id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.659 Rolnummer: A. 137448/VII-29999 Zaak: Arrest 191659 - Milieuvergunningen - 19/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-27 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 23:10 Fiche Arrest nr 191.659 van 19 maart 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.659 van 19 maart 2009 in de zaak A. 137.448/VII-29.
- In zake : de stad HASSELT, die woonplaats kiest bij advocaat K. GEELEN, kantoor houdende te HASSELT, Gouverneur Roppesingel 131 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus
- tussenkomende partij : de NV HEIMA, die woonplaats kiest bij advocaat K. VAN WYNSBERGE, kantoor houdende te LEUVEN, Diestsevest
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de stad HASSELT op 2 juni 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 20 maart 2003 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg van 18 september 2002, houdende het verlenen aan de NV HEIMA van de milieuvergunning voor het verder exploiteren en veranderen van een pluimveebe- drijf, gelegen aan de Lummensekiezel 111 te Hasselt, ongegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gelet op het arrest nr. 124.300 van 16 oktober 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; VII-29.999-1/12 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partij; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 7 januari 2004 ingediend door de NV HEIMA; Gelet op de beschikking van 20 januari 2004 die de tussenkomst van de NV HEIMA toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. SOURBRON; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 12 januari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 februari 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. CAN die, loco advocaat K. GEELEN verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat S. CALLENS die, loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij en van advocaat K. VAN WYNSBERGE die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; VII-29.999-2/12
- De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Op 16 april 2002 dient de tussenkomende partij bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg een aanvraag in voor het verder exploiteren en veranderen, door uitbreiding en regularisatie, van een pluimveebe- drijf, gelegen aan de Lummensekiezel 111 te Hasselt, omvattende : - het lozen van 250 m3/jaar huishoudelijk afvalwater in de gracht; - stallen voor 35.000 legkippen; - de opslag van 15.000 liter mazout in een ondergrondse tank van 5.000 liter en een bovengrondse dubbelwandige tank van 10.000 liter; - een verdeelslang voor brandstoffen horende bij de bovengrondse opslagtank; - een opslagplaats voor 1.074 m3 dierlijke mest; - een grondwaterwinning met een debiet van 18 m3/dag en 7.000 m3/jaar. 1.
- Tijdens het openbaar onderzoek dat naar aanleiding van de vergunningsaanvraag wordt georganiseerd, worden klaarblijkelijk vijf schriftelijke bezwaren, waarvan twee collectieve, ingediend. De bezwaarindieners maken gewag van geur- en lawaaihinder en overlast door ongedierte ten gevolge van de exploitatie van de inrichting. 1.
- Met een besluit van 18 september 2002 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg de gevraagde vergunning voor een termijn die eindigt op 1 januari
- 1.
- Op 17 oktober 2002 stelt de verzoekende partij bij de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw beroep in tegen voornoemde vergunning. In het beroepschrift wordt gewezen op de hinder die de omwonenden van het vergunde pluimveebedrijf "sinds jaar en dag" ondervinden. Tevens wordt er op gewezen dat het verlenen van de milieuvergunning voor een exploitatie die nagenoeg aan de oever van de Demer gesitueerd is, een hypotheek legt op de natuurontwikkelings- plannen van het stadsbestuur met betrekking tot de Demervallei. Door de exploitant van de inrichting wordt eveneens beroep aangetekend. De omvang van dat beroep is evenwel beperkt tot de geldigheidsduur van de in eerste aanleg verleende vergunning. VII-29.999-3/12 1.
- In het kader van de beroepsprocedure worden vervolgens diverse adviezen uitgebracht die, op het advies van de afdeling Natuur na, alle gunstig zijn. 1.
- Op 20 maart 2003 worden de beroepen ongegrond verklaard en wordt de beroepen beslissing integraal bevestigd. Dit is het bestreden besluit;
- De ontvankelijkheid 2.
- Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst opwerpt dat de verzoekende partij niet beschikt over het rechtens vereiste belang bij het ingestelde beroep; dat zij dienaangaande stelt dat de verzoekende partij haar belang niet in het verzoekschrift heeft geëxpliciteerd en volgende twee bemerkingen formuleert : "Vooreerst is de bewoning die zich in de onmiddellijke nabijheid van het bedrijf bevindt uiterst beperkt en kan de hinder die beweerd wordt afkomstig te zijn van de exploitatie van het pluimveebedrijf niet als een probleem van 'de bevolking' worden bestempeld, doch hoogstens als een probleem van individu- en in wiens plaats de gemeente niet kan en niet vermag te treden. Het is om die reden geheel niet duidelijk welk belang de gemeente zou hebben, los van het individuele belang van de inwoners van de gemeente dat zou kunnen geschaad worden. Bovendien bedient de verzoekende partij zich van loutere overwegingen m.b.t. geurhinder en hinder door ongedierte, doch wordt daarvan geen enkele vaststelling voorgelegd. In de mate er daadwerkelijk sprake zou zijn van een ernstige mate van hinder zouden daarvan alleszins processen-verbaal van vaststelling moeten bestaan aangezien er kan verondersteld worden dat er door één of meerdere omwonenden in zulk geval regelmatig klacht zou zijn ingediend. De verzoekende partij wijst wat betreft de hinder naar het feit dat er in het verleden reeds grote problemen zouden geweest zijn. Nochtans is bij de behandeling van de aanvraag van de milieuvergunning zeer duidelijk aan bod gekomen dat de huidige exploitant absoluut werk maakt van een zorgvuldige exploitatie (...). Een loutere referentie naar de toestand uit het verleden - tijdens dewelke het bedrijf eveneens onder de NV Heima was ondergebracht doch door geheel andere personen werd uitgebaat - is in deze optiek volstrekt niet afdoende"; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord stelt dat zij instaat voor de algemene politie in haar gemeente, dat de uitbating twee problemen voor de bevolking stelt, met name geurhinder en de hinder door ongedierte, dat zij opkomt voor de realisatie van het door haar op haar grondgebied gevoerde milieubeleid, dat zich via individuele dossiers concretiseert, dat zij strenge vereisten stelt en zich tot doel stelt dat elke milieuvergunnings- plichtige inrichting zo weinig mogelijk hinder veroorzaakt, dat de Raad van State VII-29.999-4/12 reeds eerder oordeelde dat een gemeente een voldoende belang heeft wanneer zij meent dat een beslissing aangaande een vergunning haar milieubeleid doorkruist, dat er voor de Demervallei een project is opgestart waaraan zij deelneemt tot herstel van de ecologische waarde van deze vallei, dat dit herstel onmogelijk dreigt te worden indien de exploitatie van de kippenkwekerij verder loopt; 2.
- Overwegende dat een gemeente belang heeft bij een annulatiebe- roep gericht tegen een milieuvergunning voor een inrichting die op haar grondgebied is gelegen; dat de verzoekende partij eveneens administratief beroep heeft ingesteld tegen de in eerste aanleg verleende vergunning; dat ten slotte de mate van hinderlijkheid van de inrichting en het bewijs daarvan, de grond van de zaak betreffen en niet de ontvankelijkheid van het beroep; dat de exceptie wordt verworpen;
- Ten gronde 3.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in het eerste middel de schending aanvoert van artikel 17 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : de wet van 29 juli 1991), van de materiële motiveringsverplichting en van het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel; dat zij in essentie aanvoert dat de bestreden milieuvergun- ning werd verleend op grond van een onvoldoende en gebrekkige "milieukundige toetsing", doordat aan de exploitatie "belangrijke milieukundige bezwaren verbonden zijn, die de hinder voor mens en leefmilieu niet binnen aanvaardbare perken houdt, zodat een zorgvuldige overheid de betrokken vergunning niet had kunnen verlenen"; dat de verzoekende partij voorts de geurhinder, de hinder door ongedierte, de bedrijfsvoering van de tussenkomende partij in het verleden en het problematisch karakter van de verdere bedrijfsvoering voor de inrichting van de Demervallei en van de geplande bedrijfsomschakeling, toelicht; 3.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord vooreerst stelt dat, aangezien blijkt dat de verzoekende partij in staat is inhoudelijke kritiek uit te oefenen op de geformaliseerde materiële motieven van het bestreden besluit, dit bewijst dat zij de motieven kent en dat ten haren opzichte het doel van de formele motiveringsplicht is bereikt, zodat zij zich niet over een gebrek aan formele motivering kan beklagen, dat zij aldus "geen belangenschade" heeft geleden, dat de verwerende partij de milieuvergunningsaanvraag wel degelijk VII-29.999-5/12 milieuhygiënisch heeft getoetst, dat zij op een redelijke en zorgvuldige wijze tot de beslissing is gekomen, dat de vroegere klachten ten opzichte van de inrichting van de vorige eigenaar niet in aanmerking kunnen worden genomen, dat de milieuver- gunningsaanvraag een vermindering van de hinderlijke activiteiten tot voorwerp heeft, dat de inrichting in agrarisch, en dus in geschikt gebied ligt, dat de bewoning in de buurt is gelegen in woongebied met landelijk karakter, waardoor de drempel van hindergevoeligheid voor agrarische activiteiten hoger ligt, dat zij contact heeft genomen met de milieuambtenaar van de verzoekende partij en met de afdeling Milieu-inspectie; 3.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij repliceert dat artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 niet enkel bepaalt dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen, doch tevens dat deze "afdoende" moet zijn, dat het loutere gegeven dat de motivering niet afdoende is, volstaat om te besluiten tot de schending van de formele motiveringsverplichting; dat zij voorts in essentie opmerkt dat het vaststaande rechtspraak van de Raad van State is dat de overheid in het kader van het verlenen van een milieuvergunning moet overgaan tot een evaluatie van alle mogelijke risico's om te kunnen nagaan of deze tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt, dat alleen al uit het feit dat er 130 personen een bezwaar hebben ingediend, kan worden afgeleid dat de hinder als zeer ernstig werd ervaren en dat een louter telefonische aanvraag bij de milieuambtenaar en de afdeling Milieu- inspectie niet kan worden beschouwd als een voldoende evaluatie van alle mogelijke risico's; 3.1.
- Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst vooreerst wijst op het feit dat er geen enkel concreet element wordt aangevoerd waaruit blijkt dat de hinder voor de buurt overdreven zou zijn, noch een advies waaruit dit zou kunnen blijken; dat zij in essentie verwijst naar de gunstige adviezen die door de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumen- ten & Landschappen (hierna : AROHM), de afdeling Milieuvergunningen, de Vlaamse Landmaatschappij en de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie werden verstrekt, naar een subadvies van de afdeling Natuur en naar het bestreden besluit dat, volgens de tussenkomende partij, een antwoord biedt op alle argumenten van de verzoekende partij; VII-29.999-6/12 3.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij de draagkracht van de motieven die in het bestreden besluit worden opgegeven, bekritiseert; dat het middel, wat betreft de beweerde schending van de motiveringsverplichting, bijgevolg in die optiek wordt onderzocht; Overwegende dat met betrekking tot de beoordeling van de geurhinder, in het bestreden besluit wordt aangegeven dat de inrichting volgens het toepasselijke gewestplan is gelegen in agrarisch gebied, en, wat betreft de in het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II) bepaalde geurhindergevoelige gebieden, op "circa 450 m" van een woonuitbreidingsgebied ligt, op "meer dan 650 m" van een woongebied ander dan een woongebied met landelijk karakter, op "meer dan 650 m" van een recreatiegebied voor verblijfsrecreatie, op "meer dan 650 m" van een bosreservaat en op "meer dan 650 m" van een natuurgebied met wetenschappelijke waarde of natuurreservaat; dat in het bestreden besluit ook sprake is van "andere gebieden", waarmee een kleine strook woongebied met landelijk karakter, op een afstand van circa 40 meter van de vergunde inrichting, wordt bedoeld, waarin enkele vrijstaande woningen zijn gesitueerd; dat met betrekking tot de beperking van de hinder afkomstig van de exploitatie, in het bestreden besluit wordt verwezen naar de verschillende preventieve voorzieningen die de exploitant in de vergunningsaanvraag heeft vermeld; dat voor de beperking van de geurhinder in het bijzonder, de volgende maatregelen van belang blijken te zijn: de isolatie van de stallen en het zoveel als mogelijk gesloten houden ervan en de zorgvuldige exploitatie van de inrichting; dat daarenboven in het bestreden besluit het volgende wordt overwogen : "Overwegende dat de hinder veroorzaakt door een naburig veeteeltbedrijf geen bezwaar kan zijn voor onderhavige exploitatie; dat het bedrijf gelegen is in agrarisch gebied en de woningen van omwonenden in woongebied met landelijk karakter; dat het naburig gelegen woongebied bovendien gelegen is in zuidwestelijke richting, dus tegen de overheersende windrichting; dat voor het voorwerp van onderhavige aanvraag, mits een zorgvuldige bedrijfsvoering, de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau beperkt kan worden"; dat de verzoekende partij niet betwist dat de in het bestreden besluit vermelde gegevens betreffende de ligging van de inrichting feitelijk correct zijn, zodat niet valt in te zien in welk opzicht de verwerende partij bij haar feitengaring onzorgvul- dig zou zijn geweest; dat tevens wordt vastgesteld dat de verwerende partij voor de beoordeling van de geurhinder rekening heeft gehouden met alle ter zake relevante aspecten, zoals de afstand van de inrichting tot de naburige bewoning, de bestem- ming van de betrokken gebieden volgens het toepasselijke gewestplan, de VII-29.999-7/12 overheersende windrichting en de preventieve maatregelen die de exploitant in acht moet nemen om de hinder te beperken; dat de verwerende partij dan ook afdoende is ingegaan op het aspect geurhinder; dat in zoverre de verzoekende partij betoogt dat er sprake is van een "ernstige en permanente geurhinder", zij in essentie kritiek uitoefent op de appreciatie van de geurhinder door de vergunningverlenende overheid; dat de Raad van State zich evenwel niet in de plaats vermag te stellen van de vergunningverlenende overheid en enkel een kennelijk onredelijke uitoefening van de appreciatiebevoegdheid kan sanctioneren; dat bij de beoordeling van de vraag of de aan de exploitatie van een in agrarisch gebied gelegen landbouwbedrijf verbonden ongemakken de omgeving al dan niet overmatig zullen belasten, rekening wordt gehouden met het gegeven dat agrarische gebieden, precies omdat zij uitsluitend voor landbouw zijn bestemd, minder gevoelig zijn voor hinder voortvloeiend uit die exploitatie en dat om die reden een hogere tolerantiedrempel kan worden gevergd ten aanzien van ongemakken die voortspruiten uit agrarische activiteiten; dat de beoordeling van de geurhinder door de verwerende partij niet kennelijk onredelijk is; dat de enkele omstandigheid dat omwonenden naar aanleiding van het openbaar onderzoek klachten hebben geformuleerd, op zichzelf geen element vormt om te besluiten dat de hinder van de inrichting onaanvaardbare proporties aanneemt; dat overigens geen van die omwonenden zelf een beroep bij de Raad van State heeft ingesteld; Overwegende dat, aangaande de hinder veroorzaakt door ongedierte, het bestreden besluit overweegt dat dergelijke hinder veroorzaakt door vliegen, uit een éénmalig incident bestaat dat zich in 2001 heeft voorgedaan ten gevolge van een onzorgvuldigheid van de toenmalige exploitant; dat de verzoekende partij deze motivering niet aanvecht op grond van de formele of materiële motiveringsverplichting; dat geen van de door de verzoekende partij aangevoerde beginselen impliceert dat de vergunningverlenende overheid de milieuvergunning voor het verder exploiteren en veranderen van een bestaande inrichting moet weigeren, wanneer wordt vastgesteld dat zich in het verleden een éénmalig incident heeft voorgedaan dat geen verband houdt met de intrinsieke hinderlijkheid van de inrichting; dat door de bedrijfsvoering in het verleden toe te schrijven aan een vorige exploitant, in het bestreden besluit een deugdelijk motief wordt opgegeven waarom het standpunt van de verzoekende partij niet kan worden bijgevallen; dat wat de twijfel betreft omtrent de dierhygiënische omstandigheden waarin de kippen worden gehouden, inzonderheid rekening houdend met de vereiste minimale afmetingen van de legbatterijen, wordt verwezen naar de bespreking van het tweede middel; VII-29.999-8/12 Overwegende dat op het standpunt van de verzoekende partij dat de bedrijfsvoering van de tussenkomende partij in het verleden "geen toonbeeld (is) geweest van milieukundig beheer", het bestreden besluit antwoordt door de overweging dat "de door de vorige eigenaar van de inrichting veroorzaakte hinder niet kan worden in rekening gebracht bij de beoordeling van onderhavig dossier"; dat de in het middel geschonden geachte bepalingen en beginselen voor de vergunningverlenende overheid niet de verplichting inhouden om de milieuvergun- ning te weigeren om redenen die verband houden met de wijze waarop de inrichting in het verleden werd geëxploiteerd, zeker niet, wanneer zoals te dezen, de bedrijfsvoering waarvan sprake moet worden toegeschreven aan een vorige exploitant; dat aldus in het bestreden besluit een deugdelijk motief wordt opgegeven waarom het standpunt van de verzoekende partij niet kan worden bijgetreden; dat ook de omstandigheid dat de ondergrondse mestopslag in het verleden zou zijn geëxploiteerd zonder de vereiste milieu- en bouwvergunning, geen grond oplevert om de vergunning te weigeren; dat de regularisatie van de bestaande ondergrondse mestopslag overigens onderdeel uitmaakt van de vergunningsaanvraag die tot het bestreden besluit heeft geleid; dat het gegeven dat op het ogenblik dat het bestreden besluit werd genomen, de vereiste stedenbouwkundige vergunning voor de betrokken mestopslagplaats nog niet was verleend, evenmin een grond vormt voor het weigeren van de overeenkomstige milieuvergunning; Overwegende dat wat de toekomstige inrichting van de Demer- vallei betreft, de verzoekende partij niet aantoont dat de aanduiding van de Demervallei als een "open ruimte verbinding" in het ruimtelijk structuurplan Limburg een verordenend en bindend karakter heeft en dat individuele milieuver- gunningsaanvragen verplicht moeten worden getoetst aan de visies inzake ruimtelijke ordening die worden uitgedrukt in een ruimtelijk structuurplan; dat het bestreden besluit er bovendien op wijst dat de plannen inzake natuurontwikkeling van de Demervallei nog niet werden geconcretiseerd in definitieve besluiten en dat deze plannen aldus niet kunnen worden ingeroepen om de vergunning te weigeren; dat voornoemde motieven niet het voorwerp uitmaken van een inhoudelijke kritiek door de verzoekende partij; Overwegende dat met betrekking tot de eventuele omschakeling naar een scharrelkippenbedrijf, het bestreden besluit afdoende is gemotiveerd door de overweging dat "geen rekening kan worden gehouden met andere plannen waarover op dit moment geen zekerheid bestaan, zoals de omvorming van het VII-29.999-9/12 legkippenbedrijf tot een scharrel- of braadkippenbedrijf of de ombouw van de bestaande batterijen tot verrijkte kooien"; dat het eerste middel niet gegrond is; 3.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in het tweede middel de schending aanvoert van artikel 2 van het koninklijk besluit van 23 oktober 1989 betreffende de bescherming van legkippen in batterijen, van artikel 5 van de richtlijn 1999/74/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 juli 1999 tot vaststelling van minimumnormen voor de bescherming van legkippen, van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 en van het materieel motiveringsbeginsel, doordat het bestreden besluit vaststelt dat uit de aanvraag niet kan worden afgeleid wat de precieze kooioppervlakte is waarover elke legkip beschikt en de aanvraag geen informatie bevat over de kooien waarin de dieren worden gehouden; 3.2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord meent dat uit artikel 30bis, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I) blijkt dat de vergunningverlenende overheid de vergunning niet moet weigeren en a fortiori niet moet onderzoeken indien hierdoor een tegenstrijdigheid met een andere norm dan deze bepaald in Vlarem I of Vlarem II zou kunnen ontstaan, dat zij, door de conformiteit van de milieuvergun- ningsaanvraag met het voornoemde koninklijk besluit van 23 oktober 1989 niet na te gaan, geen enkele norm heeft geschonden; dat zij voorts stelt dat de voornoemde richtlijn nog niet is omgezet in intern recht zodat zij de minimumnormen die in de richtlijn zijn bepaald, niet kon opleggen, dat het middel, voorzover gebaseerd op de opmerking dat wanneer het bedrijf wel zou voldoen aan de minimumnormen, een uitbreiding van de bedrijfsoppervlakte noodzakelijk is, niet ontvankelijk is, aangezien niet duidelijk is in welke zin deze overweging enige norm schendt; 3.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord stelt dat bij het nemen van een individuele beslissing alle reglemen- taire bepalingen moeten worden gerespecteerd, dat het derhalve onmiskenbaar vaststaat dat de bepalingen van voornoemd koninklijk besluit van 23 oktober 1989 moeten worden nageleefd, dat het feit dat het niet duidelijk is of de kooien voldoen aan de normen bepaald in het koninklijk besluit van 23 oktober 1989, op zich reeds voldoende is om de schending vast te stellen, dat dit van des te groter belang is aangezien, indien het bedrijf wel zou voldoen aan de minimumnormen, een uitbreiding van de bedrijfsoppervlakte noodzakelijk is, wat onmogelijk is; VII-29.999-10/12 3.2.
- Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst betoogt dat de verzoekende partij zich beroept op een regelgeving die niet van rechtstreekse toepassing is en die bovendien nog geen uitvoering heeft gekregen door een implementatie ervan in het Belgische recht; dat zij verwijst naar artikel 21, § 1 tot en met § 8, van Vlarem I dat de verschillende beoordelingelemen- ten beschrijft die door de overheidsorganen, die advies moeten geven in het kader van een milieuvergunningsaanvraag, in overweging moeten worden genomen; dat de tussenkomende partij stelt dat nergens in deze opsomming het dierenwelzijn of de naleving van de huisvestingsnormen voor de verschillende diersoorten als beoordelingselement worden vermeld en dat zij voorts verwijst naar artikel 5.9.5.1 en volgende van Vlarem II inzake de berekening van de waarderingspunten van stallen strekkende tot het bepalen van de minimumafstanden die ten aanzien van hindergevoelige gebieden moeten worden gerespecteerd; dat zij van mening is dat het niet relevant is welke oppervlakte per dier er wordt gehanteerd en in die zin ook verwijst naar het arrest van de Raad van State nr. 99.484 van 4 oktober 2001; dat zij verder stelt dat de verzoekende partij niet duidelijk maakt hoe en op welke wijze het eventueel niet naleven van de minimum kooi-oppervlakte, risico's en nadelige effecten op het leefmilieu en de omwonenden zou kunnen veroorzaken, dat de schending van de motiveringsverplichting ook niet kan worden weerhouden aangezien de verwerende partij rekening heeft gehouden met de bepalingen van de genoemde richtlijn om de vergunningsduur te beperken tot 1 januari 2012; 3.2.
- Overwegende dat in het kader van een beroep tegen een milieuvergunning, de Raad van State reeds heeft geoordeeld dat artikel 4, § 1, van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren verplichtingen oplegt aan de houders van dieren en niet aan de overheid die moet oordelen over een milieuvergunningsaanvraag; dat het voornoemde koninklijk besluit van 23 oktober 1989, inmiddels opgeheven bij koninklijk besluit van 17 oktober 2005 tot vaststelling van de minimumnormen voor de bescherming van legkippen, zijn rechtsgrond vindt in de dierenbeschermingswet; dat ook de in het voornoemde koninklijk besluit opgelegde normen voor de minimumoppervlakte van batterijkooien zich rechtstreeks richten tot de houders van legkippen; dat naar analogie met de voornoemde rechtspraak van de Raad van State wordt vastgesteld dat het niet aan de overheid die over een milieuvergunningsaanvraag uitspraak moet doen, toekomt te controleren of de bedoelde normen door de aanvrager van de milieuvergunning kunnen worden nageleefd; dat a fortiori de milieuvergunning niet om die reden kan worden geweigerd; dat het bestreden besluit dan ook op dat vlak niet moet worden gemotiveerd; dat het tweede middel niet gegrond is, VII-29.999-11/12 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien maart tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-29.999-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.659 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.124.300 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div