id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.712 Rolnummer: A. 190105/X-13935 Zaak: Arrest 191712 - Plannen van aanleg - 23/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-27 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 23:40 Fiche Arrest nr 191.712 van 23 maart 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Verwerping Tussenkomst geweigerd Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.712 van 23 maart 2009 in de zaak A. 190.105/X-13.935. In zake : Patrick VANDEPITTE, die woonplaats kiest bij advocaten D. RYCKBOST en E. RYCKBOST, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat 80 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat Y. FRANCOIS, kantoor houdende te 8790 WAREGEM, Eertbruggestraat 10. tussenkomende partij : Marc WINDELS, die woonplaats kiest bij advocaat K. DECLERCQ, kantoor houdende te 8800 ROESELARE, Iepersestraat 5. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat Patrick VANDEPITTE op 24 oktober 2008 heeft ingediend, en waarin hij de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van het besluit van 28 augustus 2008 van de vice- ministerpresident van de Vlaamse regering en Vlaams minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende gedeeltelijke goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg “sectoraal BPA inzake zonevreemde economische activiteiten II” van de gemeente Hooglede, “in die mate dat geen goedkeuring wordt verleend aan de opname van deelplan 4 Vandepitte Patrick en de bijhorende voorschriften”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; X-13.935-1/9 Gelet op de beschikking van 29 januari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 februari 2009; Gelet op de beschikking van 4 februari 2009 waarbij de beschikking van 29 januari 2009 wordt ingetrokken en de terechtzitting bepaald wordt op 27 februari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. RYCKBOST, die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat E. CASTELEYN, die loco advocaat Y. FRANCOIS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat K. DECLERCQ, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Rechtspleging 1.1. Met een verzoekschrift van 18 december 2008 heeft Marc WINDELS gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. 1.2. Het inleidend verzoekschrift werd overeenkomstig artikel 3quater van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en artikel 7 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State (hierna: PRKG) bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 18 november 2008. Het verzoekschrift tot tussenkomst werd buiten de termijn van 15 dagen zoals voorzien in artikel 9 PRKG, neergelegd. 1.3. Het verzoek tot tussenkomst wordt afgewezen. X-13.935-2/9 2. Feiten 2.1. De verzoeker baat te Hooglede, aan de Hazelstraat 36, een inrichting uit voor het houden van varkens, de verkoop van veevoeder en mest- stoffen en de verhandeling van brandstoffen. 2.2. Volgens het bij koninklijk besluit van 17 december 1979 vastgestelde gewestplan Roeselare-Tielt is de inrichting gelegen in woongebied met landelijk karakter. 2.3. Op 5 juni 2000 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Hooglede aan de verzoeker een milieuvergunning voor de verandering door uitbreiding en toevoeging van zijn inrichting. In beroep, op 5 oktober 2000, weigert de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen de gevraagde verandering. 2.4. Op 16 december 2002 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Hooglede aan de verzoeker de gevraagde milieuvergunning voor een termijn van vijf jaar voor het veranderen van een inrichting, met name een uitbreiding door opslag van P3-producten en dierlijke mest, en een toevoeging door de opslag van motorolie, afvalolie en antigel. Op 24 april 2003 wordt het beroep van Marc WINDELS gegrond verklaard, de beslissing van het college van burgemeester en schepenen opgeheven en de milieuvergunning geweigerd. De deputatie overweegt onder meer dat de inrichting “vanuit juridische-planologisch oogpunt” niet kan worden aanvaard, “dat evenmin kan aangetoond worden dat met dit project de ruimtelijke draagkracht van het betreffende gebied niet wordt overschreden”, en dat de inrichting enkel als klein bedrijf verenigbaar zou kunnen worden geacht met de omgeving terwijl “de gevraagde opslag van gasolie ongeveer het drievoud is van wat destijds vergund was” en dat : “met de gevraagde uitbreiding een zonevreemd bedrijf gecreëerd lijkt te worden; dat de omvang van de inrichting en de opslaghoeveelheden maken dat de inrichting niet langer gerelateerd is aan de landbouw, maar wel naar puur ambachtelijke bedrijfsactiviteit zou evolueren; dat noch in de aanvraag, noch in de bestreden beslissing aannemelijk gemaakt wordt dat dergelijke inrichting nog verenigbaar kan genoemd worden met woonbestemming; dat een loutere intentieverklaring vanwege (
- de)gemeente om hiervoor een stedenbouwkundige oplossing uit te werken nog geen rechtsgrond biedt om nu zomaar een zonevreemde milieuvergunning af te leveren voor een uitbreiding; dat het vaste rechtspraak is van de Raad van State dat de inrichting moet beantwoorden aan X-13.935-3/9 de stedenbouwkundige voorschriften (of aan de wettelijke afwijkingsmogelijk- heden) op het moment dat beslissing moet genomen worden over de milieuver- gunningsaanvraag; dat hierboven is aangetoond dat het Provinciebestuur er moet van uitgaan dat de inrichting niet beantwoordt aan het vigerend gewest- planvoorschrift en dat op vandaag de aanvraag tot uitbreiding aan geen enkele stedenbouwkundige afwijkingsmogelijkheid beantwoordt”. Bij ’s Raads arresten nr. 124.563 van 23 oktober 2003 en nr. 176.819 van 14 november 2007 wordt de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging, respectievelijk het beroep tot nietigverklaring van dit besluit verworpen. 2.5. Op 21 december 2004 neemt de gemeenteraad van Hooglede de principebeslissing tot de opmaak van een sectoraal BPA zonevreemde bedrijven II, waaronder dat van de verzoeker, na de overweging “het betreft een organisch gegroeid bedrijf waarbij de nood zich opdringt naar een betere landschappelijke integratie van de bestaande bedrijfszetel”. 2.6. De deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen verleent op 9 januari 2008 advies over het voorontwerp, waarbij het deelplan voor het bedrijf van de verzoeker ongunstig wordt beoordeeld gezien “(d)e activiteiten van deze site (...) de draagkracht van de omliggende woonbuurt (overschrijden)”, er “een zekere overlast op de omgeving” is, en ook het ontbreken van een milieuvergunning voor de activiteiten “een bezwarend element” vormt. 2.7. De gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar verstrekt op 10 januari 2008 een ongunstig advies voor het deelplan dat betrekking heeft op het bedrijf van de verzoeker, waarbij onder andere gewezen wordt op de hinder die door de activiteiten veroorzaakt wordt en het niet vergund karakter van het bedrijf. 2.8. Met een besluit van 26 februari 2008 neemt de gemeenteraad van Hooglede het sectoraal BPA II zonevreemde bedrijven, bestaande uit 12 deelplannen, voorlopig aan. 2.9. Ter gelegenheid van het openbaar onderzoek worden drie bezwaarschriften ingediend, waaronder één dat betrekking heeft op het deelplan- Vandepitte, ingediend door Marc WINDELS. De GECORO van Hooglede verklaart op 14 april 2008 het bezwaar van Marc WINDELS gegrond en adviseert ongunstig om het deelplan met betrekking tot het bedrijf van de verzoeker op te nemen in het sectoraal BPA. X-13.935-4/9 2.10. Met een besluit van 22 april 2008 neemt de gemeenteraad van Hooglede het sectoraal BPA inzake zonevreemde activiteiten II definitief aan. De opname van het deelplan Vandepitte in het sectoraal BPA blijft behouden. 2.11. Op 29 mei 2008 verleent de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen ongunstig advies over het plangedeelte Vandepitte. 2.12. Met een besluit van 28 augustus 2008 van de Vlaamse minister bevoegd voor de ruimtelijke ordening wordt het sectoraal BPA inzake zonevreemde economische activiteiten II van de gemeente Hooglede goedgekeurd, met uitsluiting van onder meer het deelplan dat betrekking heeft op het bedrijf van de verzoeker met de volgende redengeving: “Overwegende dat Vandepitte Patrick (deelplan 4) niet vergund is voor de huidige functie, daardoor niet hoofdzakelijk vergund blijkt te zijn en moet aanzien worden als een nieuw bedrijf; dat de creatie van nieuwe zonevreemde bedrijven strijdig is met de principes van ruimtelijk structuurplan Vlaanderen en het provinciaal ruimtelijk structuurplan; dat de hinderlijkheid van de handel in brandstoffen en meststoffen, waaronder het mobiliteitsaspect, het woonklimaat van de omliggende woonomgeving negatief beïnvloedt; dat voorliggend plan geen uitdoofscenario inhoudt”. 3. Grondvoorwaarden voor de schorsing 3.1. Krachtens artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Artikel 17, § 3 van dezelfde wet bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen. Artikel 8, 3/ van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat het enig verzoekschrift dient te bevatten “een uiteenzetting van de feiten die van aard zijn aan te tonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, waarbij alle stukken worden gevoegd die het risico op dergelijk nadeel aantonen”. Uit deze bepalingen volgt dat de verzoeker in zijn verzoekschrift duidelijk en concreet moet aangeven waarin X-13.935-5/9 precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat hij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen hieromtrent geen rekening kan worden gehouden. 3.2. De verzoeker betoogt met betrekking tot de tweede schorsingsvoorwaarde dat zijn onderneming “op vandaag een onderneming uitmaakt dewelke systematisch en als gevolg van de agrarische en economische ontwikkelingen gewijzigd is naar de huidige configuratie”, “de onderneming bij oprichting niet onderhevig was aan de milieuvergunningsplicht” en hij “zich, op suggestie van de administratieve overheid, in regel heeft willen stellen en herhaaldelijk (...) is overgegaan tot het aanvragen van de aangegeven vergunningen, doch dat, in strijd met het vertrouwensbeginsel, zulks door de administratieve overheid telkenmale werd ontzegd”, en “In casu kan worden gewezen op de historiek van de onderneming, waaruit blijkt de bij de oprichting van de onderneming geen vergunningsplicht voorhanden was, gezien op de site reeds sinds 1869 de volgende handelsactiviteiten worden uitgeoefend: het houden van varkens, de verkoop van veevoeder, het verhandelen van brandstoffen en steenkolen en de exploitatie van een machinale maalderij en dat deze exploitatie in de loop der jaren in globale omvang ongewijzigd is gebleven, sommige deelactiviteiten zoals de mechanische maalderij werden beëindigd, andere deelactiviteiten zoals brandstoffenhandel die enkele decennia geleden vooral een kolenhandel was is verschoven naar vloeibare brandstoffen, dewelke nog steeds hoofdzakelijk geleverd worden aan omliggende landbouwbedrijven (voor de verwarming van serres en voor de voeding van tractoren en motoren). Stelselmatig, en als gevolg van de gewijzigde omstandigheden alsook op duidelijk suggestie van de administratieve overheid, werd door verzoekende partij overgegaan tot de aanvraag van de vereiste vergunningen, doch werd daarin steeds door dezelfde administratieve overheid herhaaldelijk van de vereiste vergunningen ontzegd. Ten aanzien van de evolutie en historiek van de vergunningssituatie van verzoekende partij, is het van belang te verwijzen naar de administratieve beslissingen gekoppeld aan de aanvraag van 5 juni 2000 enerzijds en van 16 december 2002 anderzijds”. De verzoeker argumenteert verder dat zijn eerste en zijn tweede milieuvergunningsaanvraag “ten onrechte (...) werd(
- en)geweigerd op basis van stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten die verband houden met de vermeende wederrechtelijk opgerichte constructies op het bedrijventerrein en in het bijzonder op de door de Stedenbouwkundige Inspecteur ingestelde herstelvordering” waardoor “in strijd met het door de overheid na te leven vertrouwensbeginsel, verzoekende partij steeds van het verlenen van een vergunning (werd) ontzegd, zodat verzoekende partij thans in een patstelling is verzeild geraakt” en “de situatie op X-13.935-6/9 heden van verzoekende partij (...) dan ook enkel op afdoende wijze (kan) worden ondervangen door het voorhanden zijn van een planologisch instrument teneinde de nodige omkadering te hebben bij het indienen van een vergunningsaanvraag voor de huidige exploitatie door verzoekende partij” en “Door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing waarin wordt besloten tot de niet-opname van het bedrijf van verzoekende partij in het sectoraal BPA van de gemeente Hooglede, zal verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel lijden in die zin dat het voortbestaan van de onderneming van verzoekende partij in gevaar dreigt te komen. Dergelijk nadeel wordt door de vaststaande rechtspraak van Uw Raad erkend als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel in de zin van artikel 17 § 2 eerste lid op de gecoördineerde wetten op de Raad van State (...). Uit bijgevoegd cijfermateriaal voor wat betreft 2006 enerzijds en voor wat betreft 2007 anderzijds, blijkt dat de onderneming van verzoekende partij voor het overgrote deel bestaat uit de handel in brandstoffen, en dat het precies deze handel is dewelke de leefbaarheid van de onderneming bepaalt (...). Van de totale inkomsten gegenereerd door verzoekende partij in 2006, zijnde een totaal van 2.956.685,04 EUR, bedraagt de handel in brandstoffen 2.359.009,65 EUR. Duidelijk is dat bij het wegvallen van deze exploitatie, de onderneming niet langer kan verder bestaan, gezien zulks een daling van 79% van de omzet zou impliceren. De resterende omzet verhindert een leefbare activiteit en noopt ontegensprekelijk tot een sluiting van de onderneming. Immers maken de eigenlijke landbouwactiviteiten slecht(
- s)een omzet uit van 50.389,98 EUR, met daaraan een totaalbedrag aan kosten verbonden van 70.671, 31 EUR waardoor duidelijk blijkt zelfs geen winst doch wel verlies zal worden geleden en de onderneming bijgevolg niet langer leefbaar zal kunnen worden gehouden. Van de totale inkomsten gegenereerd door verzoekende partij in 2007, zijnde een totaal van 3.106.151,32 EUR bedraagt de handel in brandstoffen 2.483.099,89 EUR. Ook hieruit kan worden afgeleid dat hij het niet langer aanhouden van dit onderdeel van de onderneming, deze niet langer leefbaar kan verder bestaan, gelet op het gegeven dat hierdoor de omzet met 80 % zou dalen. De resterende omzet kan niet instaan voor het voortbestaan van de onderneming gezien de eigenlijke landbouwactiviteiten ook in 2007 slechts een omzet uitmaken van 82.666,29 EUR waarvan 80.156,83 EUR kosten dienen te worden afgetrokken, wat resulteert in een winstmarge dewelke niet leefbaar is. De niet-opname van zijn bedrijf in het sectoraal BPA, waardoor de bovenstaande omzet in het kader van brandstofproductie niet langer kunnen worden gehaald, zal de onderneming niet langer leefbaar zijn”. De verzoeker laat nog gelden wat volgt: “Desbetreffend dient worden gewezen op het gegeven dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing ten aanzien van verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zal opleveren gezien in toepassing van artikel 19 vijfde lid CDRO het niet langer aan de gemeente Hooglede openstaat een nieuw sectoraal BPA op te stellen waardoor het zonevreemd bedrijf van verzoekende partij een ondersteunend planologisch kader kan worden geboden teneinde verdere uitbating tot zijn pensionering mogelijk te maken. Immers laat de wetgeving op de ruimtelijke ordening niet langer toe dat een gemeente na 1 mei 2008 zou overgaan tot de opmaak van een sectoraal X-13.935-7/9 bijzonder plan van aanleg, doch kan de gemeente enkel, na het definitief goedkeuren van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan en op het ogenblik dat desbetreffend consensus zal zijn bereikt, tot de opmaak van een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan waar de site van verzoekende partij desgevallend zou kunnen worden in geïntegreerd”. 3.3. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat het bedrijf van de verzoeker niet beschikt over de vereiste milieuvergunning en dat de weigeringsbesluiten dienaangaande definitief zijn ten aanzien van de verzoeker zodat hij daarop te dezen, ter adstruering van zijn nadeel, niet kan terugkomen door de wettigheid ervan te betwisten. De dreiging voor het bedrijf niet langer te kunnen voortbestaan of leefbaar te zullen zijn, vindt, afgezien van het bewijs en het louter financieel karakter ervan, niet haar rechtstreekse oorzaak in het bestreden besluit, maar in het eigen onrechtmatig handelen van de verzoeker door een bedrijf te exploiteren zonder daartoe over de vereiste voorafgaande vergunningen te beschikken. 3.4. Er dient te worden vastgesteld dat de uiteenzetting van de verzoeker geen aannemelijke concrete en precieze gegevens bevat die aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van Marc WINDELS in het administratief kort geding wordt afgewezen. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. X-13.935-8/9 Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de tussenkomst wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig maart 2009, door : de H. P. LEFRANC, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. P. LEFRANC. X-13.935-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.712 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.270 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div