffing voor het storten van waterzuiveringsslib. Geachte heer, Uw schrijven inzake hoger vermelde aangelegenheid met vermelding van de datum van 1

(6)november 2005 mochten wij goed ontvangen. Wij zijn ten stelligste verbaasd over de inhoud schrijven en zijn helemaal niet akkoord met uw standpunt. Dienaangaande verwijzen we integraal naar ons schrijven van 7 november 2005 met referte KoGi/SaSo BRI
  1. Onze argumenten werden in dit schrijven uitvoerig toegelicht. Wij stellen uitdrukkelijk dat de verlaagde milieuheffing wel degelijk terecht is en dat het waterzuiveringsslib wél moet beschouwd worden als een recyclageresidu van een bedrijf dat afvalstoffen afkomstig van selectieve inzameling gebruikt of voorsorteert als grondstof voor de aanmaak van nieuwe producten. Bijgevolg mag met ingang van 01 januari 2006 voor het storten van waterzuiveringsslib op een vergunde categorie 1-deponie het milieuheffingsta- rief overeenkomstig artikel 47.§2.7/ van het afvalstoffendecreet niet worden toegepast en blijft artikel 47.§
  2. 38/ van toepassing. Uiteraard blijven wij ter beschikking voor verdere inlichtingen". 1.
  3. Op 25 april 2006 stuurt de verwerende partij volgende brief aan de NV REMO MILIEUBEHEER : VII-36.492-5/15 "Milieuheffing inzake waterzuiveringsslib van ALZ. Heffingendossier 2000/AAAA-l05/L/17 - Kwartaal 2006/
  4. Geachte heer, Als antwoord op uw in rand vermelde fax kan ik u het volgende meedelen. De OVAM behoudt zich inderdaad het recht voor om, inzake het storten van het waterzuiveringsslib van ALZ, vanaf het kwartaal 2006/1 de milieuheffing in te vorderen aan het milieuheffingstarief overeenkomstig artikel 47.§2.7/ van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstof- fen, hierna afvalstoffendecreet genoemd. Ik verwijs in dit verband naar onze brief van 25 oktober
  5. In voorkomend geval zal de vordering van de betreffende milieuheffing rechtstreeks gebeuren lastens de firma Ugine & ALZ Belgium NV, en dit op grond van artikel 47.§2.39/quater van het voormelde afvalstoffendecreet". 1.
  6. Op 2 mei 2006 laat de verwerende partij aan de verzoekende partij de volgende brief geworden : "Milieuheffing voor het storten van waterzuiveringsslib Geachte heer, Zoals afgesproken tijdens ons overleg van 18 april en in antwoord op uw brief van 12 april breng ik u op de hoogte van onze argumenten inzake de milieuheffing op het storten van waterzuiveringsslib, afkomstig van uw bedrijf. Er bestaat geen discussie over de interpretatie van de verlaagde milieuhef- fing tot en met het heffingsjaar
  7. Vanaf het heffingsjaar 2002 werd de regeling inzake de toepassing van het verlaagd tarief gewijzigd. De recyclage- processen waarvoor het verlaagd tarief kan gelden, worden vanaf dan limitatief opgesomd. De productie van roestvrij staal wordt niet nominatief vermeld. Bovendien wordt nu duidelijk gesteld dat het moet gaan om een vergunde inrichting. In uw brief van 7 november stelt u dat de heer Dewulf van de OVAM het volledige bedrijf als een recyclage-inrichting beschouwde in het kader van het Afvalstoffendecreet, met inbegrip van de eenheid waar het waterzuiveringsslib ontstaat. Alle installaties van ALZ zijn echter niet vergund als recyclage- inrichtingen in het kader van het Afvalstoffendecreet; bovendien is volgens de recentste jurisprudentie van het Hof van Luxemburg (o.a. arrest Mayer Perry) het omslagpunt afvalstof - grondstof gesitueerd in de smeltoven. Alle handelingen na het smelten zijn geen recyclagehandelingen meer waaruit recyclage-residu's kunnen ontstaan. Volgens onze informatie gebeurt een eerste, warme walsing in een bedrijf van uw groep in Duitsland. De tweede, koude walsing gaat door in uw bedrijf en wordt pas dan gevolgd door een beitsing. Het waterzuiveringsslib ontstaat na de beitsing. In de veronderstelling dat al die bewerkingen nog moeten gecatalogeerd worden als recyclagehandelingen, moet ook de walserij in Duitsland vergund zijn als afvalverwerker en is EG-Verordening 259/93 van toepassing op de uitvoer en wederinvoer van het staal. U had dus geen recht meer op de toepassing van het verlaagde heffingstarief voor het storten van uw waterzuiveringsslib vanaf heffingsjaar
  8. Ik wens evenwel geen navordering in te stellen omdat wij in het verleden naar aanleiding van onze controles geen bezwaar hebben gemaakt. Aan die situatie moet echter een einde komen. Concluderend voer ik volgende argumenten aan tegen de toepassing van het verlaagd milieuheffingentarief voor het storten van uw waterzuiveringsslib:
  9. Het omslagpunt afvalstof - product moet gesitueerd worden in de smeltoven van ALZ. Residu's die ontstaan vóór het smelten kunnen beschouwd worden VII-36.492-6/15 als recyclageresidu's, het gesmolten staal zelf is duidelijk geen afvalstof meer. Alle bewerkingen die gebeuren na de smelter, zoals het walsen, kunnen dan ook niet beschouwd worden als recyclagehandelingen. Afvalstoffen die bij dergelijke handelingen ontstaan, zoals in dit geval calciumfluorideslib van de waterzuivering, zijn geen recyclageresidu's en kunnen dan ook niet aan een verlaagd tarief gestort worden.
  10. Eén van de decretale voorwaarden om te kunnen genieten van het verlaagde tarief luidt dat de inrichting waar de recyclageresidu's ontstaan vergund moet zijn, m.a.w., een milieuvergunning met rubriek 2 moet hebben voor de recyclage-activiteit. Dat is voor ALZ niet het geval, de smelter noch de walserij noch de waterzuiveringseenheid waar het calciumfluorideslib ontstaat zijn vergund als recyclage-inrichtingen. Zoals afgesproken kan u voorlopig het waterzuiveringsslib nog blijven storten tegen het verlaagd heffingstarief, teneinde u in de gelegenheid te stellen de zaak grondig te bekijken". 1.
  11. Op 7 juli 2006 stuurt de verwerende partij volgende brief aan de verzoekende partij : "milieuheffingstarief voor het storten van uw waterzuiveringsslib op de categorie 1- stortplaats van de NV Remo te Houthalen-Helchteren. Geachte heren, We verwijzen naar vroegere briefwisseling in voormelde aangelegenheid, laatst onze brief van 2 mei 2006 (kenmerk AB/RM/MR/06-063), waarop we tot op heden geen verder antwoord hebben ontvangen. We bevestigen hierbij bijgevolg onze eerdere argumentatie op basis waarvan we thans definitief beslissen dat het verlaagde heffingstarief voor recyclageresi- du's onterecht wordt toegepast voor het storten van waterzuiveringsslib. Gelet op het voorgaande moet met ingang van het derde kwartaal 2006 voor het storten van het betreffend waterzuiveringsslib op de categorie 1-stortplaats van de NV Remo te Houthalen-Helchteren het milieuheffingstarief krachtens artikel
  12. §
  13. 7/ van het afvalstoffendecreet toegepast worden". Dit is de eerste brief die volgens de verzoekende partij de bestreden beslissing bevat. 1.
  14. Op 11 juli 2006 antwoordt de verzoekende partij hierop in volgende bewoordingen : "Geachte Heren, Betreft: Milieuheffing voor het storten van waterzuiveringsslib. Uw schrijven van 07/07/06, ref. AB/MH/BT-06-alz. In antwoord op de motiveringsbrief van OVAM van 2 mei ll. met kenmerk PAVA/MS-TDBRI6005, AB/RM/MR/06-063, waarin we de gelegenheid hebben gekregen om de zaak grondig te bekijken, hebben we de eer U volgende informatie te verstrekken. Uw brief van 7 juli 2006 waarbij zonder enig verwittiging of termijnbepaling een einde werd gesteld aan de houding van OVAM in haar schrijven van 2 mei ll. verrast ons. Binnen de context van de correcte afspraken tussen OVAM en Ugine & ALZ, zoals verwoordt in de hogergenoemde brief van 2 mei ll, verstrekken we de volgende informatie om onze verkregen rechten inzake de verlaagde milieu- heffing te bestendigen. VII-36.492-7/15 VII-36.492-8/15 Vandaar wordt verwezen - primo, naar het wettelijk kader getoetst aan de opeenvolgende wetswijzi- gingen sinds de invoering van het afvalstoffendecreet van 2 juli 1981, - secundo naar de milieuvergunde situatie gerelateerd aan de decretale voorwaarden inzake de verlaagde milieuheffing en - tertio, naar het productieproces en de recyclageresidu*s, in verwijzing naar het arrest Mayer Parry en de EG-Verordening 259/
  15. Bespreking 1 . Het wettelijk kader getoetst aan de opeenvolgende wetswijzigingen sinds de invoering van het afvalstoffendecreet van 2 juli
  16. Het decreet van 2 juli 1981 werd meermaals gewijzigd. Het is dan ook belangrijk dat een aantal wijzigingen op een rijtje worden gezet . In voorberei- ding daarvan werd de historiek inzake de toepasselijke wetsbepaling bevraagd. Deze bevraging leert ons dat in voorbereiding van het decreet houdende de bepalingen tot begeleiding van de begroting 1993 de volgende toelichting (...) werd gegeven: 'Als verfijning worden een aantal voordeeltarieven gecreëerd ter bevordering van de recyclage. (..) Met het oog op de aanmoediging van de recyclagesector wordt tevens een verlaagd tarief voorzien voor het storten ( ) van afvalstoffen afkomstig van bedrijven die recyclageresidu's voorsorteren en voor het storten van roestvrij staal'. Deze toelichting werd vertaald in een wetsbepaling die voor deze case als volgt luidt: 'Het bedrag van de milieuheffing bedraagt 150 fr.(3, 71 Euro) ton voor het storten op een stortplaats voor industrieel afval van afvalstoffen afkomstig van recyclageresidu's van de bedrijven die hoofdzakelijk roestvrij staal-afval gebruiken of voorsorteren als grondstof voor de aanmaak van roestvrij staal'. In het verslag van de Commissie voor Leefmilieu van 18 november 1992 (...) wordt nogmaals gesteld dat de 'invoering van de milieuheffing tot doel heeft preventief en regulerend te werken en dat recuperatie de voorkeur geniet'. Het uitgangspunt is de decreetwijziging van 1993, waarop dan zeker tot 31/12/2001 de verlaagde milieuheffing werd toegestaan. Betekenisvol is ook de decreetwijziging van 1996 waarbij de rechtsgrond voor de verlaagde milieuheffing om hergebruik en recyclage van afvalstoffen verder te stimuleren, als volgt werd geredigeerd: 'recyclageresidu's van bedrijven die hoofdzakelijk afvalstoffen afkomstig van selectieve inzamelingen gebruiken of voorsorteren als grondstof voor de aanmaak van nieuwe producten'. In 2002 oordeelde het Vlaams parlement dat het begrip hoofdzakelijk in de voornoemde tekst onvoldoende waarborgde dat er zo min mogelijk niet- gesorteerd afval werd gestort of verbrand. Vandaar dat vanaf het heffingsjaar 2002 gewichtspercenten per afvalstroom werden ingevoerd. In tegenstelling tot wat wordt gezegd in de brief van 2 mei 2006 heeft het wijzigingsdecreet enkel het begrip 'hoofdzakelijk' vervangen voor gewichtsper- centen. De rechtsbasis waarop de verlaagde milieuheffing voor Ugine&ALZ wordt toegepast, is niet gewijzigd. De niet nominatieve vermelding van roestvrij staal is reeds geruime tijd verwoord in een bepaling met een algemene strekking. Het punt van de niet - nominatieve vermelding en het eraan gerelateerde besluit van OVAM voor de uitsluiting van Ugine&ALZ van de verlaagde milieuheffing vindt geen grond in de opvatting van OVAM, zoals verwoord werd in de tweede alinea van de brief van 2 mei
  17. In het decreet met bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2006 worden een aantal wijzigingen aan artikel 47, § 2 van het afvalstoffendecreet doorgevoerd. Evenwel hebben ze geen relevantie voor de activiteit in kwestie. VII-36.492-9/15
  18. De milieuvergunde situatie gerelateerd aan de decretale voorwaarden inzake de verlaagde milieuheffing. Er is ook geen twijfel dat de woorden 'in een daartoe vergunde inrichting' in het afvalstoffendecreet in verband staat met de inrichting voor het storten en met de inrichting voor de verbranding. Een milieuvergunning moet dus voor de toepassing van de bepalingen van het afvalstoffendecreet i.v.m de verlaagde milieuheffing geen rubriek 2 voor de recyclage-activiteit hebben.
  19. Het productieproces en de recyclageresidu's, in verwijzing naar het arrest Mayer Parry en de EG-Verordening 259/
  20. Door Mayer Parry wordt metalen verpakkingsafval ingezameld, geïnspec- teerd, gecontroleerd op radioactiviteit, gesorteerd, gereinigd, versneden, gescheiden en vermalen door middel van een procédé. De rechter stelde vast dat Mayer Parry met de productie van klasse 3 B materiaal verpakkingsafval opnieuw verwerkt zodat daar een secundaire grondstof uit voortkomt die in de plaats van een primaire grondstof kan worden gebruikt, zoals ijzererts. Daaruit volgt dat niet bij voorbaat kan worden uitgesloten dat Mayer Parry metalen verpakkingsafval opnieuw verwerkt in een productieproces in de zin van artikel 3, punt 7, van richtlijn 94/62, te weten een proces gericht op de productie van nieuw materiaal of een nieuw product. Daar de High Court of Justice (England & Wales), Queen's Bench Division (Administrative Court) van oordeel is dat voor de beslechting van de bij hem aanhangige zaak regels van gemeenschapsrecht moeten worden uitgelegd, heeft hij besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken. Het arrest Mayer Parry Recycling van 19 juni 2003 heeft enkel betrekking op een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van het Hoog Gerechtshof van het Verenigd Koninkrijk. De inhoud van het arrest is een ad hoc benadering inzake omzetting van de Europese richtlijn in een concreet aanwijsbare zaak in het Verenigd Koninkrijk en kan dus niet veralgemeend worden toegepast op de zaak van Ugine&ALZ die valt onder de toepassing van de Vlaamse wetgeving in omzetting van de Eg-richtlijn. De Eg-Verordening 259/93 is ook niet van toepassing. Er wordt immers niet ingevoerd vanuit de walserij in Duitsland. Tevens willen we vragen om in afwachting van het antwoord van OVAM omtrent deze ontwikkelde argumentatie voor de toepassing van de verlaagde milieuheffing, de brief van 7 juli 2006 in te trekken. In de overtuiging U voldoende en correct te hebben geïnformeerd, verblijven wij (...)". 1.
  21. Op 20 juli 2006 antwoordt de verwerende partij als volgt : "milieuheffingstarief voor het storten van waterzuiveringsslib op de categorie 1-stortplaats van de NV Remo te Houthalen-Helchteren Geachte heren, We hebben uw brief van 11 juli 2006 goed ontvangen. Vooreerst willen we ons verontschuldigen indien onze brief van 7 juli 2006 U zou hebben verrast. Gelet op de geldende decretale bepalingen inzake milieuheffingen kon in onderhavige aangelegenheid een gedoogsituatie vanwege OVAM niet onbeperkt doorgaan, gegeven ook dat onze brief van 2 mei 2006 al ruim twee maand onbeantwoord was. Wat de in uw brief van 11 juli 2006 aangehaalde argumenten betreft merken we, aansluitend bij de argumentatie vermeld in onze brief van 2 mei 2006, het volgende op. VII-36.492-10/15 Wat het wettelijk kader betreft moet worden vastgesteld dat vanaf 2002 het gebruik van roestvrij staal niet meer is vermeld als basis voor het toepassen van een verlaagd tarief terwijl anderzijds de vermelde lijst van recyclageprocessen duidelijk een limitatief karakter heeft. Deze vaststelling blijft voor de OVAM doorslaggevend in haar beslissing om in het concreet geval niet langer de toepassing van het verlaagd tarief toe te staan. Wat betreft het aspect milieuvergunde situatie bepaalt artikel
  22. §
  23. 38/ tevens 'De te storten of verbranden restfractie moet na voorbehandeling kleiner zijn dan de hierna vermelde percentages welke moeten beschouwd worden ten opzichte van de totale aanvoer van de betreffende afvalstoffen op jaarbasis in de vergunde inrichting :'. Deze bepaling impliceert zeer duidelijk dat de 'inrichting voor het gebruiken of voorsorteren' vergund is voor de verwerking van afvalstoffen, meer concreet onder rubriek 2 van de indelingslijst van Vlarem. In gegeven omstandigheden, en los van het al dan niet concreet van toepassing zijn van het aangehaald arrest Mayer Parry Recycling van 19 juni 2003, kan het ook niet aannemelijk worden gemaakt dat de bepaling 'recyclageresidu's van bedrijven die afvalstoffen gebruiken of voorsorteren als grondstof voor de aanmaak van nieuwe producten' zo ruim kan worden geïnterpreteerd dat ook waterzuiveringsslib van het beitsen van gewalste staalplaat eronder kan worden gevat. Krachtens de huidige decretale bepalingen ziet de OVAM zich dan ook verplicht om de beslissing van 7 juli 2006 te handhaven". Dit is de tweede brief die volgens de verzoekende partij de bestreden beslissing bevat. 1.
  24. Op 26 juli 2006 antwoordt de verzoekende partij in de volgende bewoordingen : "Milieuheffing voor het storten van waterzuiveringsslib Uw brief dd. 20 juli 2006 (ontvangen op 24 juli 2006) met als referentie AB/AA/BT/06-06 Wij verwijzen naar bovenvermelde brief in antwoord op onze brief van 11 juli
  25. We betreuren het standpunt van OVAM met betrekking tot het tarief dat van toepassing is op het waterzuiveringsslib. Deze beslissing impliceert immers een aanzienlijke meeruitgave welke nadelig is voor onze concurrentiepositie. Onze firma is dan ook nogmaals verplicht het standpunt van OVAM nogmaals te betwisten waarbij wordt verwezen naar de argumenten ontwikkeld in onze vorige brieven. We zullen dan ook verplicht zijn om uw beslissing in rechte aan te vechten alsmede aan de NV Remo te vragen tegen de heffing in beroep te gaan. Wij hopen niettemin op een constructieve dialoog ten einde dit geschil alsnog in der minne te kunnen oplossen"; VII-36.492-11/15
  26. De ontvankelijkheid van het beroep 2.
  27. Overwegende dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift van oordeel is dat de Raad van State bevoegd is om van haar beroep tot nietigverklaring kennis te nemen; dat zij in dat verband uiteenzet dat haar beroep geen individuele beslissing betreft over een bezwaar van de heffingsplichtige tegen de milieuheffing, dat zij geen heffingsplichtige is en dat de verwerende partij ook niet de bestreden beslissing heeft genomen op een bezwaar van een heffingsplichtige, dat de verwerende partij integendeel met de bestreden beslissing aangeeft op welke wijze zij de bepalingen van artikel 47, § 2, 38/, van het afvalstoffendecreet interpreteert ten aanzien van recyclageresidu's afkomstig van een producent van roestvrij staal die roestvrij staalafval recycleert in zijn productieproces, dat niettegenstaande het feit dat de verwerende partij haar standpunt te kennen heeft gegeven in het dossier aangaande afvalstoffen afkomstig van de verzoekende partij, dit standpunt nochtans een algemene geldigheid heeft en dat de verwerende partij dit ook zal moeten toepassen op afvalstoffen afkomstig van andere producenten van roestvrij staal die zich in dezelfde of gelijkaardige omstandigheden bevinden, dat de bestreden beslissing bijgevolg een algemene strekking heeft en toegepast zal moeten worden op de hele sector van producenten van roestvrij staal; dat volgens de verzoekende partij de bestreden beslissing dan ook een eenzijdige administratieve beslissing is die het toepassingsgebied van een decretale bepaling interpreteert en aan die interpretatie rechtsgevolgen beoogt te geven, dat zij niet de heffingsplichtige is voor de milieuheffing die door de verwerende partij geheven wordt op het storten van afvalstoffen afkomstig van de verzoekende partij, dat op grond van artikel 47, § 1, van het afvalstoffendecreet de heffingsplichtige de uitbater is van de stortplaats, zodat de verzoekende partij niet beschikt over de mogelijkheid om binnen het raam van het afvalstoffendecreet de aldaar georganiseerde beroepsmiddelen aan te wenden tegen de heffing zelf, dat indien haar de toegang tot de Raad van State wordt ontzegd, zij voor de betwisting van de heffing aan het nieuwe tarief afhangt van bereidwilligheid van de uitbater van de stortplaats om een beroep of bezwaar in te dienen; 2.
  28. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord aanvoert dat de brieven van 7 en 20 juli 2006 betrekking hebben op subjectieve rechten en niet op objectieve rechten, dat die brieven in geen geval de interpretatie zijn van een decretale bepaling, dat zij in die brieven enkel vaststelt dat op het storten van het slib afkomstig uit de waterzuiveringsinstallatie van de verzoekende partij geen gunsttarief overeenkomstig artikel 47, § 2, 38/, van het VII-36.492-12/15 afvalstoffendecreet van toepassing is, dat de brieven kaderen in een discussie tussen partijen die reeds van oktober 2005 dateert, dat in het kader van die discussie ook de brieven van 7 en 20 juli 2006 dienen te worden bekeken, dat het in dezen duidelijk een geschil over subjectieve rechten betreft aangezien de verwerende partij geen enkele beoordelingsbevoegdheid met betrekking tot de toepassing van milieu- heffingstarieven heeft, dat een recht subjectief is indien de gevorderde prestatie "als een absolute verplichting verschijnt, waarmede wordt bedoeld een verplichting, die als onmiddellijk rechtsgevolg voortspruit uit direct werkende wettelijke of reglementaire voorschriften doordat de inhoud en de bestaansvoorwaarden van de verplichting volledig, in alle onderdelen door die voorschriften zijn bepaald en de toepassing van die regels het derhalve niet mogelijk maakt of zelfs toelaat dat door de overheid op één of ander punt nog een discretionaire appreciatie zou worden aangebracht", dat bij een objectief recht aan de overheid de keuze gelaten wordt om over de toepassing van een norm in een concreet geval te beslissen, dat inzake de toepassing van de regeling voorzien in artikel 47, § 2, van het afvalstoffendecreet de verwerende partij geen enkele appreciatiebevoegdheid heeft omdat wanneer aan de wettelijke voorwaarden van een bepaald heffingstarief wordt voldaan, het tarief zonder meer van toepassing is, dat de redenering van de verzoekende partij die van oordeel is niet over de mogelijkheid te beschikken enig beroepsmiddel aan te wenden tegen het milieuheffingstarief en dat wanneer haar de toegang tot de Raad van State wordt ontzegd, zij volledig afhangt van de NV REMO MILIEUBEHEER, niet wordt aanvaard aangezien overeenkomstig artikel 569, eerste lid, van het gerechtelijk wetboek de rechtbanken van eerste aanleg uitsluitend bevoegd zijn om kennis te nemen van de geschillen aangaande de toepassing van de belastingswet, dat de verwerende partij ten slotte in haar brief van 20 juli 2006 ook uitdrukkelijk heeft vermeld dat het om een individuele situatie ging; dat zij in ondergeschikte orde ook nog aanvoert dat de bestreden brieven zuiver declaratieve bestuurshandelingen zijn; 2.
  29. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord repliceert dat bezwaarlijk kan worden gesteld dat de verwerende partij louter over een gebonden bevoegdheid beschikte en dat het heffingstarief van artikel 47, § 2, 38/, van het afvalstoffendecreet met ingang van het heffingsjaar 2002 enkel van toepassing zou zijn op het storten van de uitdrukkelijk vermelde afvalstoffen afkomstig van selectieve inzameling en bijgevolg dat voornoemd artikel 47, § 2, 38/, van het afvalstoffendecreet enkel een limitatieve opsomming zou bevatten van de recyclageprocédés waarvan de residu's van het voordelige tarief zouden kunnen genieten; dat de verzoekende partij betoogt dat de beslissing dat VII-36.492-13/15 roestvrij staalafval volgens de appreciatie van de verwerende partij niet meer behoort tot de recyclageprocédés waarvan de residu's het voordelige tarief zouden kunnen genieten, dan ook een louter eenzijdige en discretionaire administratieve beslissing is die het toepassingsgebied van een decretale bepaling interpreteert en aan die interpretatie rechtsgevolgen beoogt te geven en geen loutere toepassing is van de norm van het objectief recht, dat door te stellen dat artikel 47, § 2, 38/, van het afvalstoffendecreet vereist dat de inrichting waarin de recyclageresidu's ontstaan, een milieuvergunning heeft om haar recyclageactiviteit uit te voeren, de verwerende partij haar appreciatiebevoegdheid te buiten gaat en geen loutere toepassing maakt van de norm van het objectief recht omdat artikel 47, § 2, 38/, van het afvalstoffendecreet niet vereist dat deze milieuvergunning dergelijke activiteit dekt en enkel vereist dat de inrichting "vergund" is, zodat het volstaat dat de inrichting waarin de recyclageresidu's ontstaan, een milieuvergunning heeft om haar globale activiteit uit te voeren; dat de verzoekende partij in haar laatste memorie nog benadrukt dat de bestreden beslissing wel degelijk rechtsgevolgen voor haar heeft die haar toestand nadelig beïnvloeden; 2.
  30. Overwegende dat het ingestelde beroep de nietigverklaring beoogt van de inhoud van twee brieven van respectievelijk 7 juli 2006 en 20 juli 2006; dat de brief van 7 juli 2006 verwijst naar eerdere briefwisseling waaruit zou blijken dat het verlaagde heffingstarief voor recyclageresidu's onterecht was toegepast voor het storten van waterzuiveringsslib afkomstig van de verzoekende partij en dat met ingang van het derde kwartaal 2006 voor het storten van dat slib op de catego- rie 1-stortplaats van de NV REMO MILIEUBEHEER te Houthalen-Helchteren het heffingstarief van artikel 47, § 2, 7/, van het afvalstoffendecreet zal worden toegepast; dat de brief van 20 juli 2006 uiteenzet dat vanaf 2002, het gebruik van roestvrij staal niet meer is vermeld als basis voor het toepassen van het verlaagd heffingstarief en dat de lijst van de recyclageprocessen duidelijk een limitatief karakter heeft; dat de verwerende partij in die brieven bijgevolg uitleg verstrekt over de milieuheffing die zij in uitvoering van artikel 47 van het afvalstoffendecreet oplegt aan de in dezen aangeduide heffingsplichtige, de NV REMO MILIEUBE- HEER te Houthalen-Helchteren, zodat die brieven feitelijk de motieven voor een individuele beslissing bevatten ten aanzien van die heffingsplichtige; dat zoals blijkt uit de feitelijke gegevens van de zaak, de in die brieven gevoerde uiteenzettingen reeds aan bod gekomen zijn in de briefwisseling die er aan is voorafgegaan; dat de motivering van een individuele administratieve rechtshandeling op zichzelf niet een handeling vormt die afzonderlijk voor de Raad van State kan worden bestreden, ook niet wanneer de aangekondigde beslissing rechtsgevolgen zal hebben voor de VII-36.492-14/15 verzoekende partij; dat de brieven van 7 juli 2006 en 20 juli 2006 alleen een standpunt van de verwerende partij weergeven, doch dat zij geen voor vernietiging vatbare akten zijn in de zin van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat overigens ook niet blijkt dat zij een soort omzendbrief of richtlijn zouden zijn waarin een hiërarchisch hogere overheid haar zienswijze te kennen geeft over de interpretatie van een verordenende bepaling, of dat de verwerende partij volgens een vastgelegde procedure uitspraak zou hebben gedaan over een aanvraag om met een algemene draagwijdte het toepassingsgebied van een reglementaire bepaling te omschrijven; dat beide brieven bijgevolg veeleer in de categorie van loutere inlichtingen van het bestuur moeten worden ondergebracht; dat het beroep bijgevolg als niet ontvankelijk moet worden afgewezen, BESLUIT: Artikel
  31. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  32. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien maart tweeduizend en negen, door : de H. L. HELLIN, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-36.492-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.658 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.