← België

Arrest 191715 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.715 Rolnummer: A. 132339/X-11273 Zaak: Arrest 191715 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-02 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 23:29 Fiche Arrest nr 191.715 van 23 maart 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.715 van 23 maart 2009 in de zaak A. 132.339/X-11.

  1. In zake : de b.v.b.a. VAN DEN DRIESSCHE, die woonplaats kiest bij advocaat D. SOCQUET, kantoor houdende te 3080 TERVUREN-DUISBURG, Merenstraat 28 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat S. VAN GEETERUYEN, kantoor houdende te 1080 BRUSSEL, Leopold II laan
  2. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. VAN DEN DRIESSCHE op 24 januari 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 22 november 2002 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van haar beroep ingesteld tegen het besluit van 20 december 2001 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij de vergunning is geweigerd voor het regulariseren van uitgevoerde werken aan een handelsvestiging gelegen aan de Tervuursesteenweg te Bertem, op een perceel kadastraal bekend sectie A, nr. 254/e2; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 16 maart 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; X-11.273-1/11 Gelet op de beschikking van 7 januari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 januari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad S. DE TAEYE; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. DE DONCKER, die loco advocaat D. SOCQUET verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat E. BAILLIEN, die loco advocaat S. VAN GEETERUYEN verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  3. De feiten 1.
  4. Op 16 maart 1995 beslist de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant het administratief beroep van de verzoekende partij tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Bertem van 6 juli 1994 houdende de weigering van een vergunning tot het verbouwen van een bestaande boerderij, op een perceel grond gelegen in de Tervuursesteenweg en kadastraal bekend sectie A, nr. 254/k, m en v, te Bertem (Leefdaal), in te willigen “op basis van ... aangepaste plannen”. 1.
  5. Op 19 januari 2000 vraagt de verzoekende partij aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Bertem een bouwvergunning “voor regularisatie uitgevoerde bijwerken” aan voormeld goed. 1.
  6. Op 23 februari 2000 vraagt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Bertem aan de afdeling Wegen en Verkeer Vlaams-Brabant advies over de voormelde regularisatieaanvraag. X-11.273-2/11 1.
  7. Op 8 maart 2000 verleent de afdeling Wegen en Verkeer Vlaams-Brabant een negatief advies omdat “(h)et gebouw is getroffen door de hoekafschuining aan de rooilijn. De aangevraagde werken behoren niet tot de categorie van instandhoudings- en verfraaiingswerken”. 1.
  8. Op 22 maart 2000 verstrekt de gemachtigde ambtenaar een negatief advies over de aanvraag. In het voormelde advies wordt onder meer verwezen naar een voorwaardelijk gunstig advies van 6 juni 1994 van de afdeling Wegen en Verkeer Vlaams-Brabant met betrekking tot “de inplanting langs de gewestweg” en wordt terzake de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening het volgende gesteld : “De delen van de constructie, waarvoor de regularisatie wordt gevraagd betreft de gedeelten die in strijd met de op 16/03/1995 goedgekeurde plan werden opgericht. Het betreft in hoofdzaak de ruimten achteraan rechts (stock onderdelen/werkruimte motoren draaibank/het overbouwen van de oorspronkelijke binnenkoer). Boordeling van de goede ruimtelijke ordening Het ingediend project is omwille van de bestemming strijdig met de planologische voorschriften gevoegd bij het gewestplan Leuven i.c. artikel 11 en 15 van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen. De aanvraag voorziet de regularisatie van een uitbreiding van het op 16/03/1995 vergund bedrijf. Volgens art 166 § 1 van het decreet van 18/05/1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening is een uitbreiding van een bestaand vergund gebouw met uitzondering van woningbouw slechts toegelaten op voorwaarde dat de uitbreiding een noodzakelijk gevolg is van overeenkomstig het decreet van 28/06/1985 betreffende de milieuvergunning voorgeschreven algemene, sectoriele of bijzondere voorwaarden strekkende tot het bevorderen van de kwaliteit van het leefmilieu, of het noodzakelijk gevolg van een voorwaarde die betrekking heeft op de gezondheid van de mens opgelegd op advies van de bevoegde administratie... of kan een afwijking op de planologische voorschriften overwogen worden voor het verbouwen van een bestaand vergund gebouw, met uitsluiting van verkrotte gebouwen, binnen het bestaande bouwvolume. Aangezien aan de voorwaarden voor de toepassing van de uitzonderingsbepaling niet voldaan is kan een afwijking op de planologische voorschriften niet overwogen worden. De uitbreiding is niet het gevolg van een voorwaarde die werd opgelegd in de milieuvergunning terwijl uit de uitvoering der werken kan afgeleid worden dat het om verkrotte gebouwen ging. Bovendien werd het oorspronkelijke volume uitgebreid. Algemene conclusie: Het ingediende ontwerp is omwille van de bestemming in strijd met art. 11 en 15 van het K.B. van 28/12/1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen. BESCHIKKEND GEDEELTE Advies: X-11.273-3/11 ONGUNSTIG en besluit ik om bovenvernoemde redenen tot weigering van de bouwvergunning”. 1.
  9. Ingevolge het voormelde negatief advies van de gemachtigde ambtenaar weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Bertem op 27 maart 2000 de gevraagde regularisatievergunning. 1.
  10. Tegen de voormelde beslissing dient de verzoekende partij een administratief beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant. Hangende het voormelde beroep vraagt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Bertem opnieuw een advies aan de afdeling Wegen en Verkeer Vlaams-Brabant, dat op 29 januari 2001 wordt verstrekt en luidt als volgt : “Ingevolge voormelde aanvraag, deel ik u mee dat, wat de afdeling Wegen en Verkeer Vlaams-Brabant betreft, de vergunning tot het verbouwen van bedoeld gebouw alleen kan toegestaan worden bij toepassing van artikel 100, § 5 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 18 mei
  11. Het gebouw in kwestie bevindt zich namelijk in uitsprong op de rooilijn en op de hoekafschuining van deze rooilijn (zie uittreksel van het rooilijnplan K. 1291 als bijlage). De toepassing van bovengenoemd artikel 100, § 5 houdt in dat de eigenaars, in geval van onteigening na méér dan vijf jaar na de afgifte van de bouwvergunning, afzien van de waardevermeerdering die het goed ondergaat als gevolg van de werkzaamheden waarvoor de vergunning wordt aangevraagd. Zo de betrokkene hiermee instemt, dient hij zijn bouwaanvraag te hernieuwen, vergezeld van een verbintenis (in zes exemplaren) naar bijgaand model, behoorlijk gedag- en genaamtekend en voorafgaandelijk ter registratie neergelegd. Het bouwdossier dient tevens te bevatten :
  12. De plans met aanduiding van de bestaande en de te verwezenlijken toestand (in viervoud)
  13. Een beschrijvende staat van de plaatsten in hun huidige toestand (in viervoud) opgemaakt en ondertekend door de aangestelde architect.
  14. Een meetstaat van de aan te brengen wijzigingen (in viervoud) eveneens opgesteld door de bevoegde architect. Na onderzoek van het dossier, zal de afdeling Wegen en Verkeer Vlaams- Brabant, een ontwerp akte tot mildering van de wettelijke erfdienstbaarheid van non-aedificandi opmaken en dient de aanvrager van de verbouwingswerken een notaris van zijn keuze kenbaar te maken aan voormelde afdeling, zodat deze akte verleden kan worden”. 1.
  15. Bij brief van 29 januari 2001 zendt de afdeling Wegen en Verkeer Vlaams-Brabant aan de raadsman van de verzoekende partij een afschrift van het voormeld advies. X-11.273-4/11 1.
  16. Op 20 december 2001 beslist de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant het beroep van de verzoekende partij tegen de voormelde weigeringsbeslissing niet in te willigen. In deze beslissing wordt onder meer verwezen naar “het ongunstig advies van de afdeling Wegen en Verkeer Vlaams-Brabant d.d. 8 maart 2000, gezien het feit dat het gebouw getroffen is door de hoekafschuining van de rooilijn” en wordt onder meer het volgende overwogen : “Overwegende dat de omzendbrief RO/96/3 betreffende de in te winnen adviezen bij bouwvergunningen bepaalt dat voor aanvragen langs gewestwegen het advies van de afdeling Wegen verplicht is en de overheid zich naar dit advies gedraagt; dat in bijkomende orde het negatief advies van de afdeling Wegen niet kan genegeerd worden; Overwegende dat de bestendige deputatie in vergadering van 14 november 2000 besloten heeft om zijn beslissing uit te stellen om de beroepsindiender in de gelegenheid te stellen een geregistreerde notariële akte voor te leggen waarbij wordt afgezien van de meerwaarde van het gebouw; dat na ontvangst van deze documenten, het dossier met een positief voorstel (met uitzondering van de overdekking) opnieuw ter beslissing kan voorgelegd worden; Overwegende dat de bestendige deputatie tot op heden nog niet in het bezit gesteld is van de betreffende akte, dat het beroepsschrift dan ook niet kan bijgetreden worden, aangezien het ingediend ontwerp in strijd is met de in het gewestplan voorziene bestemming, gezien het hier een zonevreemd bedrijf betreft; dat artikel 166 van het decreet van 18 juni 1999 niet kan toegepast worden, gelet op het feit dat niet kan bewezen worden dat het gebouw verkrot was op het moment van de vergunningsaanvraag; dat het ingediend project derhalve de goede stedenbouwkundige aanleg van de omgeving in het gedrang brengt en dientengevolge het weigeringsbesluit d.d. 27 maart 2000 van het college van burgemeester en schepenen van BERTEM terecht is en bevestigd dient te worden”. 1.
  17. In zijn beroep bij de verwerende partij stelt de verzoekende partij onder meer het volgende : “Voor wat betreft het negatief advies van de afdeling Wegen waarnaar wordt verwezen in het bestreden besluit dient opgemerkt dat al de nodige stukken reeds 1994 aan de betrokken diensten werden overgemaakt. Bij schrijven van 16 mei 1994 heeft de gemeente Bertem al de hiertoe vereiste documenten overgemaakt aan de bevoegde dienst van het ministerie van de Vlaamse gemeenschap, Administratie Wegeninfrastructuur en Verkeer, inclusief de verklaring van verzoeker waarbij uitdrukkelijk wordt afgezien van de meerwaarde van het gebouw. Deze documenten waren ten andere noodzakelijk in het kader van de door de Bestendige Deputatie op datum van 16 maart 1995 afgeleverde bouwvergunning. Ondanks alle nodige inspanningen is de verzoekende partij er tot op heden echter vooralsnog niet in geslaagd opnieuw diezelfde documenten finaal te laten opnemen in een akte van afstand”. X-11.273-5/11 1.
  18. Op 22 november 2002 wordt de bestreden beslissing genomen.
  19. Over de gegrondheid van het beroep - enig middel 2.
  20. Het aangevoerde enig middel De verzoekende partij neemt een enig middel uit de schending van “de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het redelijkheidsbeginsel en uit de schending van de motiveringsverplichting zoals omschreven in de bepalingen van de artikelen 2 en 3 van de wet van 19 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 53, § 3 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, als tevens uit de schending van artikel 100, 111 § 5 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals gewijzigd” : “Toelichting De regularisatieaanvraag van verzoekster wordt in deze door de minister definitief geweigerd omwille van de aanwezigheid van het ongunstig advies van 8 maart 2000 van de afdeling Wegen en Verkeer; Inzonderheid stelt de minister in het bestreden besluit dat het beroep moet worden verworpen om reden van het ongunstig advies van de afdeling Wegen en Verkeer; De minister stelt aldus dat het om een bindend advies gaat dat dwingend dient gevolgd te worden; In het bestreden besluit verwoordt de minister dit als volgt: ‘(...) Overwegende dat het ongunstig advies van de afdeling Wegen en Verkeer, in tegenstelling tot wat werd beweerd door de bestendige deputatie, van primordiaal belang is voor de beoordeling; dat een dergelijk ongunstig advies, conform het artikel 111, §5 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, bindend is voor de vergunningverlenende overheid, zo dit advies werd ontvangen binnen dertig dagen na verzending van de adviesaanvraag; dat het advies door het college van burgemeester en schepenen werd gevraagd op 23 februari 2000; dat het advies van de afdeling Wegen en Verkeer dateert van 8 maart 2000 en dus werd bekomen ruim binnen voornoemde termijn van 30 dagen; dat derhalve het bindend ongunstig advies noopt tot de weigering van de vergunning; dat het beroep van de particulier bijgevolg moet worden verworpen; (...’); Artikel 111, §5 bepaalt: Voor de volgende aanvragen worden steeds adviezen ingewonnen, die bindend zijn, voor zover ze negatief zijn of voorwaarden opleggen: 1/ aanvragen voor percelen gelegen langs gewestwegen, worden voor advies voorgelegd aan de administratie die de weg beheert; (...) Deze adviezen dienen steeds binnen dertig dagen na ontvangst van de adviesaanvraag verstuurd te zijn naar het college van burgemeester en schepenen. Wanneer geen advies is verleend binnen die termijn, mag aan de adviesvereisten worden voorbijgegaan. X-11.273-6/11 Dat dit advies van 08 maart 2000 aan verzoekster geenszins werd betekend, samen met het bestreden besluit, doch dit advies klaarblijkelijk de basis vormt voor de weigering van de stedenbouwkundige vergunning; In het bestreden besluit wordt dienaangaande vermeld: ‘Overwegende dat de afdeling Wegen en Verkeer Vlaams-Brabant op 08 maart 2000 een ongunstig advies heeft geformuleerd omdat het gebouw is getroffen door de hoekafschuining aan de rooilijn (hoek Tervuursesteenweg met de Everbergsesteenweg) en de aangevraagde werken niet behoren tot de categorie van instandhoudings- en verfraaiingswerken; dat inzake de vorige procedure (vergunning bij de bestendige deputatie d.d. 16 maart 1995 zoals eerder omschreven) een voorwaardelijk gunstig advies werd geformuleerd.(...)’; Een bindend advies houdt in dat de overheid die het advies dient te vragen gehouden is het advies over te nemen in het besluit en aldus het advies niet naast zich kan neerleggen op grond van een ‘eigen’ redengeving; Het decreet stelt wat dit betreft duidelijk dat het advies in deze dient gevraagd te worden en dat de overheid het dient op te volgen zo dit negatief is of voorwaarden oplegt. Feit is echter dat zo de overheid vaststelt dat het advies niet correct is, zij het advies opnieuw kan overmaken aan de bevoegde administratie met het verzoek het dossier opnieuw te onderzoeken. Dit is in deze niet zonder belang gelet op het feit dat alle andere aangevraagde adviezen klaarblijkelijk gunstig zijn. Zo heeft het college van burgemeester en schepenen in haar zitting van 11 februari 2002 naar aanleiding van het hoger beroep een gunstig advies verleend. Ook de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer, afdeling Land verleende op datum van 15 maart 2000 het volgende gunstig advies: ‘De aanvrager wenst uitgevoerde werken aan een tuinbouwmachinebedrijf, te laten regulariseren. Het gebouw is gelegen aan een samenkomst van wegen, langs een drukke verkeersweg, met achterliggend agrarisch gebied. De kleine uitgevoerde verbouwing binnen het bouwvolume van het bedrijfsgebouw, veroorzaakt geen bijkomende schade aan de agrarische structuren. Gezien de ligging en de aard van de verbouwing is er, uit landbouwkundig standpunt en uit oogpunt van een goede landinrichting geen bezwaar tegen de aangevraagde regularisatie’. Tijdens het openbaar onderzoek, gehouden van 31 januari 2000 tot 14 februari 2000 werden er geen bezwaarschriften ingediend; Uit het bestreden besluit blijkt vooreerst niet dat het advies van de afdeling Wegen en Verkeer, zonder meer, een ongunstig advies betreft, immers het advies is niet bijgevoegd. Dit houdt op zich reeds een schending in van de voorgeschreven motiveringsverplichting; Vervolgens dient de overheid bij het nemen van haar beslissing, zich uiteraard te stoelen op het meest recente advies van de desbetreffende administratie. Zo verwijst de minister terecht naar het advies van 11 februari 2002 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Bertem, geformuleerd naar aanleiding van het hoger beroep, doch laat hij na te verwijzen naar het advies van 29 januari 2001 van de afdeling Wegen en Verkeer Vlaams-Brabant; Dit advies is aldus gegeven op vraag van de gemeente, conform de voorgeschreven procedure, alvorens de bestendige deputatie in deze uitspraak heeft gedaan; De bestendige deputatie, doch voorzeker de minister had zich desgevallend dienen uit te spreken, niet over het ongunstig advies van 08 maart 2000, doch op het voorwaardelijk gunstig advies van 29 januari
  21. X-11.273-7/11 In dit advies aan het college van burgemeester en schepenen stelt de administratie afdeling Wegen en Verkeer Vlaams-Brabant (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap) hetgeen volgt: ‘(...) Ingevolge voormelde aanvraag, deel ik u mee dat, wat de afdeling Wegen en Verkeer Vlaams-Brabant betreft, de vergunning tot het verbouwen van bedoeld gebouw alleen kan toegestaan worden bij toepassing van artikel 100, §5 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 18 mei
  22. Het gebouw in kwestie bevindt zich namelijk in uitsprong op de rooilijn en op de hoekafschuining van deze rooilijn (zie uittreksel van het rooilijnplan K.1291 als bijlage). De toepassing van bovengenoemd artikel 100, §5 houdt in dat de eigenaars, in geval van onteigening na méér dan vijf jaar na de afgifte van de bouwvergunning, afzien van de waardevermeerdering die het goed ondergaat als gevolg van de werkzaamheden waarvoor de vergunning wordt aangevraagd. Zo de betrokkene hiermee instemt, dient hij zijn bouwaanvraag te hernieuwen, vergezeld van een verbintenis (in zes exemplaren) naar bijgaand model, behoorlijk gedag- en genaamtekend en voorafgaandelijk ter registratie neergelegd. Het bouwdossier dient tevens te bevatten:
  23. De plans met aanduiding van de bestaande en de te verwezenlijken toestand (in viervoud)
  24. Een beschrijvende staat van de plaatsen in hun huidige toestand (in viervoud) opgemaakt en ondertekend door de aangestelde architect.
  25. Een meetstaat van de aan te brengen wijzigingen (in viervoud) eveneens opgesteld door de bevoegde architect. Na onderzoek van het dossier, zal de afdeling Wegen en Verkeer Vlaams-Brabant, een ontwerp akte tot mildering van de wettelijke erfdienstbaarheid van non-aedificandi opmaken en dient de aanvrager van de verbouwingswerken een notaris van zijn keuze kenbaar te maken aan voormelde afdeling, zodat deze akte verleden kan worden.’; Naar dit advies wordt in het bestreden besluit zelfs niet verwezen. Hierbij dient tevens verwezen te worden naar het voorwaardelijk gunstig advies dat de afdeling Verkeer en Wegen heeft uitgebracht naar aanleiding van de door de bestendige deputatie afgeleverde bouwvergunning dd. 16.03.1995; Met name werd op datum van 14 maart 1994 door de afdeling Wegen en Verkeer een voorwaardelijk gunstig advies uitgebracht: ‘Ingevolge voormelde aanvraag, heb ik de eer u mede te delen, dat wat het Bestuur der Wegen betreft, de vergunning tot het verbouwen van het getroffen gebouw alleen kan toegestaan worden bij toepassing van artikel 50, tweede lid van de wet van 29 maart 1962, gewijzigd bij de wetten van 22 april en 22 december 1970, houdende organisatie van de stedebouw en de ruimtelijke ordening. Het gebouw welke wordt verbouwd bevindt zich namelijk in uitsprong op de rooilijn en op de hoekafschuining van deze rooilijn (zie uittreksel uit het rooilijnplan in bijlage). De toepassing van bovengenoemd artikel 50, tweede lid houdt in dat de eigenaars, in geval van onteigening na méér dan vijf jaar na de aflevering van de bouwvergunning, afzien van de waardevermeerdering die het goed ondergaat als gevolg van de werken waarvoor de vergunning wordt aangevraagd. Zo betrokkene hiermee instemt, dient hij bij zijn bouwaanvraag een verbintenis (in zes exemplaren) naar bijgaand model, behoorlijk gedag- X-11.273-8/11 en genaamtekend en voorafgaandelijk ter registratie neergelegd toe te voegen. Het bouwdossier dient tevens te bevatten:
  26. De plans met aanduiding van de bestaande en de te verwezenlijken toestand (in tweevoud).
  27. Een beschrijvende staat van de plaatsen in hun huidige toestand (in tweevoud) opgemaakt en ondertekend door de aangestelde architect.
  28. Een meetstaat van de aan te brengen wijzingen (in tweevoud), eveneens opgesteld en genaamtekend door de bevoegde architect. Na onderzoek van het dossier zal door het Bestuur van de stedebouw een ontwerpakte tot mildering van de wettelijke erfdienstbaarheid van non-aedificandi opgemaakt worden, en zal de aanvrager van de bouwwerken een notaris van zijn keuze dienen kenbaar te maken, zodat deze akte kan verleden worden.’; Zoals moge blijken uit de bij het bundel gevoegde stukken, werd het volledige dossier door tussenkomst van de architect van de verzoekende partij overgemaakt aan de gemeente en heeft de gemeente Bertem dit alles bij schrijven van 16 mei 1994 overgemaakt aan de bevoegde administratie van de Vlaamse Gemeenschap, afdeling Wegen en Verkeer. De bouwvergunning voor de inrichting van de verzoekende partij werd toegekend op datum van 16 maart 1995; Jaren later geeft de administratie Wegen en Verkeer op datum van 08 maart 2000 blijkbaar een ongunstig advies en nadien op datum van 29 januari 2001 een voorwaardelijk gunstig advies ingevolge het feit dat er door haar eigen administratie geen gevolg werd toegekend aan het - op verzoek van de administratie - ingediende dossier. Dat dit niet echt getuigt van behoorlijk bestuur en aldus de in dit middel aangehaalde beginselen als gegrond weerhouden dienen te worden; Als sluitstuk deelt de afdeling Wegen en Verkeer bij schrijven van 15 januari 2002 aan de gemeente Bertem nog mee dat aangezien de werken waarvoor een regularisatieaanvraag werd ingediend (overdekking van een binnenkoer en het heropbouwen van een aantal bijgebouwtjes) niet in aanmerking komen voor een stedenbouwkundige vergunning, is mijn afdeling van oordeel dat de verdere uitwerking van de procedure van art. 100 geen zin meer heeft. Mag ik u verzoeken de aanvrager hiervan in kennis te stellen.’ ; Het is echter, zoals tevens uitdrukkelijk gesteld door de ambtenaar van het ministerie naar aanleiding van de hoorzitting voor de minister, vooralsnog niet de dienst Verkeer en Wegen die dient of kan oordelen omtrent de vergunbaarheid van de inrichting. Feit is dat de minister dus ongelijk heeft waar hij stelt dat de bestendige deputatie geen beoordelingsbevoegdheid meer heeft ingevolge het gegeven advies van de afdeling Wegen en Verkeer. Immers, indien een bindend advies manifest onjuist is dient de overheid haar beslissing niet te steunen op dit advies doch dient zij het dossier voor een behoorlijk advies opnieuw over te maken aan de bevoegde dienst. In deze heeft de minister zich daarenboven gestoeld op een eerder ongunstig advies en niet op het latere voorwaardelijk gunstig advies en heeft hij evenmin rekening gehouden met het voorwaardelijk gunstig advies uitgebracht in functie van de toegekende bouwvergunning van 16 maart 1995; Daarenboven heeft de minister geen uitvoering gegeven aan de invulling van de voorwaarden van het eigen advies bij de vergunning van 16 maart 1995, immers het volledige dossier werd ingediend doch hieraan werd door de minister geen enkel gevolg toegekend. De minister moet duidelijk de met de plaatselijke aanleg of ruimtelijke ordening verband houdende redenen opgeven waarop hij zijn beslissing steunt, X-11.273-9/11 derwijze dat blijkt of hij is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juiste zijn, of hij die correct heeft beoordeeld, en of hij op grond daarvan in redelijkheid tot het bestreden besluit is kunnen komen, hetgeen ten deze klaarblijkelijk niet is gebeurd; Dat de aldus aangehaalde middelen als gegrond dienen weerhouden te worden”. 2.
  29. Beoordeling 2.2.
  30. Artikel 111, § 5, eerste lid, 1/ van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : DRO) zoals dit toentertijd gold, luidt als volgt: “Voor de volgende aanvragen worden steeds adviezen ingewonnen, die bindend zijn, voor zover ze negatief zijn of voorwaarden opleggen: 1/ aanvragen voor percelen gelegen langs gewestwegen, worden voor advies voorgelegd aan de administratie die de weg beheert”. 2.2.
  31. Het op 8 maart 2000 door de afdeling Wegen en Verkeer Vlaams- Brabant aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Bertem verstrekte advies diende de verzoekende partij niet betekend te worden. Het bestreden besluit vermeldt voorts uitdrukkelijk dat het advies ongunstig is “omdat het gebouw is getroffen door de hoekafschuining aan de rooilijn (hoek Tervuursesteenweg met de Everbergsesteenweg) en de aangevraagde werken niet behoren tot de categorie van instandhoudings- en verfraaiingswerken” en vermeldt derhalve duidelijk de strekking en de inhoud van dit advies. 2.2.
  32. In toepassing van artikel 111, § 5 DRO volstond het negatief advies van 8 maart 2000 van de afdeling Wegen en Verkeer Vlaams-Brabant om de aanvraag te weigeren en dit ongeacht het voorwaardelijk gunstig advies van 29 januari 2001 van de voormelde afdeling, dat door het college van burgemeester en schepenen werd gevraagd toen dit, ingevolge het beroep bij de bestendige deputatie, daartoe niet langer bevoegd was. 2.2.
  33. De omstandigheid dat tijdens het openbaar onderzoek geen bezwaren werden ingediend, dat het college van burgemeester en schepenen op 11 februari 2002 en de afdeling Land op 15 maart 2000 een gunstig advies hebben verleend en dat de Administratie Wegeninfrastructuur en Verkeer, Buitendienst Vlaams-Brabant, met betrekking tot een eerdere aanvraag op 14 maart 1994 een voorwaardelijk gunstig advies heeft verstrekt, toont niet aan dat het meer vermelde X-11.273-10/11 advies van 8 maart 2000 “niet correct” zou zijn en het op dit advies gesteunde weigeringsmotief ongeldig. Het middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  34. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  35. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig maart 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-11.273-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.715 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.